← België

Arrest 198915 - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen - 15/12/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.915 Rolnummer: A. 162265/IX-4887 Zaak: Arrest 198915 - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen - 15/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-29 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-30 04:02 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) DE Fiche Arrest nr 198.915 van 15 december 2009 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 198.915 van 15 december 2009 in de zaak A. 162.265/IX-4887 In zake : Eddy HOEBEKE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat André Van Roosbroeck kantoor houdend te Antwerpen Desguinlei 6 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door:

  1. de minister van Financiën
  2. de minister van Pensioenen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 4 mei 2005, strekt tot de vernietiging van het koninklijk besluit van 3 maart 2005 houdende hervorming van de bijzondere loopbaan van sommige ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën en de administratie der Pensioenen van het Ministerie van Financiën en houdende diverse bepalingen tot uitvoering van het koninklijk besluit van 5 september 2002 houdende hervorming van de loopbaan van sommige ambtenaren in de rijksbesturen. II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft memories van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. IX-4887-1/15 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 mei
  5. Kamervoorzitter Paul Lemmens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Isabella Depraetere, die loco advocaat André Van Roosbroeck verschijnt voor de verzoeker, en inspecteur Jan De Vleeschouwer, die verschijnt voor de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Reglementair kader en feiten
  7. Bij koninklijk besluit van 5 september 2002 houdende hervorming van de loopbaan van sommige ambtenaren in de Rijksbesturen wordt onder meer een nieuwe regeling uitgewerkt voor de functies binnen de bestaande niveau’s 2+, 2, 3 en
  8. Deze functies worden voortaan ondergebracht in de nieuwe niveaus B, C en D. Dat besluit is van toepassing op de gemene graden voor het geheel van het federaal openbaar ambt. Voor de voorliggende zaak is de regeling in verband met de functies binnen het oude niveau 2+ van belang. Die functies worden ondergebracht in het nieuwe niveau B.
  9. Voor de Federale Overheidsdienst (FOD) Financiën en voor de administratie der Pensioenen worden nadere regels bepaald in het koninklijk besluit van 3 maart 2005 houdende hervorming van de bijzondere loopbaan van sommige ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën en de administratie der Pensioenen van het Ministerie van Financiën en houdende diverse bepalingen tot IX-4887-2/15 uitvoering van het koninklijk besluit van 5 september 2002 houdende hervorming van de loopbaan van sommige ambtenaren in de rijksbesturen. Zoals in het verslag aan de Koning wordt uiteengezet, streeft dat besluit ernaar “om in de niveaus D, C en B de bijzondere loopbanen te integreren van sommige ambtenaren van de oude niveaus 3, 2 en 2+ van de Federale Overheidsdienst Financiën en van de Administratie der pensioenen van het Ministerie van Financiën”. Wat meer in het bijzonder het niveau B betreft, voorziet artikel 31 in de oprichting van de nieuwe graad van fiscaal deskundige, en deelt het ook een aantal afgeschafte graden in dat niveau in. De integratie van de ambtenaren van de graden van het oude niveau 2+ in de nieuwe graden van het nieuwe niveau B wordt geregeld als volgt: - alle ambtenaren die op 1 oktober 2002 titularis zijn van een graad van niveau 2+ worden ambtshalve benoemd in een overeenstemmende graad van niveau B, op voorwaarde dat ze vóór 30 juni 2005 een specifiek met dit doel georganiseerde opleiding hebben gevolgd (artikel 32, § 1); - voor de bedoelde ambtenaren bevat artikel 35 bepalingen in verband met hun inschaling in de weddeschaal verbonden aan hun nieuwe graad: “§
  10. De in artikel 32 van dit besluit bedoelde ambtenaren worden, op de datum van hun ambtshalve benoeming, ingeschaald in de weddeschaal verbonden aan hun nieuwe graad overeenkomstig de bijlage
  11. §
  12. In afwijking van § 1, heeft de inschaling van de eerstaanwezend verificateurs, voorheen titularis van de graad van verificateur-accountant, slechts geldelijke uitwerking met ingang van 1 januari
  13. Tijdens de periode van 1 oktober 2002 tot 31 december 2004, behouden deze ambtenaren de weddeschaal en het weddecomplement waarop zij gerechtigd waren op de datum van hun ambtshalve benoeming in niveau B.” Het koninklijk besluit van 3 maart 2005, dat bekendgemaakt is in het Belgisch Staatsblad van 8 maart 2005, vormt het voorwerp van het voorliggende beroep.
