← België

Arrest 198943 - Energie - 15/12/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.943 Rolnummer: A. 158432/VII-37506 Zaak: Arrest 198943 - Energie - 15/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-22 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 04:02 Fiche Arrest nr 198.943 van 15 december 2009 Economische zaken - Energie Beslissing : heropening debatten prejudiciële vraag Verwerping overige Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 198.943 van 15 december 2009 in de zaak A. 158.432/VII-37.

  1. In zake:
  2. de NV TOTAL BELGIUM
  3. de NV NATIONALE MAATSCHAPPIJ DER PIJPLEIDINGEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Lindemans kantoor houdend te Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Energie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean-François De Bock kantoor houdend te Brussel Waterloosesteenweg 612 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen:
  4. de NV WATERWEGEN EN ZEEKANAAL (W & Z)
  5. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Hugo Sebreghts en Sven Vernaillen kantoor houdend te Antwerpen Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  6. Het beroep, ingesteld op 17 december 2004, strekt tot de nietigverklaring van de artikelen 1, 2, 6 en 9 van het koninklijk besluit van 21 september 2004 tot verplichte wijziging van de inplanting van de installaties voor het vervoer van zuur- en waterstof van de NV L’Air Liquide, van zuurstof van de NV Corenox, van vloeibare koolwaterstoffen van de NV Fina, van gasvormig ethyleen en propyleen van de Nationale Maatschappij der Pijpleidingen en van aardgas van de NV Fluxys (voorheen Distrigas), gelegen op het grondgebied van de VII-37.506-1/23 gemeente Kruibeke ten behoeve van de aanleg van het overstromingsgebied Kruibeke, Bazel, Rupelmonde. II. Verloop van de rechtspleging
  7. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partijen hebben verzoekschriften tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikking van 5 september
  8. De tussenkomende partijen hebben memories ingediend. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 november
  9. Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Frank Judo, die loco advocaat Dirk Lindemans verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Jean-François De Bock, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Sven Vernaillen, die verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  10. VII-37.506-2/23 III. Wettelijk kader en feiten 3.
  11. Op 2 februari 1994 beslist de Vlaamse regering om principieel over te gaan tot de inrichting van het gecontroleerd overstromingsgebied Bazel-Kruibeke-Rupelmonde. 3.
  12. Op 17 december 1999 beslist de Vlaamse regering haar goedkeuring te hechten aan een uitvoerings- en inrichtingsalternatief met betrekking tot de aanleg van het gecontroleerd overstromingsgebied in de polders van Kruibeke, Bazel en Rupelmonde. De Vlaamse minister bevoegd voor de openbare werken wordt gelast het gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke-Bazel-Rupelmonde te realiseren en over te gaan tot de onteigening en/of aankoop van de gronden nodig voor de realisatie ervan. 3.
  13. Er wordt aan het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, afdeling Zeeschelde, een stedenbouwkundige vergunning verleend voor de realisatie van een ringdijk in het kader van de aanleg van een gecontroleerd overstromingsgebied te Kruibeke, Bazel en Rupelmonde en een stedenbouwkundige vergunning voor de aanleg van een tweede zandstock in het kader van de realisatie van een gecontroleerd overstromingsgebied, ter hoogte van het Kallebeekveer te Bazel. 3.
  14. Op 14 november 2002 wordt aan de NV Fina - de rechtsvoorgangster van de eerste verzoekende partij - en aan de tweede verzoekende partij een aangetekende brief gestuurd door de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie waarbij hij de verzoekende partijen laat weten dat het Vlaamse Gewest als houder van een bouwrecht op de percelen zoals in bijlage bij de brief opgesomd, werken zal uitvoeren voor de aanleg van het gecontroleerd overstromingsgebied. 3.
  15. Met vrijwel identieke aangetekende brieven worden aan de verzoekende partijen besluiten van de Vlaamse regering van 13 december 2002 betekend die in hoge mate parallel zijn. In de brieven wordt gesteld dat het gaat om voorbesluiten voorafgaand aan het koninklijk besluit dat genomen zal worden op basis van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen (hierna: gaswet). VII-37.506-3/23 In deze besluiten wordt verwezen naar de artikelen 9, tweede lid, en 12 van de gaswet en wordt gesteld dat de verzoekende partijen hun leidingen en installaties dienen te wijzigen om de aanleg van het gecontroleerd overstromingsgebied Bazel Kruibeke Rupelmonde toe te laten en dit ten laatste op 1 augustus
  16. In deze besluiten wordt voorts onder meer als volgt overwogen : "Overwegende dat het meest fundamentele belang van de Belgische Staat er in bestaat om enerzijds zijn landsgrenzen te verdedigen en in stand te houden en anderzijds de fysieke en mentale integriteit van zijn ingezetenen te vrijwaren en te beschermen; Overwegende dat de actuele invulling van dit fundamenteel belang zeker de bescherming van de bevolking tegen de bedreiging van natuurelementen behelst; Overwegende dat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat voor de Vlaamse bevolking de bedreiging door stormvloeden vanuit de zee, zeer reëel is; Overwegende dat de Vlaamse regering dit fundamenteel belang vorm geeft in een totaal beschermingsplan, zijnde het Sigmaplan waarvan de aanleg van een overstromingsgebied op het grondgebied Bazel, Kruibeke en Rupelmonde, deel van uit maakt; Overwegende dat het Vlaams Parlement ter realisatie van de bescherming van deze prioritaire belangen de nodige instrumenten heeft voorzien door de goedkeuring van het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen inzonderheid artikel 4 dat aan de overheid het recht toekent om te bouwen op terreinen die privé-eigendom zijn; Overwegende dat de uitvoering van de aanlegwerken van het overstromingsgebied bekleed zijn met de hoogste prioriteit namelijk 's lands belang en dat dit blijkt uit het feit dat de bouwvergunningen bekrachtigd zijn bij wetgevende akte op basis van het decreet van 14 december 2001 voor enkele bouwvergunningen waarvoor dwingende redenen van groot algemeen belang gelden". 3.
  17. Op 12 augustus 2003 wordt aan de tweede verzoekende partij een voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning toegekend voor het verplaatsen van de pijpleidingen van haarzelf en die van de eerste verzoekende partij. 3.
  18. Op 8 januari 2004 beslist de Federale minister van Energie tot verplichte wijziging van de inplanting van de installaties voor het vervoer van zuur- en waterstof van de NV L’Air Liquide, van zuurstof van de NV Corenox, van vloeibare koolwaterstoffen van de NV Fina, van gasvormig ethyleen en propyleen van de Nationale Maatschappij der Pijpleidingen en van aardgas van de NV Fluxys (voorheen Distrigas), gelegen op het grondgebied van de gemeente Kruibeke ten behoeve van de aanleg van het overstromingsgebied Kruibeke, Bazel, Rupelmonde. VII-37.506-4/23 3.
