id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.914 Rolnummer: A. 75562/X-7730 Zaak: Arrest 198914 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-24 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:02 Fiche Arrest nr 198.914 van 15 december 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 198.914 van 15 december 2009 in de zaak A. 75.562/X-
- In zake: René DE RIDDER (overleden) rechtsgeding hervat door
- Leontine LOOVERIE
- Linda DE RIDDER
- Leon DE RIDDER
- Chantal DE RIDDER
- Christel DE RIDDER
- Ronny DE RIDDER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mario Vandevelde kantoor houdend te 1785 MERCHTEM Kouter 60 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 BRUSSEL Boomstraat 14 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 3 september 1997, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 15 juli 1997 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van het beroep van de verzoekende partij ingesteld tegen de beslissing van 1 oktober 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij de vergunning is geweigerd voor de regularisatie van het bouwen van een alleenstaande woning op een perceel gelegen te Merchtem, Osselstraat, kadastraal bekend sectie H, nr. 442/z. II. Verloop van de rechtspleging X-7730-1/12
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Jan Clement heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. Uit het uittreksel uit het register der overlijdensakten van de gemeente Merchtem blijkt dat René De Ridder is overleden op 6 februari
- Bij het op 11 juni 2009 aan de Raad van State gerichte verzoekschrift verklaren Leontine LOOVERIE, Linda DE RIDDER, Leon DE RIDDER, Chantal DE RIDDER, Christel DE RIDDER en Ronny DE RIDDER het geding ter hervatten. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 september
- Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Mario Vandevelde, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Filip van Dievoet, die loco advocaat Michel van Dievoet verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 21 mei 1979 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Merchtem aan de verzoeker een bouwvergunning voor het oprichten van “een loods voor tuinbouwbedrijf” op een perceel gelegen te Merchtem, Osselstraat, kadastraal bekend sectie H, nr. 442/z. X-7730-2/12 Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse is het betrokken perceel gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied.
- In plaats van de vergunde loods bouwt de verzoeker evenwel een woning op het betrokken perceel.
- Op 25 oktober 1995 dient de verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Merchtem een bouwaanvraag in strekkende tot de “regularisatie van het bouwen van een alleenstaande woning” op het voormelde perceel.
- Op 15 maart 1996 brengt de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies uit over de aanvraag, luidend als volgt: “ONGUNSTIG. Het terrein ligt volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De planologische voorschriften van het K.B. van 28 december 1972, betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen inzonderheid deze van art. 11 en 15 zijn van toepassing. Het ingediend project, betreft een regularisatie van een wederrechtelijk opgerichte residentiële woning, die tot stand is gekomen na bouwtoelating in zitting van het schepencollege van 21 mei 1979 voor het oprichten van een loods. De gerealiseerde residentiële woning en de afzonderlijke dubbele garage (6,90 m. x 6,00 m.) samen met de tuinberging (4 m. x 3,5 m.) die niet op het plan zijn weergegeven zijn strijdig met de hierboven vermelde art. 11 en art. 15 en bijgevolg planologisch-stedebouwkundig onaanvaardbaar. Deze woning met aanhorigheden, met uitsluitend residentiële bestemming, aansluitend bij het ongunstig advies van de Administratie afdeling Land ref. LLS/96/DR/85/1 dd. 18 januari 1996, betekent een verdere aantasting van het agrarisch gebied. Derhalve besluit ik tot de weigering van de regularisatieaanvraag volgens plan geparafeerd op 11 maart
- P.S. Onafhankelijk van het hierboven uitgebracht stedebouwkundig advies, wordt de aandacht gevestigd op het feit dat het onderzoek in verband met het bouwmisdrijf nog aan de gang is en dat de wet op de stedebouw nog dient toegepast”.