  14. Vóór de inwerkingtreding van het bestreden besluit was de verzoeker eerstaanwezend verificateur, voorheen verificateur-accountant, bij de FOD Financiën (niveau 2+). Met toepassing van artikel 32, § 1, van het bestreden IX-4887-3/15 besluit wordt hij ambtshalve benoemd in de graad van fiscaal deskundige (niveau B), met uitwerking op 1 oktober
  15. Met toepassing van artikel 35, § 2, van het bestreden besluit geniet de verzoeker pas vanaf 1 januari 2005 de weddeschaal die verbonden is aan die nieuwe graad in niveau B. Zoals blijkt uit de algemene regel vervat in artikel 35, § 1, van het bestreden besluit, genieten de andere titularissen van een graad in niveau B de nieuwe weddeschaal reeds vanaf 1 oktober
  16. IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep
  17. De eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat uit de lezing van de middelen blijkt dat het beroep slechts gericht is tegen artikel 35, § 2, van het koninklijk besluit van 3 maart
  18. Het is de enige bepaling waartegen de verzoeker grieven aanvoert, en hij maakt ook niet duidelijk welk belang hij zou hebben bij de vernietiging van de andere bepalingen van dit koninklijk besluit. De verwerende partij meent dan ook dat het voorwerp van het beroep beperkt moet worden tot artikel 35, § 2, van het bestreden besluit.
  19. In zijn memorie van wederantwoord verklaart de verzoeker zich op dit punt te gedragen naar de wijsheid van de Raad van State.
  20. De verwerende partij merkt terecht op dat verzoekers beroep enkel gericht is tegen de bijzondere regeling die, in verband met de inschaling in de nieuwe weddeschaal, geldt voor de eerstaanwezend verificateurs die voorheen titularis waren van de graad van verificateur-accountant. Deze bijzondere regeling is vervat in artikel 35, § 2, van het bestreden besluit. Het beroep moet dan ook geacht worden enkel tegen dat artikel 35, § 2, te zijn gericht. V. Onderzoek van de middelen Eerste middel IX-4887-4/15 Standpunt van de partijen 9.
  21. De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, het gelijkheids- en non- discriminatiebeginsel, het zorgvuldigheids-, het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel, alsmede het motiveringsbeginsel en de materiële motiveringsplicht, doordat artikel 32 van het bestreden besluit stelt dat de ambtenaren die op 1 oktober 2002 titularis zijn van één van de graden in niveau 2+, op die datum ambtshalve worden benoemd in de overeenstemmende graad van niveau B, op voorwaarde dat ze vóór 30 juni 2005 een met dit doel door de Nationale School voor Fiscaliteit en Financiën georganiseerde opleiding hebben gevolgd, en doordat artikel 35, § 1, van het bestreden besluit daaraan toevoegt dat deze ambtenaren op de datum van hun ambtshalve benoeming ingeschaald worden in de weddeschaal welke is verbonden aan hun nieuwe graad, terwijl artikel 35, § 2, van het bestreden besluit bepaalt dat, in afwijking van de voormelde § 1, de ambtenaren die voordien de graad van eerstaanwezend verificateur, voorheen verificateur-accountant bezaten, hun nieuwe inschaling pas geldelijk uitwerking zullen zien krijgen met ingang van 1 januari 2004 (lees: 2005), zodat kan worden vastgesteld