← België

Arrest 198895 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 15/12/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.895 Rolnummer: A. 151344/IX-4509 Zaak: Arrest 198895 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 15/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-29 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-30 04:02 Fiche Arrest nr 198.895 van 15 december 2009 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 198.895 van 15 december 2009 in de zaak A. 151.344/IX-4509 In zake : Lisette COLLA die woonplaats kiest bij het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt gevestigd te Brussel Lang Levenstraat 27-29 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Devers kantoor houdend te Gent Kouter 71-72 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : Rachelle JANSSENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Mertens kantoor houdend te Beringen Scheigoorstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 30 april 2004, strekt tot de nietigverkla- ring van : - het koninklijk besluit van 2 maart 2004 waarbij Rachelle JANSSENS wordt benoemd tot hoofdsecretaris van het parket van de arbeidsauditeur te Leuven; - de expliciete dan wel impliciete weigering om de titels en verdiensten van verzoekster met het oog op de toewijzing van deze functie te onderzoeken; - de expliciete dan wel impliciete weigering om deze functie toe te wijzen aan de verzoekster. IX-4509-1/5 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 21 juni
  3. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Diane Mareen heeft een verslag opgesteld. De verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 november
  4. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Pieter Waegemans, die loco advocaat Patrick Devers verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Joris Gebruers, die loco advocaat Wim Mertens verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. In het Belgisch Staatsblad van 16 juni 2003 wordt de vacature van hoofdsecretaris bij het parket van de arbeidsauditeur te Leuven met ingang van 1 april 2004 bekend gemaakt. Het gaat om een benoeming naar keuze. De IX-4509-2/5 verzoekster, eerstaanwezend adjunct-griffier bij het vredegerecht te Beringen, stelt zich samen met de tussenkomende partij die op dat ogenblik secretaris-hoofd van dienst is bij het parket van de procureur des Konings te Leuven en twee anderen kandidaat. 3.
  7. Op 2 maart 2004 besluit de minister van Justitie de tussenkomen- de partij tot hoofdsecretaris te benoemen. 3.
  8. In het Belgisch Staatsblad van 2 oktober 2009 wordt bij uittreksel het koninklijk besluit van 10 september 2009 bekendgemaakt waarbij de tussen- komende partij “op haar verzoek, ontslag verleend (wordt) uit haar ambt van griffier bij het Arbeidshof te Antwerpen” en dat uitwerking heeft met ingang van 31 augustus
  9. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  10. In haar laatste memorie stelt de verzoekster dat zij zich ter terechtzitting wenst te laten bijstaan “door de heer Eric ROOS, vast gemachtigde van het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt (VSOA), juridisch adviseur bij het secretariaat-generaal van het VSOA” en dat artikel 19, derde lid, van de gecoördi- neerde wetten op de Raad van State, in de mate die bepaling die bijstand en vertegenwoordiging uitsluit, discriminerend is, enerzijds in vergelijking met de vertegenwoordiging van administratieve overheden voor de Raad van State en anderzijds in vergelijking met de vertegenwoordiging van individuele verzoekers voor het Grondwettelijk Hof. Zij ent haar standpunt op het arrest nr. 115/2005 van 30 juni 2005 van het Grondwettelijk Hof, en betoogt dat zij er geen probleem mee heeft dat natuurlijke personen de overheid vertegenwoordigen wanneer zij zelf hetzij de beslissing hebben genomen, hetzij lid waren van het collegiaal orgaan dat de beslissing genomen heeft, maar dat de situatie anders is wanneer andere natuurlijke personen de rechtspersoon voor de afdeling bestuursrechtspraak vertegenwoordigen, want dan verschijnt de rechtspersoon niet “in persoon”. In het verlengde daarvan wijst zij er voorts op dat de wet op het Arbitragehof in artikel 103, eerste lid, verwijst naar een “vertegenwoordiger” zonder dat daar een onderscheid gemaakt wordt tussen een natuurlijke persoon en een rechtspersoon. Voor het Grondwettelijk Hof mag aldus een natuurlijk persoon, niet-advocaat, optreden als vertegenwoordi- IX-4509-3/5 ger van een partij maar hij mag zulks niet voor de Raad van State. Dat is volgens haar discriminerend, aangezien de procedures voor de Raad van State en het Grondwettelijk Hof, getoetst aan de criteria gehanteerd in het arrest nr. 115/2005, niet wezenlijk van elkaar verschillen. Wegens die discriminatie is er volgens de verzoekster reden om aan het Grondwettelijk Hof twee prejudiciële vragen te stellen over de overeenstem- ming van artikel 19, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State met de in artikel 10 en 11 van de Grondwet neergelegde beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie, in de mate: - dat een verwerende partij -administratieve overheid- schriftelijk en mondeling optreedt “in persoon”, door een advocaat of door een ambtenaar, terwijl een verzoekende partij slechts kan optreden “in persoon” of door een advocaat en niet door een afgevaardigde van een vakorganisatie - dat een verzoekende partij in een geding bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State slechts kan optreden “in persoon” of door een advocaat terwijl een verzoekende partij in een geding bij het Grondwettelijk Hof kan optreden “in persoon”, door een advocaat of door een vertegenwoordiger, zoals een afgevaar- digde van een vakorganisatie.
  11. De verzoekende partij is niet op de terechtzitting verschenen en heeft zich daar ook niet laten vertegenwoordigen door een advocaat. De afgevaar- digde van de syndicale organisatie, aan wie zij een vertegenwoordigingsbevoegd- heid wenste te verlenen, heeft zich daar evenmin aangeboden. De vraag om zich ter zitting te laten bijstaan en vertegenwoordi- gen is daardoor irrelevant geworden. Aangezien voorts de verzoekende partij zelf al haar procedurestukken ondertekend heeft, is er geen reden om ook wat dat betreft aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen. V. Ontvankelijkheid van het beroep
  12. Bij brief van 25 november 2009 wijst de tussenkomende partij de Raad van State op het sub 3.3 vermeld koninklijk besluit van 10 september
  13. Zij besluit daaruit dat de verzoekster “geen belang meer heeft bij de beoogde vernietiging”. Dit stuk is bij het dossier gevoegd en kon aldus bij het debat ter terechtzitting betrokken worden. IX-4509-4/5
  14. De Raad van State stelt vast dat de verzoekster in de loop van de onderhavige procedure blijkbaar benoemd werd tot griffier bij het Arbeidshof te Antwerpen. Daarbij rijst de vraag of zij, sinds die benoeming in een hogere graad dan deze die in dit geval in discussie staat, met het onderhavig annulatieberoep nog wel een voordeel nastreeft dat alsnog de vernietiging van de bestreden beslissing rechtvaardigt. De verzoekster had de Raad van State ter terechtzitting daaromtrent kunnen inlichten, maar zij bleef afwezig. Voorts stelt de Raad vast dat de verzoekster geen weerwerk geboden heeft op de exceptie van de tussenkomende partij, wat zij ter terechtzitting had gekund. Uit die vaststellingen leidt de Raad van State af dat de verzoekster inderdaad geen belang meer heeft bij het beroep, minstens dat zij geen belangstelling meer heeft voor een verdere normale afhandeling van het geschil ten gronde.
  15. Het beroep is niet langer ontvankelijk. BESLISSING
  16. De Raad van State verwerpt het beroep.
  17. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 15 december 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, met bijstand van Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-4509-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.895 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.