  19. Met een koninklijk besluit van 21 september 2004 wordt het ministerieel besluit van 8 januari 2004 ingetrokken en wordt er opnieuw beslist tot verplichte wijziging van de inplanting van de installaties voor het vervoer van zuur- en waterstof van de NV L’Air Liquide, van zuurstof van de NV Corenox, van vloeibare koolwaterstoffen van de NV Fina, van gasvormig ethyleen en propyleen van de Nationale Maatschappij der Pijpleidingen en van aardgas van de NV Fluxys (voorheen Distrigas), gelegen op het grondgebied van de gemeente Kruibeke ten behoeve van de aanleg van het overstromingsgebied Kruibeke, Bazel, Rupelmonde. Dit is de bestreden beslissing die luidt als volgt: "Gelet op de Wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, laatst gewijzigd bij de wet van 12 augustus 2003; Gelet op het koninklijk besluit van 11 maart 1966 betreffende de te nemen veiligheidsmaatregelen bij de oprichting en bij de exploitatie van installaties voor gasvervoer door middel van leidingen, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 24 januari 1991; Gelet op het koninklijk besluit van 15 maart 1966 tot heffing van retributies voor de bezetting van het openbaar of privaat domein van de Staat, de provinciën of de gemeenten door installaties voor gasvervoer door middel van leidingen, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 11 december 2001; Gelet op het koninklijk besluit van 15 maart 1966 tot wijziging van de ligging of het tracé van een gasvervoerinstallatie ter uitvoering van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen inzonderheid op de artikelen 2, 3, 4 en 5; Gelet op het koninklijk besluit van 21 december 1966, betreffende de vergunning voor het vervoer van Nederlands aardgas, verleend aan de naamloze vennootschap Distrigas (gedeelte Antwerpen Linker Scheldeoever-Kruibeke); Gelet op het koninklijk besluit van 27 februari 1968, betreffende de gasvervoervergunning, verleend aan de naamloze vennootschap Distrigas tussen Antwerpen en Grimbergen; Gelet op het koninklijk besluit van 21 september 1968 betreffende de voorschriften en de verplichtingen van raadpleging en informatie hij het uitvoeren van werken in de nabijheid van installaties van vervoer van gasachtige en andere produkten door middel van leidingen; Gelet op het koninklijk besluit van 14 mei 2002 betreffende de vervoersvergunning voor gasachtige producten en anders door middel van leidingen; Gelet op het ministerieel besluit van 11 oktober 1967 waarbij een toelating voor gasvervoer door middel van leidingen wordt verleend aan de N.V. Distrigas (industriële leiding Antwerpen-Hoboken II); Gelet op het ministerieel besluit van 1 juli 1970 waarbij een toelating voor zuurstofvervoer door middel van leidingen wordt verleend aan de N.V. L'Air Liquide te Luik voor haar leiding aftakking Hoboken (Haasdonk-Hoboken); Gelet op het ministerieel besluit van 3 december 1974 waarbij een toelating voor zuurstofvervoer door middel van leidingen wordt verleend aan de N.V. L’Air Liquide te Luik voor de nieuwe zinker tussen Bazel en Hemiksem, die deel uitmaakt van haar bestaande leiding aftakking Hoboken (Haasdonk- Hoboken); Gelet op het ministerieel besluit van 27 april 1979 betreffende de toelating voor het vervoer van gasvormig propyleen verleend aan de N.V. Nationale Maatschappij de Pijpleidingen voor haar leiding 200 mm Antwerpen-Feluy; VII-37.506-5/23 Gelet op het ministerieel besluit van 7 oktober 1985 betreffende de vergunning voor het vervoer van gasvormig ethyleen door middel van leidingen verleend aan de N.V. Nationale Maatschappij der Pijpleidingen voor haar leiding 550 mm Antwerpen-Feluy; Gelet op het ministerieel besluit van 2 maart 1990 betreffende de toelating voor het vervoer van vloeibare koolwaterstoffen (multiproductleiding) door middel van leidingen aan de N.V. Fina, verleend voor haar leiding DN 300 Antwerpen-Feluy; Gelet op het ministerieel besluit van 9 januari 1991 waarbij een toelating voor het vervoer van gasvormige waterstof door middel van leidingen wordt verleend aan de N.V. L'Air Liquide te Luik tussen Zelzate en Puurs; Gelet op het ministerieel besluit van 4 maart 1994 waarbij een toelating voor vervoer door middel van leidingen van zuurstof in gasvormige toestand wordt verleend aan de N.V. Corenox voor een leiding Beveren/Maasmechelen, vak Kruibeke-Boechout; Gelet op het ministerieel besluit van 8 januari 2004 tot verplichte wijziging van de inplanting van de installaties voor het vervoer van zuur-en waterstof van de N.V. L'Air Liquide, van zuurstof van de N.V. Corenox, van vloeibare koolwaterstoffen van de N.V. Fina, van gasvormig ethyleen en propyleen van de Nationale Maatschappij der Pijpleidingen en van aardgas van de N.V. Fluxys (voorheen N.V. Distrigas), gelegen op het grondgebied van de gemeente Kruibeke ten behoeve van de aanleg van het overstromingsgebied Kruibeke, Bazel, Rupelmonde; Gelet op het ministerieel besluit van de Vlaamse Regering van 13 december 2002, betreffende de wijziging van de ligging van de installaties voor het vervoer van gas van de N.V. FIuxys in het gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke, Bazel, Rupelmonde; Gelet op het ministerïeel besluit van de Vlaamse Regering van 13 december 2002, betreffende de wijziging van de ligging van de installaties voor het vervoer van zuurstof door middel van leidingen van de N.V. L'Air Liquide in het gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke Bazel Rupelmonde; Gelet op het ministerieel besluit van de Vlaamse Regering van 13 december 2002, betreffende de wijziging van de ligging van de installaties voor het vervoer van gasvormig propyleen en gasvormig ethyleen door middel van leidingen van de N.V. Nationale Maatschappij der Pijpleidingen in het gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke Bazel Rupelmonde; Gelet op het ministerieel besluit van de Vlaamse Regering van 13 december 2002, betreffende de wijziging van de ligging van de installaties voor het vervoer van vloeibare koolwaterstoffen (multiproductleiding) leiding diam. 300 mm Antwerpen-Feluy van de N.V. Fina in het gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke Bazel Rupelmonde; Gelet op het ministerieel besluit van de Vlaamse Regering van 13 december 2002, betreffende de wijziging van de ligging van de installaties voor het vervoer van gasvormige waterstof van de N.V. L’Air Liquide in het gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke Bazel