- Bij besluit van 25 maart 1996 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Merchtem de gevraagde regularisatievergunning op grond van het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. X-7730-3/12
- Bij besluit van 1 oktober 1996 verwerpt de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant het beroep van de verzoeker tegen het voormelde weigeringsbesluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Merchtem en wordt de gevraagde regularisatievergunning opnieuw geweigerd.
- Bij het thans bestreden besluit van 15 juli 1997 verwerpt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening het beroep van de verzoeker tegen het voormelde besluit van de bestendige deputatie en wordt de regularisatievergunning nogmaals geweigerd. Dit besluit is gemotiveerd als volgt: “Overwegende dat het ontwerp strekt tot de regularisatie van een reeds opgerichte alleenstaande woning; dat de bestendige deputatie het ingestelde beroep heeft verworpen onder meer om reden dat de oprichting van een gebouw met louter residentieel karakter geenszins te verenigen is met de betrokken planologische bepalingen; omdat dient gesteld dat door de inplanting de openheid en bijgevolg de schoonheidswaarde van het gebied wordt aangetast; omdat door het betrokken college van burgemeester en schepenen een ongunstig advies werd uitgebracht en omdat er geen uitzonderingsbepalingen zijn die een afwijkend advies zouden toelaten; Overwegende dat het betrokken terrein volgens de bepalingen van het bij koninklijk besluit d.d. 7 maart 1977 vastgesteld gewestplan Halle-Vilvoorde- Asse is gelegen in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat luidens de bepalingen van de artikelen 15 en 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en de gewestplannen voor deze gebieden beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen; dat in deze gebieden alle handelingen en werken mogen worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen; dat de agrarische gebieden, behoudens bijzondere bepalingen, enkel mogen bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven; Overwegende dat aanvankelijk op 21 mei 1979 aan betrokkene de bouwvergunning werd afgegeven voor de oprichting van een tuinbouwloods op een door de Osselstraat gevormd hoekperceel; dat echter, volgens door de particulier verstrekte gegevens omwille van sociale omstandigheden, in de plaats ervan een woning werd opgericht met een oppervlakte van 10 meter op 18,50 meter; dat deze werd bedekt met een zadeldak met een kroonlijsthoogte van 2,80 meter en een nokhoogte van 7,40 meter; dat dit gebouw staat ingeplant op 18 meter uit de as van de links gelegen Osselstraat, op 16 meter van de rechterperceelsgrens en op 36,50 meter uit de as van de voorliggende Osselstraat; dat deze woning een zuiver residentieel gebruik kent; Overwegende dat in dit verband dient aangestipt dat op 24 januari 1997 door de Administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer, afdeling Land, een ongunstig advies werd uitgebracht daar het een louter residentiële inplanting betreft in een nog vrij homogeen en intensief uitgebaat agrarisch gebied; dat uit het oogpunt van een goede landinrichting het tot stand komen van een X-7730-4/12 dergelijke residentiële inplanting een aantasting van de externe landbouwstructuren betekent; dat zodoende dient gesteld dat de gevraagde regularisatie in strijd is met de op het betrokken gewestplan aangeduide bestemming en deze woning dient beschouwd als een zonevreemde constructie; Overwegende dat, gelet op deze strijdigheid, in deze omstandigheden rekening dient gehouden met de bepalingen van artikel 2, §1, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996; dat uit deze bepalingen blijkt dat bij het onderzoek van bouw- of verkavelings- aanvragen, andere dan voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare diensten, geen toepassing kan gemaakt worden van regelen in verband met de inrichting en de toepassing van ontwerp-gewestplannen en gewestplannen die de mogelijkheid scheppen om van deze plannen af te wijken of uitzonderingen toe te laten waardoor kan worden gebouwd of verkaveld; dat het niet toepassen van de regelen geen aanleiding kan geven tot schadevergoeding als bepaald in artikel 35 van dit decreet; dat derhalve, rekening houdend met deze overwegingen, dient gesteld dat zich tegen de realisatie van het project stedebouwkundige bezwaren stellen; Overwegende dat door de particulier precedenten, en meer concreet één welbepaald geval, worden aangehaald en dat hij hierbij laat opmerken dat de betrokken vergunningen werden afgeleverd op basis van het op dat ogenblik geldende en thans vervangen betrokken decreet van 28 juni 1984; dat door de particulier wordt gesuggereerd dat, gelet op het feit dat de betrokken woning reeds ongeveer 15 jaar geleden werd opgericht, de bepalingen van dit decreet van 28 juni 1984 in casu hun toepassing zouden moeten krijgen; dat in dit verband echter dient verwezen naar de bepalingen van het arrest nr. 18.527 van de Raad van State inzake de gemeente Brasschaat die stipuleren dat de overheid die in beroep uitspraak doet over een regelmatig ingesteld beroep, verplicht is rekening te houden met de feitelijke gegevens en met de verordenings- bepalingen zoals die zich voordoen op het ogenblik dat zijzelf de beslissing neemt over het al dan niet toekennen van de vergunning; dat, rekening houdend met dit gegeven, de onderhavige aanvraag dient getoetst aan de hic et nunc van kracht zijnde voorschriften en reglementeringen, in casu de bepalingen van bovenvermeld artikel 2, §1; dat om deze redenen - waartegen de overige door de particulier aangehaalde argumenten niet kunnen opwegen - dient gesteld dat de gevraagde regularisatie de goede aanleg van de plaats in het gedrang brengt en stedebouwkundig niet kan worden aanvaard; dat zodoende het beroep van de particulier niet in aanmerking komt voor inwilliging”. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In een eerste middel voert de verzoeker aan wat volgt: “Eerste onderdeel Miskenning van de artikels 22 en 84 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen en meer in het bijzonder m.b.t. het grondwettelijk beginsel in zake de bekendmaking van normen wat de decreten en hun uitvoeringsbesluiten betreft. X-7730-5/12 De miskenning van het algemeen rechtsprincipe dat bij de regel dat de wet alleenlijk beschikt over de toekomst en geen terugwerkende kracht heeft, de onmiddellijke toepassing van de nieuwe norm geen afbreuk mag doen aan vorige toestanden die definitief zijn voltrokken. Bij zijn memorie neergelegd voor de Vlaamse Minister had verzoeker o.m. laten gelden: ‘Overigens dient er op geattendeerd dat reeds minstens bij een voorgaand geval, ter zake een perceel grond, gelegen in de onmiddellijke omgeving gekend ten kadaster van de gemeente Merchtem, Sectie H 2l0 R, groot ongeveer 6 aren, een louter bij mondelinge vergunning opgetrokken gebouw, vervolgens werd geregulariseerd. Dat zulks gebeurde nadat het onroerend goed van eigenaar was veranderd, rechtvaardigt geen verschil in behandeling. Bij toepassing van hetzelfde gelijkheidsbeginsel moet worden geconcludeerd dat de Heer DE RIDDER zich in dezelfde voorwaarden bevindt als de persoon die op hoger genoemd perceel een woning heeft opgetrokken, waarvan het bestaan vervolgens werd geregulariseerd. Er is immers geen objectief criterium voorhanden dat een differente houding van de overheid zou rechtvaardigen, weshalve de Heer De Ridder recht heeft op een gelijke behandeling. Zoniet zou er ongeoorloofde discriminatie ontstaan. (...) De toepassing van het gelijkheidsbeginsel op dezelfde wijze als voor andere rechtsmateries bestaat ook inzake ruimtelijke ordening (...). Ook het actuele administratieve Rechtscollege dient deze regels toe te passen (...).’ De Heer Minister heeft hierop als volgt geantwoord: ‘(...) Overwegende dat, gelet op deze tegenstrijdigheid, in deze omstandigheden rekening dient gehouden met de bepalingen van artikel 2 § 1 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996; dat uit deze bepalingen blijkt dat bij het onderzoek van bouw- of verkavelingsaanvragen, andere dan voor gemeenschaps- voorzieningen en openbare diensten, geen toepassing kan gemaakt worden van regelen in verband met de inrichting en de toepassing van ontwerp-gewestplannen en gewestplannen die de mogelijkheid scheppen om van deze plannen af te wijken of uitzonderingen toelaten waardoor kan worden gebouwd of verkaveld; dat het niet toepassen van de regelen geen aanleiding kan geven tot schadevergoeding als bepaald in artikel 35 van dit decreet; dat derhalve, rekening houdend met deze overwegingen, dient gesteld dat zich tegen de realisatie van het project stedebouw- kundige bezwaren stellen; Overwegende dat door de particulier precedenten, en meer concreet één welbepaald geval, worden aangehaald en dat hij hierbij laat opmerken dat de betrokken vergunningen werden afgeleverd op basis van het op dat ogenblik geldende en thans vervangen betrokken decreet van 28 juni 1984; dat door de particulier wordt gesuggereerd dat, gelet op het feit dat de betrokken woning reeds ongeveer 15 jaar geleden werd opgericht, de bepalingen van dit decreet van 28 juni 1984 in casu hun toepassing zouden moeten krijgen; dat in dit verband echter dient verwezen naar de bepalingen van het arrest nr 18.527 van de Raad van State inzake de gemeente Brasschaat die stipuleren dat de overheid die in beroep uitspraak doet over een regelmatig ingesteld beroep, verplicht is rekening te houden met de feitelijke gegevens en met de verordeningsbepalingen zoals die zich voordoen op het ogenblik dat zijzelf de beslissing neemt over het al dan niet toekennen van de vergunning; dat, rekening houdend met dit gegeven, de onderhavige aanvraag dient getoetst aan de hic et nunc van kracht zijnde voorschriften en reglementeringen, in casu de X-7730-6/12 bepalingen van bovenvermeld artikel 2 § 1; dat om deze redenen - waartegen de overige door de particulier aangehaalde argumenten niet kunnen opwegen - dient gesteld dat de gevraagde regularisatie de goede aanleg van de plaats in het gedrang brengt en stedebouwkundig niet kan worden aanvaard; dat zodoende het beroep van de particulier niet in aanmerking komt voor inwilliging; (...)’ De Minister stelt echter ten onrechte dat bij het onderzoek van een regularisatievergunningsaanvraag dient rekening gehouden met de verordeningsbepalingen zoals deze zich voordoen op het ogenblik dat hij zijn beslissing neemt. Verzoeker is de mening toegedaan dat hij hierbij het door hem geciteerde Arrest van uw Raad, nr 18.527 van 8 november 1977 verkeerd leest. Bij dit Arrest werd wel gesteld dat de overheid, dewelke een beslissing moet nemen over de toepassing van het algemeen reglement ter zake de bescherming van werknemers in het gebouw alwaar zij mogelijk zullen dienen te presteren, de voorschriften van de vigerende bijzondere plannen van aanleg dient in acht te nemen. M.a.w. uw Raad is van mening geweest dat de overheid, die de al dan niet gepastheid van een arbeidsreglement in overweging neemt, haar beoordelingscriteria dient te toetsen aan de beslissing van de administratieve overheid, die eerst dient te oordelen over de mogelijkheid van een regularisatievergunning af te leveren voor de fabriek en de uitbating of werking ervan. Nu is aangetoond dat het bij het Ministerieel Besluit geciteerde Arrest van uw Raad nr 18.527 niet het betoog van de Minister schraagt, meent