dat door het bestreden besluit een onderscheiden behandeling wordt ingevoerd tussen de ambtenaren van het niveau B met betrekking tot het geldelijk in werking treden van hun nieuwe inschaling, zonder dat hieraan enige redelijke en objectieve verantwoording ten grondslag ligt en dat zulks ook op geen enkele aannemelijke wijze in feite of in rechte wordt verantwoord. In de toelichting bij het middel wijst de verzoeker erop dat noch in het bestreden besluit, noch in het verslag aan de Koning enige materiële motivering te vinden is waaruit de rechtzoekende zou kunnen afleiden om welke reden het onderscheid is ingevoerd. De rechtzoekende verkeert dus in de onmogelijkheid om na te gaan of er wel degelijk een in rechte en in feite aanvaardbare verantwoording bestaat. Hierdoor wordt, aldus de verzoeker, ook het rechtszekerheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. IX-4887-5/15 Voorts meent de verzoeker dat er een schending is van het beginsel van de niet-retroactiviteit. Hij stelt dat er voor degenen die zich binnen de voorwaarden bevinden een terugwerkende kracht is voorzien tot 1 oktober 2002, zowel wat betreft de ambtshalve benoeming (artikel 32) als wat betreft de bezoldiging (artikel 35, § 1). Voor de eerstaanwezend verificateurs, voorheen verificateurs-accountant, heeft de nieuwe graad daarentegen slechts een geldelijke uitwerking vanaf 1 januari 2005 (artikel 35, § 2). De verzoeker meent dat de retroactiviteit vervat in de bestreden bepalingen laakbaar is, in het licht van de rechtszekerheid. 9.
  22. In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker op het verweer van de verwerende partij. Hij voert aan dat de redengeving die door de verwerende partij wordt gegeven voor het laten ingaan van zijn inschaling op 1 januari 2005, namelijk dat het doel was om de overgangsregeling evenwichtig op te bouwen en dat daarbij ook rekening moest worden gehouden met de budgettaire effecten van de maatregel, geen afbreuk doet aan het feit dat: - alle ambtenaren uit het vroegere niveau 2+ thans ingeschaald zijn in niveau B; - deze benoemingen werden doorgevoerd met ingang van 1 oktober 2002 en met een inschaling op die datum, behalve voor de eerstaanwezend verificateurs voorheen verificateurs-accountants; - er daarvoor geen enkele wettelijke grondslag, noch verantwoording is. Stellen dat louter het kosteneffect van de retroactieve werking de andere behandeling verantwoordt raakt volgens de verzoeker kant noch wal. Men had, aldus de verzoeker, immers evengoed de budgetmaatregelen kunnen toepassen op een andere graad binnen het niveau B of op andere niveaus kunnen budgetteren. Evenmin kan de verwerende partij gevolgd worden waar deze stelt dat het enkele feit dat voor bepaalde ambtenaren een specifieke bezoldigingsregeling geldt, niet met zich brengt dat er een discriminatie is. De verzoeker kan begrijpen dat men een gediversifieerd personeelsstatuut invoert met daaraan gekoppeld diverse schalen van bezoldiging. Dat is iets anders dan alle ambtenaren de retroactiviteit te laten genieten, met uitzondering van één groep van ambtenaren, aan wie men zonder enige motivering de retroactieve inschaling onthoudt. IX-4887-6/15 9.