Rupelmonde; Gelet op het ministerieel besluit van de Vlaamse Regering van 13 december 2002, betreffende de wijziging van de ligging van de installaties voor het vervoer door middel van leidingen van zuurstof in gasvormige toestarid van de N.V. Corenox in het gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke Bazel Rupelmonde; Overwegende dat, met het oog op de verwezenlijking van het gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke Bazel Rupelmonde, het noodzakelijk is deze leidingen te verplaatsen; Overwegende dat het meest fundamentele belang van de Belgische Staat er in bestaat om enerzijds zijn landsgrenzen te verdedigen en in stand te houden VII-37.506-6/23 en anderzijds de fysieke en mentale integriteit van zijn ingezetenen te vrijwaren en te beschermen; Overwegende dat de actuele invulling van dit fundamenteel belang zeker de bescherming van de bevolking tegen de bedreiging van natuurelementen behelst; Overwegende dat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat voor de bevolking de bedreiging door stormvloeden vanuit de zee, zeer reëel is; Overwegende dat de Vlaamse regering dit fundamenteel belang vorm geeft in een totaal beschermingsplan zijnde het Sigmaplan waarvan de aanleg van een overstromingsgebied op het grondgebied Bazel, Kruibeke en Rupelmonde, deel van uit maakt; Overwegende dat zonder de realisatie van de voorgenomen werken anderhalf miljoen ingezetenen aan dit risico worden blootgesteld; Overwegende dat de aanleg van het gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke Bazel Rupelmonde bekleed werd met de hoogste prioriteit namelijk 's lands belang en dat dit onmiskenbaar blijkt uit de gegeven decreten van 14 december 2001 'voor enkele bouwvergunningen waarvoor dwingende redenen van groot algemeen belang gelden' en van 29 maart 2002 houdende bekrachtiging van de stedebouwkundige vergunningen verleend door de Vlaamse regering op 18 maart 2002 in toepassing van het decreet van 18 december 2001 'voor enkele bouwvergunningen waarvoor dwingende redenen van groot algemeen belang gelden', waarbij de stedebouwkundige vergunningen worden verleend voor de realisatie van het gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke Bazel Rupelmonde; Overwegende dat zodoende ook de noodzaak en de plicht tot de tenuitvoerlegging ervan decretaal verplichtend werd gesteld, deze vergunningen definitief zijn en in, 's lands belang moeten worden ten uitvoer gelegd gezien de aanleg ervan 's lands ingezetenen dient te vrijwaren en te beschermen tegen de bedreiging van natuurelementen, inzonderheid de bedreiging door stormvloeden vanuit de zee; Overwegende dat de aanwezigheid en de huidige ligging en/of tracé van de desbetreffende pijpleidingen daarenboven onverenigbaar is met de aanleg en het functioneren van het gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke Bazel Rupelmonde, zodat de wijziging van de ligging en/of het tracé van deze pijpleidingen zich onvermijdelijk opdringt; Overwegende dat krachtens artikel 9, tweede lid van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, de Koning het recht heeft de ligging of het tracé van de gasvervoerinstallaties en de desbetreffende werken te doen wijzigen; Overwegende dat het voormelde ministerieel besluit van 8 januari 2004, dat reeds voorzag in een verplichte wijziging van de installaties die gelegen zijn in het overstromingsgebied Kruibeke Bazel Rupelmonde, dient te worden ingetrokken en vervangen te worden door dit besluit: Op de voordracht van Onze Minister van Energie, Hebben Wij besloten en besluiten Wij: Artikel
  20. De N.V. Nationale Maatschappij der Pijpleidingen, houdster van de toelating voor het vervoer van gasvormig propyleen voor haar leiding 200 mm Antwerpen-Feluy, verleend bij ministerieel besluit van 27 april 1979, en houdster van de toelating voor het vervoer van gasvormig ethyleen door middel van leidingen voor haar leiding 550 mm Antwerpen-Feluy, verleend bij ministerieel besluit van 7 oktober 1985, dient haar leidingen en installaties, gelegen op het grondgebied van de gemeente Kruibeke, deelgemeenten Bazel, Kruibeke en Rupelmonde, te wijzigen om de aanleg van het gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke Bazel Rupelmonde toe te laten. VII-37.506-7/23 Art.
  21. De N.V. Fina, houdster van de toelating voor het vervoer van vloeibare koolwaterstoffen (multiproductleiding) door middel van leidingen voor haar leiding diam. 300 mm Antwerpen-Feluy, verleend bij ministerieel besluit van 2 maart 1990 dient haar leiding, gelegen op het grondgebied van de gemeente Kruibeke, deelgemeenten Bazel, Kruibeke en Rupelmonde te wijzigen om de aanleg van het gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke Bazel Rupelmonde toe te laten. Art.
  22. De N.V. Fluxys, houdster van de vergunning voor het vervoer van Nederlands aardgas (gedeelte Antwerpen Linker Scheldeoever-Kruibeke) verleend bij koninklijk besluit van 21 december 1966, houdster van de toelating voor gasvervoer door middel van leidingen (industriële leiding Antwerpen-Hoboken II) verleend bij ministerieel besluit van 11 oktober 1967 en houdster van de gasvervoervergunning voor haar leiding tussen Grimbergen en Antwerpen, verleend bij koninklijk besluit van 27 februari 1968, dient haar leidingen en installaties, gelegen op het grondgebied van de gemeente Kruibeke, deelgemeenten Bazel, Kruibeke en Rupelmonde, te wijzigen om de aanleg van het gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke Bazel Rupelmonde toe te laten. Art.
  23. De N.V. L'Air Liquide, houdster van de toelating voor zuurstofvervoer door middel van leidingen voor haar leiding aftakking Hoboken (Haasdonk- Hoboken), verleend bij ministerieel besluit van 1 juli 1970, houdster van de toelating voor zuurstofvervoer door middel van leidingen voor de nieuwe zinker tussen Bazel en Hemiksem die deel uitmaakt van haar bestaande leiding aftakking Hoboken (Haasdonk-Hoboken) verleend bij ministerieel besluit van 3 december 1974, en houdster van de toelating voor het vervoer van gasvormige waterstof door middel van leidingen voor haar leiding tussen Zelzate en Puurs, verleend hij ministerieel besluit van 9 januari 1991, dient haar leidingen en installaties, gelegen op het grondgebied van de gemeente Kruibeke, deelgemeenten Bazel, Kruibeke en Rupelmonde, te wijzigen om de aanleg van het gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke Bazel Rupelmonde toe te laten. Art.
