← België

Arrest 198869 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Reglementen - 14/12/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.869 Rolnummer: A. 118882/IX-3283 Zaak: Arrest 198869 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Reglementen - 14/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-23 Raadplegingen: 201 - laatst gezien 2026-07-01 23:32 Fiche Arrest nr 198.869 van 14 december 2009 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Reglementen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 198.869 van 14 december 2009 in de zaak A. 118.882/IX-3283 In zake: Henri BEYNSBERGER wonend te Bree Gerkenbergstraat 68 tegen:

  1. de VLAAMSE MILIEUMAATSCHAPPIJ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rudi Lecoutre kantoor houdend te Antwerpen De Damhouderestraat 13
  2. de NV AQUAFIN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te Brussel Ninoofsesteenweg 643 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 29 maart 2002, strekt tot de nietigverkla- ring van “de beslissing van onbekende datum om [Henri BEYNSBERGER] met ingang van 4 februari 2002 met thuiswerk te belasten met als eerste taak het lezen, het schriftelijk samenvatten van de cursus opleiding nieuwe operatoren en het opmaken per hoofdstuk van 10 vragen en antwoorden hierop”. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Bij arrest nr. 113.108 van 2 december 2002 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. IX-3283-1/13 De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld. De verwerende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 december
  5. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ingrid Martens, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Liesbeth Peeters, die loco advocaat Isabelle Cooreman verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. De verzoeker is ten tijde van de bestreden beslissing vastbenoemd ambtenaar met de graad van technicus bij de Vlaamse Milieumaatschappij (hierna: VMM). Ingevolge de overname van de exploitatie van de rioolwater- zuiveringsinfrastructuur door de NV Aquafin wordt de verzoeker vanaf 1 januari 1994 samen met een aantal andere personeelsleden van de VMM functioneel ter beschikking gesteld van de NV Aquafin, op basis van de machtiging die daartoe IX-3283-2/13 werd verleend bij artikel 56 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting
  8. Krachtens een overeenkomst van 24 december 1993 tussen de VMM en de NV Aquafin behouden de personeelsleden die ter beschikking zijn gesteld van de NV Aquafin, de statutaire rechtstoestand en blijven zij onderworpen aan de wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen die de rechtspositie vaststellen van de in vast dienstverband benoemde personeelsleden van de VMM. 3.
  9. Bij besluit van 20 juni 2001 van de directieraad van de VMM wordt aan de verzoeker de tuchtstraf “afzetting” opgelegd. 3.
  10. Bij arrest nr. 101.440 van 3 december 2001 wordt door de Raad van State de schorsing bevolen van het voormeld afzettingsbesluit. Bij arrest nr. 119.249 van 12 mei 2003 wordt de afzetting vernietigd. 3.
  11. Met een aangetekende brief van 29 januari 2002 deelt de NV Aquafin aan de verzoeker de thans bestreden beslissing mee. Deze luidt als volgt: “Vanaf maandag 4 februari 2002 wordt u belast met een aantal taken die u volgens de onderstaande richtlijnen dient uit te voeren.
  12. De taken worden uitsluitend thuis, Gerkenbergstraat 68, 3960 Bree, uitgevoerd gedurende de diensturen.
  13. Alle contacten m.b.t. de uitvoering van de taken worden uitsluitend genomen met J. Dierickx of bij afwezigheid met Elke Cluydts, afdelingssecretaresse [...].
  14. De administratieve regelingen verlopen volgens de gebruikelijke dienstnota’s met dien verstande dat J. Dierickx uw hiërarchische meerdere is. Voor de goede orde wordt in bijlage een samenvatting van de dienstnota’s m.b.t. o.a. afwezigheden, prestatiebladen, verlof toegestuurd. Alle administratieve formaliteiten worden in eerste orde behandeld met de afdelingssecretaresse E. Cluydts. Als eerste taak wordt u belast met het lezen, het schriftelijk samenvatten van de cursus opleiding nieuwe operatoren en het opmaken per hoofdstuk van 10 vragen en de antwoorden hierop. De hoofdstukken ‘Rioleringen’ en ‘Pompstations’ worden in bijlage gevoegd. De hoofding ‘Soorten rioleringsstel- sels’ dient herwerkt te worden in de context van meer aandacht voor het afkoppelen van oppervlaktewater. Het hoofdstuk ‘Pompstations’ dient bekeken te worden naar het meer toegankelijk maken van de verschillende mechanische onderdelen. Een eerste schriftelijk verslag aangaande het dossier dient overgemaakt te worden uiterlijk vrijdag 1 maart
  15. De verslagen mogen in handschrift worden overgemaakt. IX-3283-3/13 Met de opdracht van schriftelijk thuis te vervullen taken, wordt een gelegenheid geboden terug vertrouwd te worden met de rioolwaterzuiverings- infrastructuur. Er wordt gerekend op een positieve inzet van uwentwege.” 3.