  23. In zijn laatste memorie beklemtoont de verzoeker dat hij niet de verschilpunten in het geldelijk statuut bestrijdt, maar wel de ongelijke datum van inschaling. Het onevenwicht spruit voort uit het feit dat de retroactieve toepassing voor alle ambtenaren gesteld is op 1 oktober 2002, behalve voor de verificateurs, die voorheen verificateur-accountant waren, voor wie de retroactieve toepassing slechts vanaf 1 januari 2005 geldt. Hierdoor ontstaat er voor de verzoeker een recht op achterstal dat over een kortere periode wordt berekend dan voor de andere ambtenaren. De verzoeker betoogt dat een achterstal per definitie geen invloed heeft op de door de wet beoogde verschillen in geldelijk statuut, vermits deze statuten onaangetast blijven door de datum van hun inwerkingtreding. Het erin beoogde evenwicht blijft dan ook eveneens onaangeroerd door het al dan niet bestaan van achterstallen. De verzoeker besluit dat een verschil in retroactieve werking enkel een budgettaire verantwoording kan hebben. Een dergelijke verantwoording is echter geen rechtsgeldige verantwoording.
  24. De eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij antwoordt dat er wel degelijk een verantwoording bestaat voor het verschil in behandeling en dat dit te maken heeft met de verschillende bezoldiging na de integratie in de nieuwe loopbaan. Zij zet dit uiteen als volgt: - de eerstaanwezend verificateurs, voorheen niet bekleed met de graad van verificateur-accountant, genoten in het oude systeem de weddeschaal 28C of 28S2, verhoogd met een weddecomplement. Zij worden in het nieuwe systeem ingeschaald in de weddeschaal BF3, met behoud van de vormingspremie tot 1 januari
  25. Deze overgang naar de nieuwe weddeschaal brengt een verhoging mee van gemiddeld 1,4% (ambtenaren die voordien de weddeschaal 28C genoten) of 1,6% (ambtenaren die voordien de weddeschaal 28S2 genoten). - de eerstaanwezend verificateurs, voorheen bekleed met de graad van verificateur- accountant, werden, indien zij 9 jaar anciënniteit hadden in de rang 24 of 15 jaar in niveau 2+, in het oude systeem bezoldigd in de bijzondere weddeschaal 24SP die hoger was dan 28C, en zij genoten hetzelfde weddecomplement. Vanaf 1 januari 2005 genieten zij de weddeschaal BF4, verhoogd met het weddecomplement verbonden aan het brevet van fiscaal expert, en zij behouden hun vormingspremie voor onbepaalde tijd. Deze overgang betekent voor hen een gemiddelde jaarlijkse verhoging van meer dan 12%. IX-4887-7/15 De pecuniaire gevolgen van de inschaling in niveau B van de eerstaanwezend verificateurs zijn derhalve verschillend: de enen krijgen een relatief beperkte loonsverhoging van 1,4 of 1,6%, de anderen, zoals de verzoeker, zien hun wedde met meer dan 12% per jaar stijgen. De verwerende partij betoogt dat om het evenwicht tussen de beide groepen bij de overgang naar de nieuwe loopbaan te respecteren de kleinste verhogingen toegekend werden vanaf 1 januari 2002 en de grote vanaf 1 januari
  26. Zij wijst er bovendien op dat de aanvankelijk voor de eerstaanwezend verificateurs, voorheen verificateurs-accountants, voorziene nieuwe weddeschalen zijn aangepast (aanvankelijk was een inschaling in de weddeschaal BF3 vooropgesteld, terwijl het uiteindelijk de weddeschaal BF4 is geworden). De belangrijke meerkost van deze verhoging liet budgettair niet toe om aan de hoge weddeaanpassingen voor de 440 betrokken ambtenaren ook nog eens terugwerkende kracht tot 1 oktober 2002 te verlenen. Het verschil in behandeling bij de integratie in de nieuwe loopbanen in niveau B is dus gebaseerd op een objectieve en redelijke verantwoording, gezien de noodzaak om, enerzijds, de overgangsregeling evenwichtig op te bouwen, en anderzijds, daarbij ook rekening te houden met de budgettaire effecten van de maatregel. De