  24. De N.V. Corenox, houdster van de toelating voor het vervoer door middel van leidingen van zuurstof in gasvormige toestand voor haar leiding Beveren/Maasmechelen, vak Kruibeke-Boechout, verleend bij ministerieel besluit van 4 maart 1994 dient haar leiding, gelegen op het grondgebied van de gemeente Kruibeke, deelgemeenten BazeI, Kruibeke en Rupelmonde, te wijzigen om de aanleg van het gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke Bazel Rupelmonde toe te laten. Art.
  25. De bepalingen van de artikelen 2, 3, 4 en 5 van het koninklijk besluit van 15 maart 1966 tot wijziging van de ligging of het tracé van een gasvervoerinstallatie ter uitvoering van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen zijn van toepassing voor wat betreft deze wijziging. Art.
  26. Een voor eensluidend verklaard afschrift van dit besluit zal overgemaakt worden aan: - het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Leefmilieu en Infrastructuur, administratie Waterwegen en Zeewezen, afdeling Zeeschelde; - de N.V. Nationale Maatschappij der Pijpleidingen; - de N.V. Fina; - de N.V. L'Air Liquide; - de N.V. Fluxys; - de N.V. Corenox. Art.
  27. Het ministerieel besluit van 8 januari 2004 tot verplichte wijziging van de inplanting van de installaties voor het vervoer van zuur- en waterstof van de N.V. L'Air Liquide, van zuurstof van de N.V. Corenox, van vloeibare VII-37.506-8/23 koolwaterstoffen van de N.V. Fina, van gasvormig ethyleen en propyleen van de Nationale Maatschappij der Pijpleidingen en van aardgas van de N.V. Fluxys (voorheen N.V. Distrigas), gelegen op het grondgebied van de gemeente Kruibeke ten behoeve van de aanleg van het overstromingsgebied Kruibeke, BazeI, Rupelmonde wordt ingetrokken. Art.
  28. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 12 februari
  29. (...)". IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  30. De verzoekende partijen roepen in een eerste middel de schending in van artikel 9, tweede lid, en van artikel 12 van de gaswet, van het zorgvuldigheidsbeginsel en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De verzoekende partijen ontwikkelen hun middel als volgt : "Doordat aan verzoekende partijen de verplaatsing van 'hun leidingen en installaties gelegen op het grondgebied van de gemeente Kruibeke, deelgemeenten Bazel, Kruibeke en Rupelmonde' - dus ook deze opgericht op of aangelegd in privé-eigendommen - op grond van artikel 9, tweede lid van de Gaswet, wordt bevolen, Terwijl voornoemde wettelijke bepaling uitsluitend betrekking heeft op het recht van de Koning om de ligging of het tracé te doen wijzigen van gasvervoerinstallaties op het openbaar domein opgericht, zodat de tegenpartij voornoemde wettelijke bepaling verkeerd heeft toegepast. En terwijl op grond van de in het middel aangehaalde wettelijke bepaling, inzonderheid artikel 12 van de Gaswet, enkel op verzoek van de eigenaar van het bezwaarde erf of van degene die het recht heeft om er bouwwerken op uit te voeren, de gasvervoerinstallaties moeten worden verplaatst en terwijl in casu voor een hele reeks percelen waarbinnen leidingen liggen of waarop installaties zijn opgericht, de tegenpartij niet zulke eigenaar is, noch voornoemd recht heeft, zodat de tegenpartij voornoemde wettelijke bepaling heeft geschonden. En terwijl, de desbetreffende leidingen voor een groot gedeelte niet gelegen zijn op het openbaar domein, hoewel dit precies een toepassingsvoorwaarde is voor artikel 9, tweede lid van de Gaswet en bijgevolg de tegenpartij heeft nagelaten te onderzoeken of deze voorwaarde wel vervuld was. En, in subsidiaire orde, doordat, niet gepreciseerd wordt in welke mate het hier leidingen betreft die in het openbaar domein liggen, zodat eventueel een beroep zou kunnen worden gedaan op artikel 9, tweede lid van de Gaswet, Terwijl enkel ten aanzien van gasvervoersinstallaties gelegen op het openbaar domein gebruik kan worden gemaakt van de in artikel 9, tweede lid van de Gaswet bedoelde wijzigingsmogelijkheid en individuele besluiten in hun tekst zelf hun draagkrachtige feitelijke en juridische motivering dienen te bevatten". VII-37.506-9/23 In de toelichting bij het middel citeren de verzoekende partijen artikel 9, tweede en derde lid, van de gaswet, en betogen zij dat uit de tekst blijkt dat de toepassing van deze bepaling aan de voorwaarde verbonden is dat de desbetreffende leidingen gelegen zijn in het openbaar domein van publieke rechtspersonen; te dezen echter dient te worden vastgesteld dat de betrokken percelen voor een relatief groot deel eigendom zijn van private eigenaars, zodat onmogelijk toepassing kan worden gemaakt van artikel 9, tweede lid, van de gaswet. De verzoekende partijen citeren vervolgens artikel 12 van de gaswet, en zij betogen dat uit de samenlezing van die bepaling met artikel 9, tweede en derde lid, van de gaswet blijkt dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds het recht om de ligging of het tracé van de gasvervoerinstallaties te doen wijzigen op het openbaar domein, dat op grond van artikel 9, tweede lid, uitdrukkelijk aan de Koning wordt voorbehouden, en anderzijds zulk recht op privé- eigendom; dat laatste wordt op grond van artikel 12 van de gaswet uitdrukkelijk voorbehouden aan de eigenaar van het bezwaarde erf of aan degene die het recht heeft om er bouwwerken op uit te voeren. De betrokken installaties, zo vervolgen de verzoekende partijen, zijn deels gelegen op het domein van private eigenaars, terwijl de verwerende partij geen eigenaar is van het erf en er ook geen bouwrecht op heeft; in het kader van haar zorgvuldigheidsplicht diende de verwerende partij na te gaan waar de leidingen gelegen zijn en welk het eigendomsstatuut is van de percelen waarop zij gelegen zijn; de aangevoerde motivering kan geenszins volstaan om een beroep op artikel 9, tweede lid, van de gaswet te verantwoorden, nu een beroep op deze bepalingen veronderstelt dat de leidingen gelegen zijn op het openbaar domein.