  16. Met een brief van 7 februari 2002 aan de VMM wijst de verzoeker erop dat hij nog steeds statutair ambtenaar is van de VMM, dat hij zich vragen stelt bij de wettigheid van de opdracht tot thuiswerk en dat hij graag zou vernemen “op grond van welke wettelijke/reglementaire bepaling deze taak wordt opgedragen”. 3.
  17. Met een brief van 19 februari 2002 antwoordt de VMM aan de verzoeker: “Wij delen u mee dat de mogelijkheid van thuiswerk bestaat in het kader van de toepassing, op basis van het sectoraal akkoord 1999-2000, van vormen van alternatief werken in voorbereiding op een wettelijke regeling terzake. In dit kader heeft de NV Aquafin, die functioneel bevoegd is, binnen de bestaande mogelijkheden u opgedragen thuiswerk te verrichten.” 3.
  18. Na tussenkomst van verzoekers vakorganisatie verstrekt de VMM in een brief van 21 maart 2002 nog de volgende toelichting: “[...] De administratieve standplaats is de plaats waar de ambtenaar hoofdzakelijk zijn ambt uitoefent. Ingevolge de aard van voornoemde opdracht oefent de heer Henri Beynsberger zijn ambt hoofdzakelijk thuis uit. Het is functioneel noodzakelijk dat de opdracht van het actualiseren van de handleiding voor nieuwe operatoren thuis wordt uitgevoerd om reden dat de noodzakelijke conceptuele inzet voor de opdracht vereist dat de functiehouder niet voortdu- rend wordt gestoord door andere taken of vragen van personeelsleden. Bovendien is geen specifieke infrastructuur vereist voor de uitvoering van deze opdracht zodat deze probleemloos thuis kan uitgevoerd worden [...].” IV. Aanwijzing van de verwerende partij
  19. De auditeur-verslaggever stelt in zijn verslag over de zaak dat de bestreden beslissing uitgaat van de tweede verwerende partij, zodat de eerste verwerende partij buiten de zaak moet worden gesteld.
  20. De bestreden beslissing werd met een aangetekende brief van 29 januari 2002 van de NV Aquafin aan de verzoeker ter kennis gebracht. In de door de partijen neergelegde stukken zijn er geen aanwijzingen dat de bestreden beslissing zou kunnen worden toegeschreven aan de eerste verwerende partij. Bovendien betwisten de verwerende partijen in hun laatste memorie niet het IX-3283-4/13 standpunt van de auditeur-verslaggever dat de bestreden beslissing uitgaat van de NV Aquafin. Derhalve is er grond om de Vlaamse Milieumaatschappij buiten de zaak te stellen. Haar memorie van antwoord, die overigens laattijdig werd ingediend, en haar laatste memorie worden dan ook voorts uit de debatten geweerd. V. Bevoegdheid van de Raad van State Standpunt van de partijen
  21. De tweede verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van onbevoegdheid van de Raad van State op. Zij voert aan dat de NV Aquafin geen administratieve overheid is in de zin van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Onder verwijzing naar de arresten van de Raad van State, nrs. 104.067 tot 104.071 van 28 februari 2002, laat zij gelden dat de NV Aquafin een privaatrechtelijke rechtspersoon is, die werd opgericht door privépersonen en met de overheid geen organieke band heeft. Volgens haar is de Raad van State dienvolgens niet bevoegd om een beslissing te vernietigen die door de NV Aquafin werd genomen op basis van de functionele bevoegdheid dewelke haar door de overeenkomst van 24 december 1993 met de VMM werd toegekend.