bestreden regeling is dan ook materieel gemotiveerd. In elk geval moet worden vastgesteld, zo betoogt de verwerende partij nog, dat reeds vóór de inwerkingtreding van het bestreden besluit de eerstaanwezend verificateurs, voorheen verificateurs-accountant, zich in een bijzondere toestand bevonden ten opzichte van de andere eerstaanwezend verificateurs (andere weddeschaal verantwoord door het feit dat zij een bijzondere proef over de beroepsbekwaamheid hadden afgelegd, en een bijzonder pecuniair regime). In de nieuwe loopbaan werd deze bijzondere positie bevestigd: de eerstaanwezend verificateurs, voorheen verificateurs-accountant, werden ingeschaald in een andere weddeschaal volgens andere regels en zij maken aanspraak op andere vergoedingen dan de andere ambtenaren die benoemd zijn in niveau B. De ambtenaren die zich in een bepaalde situatie bevinden kunnen niet beweren dat het gelijkheidsbeginsel geschonden is door het enkele feit dat het personeelsstatuut voor hen in een verschillende regeling voorziet. Gelet op de verschillen in het geldelijk statuut dat van toepassing is op de eerstaanwezend IX-4887-8/15 verificateurs voorheen niet verificateur-accountant en de eerstaanwezend verificateurs voorheen wel verificateur-accountant, kunnen hun pecuniaire situaties niet vergeleken worden. Wat de schending van het principe van het beginsel van de niet- retroactiviteit betreft, merkt de verwerende partij op dat de verzoeker in feite aanvoert dat aan de regeling die op hem van toepassing is, een verdere retroactieve werking moet worden toegekend, omdat anders het gelijkheidsbeginsel is geschonden. De verwerende partij herhaalt dat de gedifferentieerde regeling het gevolg is van de noodzaak om de overgang evenwichtig te laten verlopen en van de budgettaire weerslag ervan. Zij meent dat de hier aangevochten bepaling het gelijkheidsbeginsel niet schendt en dat het niet goed valt in te zien hoe het beginsel van de niet-retroactiviteit zou zijn geschonden door het feit dat het aangevochten besluit ten aanzien van de verzoeker minder ver terugwerkt dan 1 januari
  27. De tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij verwijst naar het verweer door de eerste vertegenwoordiger. Beoordeling
  28. In het middel voert de verzoeker in essentie aan dat artikel 35, § 2, van het bestreden besluit een discriminatie in het leven roept, met betrekking tot de datum waarop de inschaling van de ambtenaren van het oude niveau 2+ in het nieuwe niveau B geldelijke uitwerking heeft, tussen de eerstaanwezend verificateurs, voorheen bekleed met de graad van verificateur-accountant, enerzijds, en de eerstaanwezend verificateurs, voorheen niet bekleed met de graad van verificateur-accountant, en de andere in niveau B ingeschaalde ambtenaren van het oude niveau 2+, anderzijds. 12.
  29. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet- discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat geen IX-4887-9/15 redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. 12.
  30. Ter verantwoording van het bedoelde verschil in behandeling verwijst de verwerende partij in de eerste plaats naar de noodzaak om de overgangsregeling evenwichtig op te bouwen. De verschillen inzake uitwerking in de tijd moeten bekeken worden in het licht van de verschillende bezoldigingsregelingen zoals die zullen bestaan na de integratie van de ambtenaren in de nieuwe loopbanen. Uit het bestreden besluit blijkt dat voor de inschaling van ambtenaren in de nieuwe weddeschalen verscheidene parameters gebruikt worden, waarvan de datum van inschaling er slechts één is. Daarnaast is er immers ook nog de wijze van inschaling (“op bezoldiging” of “op geldelijke anciënniteit”; al dan niet met behoud van premies; ...). Voor de beoordeling van de verenigbaarheid van