  31. In haar memorie van antwoord citeert de verwerende partij op haar beurt artikel 9, tweede en derde lid, alsook artikel 12, eerste lid, van de gaswet; zij betoogt dat de gaswet drie aparte hypotheses onderscheidt waaronder een gasvervoerinstallatie kan worden verplaatst, namelijk : - wanneer 's lands belang het vereist; - wanneer de gasinstallaties zich bevinden op het openbaar domein; - wanneer de eigenaar van het perceel het vraagt of degene die het recht heeft om er bouwwerken op uit te voeren of om het te omsluiten met een muur of met een omheining die overeenkomt met de bouw- of stedenbouwverordeningen. VII-37.506-10/23 Uit het bestreden besluit, zo vervolgt de verwerende partij, blijkt duidelijk dat zij beroep doet op artikel 9, tweede lid, van de gaswet; in dat geval dient de Koning zich enkel te beroepen op 's lands belang om tot een verplaatsing van een gasvervoersleiding te beslissen; een andere voorwaarde dient niet te worden vervuld; de voorwaarde als zou het moeten gaan om percelen die behoren tot het openbaar domein speelt enkel in het geval van artikel 9, derde lid, van de gaswet, zodat de verwerende partij ook niet diende te onderzoeken of de percelen al of niet behoren tot het openbaar domein; de verwijzing naar artikel 12 van de gaswet is niet relevant, daar de Koning zich op artikel 9, tweede lid, kon beroepen.
  32. In de memorie van wederantwoord betogen de verzoekende partijen dat de verwerende partij niet kan worden bijgetreden waar zij stelt dat artikel 9, tweede lid, van de gaswet algemeen toepasbaar zou zijn. Het onderscheid tussen het tweede en het derde lid berust evenwel op de uiteenlopende regeling met betrekking tot het dragen van de kosten voor de verplaatsingswerkzaamheden en op de uiteenlopende motieven die kunnen worden aangehaald om een verplaatsing te verantwoorden. Hier ook een onderscheiden territoriaal toepassingsgebied aan koppelen zou, aldus de verzoekende partijen, geweld doen aan de bedoeling van de wetgever. De rechtsleer legt deze bepalingen zo uit dat zij enkel van toepassing zijn op het openbaar domein. Deze conclusie is volgens de verzoekende partijen nog meer verantwoord in het licht van het uitvoeringsbesluit van 15 maart 1966 tot wijziging van de ligging of het tracé van een gasvervoerinstallatie ter uitvoering van de wet van 12 april
  33. De inhoud van dit besluit is eenvoudig niet toepasbaar op terreinen die eigendom zijn van private eigenaars.
  34. In hun laatste memorie benadrukken de verzoekende partijen dat de stelling om artikel 9, tweede lid, van de gaswet niet te beperken tot het openbaar domein, ingaat tegen de bedoelingen van de wetgever en de parlementaire voorbereiding van de gaswet.
  35. De tussenkomende partijen voegen geen essentiële gegevens toe aan het betoog van de verwerende partij. VII-37.506-11/23 Beoordeling
  36. De artikelen 9 en 12 van de gaswet luiden als volgt : "Art.
  37. De houder van een vervoervergunning heeft het recht alle werken uit te voeren, onder, op of boven het openbaar domein, die nodig zijn voor de oprichting, de werking en het onderhoud in goede staat van de gasvervoerinstallaties. Deze werken moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de voorwaarden die in de vervoervergunning zijn vermeld, en met inachtneming van alle ter zake geldende wets- en verordeningsbepalingen. Wanneer 's lands belang het vereist, heeft de Koning het recht de ligging of het tracé van de gasvervoerinstallatie en de desbetreffende werken te doen wijzigen. De kosten van deze wijzigingen komen ten laste van degene die de gasvervoerinstallatie exploiteert. Ditzelfde recht bezitten ook de Staat, de provincie en de gemeente ten aanzien van de gasvervoerinstallaties op hun openbaar domein opgericht. De aldus verrichte wijzigingen geschieden op kosten van degene die de gasvervoerinstallatie exploiteert, indien zij zijn opgelegd hetzij terwille van de openbare veiligheid, hetzij terwille van de vrijwaring van het landschapsschoon, hetzij in het belang van een openbare dienst of van de waterlopen, kanalen en openbare wegen, hetzij wegens verandering in de toegangen tot de eigendommen gelegen langs de openbare weg. In de andere gevallen komen de kosten ten laste van de Staat, de provincie of de gemeente; deze laatste kunnen dan een voorafgaande prijsberekening vragen; als er onenigheid is over de prijs van de uit te voeren werken, kunnen zij ze zelf uitvoeren. Art.
  38. De gasvervoerinstallaties moeten worden verplaatst of, zo nodig, weggenomen op verzoek van de eigenaar van het bezwaarde erf of van degene die het recht heeft om er bouwwerken op uit te voeren of om het te omsluiten met een muur of met een omheining die overeenkomt met de bouw- of stedebouwverordeningen, indien zij dit recht willen uitoefenen. Indien de betrokkenen dit recht uitoefenen zonder de verplaatsing of het wegnemen van de gasvervoerinstallaties te eisen, behoudt de gerechtigde op de erfdienstbaarheid het recht om het toezicht op deze installaties uit te oefenen en om de werken uit te voeren die nodig zijn voor hun werking, hun onderhoud en hun herstelling. De kosten veroorzaakt door het verplaatsen of wegnemen van de gasvervoerinstallaties komen ten laste van de gerechtigde op de erfdienstbaarheid; de in het eerste lid vermelde personen moeten echter ten minste zes maanden vooruit schriftelijk waarschuwen eer zij de voorgenomen werken beginnen uit te voeren".
  39. Te dezen heeft de verwerende partij zich apert en formeel beroepen op artikel 9, tweede lid, van de gaswet. Uit de bewoordingen van dit tweede lid valt niet af te leiden dat het beperkt is tot het benutten van het openbaar domein. VII-37.506-12/23 Uit de bewoordingen van artikel 12 van de gaswet valt niet af te leiden dat de toepassing van dit artikel beperkt is tot gronden niet toebehorend tot het openbaar domein. De verwerende partij beriep zich derhalve terecht op artikel 9, tweede lid, van de gaswet.
  40. Daar artikel 9, tweede lid, van de gaswet niet beperkt is tot het openbaar domein, diende zij niet te onderzoeken of de gronden al dan niet tot het openbaar domein toebehoorden noch daaromtrent te motiveren.
