← België

Arrest 198912 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/12/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.912 Rolnummer: A. 152380/X-11917 Zaak: Arrest 198912 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-23 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-30 04:02 Fiche Arrest nr 198.912 van 15 december 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 198.912 van 15 december 2009 in de zaak A. 152.380/X-11.

  1. In zake: de n.v. BELGOPOSTER, thans de n.v. JCDECAUX BILLBOARD bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Mertens kantoor houdend te 9000 GENT Coupure 373 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 2 juni 2004, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 22 april 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende verwerping van het beroep ingesteld tegen de beslissing van 13 januari 2004 van het college van burgemeester en schepenen van Lochristi waarbij de vergunning wordt geweigerd voor het regulariseren van twee publiciteitspanelen van 15 m² en het herschilderen van een zijgevel op een perceel gelegen te Lochristi, Antwerpsesteenweg, kadastraal bekend sectie D, nr. 763/s
  3. II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 juni
  5. X-11.917-1/10 Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Marjolein Oosterlinck, die loco advocaat Filip Mertens verschijnt voor de verzoekende partij, en bestuurssecretaris Marie-Anne De Geest, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten
  7. Op 1 oktober 2003 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoekende partij een aanvraag in tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor het regulariseren van twee publiciteitspanelen van 15 m² en het herschilderen van een zijgevel van een woning op een perceel gelegen te Lochristi, Antwerpse Steenweg, kadastraal bekend sectie D, nr. 763/s
  8. Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgestelde gewestplan Gentse en Kanaalzone, is het betrokken perceel gelegen in woongebied met landelijk karakter. Volgens de bepalingen van het bij ministerieel besluit van 30 juni 1994 goedgekeurde algemeen plan van aanleg Lochristi, is het perceel gelegen in multifunctionele woonzone, waarop artikel 8 van de stedenbouwkundige voor- schriften van toepassing is.
  9. Op 19 november 2003 verleent de afdeling Wegen en Verkeer Oost-Vlaanderen een voorwaardelijk gunstig advies voor de aanvraag tot het plaatsen van een reclamebord.
  10. Bij besluit van 13 januari 2004 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lochristi de gevraagde stedenbouw- kundige vergunning. X-11.917-2/10
  11. Op 9 februari 2004 tekent de verzoekende partij tegen de voormelde weigeringsbeslissing administratief beroep aan bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen.
  12. Met het bestreden besluit van 22 april 2004 verwerpt de bestendige deputatie het beroep van de verzoekende partij met betrekking tot de te regulariseren publiciteitspanelen. Voor wat betreft het schilderen van de zijgevel wordt het beroep zonder voorwerp verklaard. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  13. De verzoekende partij leidt een eerste middel af uit de schending van artikel 159 van de Grondwet en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Zij licht dit middel als volgt toe: “De bestendige deputatie heeft de aanvraag van de verzoekende partij getoetst aan het algemeen plan van aanleg Lochristi, goedgekeurd bij Ministerieel Besluit van 30 juni
  14. Het algemeen plan van aanleg Lochristi, goedgekeurd bij Ministerieel Besluit van 30 juni 1994, bepaalt in artikel 2.2.A (van toepassing luidens artikel 8.6 jo. artikel 2.2.B van hetzelfde A.P.A.): ‘2.
