id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.871 Rolnummer: A. 158892/IX-4749 Zaak: Arrest 198871 - Arbeids- en beroepskaarten - 14/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-23 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 04:02 Fiche Arrest nr 198.871 van 14 december 2009 Economische zaken - Arbeids- en beroepskaarten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 198.871 van 14 december 2009 in de zaak A. 158.892/IX-4749 In zake : Danny LEFEBVRE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sabien Battheu kantoor houdend te Poperinge Casselstraat 252 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Greef kantoor houdend te Zellik Noorderlaan 30 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 3 januari 2005, strekt tot de nietigver- klaring van de beslissing van de Vlaamse Minister van Werk, Onderwijs en Vorming, van 3 november 2004, waarbij de voor Vladimir Nichypar gevraagde arbeidsvergunning en arbeidskaart B niet wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. IX-4749-1/8 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 december
- Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Eva De Walsche, die loco advocaat Sabien Battheu verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Dirk De Greef, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoeker heeft een éénmansbedrijf met als activiteit de teelt van spruitkool. In het verleden zag de verzoeker zich dikwijls genoodzaakt om beroep te doen op buitenlandse werknemers voor de oogst (seizoensarbeid) omdat op de Belgische arbeidsmarkt praktisch geen geschikte arbeidskrachten aanwezig zijn. 3.
- Met een aanvraagformulier d.d. 26 maart 2004 dient de verzoeker een aanvraag in voor de tewerkstelling van een buitenlandse werknemer, met name Vladimir Nichypar (Wit-Rus). Op het aanvraagformulier staat dat de werkgever de werknemer in de hoedanigheid van arbeider wenst aan te werven voor een termijn van 65 dagen tot 31 december
- De betrokkene zal als bezoldiging 6,77 euro (bruto) per uur ontvangen. 3.
- Met een brief van 12 mei 2004 wordt aan de verzoeker meege- deeld dat de arbeidsvergunning wordt geweigerd. IX-4749-2/8 3.
- Op 4 juni 2004 gaat de verzoeker tegen deze beslissing in beroep. In het kader van de beroepsprocedure brengt de VDAB een positief advies uit. De administratie Werkgelegenheid brengt een negatief advies uit. 3.
- Op 3 november 2004 beslist de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming om het beroepschrift van de verzoeker ongegrond te verklaren en derhalve de gevraagde arbeidsvergunning en arbeidskaart B niet toe te kennen. Dit is de bestreden beslissing. Zij luidt als volgt: “Overwegende :
- De huidige aanvraag ingediend door de heer LEFEBVRE Danny betreft een tewerkstelling in de hoedanigheid van seizoenarbeider voor een bru- to-uurloon van 6,77 euro. De aanvangsdatum van de tewerkstellingsperiode op het aanvraagformulier werd niet ingevuld. Er werd enkel een periode gevraagd tot 31/12/
- Uit de arbeidsovereenkomst gevoegd bij de aanvraag werd een termijn gevraagd vanaf 20/04/
- Er werd helemaal geen gewag gemaakt van een vaste periode. In het beroepschrift stelt de werkgever dat het een vaste periode van maximum 65 dagen betreft van 20/10/04 tot 15/01/05 in de seizoenarbeid. Art. 34, 1/ van het KB van 9/6/1999 bepaalt dat de arbeidsvergunning en arbeidskaart niet worden toegekend als de wettelijke voorwaarden niet worden nageleefd. Van deze bepaling kan de bevoegde overheid niet afwijken (cfr. art. 38, § 2 van het KB van 9/6/1999).
- De aanvraag tot het bekomen van een arbeidskaart B werd door de administratie op 12/05/03 geweigerd om volgende redenen : - de vooropgestelde tewerkstelling zal niet geschieden overeenkomstig de loonvoorwaarden die gelden voor de tewerkstelling van Belgische werknemers (art. 34, 5/ van het KB van 9/6/99); - voor de vooropgestelde tewerkstelling zijn op de arbeidsmarkt arbeids- krachten beschikbaar (art. 8 van het KB van 09/06/99); - betrokkene is géén onderdaan van een land waarmee België is verbonden door een overeenkomst inzake arbeidskrachten (art. 10 van het KB van 9/6/99); - aan de tewerkstelling zijn géén inkomsten verbonden die de werknemer in staat stellen in zijn behoeften of in die van zijn gezin te voorzien (art. 34, 6/ van het KB van 9/6/99).