  22. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat de NV Aquafin volgens het organiek criterium weliswaar geen administratieve overheid is, maar evenwel als een administratieve overheid moet worden beschouwd op grond van het functioneel criterium. Immers, zo stelt de verzoeker, is de NV Aquafin krachtens de overeenkomst van 24 december 1993 tussen de VMM en de NV Aquafin bevoegd om ten aanzien van de gedetacheerde personeels- leden van de VMM eenzijdig bindende beslissingen te nemen inzake de organisatie van het werk en de uitoefening van de taken.
  23. De tweede verwerende partij herhaalt in haar laatste memorie dat zij geen organieke band heeft met de overheid en zij derhalve volgens het organieke criterium niet als een administratieve overheid kan worden beschouwd. Op de vraag of zij over de bevoegdheid beschikt om eenzijdig bindende beslissingen te nemen, moet volgens haar eveneens ontkennend worden geantwoord. Zij stelt in dit verband dat een onderscheid moet worden gemaakt volgens de aard van de door haar uitgeoefende bevoegdheden. Met betrekking tot haar verhouding tot het door de VMM terbeschikkinggestelde personeel, verwijst zij naar een arrest van het Hof van IX-3283-5/13 Cassatie van 6 september 2002 waarin werd geoordeeld dat een privé-instelling in haar verhouding tot haar personeel niet als een administratieve overheid kan worden beschouwd, nu deze verhouding een contractuele en geen statutaire verhouding uitmaakt. De tweede verwerende partij merkt op dat zij krachtens de overeenkomst van 24 november 1993 met de VMM over een functionele bevoegdheid beschikt betreffende de organisatie van het werk en het toezicht op de uitoefening van de taken, zonder dewelke de interne organisatie en de goede werking van de dienst onmogelijk zouden zijn. Zij voert aan dat de bestreden beslissing een maatregel is die behoort tot de interne organisatie, namelijk de toewijzing van opdrachten aan haar personeelsleden, waarbij zij handelt als een privaatrechtelijke instelling en niet als een administratieve overheid. Ten slotte laat zij gelden dat de verzoeker de contractuele grondslag waarbij hij ter beschikking werd gesteld van de NV Aquafin, nooit heeft aangevochten, noch de wettigheid ervan in vraag heeft gesteld. Beoordeling
  24. In zijn arresten nrs. 104.067 tot 104.071 van 28 februari 2002 heeft de Raad van State geoordeeld dat de NV Aquafin geen administratieve overheid is, omdat de NV Aquafin “een privaatrechtelijk rechtspersoon is die is opgericht door privé-personen en dus met de overheid geen organieke band heeft”. In de voormelde arresten verwijst de Raad van State onder meer naar het arrest nr. 93.289 van 13 februari 2001 van de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak, waarin met betrekking tot vrije onderwijsinstellingen wordt geoordeeld dat, indien privé-personen een rechtspersoon oprichten, de werkwijze ervan regelen en in voorkomend geval kunnen beslissen deze af te schaffen, een dergelijke rechtspersoon die met de overheid geen organiek verband heeft, niet kan worden beschouwd als een administratieve overheid in de zin van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
  25. Het Hof van Cassatie heeft in zijn arrest nr. C.01.0382.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020906.4 van 6 september 2002 deze rechtspraak echter afgewezen. Volgens het Hof zijn instellingen die zijn opgericht door privé- personen, maar erkend door de federale overheid, de overheid van de gemeenschap- pen en gewesten, de provincies of gemeenten, administratieve overheden in de zin van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, mits hun IX-3283-6/13 werking door de overheid wordt bepaald en gecontroleerd en zij beslissingen kunnen nemen die derden binden, meer bepaald door de eigen verplichtingen tegenover anderen eenzijdig te bepalen of door verplichtingen van die anderen eenzijdig vast te stellen. Handelingen door deze instellingen gesteld, kunnen het voorwerp zijn van een nietigverklaring wanneer die instellingen een deel van het openbaar gezag uitoefenen. Het Hof oordeelt dat het feit dat privé-personen een vrije onderwijsinstelling hebben opgericht en deze kunnen afschaffen, niet uitsluit dat die instelling beslissingen kan nemen die derden binden, en dat het feit dat een instelling geen organiek verband heeft met de overheid, de bevoegdheid van de Raad van State niet uitsluit.