de aangevochten regeling met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie mag dan ook niet enkel met de datum van inschaling rekening gehouden worden. Overeenkomstig artikel 35, § 1, van het bestreden besluit worden de ambtenaren die titularis zijn van een graad van het oude niveau 2+ ingeschaald in de weddeschaal verbonden aan hun graad van het nieuwe niveau B overeenkomstig bijlage 1 bij het besluit. Uit die bijlage 1 blijkt dat de inschaling van de verificateurs in de nieuwe weddeschalen voor alle hogere weddeschalen, dus BF2 en BF3, gebeurt “op bezoldiging”. Overeenkomstig artikel 36, § 1, van het bestreden besluit verkrijgen de betrokken ambtenaren in hun nieuwe weddeschaal de wedde die gelijk is aan of net hoger is dan die welke zij op basis van hun oude weddeschaal genoten op het ogenblik van hun inschaling. Wat betreft de eerstaanwezend verificateurs, voorheen titularis van de graad van verificateur-accountant, blijkt uit bijlage 1 dat zij worden ingeschaald in de hoogste weddeschaal, namelijk BF4, op basis van hun geldelijke anciënniteit. Dit betekent dat zij de wedde verkrijgen die in de nieuwe schaal verbonden is aan de door hen voorheen verworven geldelijke anciënniteit. Dit systeem is volgens de verwerende partij voor hen voordeliger dan een inschaling op bezoldiging. De verzoeker spreekt dit niet tegen. De verwerende partij wijst er voorts op dat de bedoelde eerstaanwezend verificateurs, anders dan de andere eerstaanwezend verificateurs, hun vormingspremie zonder tijdslimiet behouden. Ook dit gegeven wordt door de verzoeker niet tegengesproken. De verwerende partij stelt, zonder op dit punt door de verzoeker IX-4887-10/15 te worden tegengesproken, dat verzoekers nieuwe financiële situatie voor hem een veel grotere gemiddelde jaarlijkse inkomensstijging meebrengt dan voor de andere eerstaanwezend verificateurs op wie de normale regeling van inschaling is toegepast. De overgang van de oude loopbanen naar de nieuwe in het kader van de hervorming van de loopbaan van het rijkspersoneel heeft tot doel te komen tot een marktconforme verloning. Het is niet de bedoeling om los daarvan loonsverhogingen te geven. Het bestuur kan er in redelijkheid voor opteren om deze operatie te laten verlopen op een voor het geheel van de ambtenaren evenwichtige manier. Het invoeren van verschillen tussen bepaalde categorieën van ambtenaren heeft in die optiek een wettig doel. Met betrekking tot de vraag of het verschil in terugwerkende kracht voor de verzoeker geen onevenredige gevolgen heeft, moet ermee rekening gehouden worden dat het nieuwe financiële statuut van de eerstaanwezend verificateurs die voorheen titularis waren van de graad van verificateur-accountant zo is vastgesteld dat dit voor hen een merkelijk grotere verbetering meebrengt dan voor de andere ambtenaren van hun niveau. In die omstandigheden blijkt niet dat het enkele feit van de latere uitwerking, op geldelijk gebied, van de inschaling in het nieuwe statuut voor de verzoeker gevolgen heeft die kennelijk onevenredig zijn met het beoogde doel, namelijk de evenwichtige opbouw van de overgangsregeling. In dit verband merkt de Raad van State op dat de verzoeker niet aanvoert dat het financieel statuut van de categorie van ambtenaren waartoe hij behoort voorheen dermate achtergesteld was ten opzichte van dat van zijn collega's, dat voor de bedoelde categorie een inhaalbeweging nodig zou zijn. 12.
  31. De omstandigheid dat de bestreden regeling ook een budgettair doel zou dienen, doet geen afbreuk aan het voorgaande. 12.
  32. Het feit dat de verzoeker slechts ingeschaald wordt in zijn nieuwe weddeschaal vanaf 1 januari 2005 in plaats van reeds vanaf 1 oktober 2002 houdt dan ook geen schending in van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.