  15. In de zones waar publiciteit is toegelaten: In de zones waar publiciteit is toegelaten zijn volgende voorschriften van toepassing: A. Publiciteit eigen aan de bestemming van de zone: Onder bestemming van een zone die in aanmerking komt voor publiciteit verstaan we commerciële terreinen en gebouwen zoals bedrijfswoningen, handel-, nijverheid-, en industriële gebouwen, sportgebouwen en sportzones, horecabedrijven, kantoren, e.d. De publiciteit kan gebeuren aan de gebouwen of los ervan op het terrein. De maximum toelaatbare totale oppervlakte is 8m² met uitzondering van sportterreinen. Aan de gevel van een bedrijfswoning of bedrijfsgebouw mag het gevelvlak waarop of waarvoor de publiciteit geplaatst is niet meer dan 50% bedekt zijn. Het bedekken van gevelopeningen is altijd verboden. Afstanden: Aan de gevel bevestigd: op min. 1 m van de zijdelingse hoek of grens van het gebouw. Los van de gevel: op min. 3 m van de perceelsgrens en min. 2 m achter de rooilijn, voor zover de zichtbaarheid van het verkeer niet gehinderd wordt. X-11.917-3/10 Hoogten: De max. hoogte wordt bepaald door de nokhoogte van het aanpalend gebouw. Bij gebrek aan gebouw mag het paneel niet hoger reiken dan 6 m.’ Het algemeen plan van aanleg Lochristi legt beperkingen op, met name

(1)dat -met uitzondering voor de sportterreinen- de maximum toelaatbare oppervlakte 8 m² bedraagt en
(2)dat de publiciteitspanelen los van de gevel op minimaal 3 meter van de perceelsgrens en minimaal 2 meter achter de rooilijn dienen te worden geplaatst, voor zover de zichtbaarheid van het verkeer niet gehinderd wordt, doch zonder enige motivering. Overeenkomstig de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen moeten bestuurshandelingen van administratieve overheden uitdrukkelijk worden geargumenteerd (artikel 2 van deze wet), waarbij de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen moeten worden vermeld (artikel 3 van deze wet). Dit houdt in dat in de akte zelf de feitelijke redenen waarom op grond van de vermelde van toepassing zijnde wettelijke en verordende bepalingen de bestuurshandeling wordt genomen, moet worden opgenomen. Beide hoger genoemde beperkingen met betrekking tot publiciteitspanelen vermeld in het algemeen plan van aanleg Lochristi, zijn niet gemotiveerd en als louter arbitrair te bestempelen. Voornoemd algemeen plan van aanleg is derhalve in strijd met de wet van 29 juli 1991 en diende door de bestendige deputatie, bij toepassing van artikel 159 G.W., buiten toepassing te worden gelaten. De bestendige deputatie besliste, zonder afdoende motivering, het argument van de verzoekende partij naast zich neer te leggen. Aldus heeft de Bestendige Deputatie de problematiek niet of minstens op een onzorgvuldige wijze onderzocht, zonder rekening te houden met de belangrijke argumenten van de verzoekende partij. De bestendige deputatie onderzocht ten onrechte de verenigbaarheid van de aanvraag van de verzoekende partij met het onwettige algemeen plan van aanleg. Het algemeen plan van aanleg Lochristi diende buiten toepassing te worden gelaten. Het eerste middel is gegrond”. Beoordeling
  1. Artikel 1 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepaalt dat voor de toepassing van deze wet onder een bestuurshandeling moet worden verstaan “de eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur”. De plannen van aanleg hebben krachtens artikel 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), verordenende kracht. De wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen is niet van toepassing. Er bestaat evenmin een “algemeen beginsel van behoorlijk bestuur” dat aan alle overheden oplegt hun beslissingen formeel te motiveren. X-11.917-4/10 Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  2. De verzoekende partij leidt een tweede middel af uit de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Zij zet dit middel als volgt uiteen: “De verzoekende partij verwees in haar beroepsakte aan de bestendige deputatie eveneens naar artikel 100, § 5 van het Decreet op de Organisatie van de Ruimtelijke Ordening (D.O.R.O.), dat het volgende bepaalt: ‘Er kan geen stedenbouwkundige vergunning worden verleend voor het bouwen, plaatsen van vaste inrichtingen of herbouwen op een stuk grond dat door een rooilijn is getroffen, of voor het uitvoeren van andere dan instandhoudings- of onderhoudswerken, welke al dan niet betrekking hebben op de stabiliteit, aan een door een rooilijn getroffen gebouw. De stedenbouwkundige vergunning kan, in afwijking van het eerste lid, verleend worden, indien uit de adviezen van de bevoegde instanties blijkt dat de uitvoering van de rooilijn in kwestie niet binnen vijf jaar na afgifte van de vergunning tot stand zal kunnen worden gebracht. In geval van onteigening na het verstrijken van die termijn, wordt bij het bepalen van de vergoeding geen rekening gehouden met de waardevermeerdering die uit de vergunde werken voortvloeit’ De verzoekende partij stelde dat ten deze diende te worden vastgesteld dat de gevraagde stedenbouwkundige vergunning geen betrekking heeft op het ‘plaatsen van vaste inrichtingen of herbouwen op een stuk grond dat door een rooilijn is getroffen, of voor het uitvoeren van andere dan instandhoudings- of onderhoudswerken, welke al dan niet betrekking hebben op de stabiliteit, aan een door een rooilijn getroffen gebouw.’ Het gaat -per definitie- om gemakkelijke verplaats- en verwijderbare inrichtingen, te weten publiciteitspanelen. De verzoekende partij merkte ten overvloede op: ‘de uitvoering van de rooilijn in kwestie niet binnen vijf jaar na afgifte van de vergunning tot stand zal kunnen worden gebracht’, minstens blijkt zulks niet uit de bestreden beslissing. De verzoekende partij wees er tevens op dat uit het advies van de afdeling Wegen en Verkeer Oost-Vlaanderen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap bleek dat er terzake geen gevaar was voor de verkeersveiligheid en de zichtbaarheid, mits bepaalde voorwaarden werden nageleefd. De verzoekende partij benadrukte dat zij bereid was deze voorwaarden te aanvaarden - en zij is dit nog steeds. Tenslotte merkte de verzoekende partij op dat de netheid en het algemeen zicht ter plaatse (onder meer door het verwijderen en tegengaan van grafitti) zou verbeteren. De bestendige deputatie heeft de voorgaande argumentatie van de verzoekende partij niet onderzocht. X-11.917-5/10 Uit de bestreden beslissing blijkt nergens dat de bestendige deputatie de bezwaren van de verzoekende partij heeft beoordeeld, vooraleer zij besliste het beroep niet in te willigen. De bestendige deputatie heeft de problematiek geenszins zorgvuldig onderzocht en absoluut geen rekening gehouden met de voormelde argumenten van de verzoekende partij. Door enkel naar het (onwettige - cf. supra) algemeen plan van aanleg Lochristi te verwijzen en de overige argumenten van de verzoekende partij geheel onbeantwoord te laten, ligt geen duidelijke, juiste en precieze motivering voor. De bestendige deputatie heeft aldus haar zorgvuldigheids- en motiveringsplicht miskend. Het tweede middel is gegrond”. Beoordeling
  3. De ingeroepen schending van de motiveringsverplichting wordt geacht te zijn afgeleid uit de schending van artikel 53, §3 van het gecoördineerde decreet. Wanneer de bestendige deputatie op grond van artikel 53, §3 van het gecoördineerde decreet in beroep uitspraak doet over een bouw- of verkavelingsaanvraag, treedt zij op, niet als administratief rechtscollege, maar als orgaan van het actief bestuur. Hieruit volgt dat zij er, om te voldoen aan de haar opgelegde motiveringsverplichting, niet toe gehouden is op alle in beroep aangevoerde argumenten te antwoorden. Het volstaat dat zij in de beslissing duidelijk aangeeft door welke, met de goede plaatselijk aanleg verband houdende redenen, deze is verantwoord.
  4. Het bestreden besluit overweegt onder meer het volgende: “Overwegende dat voor de gemeente Lochristi een algemeen plan van aanleg bestaat, dat werd vastgesteld bij ministerieel besluit van 30 juni 1994; dat volgens de voorzieningen van dit algemeen plan van aanleg de bouwplaats de bestemming heeft van multifunctionele woonzone; dat het algemeen plan van aanleg dateert van na de vaststelling van het gewestplan, zodat de aanvraag dient getoetst te worden aan dit algemeen plan van aanleg; dat in de vigerende stedenbouwkundige voorschriften bij dit algemeen plan van aanleg nopens de multifunctionele woonzone in artikel 8 de volgende bepalingen zijn opgenomen: ‘... 8.
  5. Bestemming: Wonen, Groot- en Detailhandel, Kleinbedrijf tot categorie 1, voor de distribuerende sector categorie 3, en Horeca. Bedrijfswoningen: maximum 1 per bedrijf. Zijn verboden: Nieuwe Bio-industriële bedrijven en producerende bedrijven (zie kleinbedrijf). De parkeerplaatsen worden omgeven door groen (zie bufferzones Art. 1.4.11.). X-11.917-6/10 8.
  6. Gegevens: A. Woningen:
  7. Open bebouwing.
  8. Aantal bouwlagen: max. 2 bouwlagen.
  9. Max. Hoogte per bouwlaag: 3 m. B. Bedrijfswoningen: Agrarische en niet agrarische bedrijfsgebouwen: Zie de desbetreffende voorschriften van Art. 11 - 13 en Art.
  10. Afstand t.o.v. de rooilijn: min. 15 m. 8.
  11. Groenindex: Voor de nieuwe verkavelingen en wooneintiteiten met meer dan 10 loten of wooneenheden is een groenindex voorzien van 5 % van de totale bruto- terreinoppervlakte, in te richten door de verkavelaar of bouwheer als openbaar groen en verkeersgroen. 8.
  12. Bufferzones: Voor de bedrijven dienen zijdelingse en achterliggende bufferzones te worden aangelegd van min. 5 m breedte. De bufferzones, te realiseren op het bedrijventerrein en de groene zones worden aangelegd binnen het jaar na de bouwvergunning. Bij de aanwezigheid van een bufferzone op het APA dient deze door het bedrijf te worden aangelegd. De aangelegde bufferzones worden in stand gehouden door het bedrijf en onderhouden. Kappen is alleen toegelaten met een kapvergunning en nieuwe aanplant. 8.