  26. Hoewel overeenkomstig de arresten van de Raad van State nrs. 104.067 tot 104.071 van 28 februari 2002 moet worden vastgesteld dat de tweede verwerende partij geen organiek verband heeft met de overheid, kan -mede in het licht van de voormelde rechtspraak van het Hof van Cassatie- niet zonder meer worden aangenomen dat de Raad van State niet bevoegd is om van het voorliggende beroep kennis te nemen.
  27. De verzoeker werd door de VMM ter beschikking gesteld van de NV Aquafin, op basis van de machtiging die werd verleend bij artikel 56 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting
  28. Krachtens een overeenkomst van 24 december 1993 tussen de VMM en de NV Aquafin behouden de personeelsleden die ter beschikking zijn gesteld van de NV Aquafin, de statutaire rechtstoestand en blijven zij onderworpen aan de wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen die de rechtspositie vaststellen van de in vast dienstverband benoemde personeelsleden van de VMM. De artikelen 4 tot 6 van de overeenkomst bepalen in verband met de uitoefening van de hiërarchische bevoegdheid ten aanzien van deze personeelsle- den: “Art.
  29. De hiërarchische bevoegdheid op de statutaire personeelsleden opgenomen in bijlage 2 bestaat uit enerzijds een statutaire anderzijds een functionele bevoegdheid. IX-3283-7/13 Art.
  30. §
  31. De statutaire bevoegdheid is de bevoegdheid die moet worden uitgeoefend in uitvoering van wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van de in vast dienstverband benoemde personeelsleden bij de VMM. Zij wordt voor de in artikel 2 bedoelde personeelsleden [dit zijn de ter beschikking gestelde statutaire personeelsleden] uitgeoefend door de hiërarchi- sche meerdere van het personeelslid. De hiërarchische meerdere is het vastbenoemd personeelslid van de VMM dat volgens de wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van de in vast dienstverband benoemde personeelsleden bij de VMM, het hiërarchisch gezag over het personeelslid uitoefent. [...] Art.
  32. §
  33. De functionele bevoegdheid behelst de organisatie van het werk en het toezicht op de uitoefening van de taken. De functionele bevoegdheid wordt voor de in artikel 2 bedoelde personeelsleden uitgeoefend door Aquafin.” Krachtens deze overeenkomst neemt de NV Aquafin derhalve, ten aanzien van de terbeschikkinggestelde personeelsleden, de functionele bevoegdheid over van de VMM, waardoor zij met betrekking tot de organisatie van het werk en het toezicht op de uitoefening van de taken eenzijdig beslissingen kan nemen die deze personeelsleden binden. Zij oefent aldus ten aanzien van deze personeelsleden een deel van het openbaar gezag uit. De NV Aquafin betwist niet dat zij de bestreden beslissing om de verzoeker thuiswerk te laten verrichten heeft genomen op grond van de functionele bevoegdheid waarover zij krachtens de voormelde overeenkomst met de VMM beschikt. Die beslissing moet derhalve worden beschouwd als een handeling die de NV Aquafin heeft verricht als een administratieve overheid in de zin van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De exceptie van onbevoegdheid dient derhalve te worden verworpen. IX-3283-8/13 VI. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
  34. De tweede verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat het beroep onontvankelijk is, omdat de bestreden beslissing geen voor vernietiging vatbare administratieve rechtshandeling is, doch slechts een maatregel van interne organisatie genomen in het belang van de dienst, die de rechtstoestand van de verzoeker niet wijzigt.
  35. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat niet ernstig kan worden voorgehouden dat de bestreden beslissing geen wijziging in zijn rechtstoestand teweegbrengt. Hij voert aan dat hij ingevolge die beslissing verplicht wordt thuis te blijven en geen volwaardige opdrachten meer krijgt, wat een ernstig moreel nadeel uitmaakt. Bovendien, zo stelt de verzoeker, kan volgens de rechtspraak van de Raad van State tegen een maatregel van inwendige orde worden opgekomen wanneer deze onwettig is, wat te dezen het geval is, zoals blijkt uit de aangevoerde middelen. Derhalve houdt de exceptie volgens de verzoeker verband met de grond van de zaak.