- De VDAB adviseert de aanvraag tot tewerkstelling positief. Uit haar onderzoek blijkt : ‘Door het lokaal klantencentrum van Oostende het gebruikelijk onderzoek uitgevoerd. Er worden regelmatig selecties uitgevoerd en infosessies georganiseerd in het kader van de seizoensarbeid in de land- en tuinbouw. Wegens de tekorten aan arbeiders in de tuinbouwsector heeft de VDAB van Oostende - Ieper ongeveer 900 laaggeschoolde werkzoekenden uitgenodigd voor informatie over deze vacatures. IX-4749-3/8 Op 15.3.2004 had de werkgever reeds een vacature laten verspreiden om voldoende seizoensarbeiders te vinden. Er werden 40 werkzoekenden doorverwezen naar de werkgever. Vijf werkzoekenden zijn gestart bij het bedrijf maar hiervan heeft reeds één kandidaat afgehaakt om medische redenen en kwam één kandidaat niet meer opdagen na één dag werk. Bovendien heeft een werknemer van de huidige ploeg werk gevonden in het regulier circuit. Uiteindelijk zijn er dus nog zes openstaande jobs. Voor het oogstseizoen waren er drie kandidaten geschikt bevonden door de werkge- ver. De heer Nichypar heeft tijdens zijn verblijf in België als asielzoeker gewerkt bij de heer Lefebvre en heeft hierdoor ervaring met het oogsten. Twee andere vreemde arbeiders die met hem een ploeg vormden verblijven ook nog in België en kunnen met een arbeidskaart C tewerkgesteld worden. Omwille van de goede samenwerking van deze vreemde arbeiders wil de werkgever deze ploeg opnieuw tewerkstellen. De heer Lefebvre vindt onvoldoende arbeidskrachten op de eigen arbeids- markt die de aangeboden fysieke arbeid kunnen en willen uitvoeren. De werkgever is steeds bereid om geschikte werkzoekenden afkomstig van onze eigen arbeidsmarkt tewerk te stellen. Er werden heel wat inspanningen gedaan om geschikte arbeiders voor deze jobs te vinden maar dit resulteerde niet in de invulling van alle openstaande jobs. Ik adviseer deze aanvraag positief mits de werkgever de 3 werkzoekenden tewerkstelt als zij nog beschikbaar zijn bij het begin van het oogstseizoen’. De tweede reden tot weigering, gebaseerd op artikel 8 van het KB van 9/6/99, vervalt.
- België is niet verbonden door een internationale overeenkomst of een internationaal akkoord inzake de tewerkstelling van buitenlandse arbeids- krachten met Wit-Rusland. De derde reden tot weigering, gebaseerd op artikel 10 van het KB van 9.6.1999, blijft van toepassing.
- De initiële aanvraag betreft een tewerkstelling van 65 dagen gedurende een periode van 20/04/04 tot 31/12/04 (cfr. punt 5) voor een bruto-uurloon van 6,77 euro. Art. 34, 6/ van het KB van 9/6/1999 bepaalt dat de arbeidsvergunning en arbeidskaart worden geweigerd wanneer de tewerkstelling geen inkomsten verbonden zijn die de werknemer in staat stellen in zijn behoeften of in die van zijn gezin te voorzien. Van deze bepaling kan de bevoegde overheid niet afwijken (cfr. art. 38, § 2 van het KB van 9/6/1999).
- Door de afdeling Inspectie werd een onderzoek uitgevoerd naar de tewerkstelling van NICHYPAR. Dit resulteerde in een gunstig advies. Echter gezien de inbreuken op de artikelen 34, 1/ en het niet voldoen aan de bepalingen van artikel 34, 6/ (cfr. punten 5 en 8) van het KB van 9/6/99 kan er geen arbeidsvergunning en arbeidskaart worden toegekend. Van deze bepalingen kan de bevoegde overheid niet afwijken (cfr. art. 38, § 2 van het KB van 9/6/1999). Om deze redenen beslist de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming om het beroepschrift ongegrond te verklaren en derhalve de gevraagde arbeidsvergunning en arbeidskaart B niet toe te kennen.” IX-4749-4/8 IV. Ontvankelijkheid van het beroep
- In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat de verzoeker geen actueel belang meer bij zijn beroep, aangezien het voorwerp van zijn aanvraag een tewerkstelling voor een termijn van 65 dagen tot 31 december 2004 betreft, termijn die ondertussen verstreken is.
- De verzoeker repliceert dat wel degelijk nog een belang bij zijn beroep heeft. Hij wijst er op dat de bestreden beslissing het hem onmogelijk maakt om de oogst van de door hem geteelde gewassen te realiseren, ook in het komend seizoen.