  13. Publiciteit: Is toegelaten zie Art. 2.
  14. A en B. 8.
  15. Parkeerplaatsen: Is van toepassing zie Art. 3.’; dat in de vigerende stedenbouwkundige voorschriften bij dit APA nopens de publiciteit in artikel 2 de volgende bepalingen zijn opgenomen:‘... Onder publiciteit verstaan we de openlucht en visuele reclame of publiciteitsmiddelen onder vorm van panelen vast aan een gebouw of de grond, of lichtreclames en constructies eigen aan een bedrijf. 2.
  16. Toepassingswijze: A. zonder voorafgaandelijke vergunning van het gemeentebestuur: Is in alle zoneringen het volgende toegelaten: - Het aanbrengen van een uithangbord of naamplaat, die een beroep of een winkel aanduidt, welke geen 0,40 m² overtreft en uitsluitend is aangebracht op het betrokken goed of gebouw. - De aanplakbrieven i.v.m. de huur of verkoop van onroerende goederen, welke geen 0,40 m² overtreft en uitsluitend is aangebracht op het betrokken goed of gebouw. - Merken en namen geschreven op producten die op de openbare weg te koop worden gesteld of op toestellen voor de verkoop van die producten, op afsluitingen, met een max. van 0,40 m². - Het plaatsen van borden bestemd voor het dragen van opschriften en aanplakbrieven die kunnen ingeschreven worden in een rechthoek waarvan de oppervlakte 75 cm² niet overschrijdt, die tijdelijk worden aangebracht en betrekking hebben op culturele, caritatieve, godsdienstige, sportieve en recreatieve gebeurtenissen en activiteiten. - Het aanbrengen van aanplakbrieven met een oppervlakte van te hoogste 2 m², naar rato van één aanplakbrief per zijgevel, op gebouwen gelegen in de bouwzones van de gemeente. - Hetzelfde is van toepassing op schuttingen of borden die braakliggende gronden afsluiten, waarvan de afsluiting is vergund en gespecificeerd i.v.m. publiciteit. B. Met voorafgaandelijke vergunning van het gemeentebestuur: X-11.917-7/10 - Het aanbrengen van tijdelijke aanplakborden o.a. voor werfafsluiting, werfplakaten, verkiezingen, e.d. - Blijvende wegwijzers en informatiepijlen. - Het aanbrengen van blijvende aanplakborden, niet groter dan 2 m², op plaatsen voorzien of toegelaten door het openbaar bestuur. 2.
  17. In de zones waar publiciteit is toegelaten: In de zones waar publiciteit is toegelaten zijn volgende voorschriften van toepassing: A. Publiciteit eigen aan de bestemming van de zone: Onder bestemming van een zone die in aanmerking komt voor publiciteit verstaan we commerciële terreinen en gebouwen zoals bedrijfswoningen, handel-, nijverheid-, en industriële gebouwen, sportgebouwen en sportzones, horecabedrijven, kantoren, e.d. De publiciteit kan gebeuren aan de gebouwen of los ervan op het terrein. De maximum toelaatbare totale oppervlakte is 8 m² met uitzondering van sportterreinen. Aan de gevel van een bedrijfswoning of bedrijfsgebouw mag het gevelvlak waarop of waarvoor de publiciteit geplaatst is niet meer dan 50 % bedekt zijn. Het bedekken van gevelopeningen is altijd verboden. Afstanden: Aan de gevel bevestigd: op min. 1 m van de zijdelingse hoek of grens van het gebouw. Los van de gevel: op min. 3 m van de perceelsgrens en min. 2 m achter de rooilijn, voor zover de zichtbaarheid van het verkeer niet gehinderd wordt. Hoogten: De max. Hoogte wordt bepaald door de nokhoogte van het aanpalend gebouw. Bij gebrek aan gebouw mag het paneel niet hoger reiken dan 6 m. B. Publiciteit los van de bestemming van een zone: Onder publiciteit los van een bestemming van een zone of gebouw verstaan we de inplanting van een niet plaatsgebonden publiciteit, niet eigen aan de activiteiten die toegelaten zijn op het betrokken terrein of gebouw. Indien de vorm van publiciteit toegelaten wordt in de betreffende zoneringsvoorschriften verwijzen we naar punt 2.2.A. Bij sportterrreinen is toegelaten: - De speelveldpubliciteit aan de veldafsluiting met een maximumhoogte van 1,2 m. - De publiciteit van sponsors en sympathisanten aan 2 zijden van het terrein met een maximum oppervlakte van 750 m² en beperking in totale hoogte van 5 m (palen inbegrepen).’; dat de aanvraag met betrekking tot de publiciteit, principieel strijdig is met de stedenbouwkundige voorschriften bij het algemeen plan van aanleg; dat geen rekening wordt gehouden met de maximale oppervlakte van 8 m², dat de borden niet worden bevestigd op minstens 1 m van de zijdelingse hoek of grens van het gebouw en dat het linkse grotendeels losstaande bord niet minstens 2 m achter de rooilijn staat; Overwegende dat de bouwplaats niet gelegen is binnen de omschrijving van een ruimtelijk uitvoeringsplan en/of verkavelingsplan; Overwegende dat de afdeling Wegen en Verkeer Oost-Vlaanderen, district Sint-Niklaas