  36. De tweede verwerende partij laat in haar laatste memorie nog gelden dat aan de verzoeker wel degelijk nieuwe opdrachten werden toegewezen, waarvoor hij inmiddels een opleiding volgt. Voorts voert zij aan dat de bestreden beslissing werd genomen in het belang van de dienst, namelijk om tegemoet te komen aan de gespannen sfeer op de dienst en om verdere conflicten tussen de verzoeker, diens collega’s en leidinggevenden te vermijden. Volgens de tweede verwerende partij kan de verzoeker niet klagen over een ernstig moreel nadeel, aangezien hij zelf erop aanstuurde niet meer in contact te moeten komen met zijn collega’s. De tweede verwerende partij stelt ten slotte dat de verzoeker niet aannemelijk maakt dat de hem opgelegde maatregel een nadelige weerslag heeft op de uitoefening van zijn functie. Beoordeling
  37. Opdat tegen een bestuurshandeling een beroep tot nietigverklaring zou kunnen worden ingesteld, moet het gaan om een beslissing die rechtsgevolgen IX-3283-9/13 sorteert, dit wil zeggen een beslissing die de rechtstoestand van iemand wijzigt of verhindert dat een wijziging in de rechtstoestand tot stand komt. Maatregelen van inwendige orde, die worden genomen in het belang van de dienst en die betrekking hebben op de eigen organisatie van een openbare dienst of beogen de goede werking van die dienst te helpen verzekeren, zijn in principe geen aanvechtbare rechtshandelingen. Dit geldt ook voor mutaties en dienstaanwijzingen, die de organisatie van de dienst betreffen en de goede werking van het bestuur beogen. Evenwel moeten dergelijke maatregelen wel als aanvechtbare administratieve rechtshandelingen worden beschouwd, indien ze een nadelige weerslag hebben op de wijze waarop de betrokken ambtenaar zijn functie moet uitoefenen. Te dezen wordt de verzoeker verplicht om met ingang van 4 februari 2002 thuiswerk te verrichten. Deze maatregel houdt een ingrijpende wijziging in van de arbeidsomstandigheden van de verzoeker. De bestreden beslissing dient om die reden als griefhoudend te worden beschouwd. De exceptie moet derhalve worden verworpen. VII. Onderzoek van de middelen Eerste middel Standpunt van de partijen
  38. De verzoeker voert in zijn eerste middel de schending aan van de materiële motiveringsplicht, afgeleid uit het ontbreken van deugdelijke motieven, zowel in feite als in rechte. Hij laat gelden dat de bestreden beslissing werd genomen zonder dat hiervoor een deugdelijke rechtsgrond bestaat, aangezien in het administratief statuut van het personeel van de VMM niet in de mogelijkheid tot thuiswerk is voorzien. Met het argument dat de bestreden beslissing een rechtsgrond vindt in het sectoraal akkoord 1999-2000 voor het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, de wetenschappelijke instellingen en sommige Vlaamse openbare instellingen, geeft de tweede verwerende partij volgens de verzoeker overigens zelf aan dat er nog geen wettelijke basis voor thuiswerk bestaat. IX-3283-10/13
  39. De tweede verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord vooreerst dat, in voorbereiding op een wettelijke regeling, in het sectoraal akkoord 1999-2000 reeds is voorzien in de mogelijkheid van thuiswerk als een vorm van alternatief werken. De NV Aquafin, die krachtens de overeenkomst van 24 december 1993 met de VMM over de functionele bevoegdheid beschikt, heeft de verzoeker derhalve terecht opgedragen thuiswerk te doen. Het thuiswerk als alternatieve vorm van werken heeft immers te maken met de organisatie van het werk en kan niet worden beschouwd als een verdoken tuchtstraf. De tweede verwerende partij verwijst voorts naar de toelichting in de brief van de VMM van 21 maart 2002 en benadrukt nogmaals dat de bestreden beslissing een maatregel van orde is die werd genomen in het belang van de dienst en geen gevolgen heeft voor de rechtstoestand van de verzoeker.