  41. Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  42. De verzoekende partijen roepen in een tweede middel de schending in van artikel 9, tweede lid, van de gaswet. De Koning heeft bevolen dat de leidingen en installaties van de verzoekende partijen gewijzigd worden zonder dat een belang van het land voorhanden is dat zulke wijziging vereist; artikel 9, tweede lid, van de gaswet vereist dit nochtans. In hun toelichting bij het middel betogen de verzoekende partijen dat zij met aangetekende brieven van 20 februari 2003 in kennis werden gesteld van besluiten van de Vlaamse regering van 13 december 2002 betreffende de wijziging van de ligging van de vervoerinstallaties voor koolwaterstoffen en voor gasvormig propyleen en ethyleen in het gecontroleerd overstromingsgebied. De verzoekende partijen citeren uit die brieven en uit de bewuste besluiten en zij wijzen er op dat het thans bestreden besluit op nagenoeg dezelfde wijze is gemotiveerd. Hoewel het bestreden besluit toepassing maakt van artikel 9, tweede lid, van de gaswet, is er, aldus de verzoekende partijen, geen 's lands belang voorhanden dat een wijziging van de gasvervoerinstallatie noodzaakt. Al is het zo dat 's lands belang een open norm is die de Koning toelaat te bepalen wanneer er sprake is van een dergelijk belang, kan dit niet dermate ruim worden opgevat dat daaronder elke situatie kan worden begrepen waarin de Koning, om welke reden dan ook, oordeelt dat een verplaatsing van de leidingen en installaties aangewezen zou VII-37.506-13/23 zijn. Artikel 9, tweede lid, van de gaswet dient restrictief te worden geïnterpreteerd, gelet op de zeer verregaande bevoegdheid die de Koning aan deze bepaling ontleent. Ten slotte merken de verzoekende partijen op dat de bewering dat de aanleg van het gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke Bazel Rupelmonde bekleed werd met de hoogste prioriteit, met name 's lands belang, hetgeen zou blijken uit de decretaal bekrachtigde bouwvergunningen, in deze context weinig of nietszeggend is. De bestaansreden van deze decreten, met name het verhinderen dat de rechtzoekende gebruik zou kunnen maken van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State, is genoegzaam bekend.
  43. In de memorie van antwoord betoogt de verwerende partij dat de wetgever aan de Koning een ruime appreciatiebevoegdheid toekent, die juridisch gezien enkel door het redelijkheidsbeginsel beperkt wordt. De Raad van State kan de opportuniteit van de beslissing niet beoordelen. Te dezen heeft de Koning, aldus de verwerende partij, Zijn keuze om de bewuste gasvervoerinstallaties te verplaatsen vooral verantwoord door te verwijzen naar wetenschappelijk onderzoek waaruit blijkt dat voor de bevolking de bedreiging door stormvloeden vanuit de zee zeer reëel is. Zonder de realisatie van de werken zullen anderhalf miljoen mensen worden blootgesteld aan dit risico. De werken geviseerd in het bestreden besluit maken hier deel van uit. Bijgevolg is wel degelijk een belang aanwezig dat het land zal dienen. De motivering van 's lands belang is helemaal niet vaag, maar zeer concreet ingevuld.
  44. In hun memorie van wederantwoord betogen de verzoekende partijen nog dat het concept 's lands belang zou worden gebruikt om de Koning een blanco-volmacht te geven. De stelling dat artikel 9, tweede lid, van de gaswet ruim moet worden geïnterpreteerd is strijdig met de basisbeginselen van de rechtsstaat.
  45. In hun laatste memorie wijzen de verzoekende partijen er op dat een belangrijk deel van de werken geenszins betrekking heeft op de bescherming van de bevolking tegen de bedreiging van natuurelementen, maar wel een compensatie vormt voor de afbouw van natuurgebieden in het kader van omstreden havenuitbreidingswerken op de Antwerpse Linkeroever; het begrip 's lands belang dient nochtans restrictief geïnterpreteerd te worden. VII-37.506-14/23
  46. De tussenkomende partijen betogen dat de verzoekende partijen niet aantonen waarom het begrip 's lands belang restrictief zou moeten worden geïnterpreteerd. In die zin is het middel onduidelijk en onontvankelijk; de discretionaire bevoegdheid van de Koning is enkel begrensd door het redelijkheidsbeginsel en de rechter mag het opportuniteitsoordeel van het bestuur niet overdoen; hij kan de bestuurlijke beslissing slechts marginaal toetsen. Te dezen heeft de Koning Zijn discretionaire beoordeling tot het inroepen van 's lands belang uitvoerig gemotiveerd; de veiligheid van 's lands ingezetenen tegen overstromingen en stormvloeden is zelfs de suprematie van 's lands belang. Beoordeling
  47. Artikel 9, tweede lid, van de gaswet luidt als volgt : "Wanneer 's lands belang het vereist, heeft de Koning het recht de ligging of het tracé van de gasvervoerinstallatie en de desbetreffende werken te doen wijzigen. De kosten van deze wijzigingen komen ten laste van degene die de gasvervoerinstallatie exploiteert".
  48. De concrete invulling van het begrip 's lands belang behoort tot de discretionaire appreciatiebevoegdheid van de verwerende partij. Deze bevoegdheid is slechts begrensd door het redelijkheidsbeginsel. De rechter beschikt slechts over een marginaal toetsingsrecht. Te dezen wordt in de bestreden beslissing uitdrukkelijk en concreet over 's lands belang overwogen. Er kan niet staande gehouden worden dat deze overwegingen in de bestreden beslissing wijzen op een kennelijk onredelijke invulling van het begrip 's lands belang.
  49. Dat de bouwvergunningen decretaal bekrachtigd zouden zijn om ze buiten de vernietigingsbevoegdheid van de Raad van State te houden, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat deze bouwvergunningen in het algemeen belang werden afgeleverd en, meer algemeen, dat de aanleg van het overstromingsgebied in 's lands belang is.
  50. Het tweede middel is niet gegrond. VII-37.506-15/23 VII-37.506-16/23 C. Derde middel Standpunt van de partijen
  51. De verzoekende partijen roepen in een derde middel de schending in van het algemeen rechtsbeginsel dat administratieve rechtshandelingen van reglementaire of individuele aard geen terugwerkende kracht hebben, zoals bevestigd in artikel 2 van het burgerlijk wetboek. Artikel 9 van de bestreden beslissing bepaalt dat deze uitwerking heeft met ingang van 12 februari
  52. Te dezen is er geen expliciete of impliciete wettelijke grondslag noch aanvaardbaar motief voorhanden om deze terugwerkende kracht te rechtvaardigen. In de toelichting bij het middel wijzen de verzoekende partijen er nog op dat 12 februari 2004 de datum is waarop het ondertussen ingetrokken ministerieel besluit van 8 januari 2004 hen ter kennis werd gebracht.