verzoeker dat het van belang is wat volgt te onderzoeken. Het bestreden Ministerieel Besluit miskent een belangrijk rechtsprincipe als logisch en rechtstreeks gevolg van een andere regel. Het betreft de basisregel ‘de wet beschikt slechts voor de toekomst’, waaruit onmiddellijk voortvloeit ‘bestaande toestanden, die hun ontstaan in het verleden hebben, niet volgens de nieuwe wet mogen worden beoordeeld’. In de eerste plaats dient de hoofdregel onderzocht a. g. het niet- retroactiviteitsbeginsel. Weliswaar is de beschikking van het artikel 2 van het burgerlijk wetboek: ‘De wet beschikt alleen voor de toekomst; zij heeft geen terugwerkende kracht’ geen uitdrukkelijke administratiefrechtelijke regel. Zelfs indien de beschikking van artikel 190 van de Grondwet stellende dat ‘Geen wet, besluit of verordening van algemeen, provinciaal of gemeentelijk bestuur is verbindend dan na te zijn bekend gemaakt in de vorm door de wet bepaald’ volgens de rechtspraak van het Hof van Arbitrage een bepaling is die bevoegdheidsverdelend karakter heeft in die zin dat de regels inzake de bekendmaking door de federale wetgever moeten worden vastgesteld, en de regel van artikel 190 een door de grondwetgever aan de wetgever voorbehouden bevoegdheid uitmaakt die de Vlaamse Raad zich niet kan toe- eigenen, is de regel van de niet-retroactiviteit van het Decreet niettemin af te leiden uit de artikel 22 en 84 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (...). Het principe van de niet-retroactiviteit van de wet is ook een essentieel democratische moderne regel van gezond verstand en billijkheid. (...) De regel van de niet-retroactiviteit van de wet (of het Decreet) heeft bovendien, als onmiddellijk gevolg van de hoofdregel, een tweede luik: ‘Toestanden, ontstaan in het verleden, dienen niet volgens wetten later afgevaardigd te worden beoordeeld, maar volgens de wet van ten tijde van het ontstaan van de toestand’. (...) X-7730-7/12 Het Hof van Cassatie heeft bij drie Arresten dit principe en inzonderheid inzake procedure als volgt aangescherpt:
(1)‘In de regel is de nieuwe wet niet enkel van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of voortduren onder de gelding van de nieuwe wet, voor zover daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan onherroepelijk vastgestelde rechten. Met betrekking tot overeenkomsten blijft de oude wet van toepassing behoudens indien de nieuwe wet van openbare orde is of uitdrukkelijk toepasselijk wordt gemaakt op lopende overeenkomsten. (...)
(2)De nieuwe wet is vanaf haar inwerkingtreding van toepassing op hangende gedingen. Zulks betekent echter niet dat zij, behoudens andersluidende bepalingen, de geldigheid aantast van de onder de vroegere wet verrichte handelingen of de nietigheid of het verval opheft van proceshandelingen die, volgens de vroegere wet, nietig waren of te laat verricht. (...)
(3)Hoewel in de regel een nieuwe wet niet alleen van toepassing is op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige toestanden die zich voordoen of voortduren onder de werking van de nieuwe wet, wordt van die regel afgeweken wanneer de onmiddellijke toepassing van de nieuwe wet afbreuk zou doen aan de vorige toestanden die definitief voltrokken zijn. (...) In het licht van het hoger geciteerde Arrest van het Arbitragehof, stellende dat ook in administratief recht de regel van de niet-retroactiviteit van de wet geldt, is dan ook uit wat hiervoor werd uiteengezet te concluderen dat ook in administratief recht de tweede regel geldt: het beoordelen van toestanden uit het verleden volgens hun wetgevende context. (...) Verzoeker heeft hierbij twee consideransen:
(1)Het Arrest aanvaardt overduidelijk, zelfs expliciet, dat de voorwaarden tot aflevering van de regularisatievergunning zich situeren ten tijde van het oprichten van het bouwwerk.