  40. De verzoeker stelt in zijn memorie van wederantwoord dat de personeelsleden van de VMM die aan de NV Aquafin ter beschikking worden gesteld, hun statutaire rechtstoestand behouden en onderworpen blijven aan de wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen die de rechtspositie vaststellen van de in vast dienstverband benoemde personeelsleden van de VMM. De verzoeker volhardt dat thuiswerk krachtens het personeelsstatuut van de VMM niet mogelijk is en dat het sectoraal akkoord 1999-2000, waarnaar de tegenpartij verwijst, niet als rechtsgrond kan gelden, aangezien een akkoord op zich geen regelgeving is. Volgens de verzoeker werd het voormelde standpunt overigens bevestigd door de administratie Ambtenarenzaken van de Vlaamse minister van Ambtenarenzaken, nadat zij hierover door verzoekers vakorganisatie om advies was gevraagd.
  41. De tweede verwerende partij herhaalt in haar laatste memorie dat zij krachtens de overeenkomst van 24 november 1993 met de VMM ten aanzien van de verzoeker beschikt over een functionele bevoegdheid, die de organisatie van het werk en het toezicht op de uitoefening van de taken betreft. Op grond van die bevoegdheid vermocht zij de verzoeker op te dragen thuiswerk te verrichten. Gelet op de aard van de opgelegde maatregel, moest er niet in voorzien zijn in het statuut of in de wettelijke bepalingen die de rechtstoestand van de verzoeker regelen. De maatregel heeft bovendien geen enkel gevolg voor de rechtstoestand van de verzoeker of voor zijn statutaire situatie. Het standpunt van de Vlaamse minister van Ambtenarenzaken met betrekking tot het thuiswerk impliceert volgens de tweede verwerende partij niet dat dergelijk werk verboden is, doch enkel dat daarover nog IX-3283-11/13 geen regeling bestaat. Zij besluit dat de bestreden beslissing als maatregel van interne organisatie niet onderworpen is aan de motiveringsplicht. Beoordeling
  42. Het legaliteitsbeginsel gebiedt de overheid te handelen binnen de wet en volgens de wet, hieronder verstaan het geheel van de wettelijke en reglementaire normen. Om wettig te zijn moet elke individuele overheidsbeslissing kunnen worden ingepast in de bestaande wetten en regelmatig vastgestelde rechtsnormen. Het sectoraal akkoord 1999-2000 voor het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, de wetenschappelijke instellingen en sommige Vlaamse openbare instellingen is geen rechtsnorm op basis waarvan een individuele overheidsbeslissing kan worden genomen. Het bedoeld sectoraal akkoord bevat overigens een rubriek “5.
  43. Anders werken” waarin wordt bepaald dat na een evaluatie en mogelijke bijsturing van proefprojecten en indien het anders werken wordt veralgemeend, de Vlaamse overheid de vormen van alternatief werken zal reglementeren op die punten waar de regelgeving een toegevoegde waarde heeft. Nergens wordt echter in de mogelijkheid voorzien om personeelsleden tot thuiswerk te verplichten. Het besluit van de Vlaamse regering van 30 juni 2000 houdende de regeling van de rechtspositie van het personeel van sommige Vlaamse openbare instellingen is van toepassing op de personeelsleden die door de VMM ter beschikking zijn gesteld van de NV Aquafin. Dit besluit bevat geen bepaling die de NV Aquafin machtigt de betrokken personeelsleden tot thuiswerk te verplichten. De conclusie is dat de bestreden beslissing niet in de bestaande regelgeving kan worden ingepast. Het middel is gegrond. IX-3283-12/13 BESLISSING
  44. De Vlaamse Milieumaatschappij wordt buiten de zaak gesteld.
  45. De Raad van State vernietigt de beslissing van 29 januari 2002 van de NV Aquafin waarbij Henri BEYNSBERGER met ingang van 4 februari 2002 wordt belast met thuiswerk, met als eerste taak het lezen en het schriftelijk samenvatten van de cursus opleiding nieuwe operatoren en het opmaken, per hoofdstuk, van tien vragen en antwoorden.
  46. De tweede verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 14 december 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, met bijstand van Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-3283-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.869 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.113.108 citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020906.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.