  53. In haar memorie van antwoord betoogt de verwerende partij dat de minister, die hiertoe evenwel niet bevoegd was, met een ministerieel besluit van 8 januari 2004 bevolen had de gasvervoerinstallaties te verplaatsen; enkel de Koning is daartoe bevoegd. Teneinde de rechtszekerheid te vrijwaren en gezien het motief van de bestreden beslissing is, aldus de verwerende partij, de retroactiviteit in de huidige zaak gerechtvaardigd; het bestreden besluit wordt genomen in het belang van het land en in het belang van minstens anderhalf miljoen mensen; sinds de inwerkingtreding van het ministerieel besluit van 8 januari 2004 hebben de bevoegde overheden reeds een aantal handelingen verricht op basis van dit besluit, en teneinde deze handelingen te vrijwaren wenst de verwerende partij een retroactieve werking te geven aan het thans bestreden besluit. Ten slotte benadrukt de verwerende partij dat het bestreden besluit via de retroactiviteit geen afbreuk doet aan bestaande rechten en dat het dezelfde situatie creëert als deze die reeds aanwezig was vóór de inwerkingtreding ervan.
  54. In hun memorie van wederantwoord doen de verzoekende partijen nog gelden dat er overeenkomstig vaste rechtspraak van de Raad van State slechts een verantwoording van de retroactiviteit kan zijn in geval van absolute noodzakelijkheid met het oog op de goede werking van het bestuur. De verwerende partij toont deze absolute noodzakelijkheid niet aan. VII-37.506-17/23
  55. In hun laatste memorie benadrukken de verzoekende partijen dat de intrekking van het ministerieel besluit van 8 januari 2004 betekent dat dit besluit geacht wordt nooit uitwerking te hebben gehad.
  56. In hun memories wijzen de tussenkomende partijen er op dat het aangevochten besluit een eerder besluit vervangt dat was aangetast door een onregelmatigheid. Beoordeling
  57. Het verlenen van terugwerkende kracht aan administratieve beslissingen kan onder bepaalde voorwaarden toelaatbaar worden geacht namelijk ingeval voor de retroactiviteit een wettelijke grondslag bestaat, de retroactiviteit betrekking heeft op een regeling die, met inachtneming van het gelijkheidsbeginsel, voordelen toekent of in zoverre de retroactiviteit noodzakelijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang en daardoor, in beginsel, geen verkregen situaties worden aangetast.
  58. De bestreden beslissing heeft uitwerking met ingang van 12 februari 2004, en werkt derhalve retroactief. De reden ligt in het feit dat met artikel 8 van het bestreden besluit de Koning overgaat tot de intrekking van het ministerieel besluit van 8 januari 2004 dat hetzelfde bepaalde als de bestreden beslissing.
  59. Te dezen dient te worden aangenomen dat de retroactiviteit verantwoord kan worden door het concreet algemeen belang dat in het geding is. Voorts wordt er op gewezen dat er niets aan de rechtssituatie van de verzoekende partijen retroactief gewijzigd wordt; ook onder de gelding van het ministerieel besluit van 8 januari 2004 dienden zij tot verplaatsing van hun leidingen over te gaan zodat de situatie voor de verzoekende partijen voorzienbaar was, temeer in de bestreden beslissing zelf het ministerieel besluit van 8 januari 2004 wordt ingetrokken. De verzoekende partijen ondervinden dan ook geen nadelige gevolgen van de retroactiviteit, terwijl het daarentegen in het algemeen belang is dat er een rechtsgrond voorhanden is voor handelingen die zijn gesteld op grond van een besluit dat het verplaatsen van pijpleidingen beveelt.
  60. Het derde middel is niet gegrond. VII-37.506-18/23 D. Vierde middel Standpunt van de partijen
  61. De verzoekende partijen roepen in een vierde middel, in subsidiaire orde geformuleerd, de schending in van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Ze formuleren hun middel als volgt: "Doordat de bestreden beslissing is genomen op grond van de discriminerende wetsbepaling van artikel 9, tweede lid van de Gaswet, waarbij de exploitanten van een gasleiding kunnen worden onderworpen aan een Koninklijk verplaatsingsbevel in alle mogelijke hypothesen die van 's lands belang worden verklaard en de exploitanten van een electriciteitsnet in openbaar domein slechts aan een dergelijk bevel kunnen worden onderworpen wanneer de nationale defensie dit eist, terwijl de exploitanten van een gasleiding en de exploitanten van een electriciteitsnet in openbaar domein zich in een identieke feitelijke toestand bevinden, Terwijl een discriminerende en derhalve ongrondwettige wetsbepaling niet vermag een deugdelijke rechtsgrond te geven aan het bestreden verplaatsingsbevel". In de toelichting bij het middel citeren de verzoekende partijen artikel 9, tweede lid, van de gaswet en artikel 13 van de wet van 10 maart 1925 op de electriciteitsvoorziening (hierna: elektriciteitswet). Ze betogen dat de exploitanten van een elektriciteitsnet in het openbaar domein slechts aan een verplaatsingsbevel van de regering kunnen worden onderworpen wanneer het belang van de landsverdediging dit eist, terwijl de exploitanten van een gasvervoerinstallatie aan zulk een bevel kunnen worden onderworpen in 's lands belang; beide soorten exploitanten bevinden zich nochtans in een identieke feitelijke toestand, en voor het verschil in behandeling bestaat geen objectieve verantwoording. De verzoekende partijen vragen dat volgende prejudiciële vraag gesteld wordt aan het Grondwettelijk Hof : "Schendt artikel 9, tweede lid van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de mate dat deze bepaling zou inhouden dat de exploitanten van een gasleiding kunnen worden onderworpen aan een Koninklijk verplaatsingsbevel in alle mogelijke hypothesen die van 's lands belang worden verklaard, terwijl de exploitanten van een electriciteitsnet in openbaar domein slechts aan een verplaatsingsbevel van de Regering kunnen worden onderworpen wanneer het belang der landsverdediging dit vereist?". VII-37.506-19/23
  62. In de memorie van antwoord betoogt de verwerende partij dat onnuttige prejudiciële vragen niet moeten worden gesteld. De particulier die onderworpen wordt aan artikel 9, tweede lid, van de gaswet bevindt zich niet noodzakelijk in dezelfde situatie als de particulier die valt onder het toepassingsgebied van artikel 13 van de elektriciteitswet. Eerstgenoemde bepaling is van toepassing op alle eigenaars, terwijl laatstgenoemde bepaling enkel van toepassing is op eigendommen die deel uitmaken van het openbaar domein.