(2)De mogelijkheid van de regularisatievergunning is niet uitdrukkelijk in de wet ingeschreven, maar de creatie door uw Raad naar een ontegensprekelijke maatstaf van sociale noodwendigheid en gezond verstand. Gesteund door nog twee andere uitspraken van uw Raad (...) heeft deze eensluidende rechtspraak aanleiding gegeven tot een onbesproken en alom toegepaste administratieve rechtspraktijk, dewelke nergens wordt betwist. Indien aldus de regularisatievergunning een creatie is van uw Raad, waarbij ongetwijfeld werd gesteund op de regel van de billijkheid, is er geen enkele reden voorhanden om niet de regels inzake civiel recht verfijnd door het Hof van Cassatie ter zake artikel 2 BWB toe te passen in het administratief recht en in casu ter zake de regularisatievergunning. Te meer daar, zomin als voor het principe van de regularisatievergunning zelf, de wet niet heeft beschikt in afwijkende zin. Er dient bovendien van uitgegaan dat niets bij de toepassing van artikel 65 van de Stedebouwwet ter zake de overweging een regularisatievergunning er zich tegen verzet dat de overheid de wettelijke of decretale normen zou toepassen van ten tijde van het optrekken van het bouwwerk. En beslist mag de houding van de administratieve overheid alsdan niet ingegeven zijn door een overweging die tendeert te figureren als een soort administratiefrechtelijke straf in de geest van het vergelijk, dewelke echter op X-7730-8/12 geen enkel ogenblik enigszins is te verantwoorden bij gebreke van enige wettelijke voorziening. De administratieve overheid is dan ook niet gerechtigd de aanvragen van de regularisatievergunning onrechtmatige handicaps op te leggen, die niet in overeenstemming zijn met de algemeen geldende rechtsprincipes, laat staan uitdrukkelijk voorgeschreven bij decreet. Tweede onderdeel Miskenning van artikel 149 van de Grondwet Miskenning van de artikels 10 en 11 van de grondwet. Aan de hand van de motivering van het Bestreden Ministerieel Besluit kan worden afgeleid dat door de Minister het particulier geval van de regularisatievergunning afgeleverd aan de derde persoon voor het perceel Sectie 4 210 R, aan een onderzoek werd onderworpen en de waarachtigheid van deze regularisatie derhalve niet ter discussie is. Wanneer uw Raad de juistheid aanvaardt van concluants overwegingen onder supra, is meteen duidelijk dat door te weigeren de door verzoeker aangevraagde regularisatievergunning te toetsen aan de hierbij geciteerde, de Minister onvoldoende heeft geantwoord op de argumentatie van verzoeker, wat een schending uitmaakt van artikel 149 van de grondwet. Meteen werden de artikels 10 en 11 van de grondwet geschonden ter zake het gelijkheidsbeginsel”. Beoordeling
- Samengevat komt het middel hierop neer dat de minister ten onrechte toepassing heeft gemaakt van de reglementering die gold op het ogenblik dat hij over het beroep uitspraak heeft gedaan.
- Wanneer de minister op grond van het toentertijd geldende artikel 53, § 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), over een administratief beroep uitspraak doet, treedt hij niet op als administratief rechtscollege, maar als orgaan van het actief bestuur. Als zodanig is hij er toe gehouden de reglementering toe te passen die geldt op het ogenblik dat hij over het beroep uitspraak doet (zie ook Arbitragehof 6 juni 1995, nr. 40/95, B.3.4). Deze reglementering kan in overgangsbepalingen voorzien waarin uitdrukkelijk bepaald wordt dat een opgeheven en vervangen regeling bij wijze van overgang voor een zekere tijd van kracht blijft. Dit is te dezen niet het geval. In tegenstelling tot hetgeen de verzoeker voorhoudt, houdt de toepassing van het voormelde beginsel geen schending in van het niet-retroactiviteitsbeginsel.
- Wanneer de minister op grond van artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet over een beroep uitspraak doet, is hij, als orgaan van het actief bestuur, er niet toe gehouden alle door de verzoeker aangevoerde argumenten X-7730-9/12 te beantwoorden. Hij kan volstaan met de motieven aan te geven waarop hij zijn beslissing steunt.