- De stelling van de verwerende partij kan niet worden bijgetreden. De verzoeker is immers niet verantwoordelijk voor het feit dat de Raad van State het annulatieberoep onderzoekt op het ogenblik dat de periode waarop de aanvraag betrekking heeft, reeds verstreken is. Dat de bestreden beslissing haar uitwerking verloren heeft, heeft niet steeds tot gevolg dat het annulatieberoep bij gebrek aan actueel belang verworpen moet worden. De stelling van de verwerende partij zou er op neer komen dat, in gevallen zoals dat van de verzoeker, alleen al door het verlopen van de termijnen, een verzoeker steeds het belang ontzegd zou moeten worden. Nochtans blijkt niet dat de wetgever dergelijke beslissingen van het vernietigingscontentieux heeft uitgesloten. De verzoeker heeft de negatieve impact van een afwijzende beslissing moeten ondergaan. Het onderzoek van de vordering kan van belang zijn voor toekomstige beslissingen inzake aanvragen van de verzoeker. Er is derhalve geen reden om hem in deze zaak het vereiste belang te ontzeggen. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van de middelen Standpunt van de partijen
- De verzoeker voert vier middelen aan. In het eerste middel stelt hij dat de beslissing niet correct gemotiveerd is omdat in punt 9 ervan verwezen wordt naar punten 5 en 8, terwijl de bestreden beslissing geen punt 8 bevat. In het IX-4749-5/8 tweede middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 34, 5/, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers (hierna: het koninklijk besluit van 9 juni 1999). Hij betoogt dat het in casu wel degelijk om een tewerkstelling in een vaste periode van maximum 65 dagen in het systeem van de seizoensarbeid gaat. In een derde middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 34, 6/, van het koninklijk besluit van 9 juni
- Hij betoogt dat in de bestreden beslissing geen rekening gehouden werd met de omstandigheid dat de werknemer naast een loon van 6,77 euro per uur ook door de verzoeker verleende kost en inwoon zou verkrijgen. Van het vierde middel doet de verzoeker afstand in zijn memorie van wederantwoord.
- De verwerende partij merkt in haar memorie van antwoord op dat de verzoeker uit het oog verliest dat één van de weigeringsmotieven gebaseerd is op artikel 10 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999, doordat België niet verbonden is door een internationale overeenkomst of een internationaal akkoord inzake tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten met Wit-Rusland en dat dit motief op zich voldoende is om de bestreden beslissing te schragen. Bespreking
- De bestreden beslissing steunt onder meer -punt 7- op het volgend motief: “België is niet verbonden door een internationale overeenkomst of een internationaal akkoord inzake de tewerkstelling van buitenlandse arbeids- krachten met Wit-Rusland. De derde reden tot weigering, gebaseerd op artikel 10 van het KB van 9.6.1999, blijft van toepassing”.
- De artikelen 10 en 11 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 luidden ten tijde dat de bestreden beslissing getroffen werd als volgt: -artikel 10: “De arbeidsvergunning wordt alleen voor die werknemers toegekend die onderdaan zijn van de landen waarmede België door internationale overeen- komsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers verbonden is.” IX-4749-6/8 - artikel 11: “In afwijking van artikel 10 wordt de toekenning van de arbeidsvergunning niet beperkt tot de werknemers die onderdaan zijn van de landen waarmee België verbonden is krachtens internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers wanneer het gaat om de personen bedoeld in artikel 9.”
- Te dezen wordt niet betwist dat de werknemer, voor wie de vergunning werd aangevraagd niet onder één van de categorieën van personen valt als bedoeld in artikel 9 van het koninklijk besluit van 9 juni
- Dit betekent dat artikel 10 ten volle speelt. Die bepaling is duidelijk en formeel: enkel aan de werknemers die onderdaan zijn van de landen waarmee België door internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers verbonden is, kan een arbeidsvergunning worden toegekend. Als een dergelijke internationale overeenkomst of akkoord niet voorhanden is, moet de arbeidsvergunning worden geweigerd. De ontstentenis van een dergelijke overeenkomst of akkoord is met andere woorden niets minder dan een decisief weigeringsmotief. De verzoeker toont de onwettigheid van dat motief niet aan. Hij betwist het zelfs niet. De verwerende partij stelt dan ook terecht dat de aangevoerde middelen niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen leiden. Dit betekent dat verzoekers kritiek op de andere motieven van de bestreden beslissing, zelfs al zou die terecht zijn, niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing kan leiden.
- De verzoeker voert geen middelen aan die tot de nietigverklaring kunnen leiden. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietig- verklaring, begroot op 175 euro. IX-4749-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 14 december 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, met bijstand van Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-4749-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.871 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div