  63. Voorts is er, aldus de verwerende partij in haar laatste memorie, geen ernstige twijfel over de verenigbaarheid met de Grondwet. Het staat niet formeel vast dat de begrippen "het belang van de nationale veiligheid" en "'s lands belang" een andere inhoud hebben. Ten slotte beklemtoont de verwerende partij in ondergeschikte orde dat de situatie van de exploitanten van gasvervoerinstallaties geenszins vergelijkbaar is met die van de exploitanten van elektriciteitsleidingen.
  64. In de memorie van wederantwoord betogen de verzoekende partijen dat het probleem hier moet worden beperkt tot de ongelijke behandeling van exploitanten van leidingen, gelegen in het openbaar domein. De verwerende partij kan onmogelijk ontkennen dat artikel 9, tweede lid, van de gaswet en artikel 13 van de elektriciteitswet kunnen worden toegepast ten aanzien van deze exploitanten.
  65. In hun memories betogen de tussenkomende partijen dat het gelijkheidsbeginsel slechts is geschonden indien de verzoekende partij met feitelijke en concrete gegevens aantoont dat gelijke gevallen ongelijk werden behandeld; in casu gaat het duidelijk niet om gelijke gevallen. In hun laatste memories beklemtonen ze nogmaals dat een gasvervoerinstallatie en een elektriciteitsleiding niet onderling vergelijkbaar zijn. Beoordeling
  66. Artikel 13 van de elektriciteitswet luidt als volgt : "De Staat, de provinciën, de gemeenten, de verenigingen van gemeenten, alsmede de vergunninghouders van openbare voorzieningsbedrijven en de houders van wegenistoelatingen, hebben het recht boven of onder de plaatsen, banen, paden, waterlopen, en kanalen die deel uitmaken van het openbaar domein van den Staat, van de provinciën en van de gemeenten, alle werken uit te voeren voor het aanleggen en behoorlijk onderhouden der boven- en VII-37.506-20/23 ondergrondse lijnen, mits zich te gedragen naar de wetten en de verordeningen, alsmede naar de inzonderheid met dit doel, hetzij in bestuursbeslissingen, hetzij in de akten van bedrijfsvergunning of wegenistoelating, voorziene bepalingen. Wanneer het belang der landsverdediging zulks vereist, heeft de regering het recht de schikkingen of het plan eener inrichting te wijzigen alsmede de werken daarmede in verband. De kosten der werken vallen ten laste der onderneming die de inrichting heeft aangelegd. De Staat, de provinciën en de gemeenten hebben, in alle geval, het recht de schikkingen of het plan eener inrichting naderhand te laten wijzigen, alsmede de werken daarmede in verband. Indien de wijzigingen noodzakelijk zijn, hetzij om reden van openbare veiligheid, hetzij om de schoonheid van een landschap te vrijwaren, hetzij in het belang van de wegen, waterlopen, kanalen of van een openbaren dienst, hetzij ingevolge wijzigingen door de belendende eigenaars toegebracht aan den toegang der eigendommen langs de gevolgde wegen, dan vallen de kosten der werken ten laste van de onderneming die de geleiding heeft aangelegd : in de overige gevallen, komen zij ten bezware van de overheid die de wijzigingen gelast. Deze laatste mag een voorafgaand bestek vragen en, in geval van onenigheid, zelf tot de uitvoering der werken overgaan. De gemeenten en verenigingen van gemeenten zijn tot geen bestuurlijke formaliteit gehouden om de electrische geleidingen op haar grondgebied aan te leggen of te onderhouden". Artikel 9, tweede lid, van de gaswet luidt als volgt : "Wanneer 's lands belang het vereist, heeft de Koning het recht de ligging of het tracé van de gasvervoerinstallatie en de desbetreffende werken te doen wijzigen. De kosten van deze wijzigingen komen ten laste van degene die de gasvervoerinstallatie exploiteert".
  67. Vastgesteld dient te worden dat zowel artikel 9, tweede lid, van de gaswet als artikel 13, tweede lid, van de elektriciteitswet van toepassing kunnen zijn op het openbaar domein. Door de verwerende partij en de tussenkomende partijen wordt niet betwist dat de bestreden beslissing ook betrekking heeft op gronden behorend tot het openbaar domein.
  68. Op grond van artikel 9, tweede lid, van de gaswet kan in 's lands belang een verplaatsing van de leidingen worden bevolen; op grond van artikel 13, tweede lid, van de elektriciteitswet kan dit in het belang der landsverdediging. De Raad van State is niet bevoegd om zich uit te spreken over de verenigbaarheid van artikel 9, tweede lid, van de gaswet met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. VII-37.506-21/23
  69. Aan het Grondwettelijk Hof wordt daarom de volgende prejudiciële vraag gesteld : "Schendt artikel 9, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de mate dat deze bepaling zou inhouden dat de exploitanten van een gasleiding kunnen worden onderworpen aan een Koninklijk verplaatsingsbevel in alle mogelijke hypothesen die van 's lands belang worden verklaard, terwijl de exploitanten van een elektriciteitsnet gelegen in openbaar domein luidens artikel 13, tweede lid, van de wet van 10 maart 1925 op de electriciteitsvoorziening slechts aan een verplaatsingsbevel van de regering kunnen worden onderworpen wanneer het belang der landsverdediging dit vereist?". BESLISSING
  70. De Raad van State heropent de debatten.
  71. De Raad van State stelt, in het kader van het vierde middel, de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof : "Schendt artikel 9, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de mate dat deze bepaling zou inhouden dat de exploitanten van een gasleiding kunnen worden onderworpen aan een Koninklijk verplaatsingsbevel in alle mogelijke hypothesen die van 's lands belang worden verklaard, terwijl de exploitanten van een elektriciteitsnet gelegen in openbaar domein luidens artikel 13, tweede lid, van de wet van 10 maart 1925 op de electriciteitsvoorziening slechts aan een verplaatsingsbevel van de regering kunnen worden onderworpen wanneer het belang der landsverdediging dit vereist?".
  72. De Raad van State gelast het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat ermee, na de ontvangst van het antwoord van het Grondwettelijk Hof op de voormelde prejudiciële vraag, het onderzoek van het vierde middel voort te zetten.
  73. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige. VII-37.506-22/23 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien december tweeduizend en negen, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, met bijstand van Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.506-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.943 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.212.962 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.