- Het middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van de “algemene procedure regel dat de beroepsrechter de hem voorgelegde betwisting onderzoekt in hetzelfde stadium waarin de zaak verkeerde voor de eerste instantie”. Beoordeling
- In de memorie van wederantwoord stelt de verzoeker niet meer aan te dringen wat betreft dit middel. Dit kan niet anders dan als een afstand van het middel worden begrepen. C. Prejudiciële vraag
- “In ondergeschikte orde” vraagt de verzoeker in fine van zijn verzoekschrift “gesteld dat uw Raad, enige tegenstrijdigheid of onduidelijkheid zou onderkennen bij de toepassing van de hierboven besproken rechtsnormen” aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: “Wordt het artikel 65 van de wet van 29 maart 1962 op de ruimtelijke ordening en stedebouw, alsook de artikels 22 en 84 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen en meer in het bijzonder m.b.t. het grondwettelijk beginsel in zake de bekendmaking van normen wat de decreten en hun uitvoeringsbesluiten betreft, geschonden indien bij de beslechting van een regularisatievergunning de geadieerde administratieve rechtsinstantie, zij het in eerste aanleg of in beroep, zich beroept op de hic et nunc van kracht zijnde voorschriften en reglementeringen op het ogenblik van haar beslissing en derhalve niet op de voorschriften en reglementeringen zoals zij van kracht waren ten tijde van de oprichting van het gebouw waarvoor de regularisatievergunning wordt aangevraagd?”. De voorgestelde prejudiciële vraag gaat er verkeerdelijk van uit dat de minister is opgetreden als rechtscollege, hetgeen, zoals hiervoor reeds werd X-7730-10/12 vermeld, niet het geval is indien hij op grond van artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet over een beroep uitspraak doet. Om deze reden alleen reeds dient de voorgestelde prejudiciële vraag niet aan het Grondwettelijk Hof te worden gesteld. In zijn laatste memorie stelt de verzoeker dat er “aanleiding toe (bestaat)” om de prejudiciële vraag met meer preciesheid te formuleren, en wel als volgt: “Zijn het artikel 2 van het decreet van het Vlaams Gewest van 23 juni 1993 houdende aanvulling met het artikel 87 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en stedebouw, alsook het artikel 2 van het decreet van het Vlaams Gewest van 13 juli 1994 houdende wijziging van artikel 87 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en stedebouw, beiden overgenomen bij het artikel 2 par 1 van het Coördinatiedecreet betreffende de Ruimtelijke Ordening van 22 oktober 1996, en stellende dat ‘bij het onderzoek van bouw- of verkavelingsaanvragen, andere dan voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare diensten, geen toepassing kan gemaakt worden van regelen in verband met de inrichting en toepassing van ontwerpgewestplannen en gewestplannen die de mogelijkheid scheppen om van deze plannen af te wijken of uitzonderingen toe te laten waardoor kan worden gebouwd of verkaveld.’ ook van toepassing op aanvragen tot het verlenen van regularisatievergunningen voor bouwwerken reeds langere tijd opgericht vóór de in werking treding van de decreten van 23 juni 1993 en 13 juli 1994; en maakt bij geval de vraag hierover affirmatief is te beantwoorden, dergelijke regeling een schending uit van de fundamentele rechtsregel dat de wet niet toepasselijk kan zijn op toestanden ontstaan en definitief uitgevoerd vóór haar tot standkoming, alsook van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarbij de gelijkheid onder de burgers wordt gegarandeerd?”. In wezen gaat het om een nieuwe prejudiciële vraag, die in limine litis had dienen te worden gesteld. Het verzoek tot het stellen van deze prejudiciële vraag is niet ontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De nalatenschap van de verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 173,53 euro. X-7730-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien december 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, met bijstand van Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-7730-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.914 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div