(414)van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap op 19 november 2003 weliswaar een voorwaardelijk gunstig advies verleende, doch dat de opgelegde voorwaarden van dien aard zijn dat in feite een ongunstig advies verleend wordt voor de aangevraagde constructies; Overwegende dat de wetgeving op de ruimtelijke ordening en de stedenbouw de bevoegde overheid opdraagt een verantwoorde toekomstige aanleg te waarborgen en dat hiertoe op grond van artikel 43 § 2 1/ lid van het bovenvermelde decreet van 22 oktober 1996 de nodige voorwaarden kunnen gesteld worden of tot weigering besloten; X-11.917-8/10 dat elke aanvraag aldus dient beoordeeld met het oog op een verantwoorde stedenbouwkundige uitbouw van het betrokken gebied; Overwegende dat het schilderen van de rechtse zijgevel niet in strijd is met de geldende verordeningen en adviezen; dat geen rekening wordt gehouden met de voorwaarden van het algemeen plan van aanleg vermits de maximale oppervlakte van 8 m² wordt overschreden (de borden hebben elk een oppervlak van circa 16,83 m²), dat de borden niet worden bevestigd op minstens 1 m van de zijdelingse hoek of grens van het gebouw (maar op 50 cm of zelfs minder van de hoeken) en dat het linkse grotendeels losstaande bord niet minstens 2 m achter de rooilijn staat maar er vóór; dat geen rekening wordt gehouden met de voorwaarden gesteld in het voornoemde advies van de afdeling Wegen en Verkeer, vermits de borden vóór de rooilijn staan, dat de publiciteit groter is dan de maximale opgelegde 5 m², dat de vrijstaande constructies (inclusief het bord) hoger reiken dan 4 m (namelijk circa 6 m), dat de afstand van de vrijstaande constructies (inclusief het bord) tot de zijdelingse perceelsgrenzen minstens 1,5 m maal de hoogte moet bedragen; Overwegende dat de raadsman van de aanvragers stelt dat het algemeen plan van aanleg in strijd is met de wet en dus buiten toepassing moet worden gelaten; dat het niet tot de bevoegdheid van de bestendige deputatie behoort zich over dergelijke vermeende onwettigheden uit te spreken; Overwegende dat in het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening duidelijk gesteld wordt dat dient rekening gehouden met de geldende plannen van aanleg in casu het algemeen plan van aanleg en met de adviezen van de wegbeheerders in casu de afdeling Wegen en Verkeer Oost-Vlaanderen; dat de aanvraag aangaande de publiciteit in strijd is met de voorschriften van het geldende algemeen plan van aanleg en met het advies van de wegbeheerder afdeling Wegen en Verkeer; dat uit hetgeen voorafgaat dient geconcludeerd te worden dat het beroep niet vatbaar is voor inwilliging voor wat betreft de te regulariseren publiciteitspanelen”. 13. Uit de aangehaalde motivering blijkt dat het bestreden besluit onder meer gesteund is op de overweging dat de aanvraag strijdig is met de voorschriften van het geldend algemeen plan van aanleg. Dit determinerend motief volstaat om het bestreden weigeringsbesluit te schragen. De argumenten die de verzoekende partij in haar tweede middel uiteenzet, houden allen verband met het andere weigeringsmotief, namelijk de strijdigheid met het advies van de afdeling Wegen en Verkeer. Aldus is het middel gericht tegen een overtollig motief, zodat de eventuele gegrondheid ervan niet tot de nietigverklaring van het bestreden besluit kan leiden. Het tweede middel is in die mate onontvankelijk. X-11.917-9/10 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien december 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Pierre Lefranc, staatsraad, met bijstand van Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-11.917-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.912 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.