  33. In zoverre de verzoeker aanvoert dat de terugwerkende kracht van de inschaling in de nieuwe weddeschaal (tot aan het ogenblik van de ambtshalve benoeming in de nieuwe graad), voor de andere ambtenaren dan de eerstaanwezend IX-4887-11/15 verificateurs die voorheen bekleed waren met de graad van verificateur-accountant, strijdig is met het rechtszekerheidsbeginsel, moet vastgesteld worden dat de verzoeker geen belang heeft bij die grief. De verzoeker beoogt immers niet dat er in het geheel geen terugwerkende kracht zou worden verleend aan de inschalingen. Hij wenst integendeel te verkrijgen dat de terugwerkende kracht van de geldelijke regeling die op hem van toepassing is ruimer zou zijn dan die welke in het bestreden besluit is vastgesteld.
  34. Voor het overige preciseert de verzoeker niet waarin de schending bestaat van de andere in het middel ingeroepen beginselen.
  35. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Standpunt van de partijen 16.
  36. De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit de machtsafwending. De verzoeker voert aan dat de overheid is uitgegaan van een bepaald budget bij de hervorming van haar ambtenarenapparaat. De reden waarom er voor de eerstaanwezend verificateurs, voorheen titularis van de graad van verificateur-accountant, die als enige in de hoogste schaal BF4 worden ingeschaald geen terugwerking is tot 1 oktober 2002, is gelegen in het feit dat een dergelijke terugwerking een te hoge budgettaire last zou hebben meegebracht. 16.
  37. In zijn memorie van wederantwoord preciseert de verzoeker dat het benadelen van één enkele groep van ambtenaren omwille van financiële belangen, in strijd is met het algemeen belang. 16.
  38. In zijn laatste memorie stelt hij nog dat de hervorming van de loopbaan van het rijkspersoneel bedoeld is om een marktconforme verloning te creëren. De bevoegdheid om die hervorming te realiseren kan niet aangewend worden om een budgettair gezonde toestand te creëren. IX-4887-12/15
  39. De verwerende partij antwoordt dat het niet duidelijk is hoe het nastreven van budgettaire doelstellingen, naast andere doelstellingen, te dezen een evenwichtige overgang voor alle ambtenaren, zou meebrengen dat het aangevochten besluit genomen zou zijn met machtsafwending. Beoordeling
  40. Machtsafwending bestaat erin dat de overheid haar bevoegdheid heeft aangewend voor een ander doel dan voor het algemeen belang dat zij behoort te behartigen. Opdat er van machtsafwending sprake kan zijn, moet daarenboven het nagestreefde ongeoorloofde doel het enige oogmerk van de bestreden beslissing zijn geweest. Wie machtsafwending aanvoert, moet daartoe voldoende ernstige, welbepaalde en overeenstemmende vermoedens aandragen.
  41. Samen met de verwerende partij kan niet worden ingezien hoe het feit dat, gesteld dat het zo zou zijn, budgettaire belangen de maatregel hebben gemotiveerd, machtsafwending zou uitmaken. De overheid moet haar bevoegdheid uitoefenen in het algemeen belang. Daartoe behoort ook het betrachten van een gezonde budgettaire toestand. Het feit dat het bestuur bij het doorvoeren van de hervorming van de loopbaan van het rijkspersoneel ook oog heeft gehad voor de kostprijs van de hervorming kan niet als machtsafwending worden beschouwd. Gelet op het voorgaande, brengt de verzoeker geen voldoende ernstige, welbepaalde en overeenstemmende vermoedens aan die van aard zijn aan te tonen dat de verwerende partij haar bevoegdheid heeft aangewend voor een ander doel dan voor het algemeen belang dat zij behoort te behartigen. De verzoeker brengt zelfs geen begin van bewijs van het bestaan van een dergelijke intentie aan. Er is dan ook geen reden om de zaak met toepassing van artikel 91 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te verwijzen naar de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak.
  42. Het middel kan niet worden aangenomen. IX-4887-13/15 BESLISSING
  43. De Raad van State verwerpt het beroep.
  44. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op 175 euro. IX-4887-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 15 december 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, met bijstand van Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts Paul Lemmens IX-4887-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.915 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.