id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.944 Rolnummer: A. 177045/VII-36566 Zaak: Arrest 198944 - Milieuvergunningen - 15/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-22 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:02 Fiche Arrest nr 198.944 van 15 december 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 198.944 van 15 december 2009 in de zaak A. 177.045/VII-36.
- In zake: de STAD HOOGSTRATEN tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Bergé kantoor houdend te Leuven Naamsestraat 165 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 22 september 2006, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 25 juli 2006 waarbij aan Eddy Joosen een milieuvergunning wordt verleend om een rundveebedrijf, gelegen aan de Raamloopstraat 2 te Hoogstraten, te veranderen door toevoeging, wijziging en uitbreiding. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 168.354 van 1 maart 2007 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Bij arrest nr. 193.595 van 28 mei 2009 zijn de debatten heropend en is het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met het verder onderzoek van de zaak. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een aanvullend verslag opgesteld. VII-36.566-1/13 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 november
- Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Justin Simenon, die loco advocaat Jan Bergé verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Eddy Joosen exploiteert een inrichting aan de Raamloopstraat in Hoogstraten. Op 6 november 1992 neemt het college van burgemeester en schepenen van de stad Hoogstraten akte van de aangifte van een rundveebedrijf, geldend als vergunning voor een termijn tot 6 november
- De inrichting ligt in agrarisch gebied. 3.
- Op 8 juli 2005 dient Eddy Joosen een milieuvergunningsaanvraag in voor de verandering van de inrichting. De aanvraag omvat drie grote onderdelen : - de verandering van de rundveehouderij, waarbij 180 van de 340 dieren in een nieuwe stal zouden worden ondergebracht; - de oprichting van een installatie voor de gezamenlijke vergisting van dierlijke meststoffen (afkomstig van het eigen en van andere bedrijven), energieteelten (dit zijn hiertoe geschikte landbouwgewassen) en organisch biologische afvalstoffen, waarbij elektriciteit en warmte zou worden geproduceerd, en er als eindproduct een bodemverbeterende stof zou overblijven; - de exploitatie van een loonwerkbedrijf. VII-36.566-2/13 De vergunning wordt gevraagd voor een termijn van twintig jaar; het houden van runderen wordt aldus voortijdig hernieuwd. 3.
- Naar aanleiding van het openbaar onderzoek worden er meerdere bezwaarschriften ingediend. Op 3 november 2005 verleent de deputatie van de provincie Antwerpen de vergunning gedeeltelijk; de verplaatsing van de runderen en de exploitatie van het loonwerkbedrijf worden vergund; de vergistingsinstallatie wordt geweigerd. De termijn blijft beperkt tot die van de lopende vergunning. 3.
- Zowel de aanvrager als een collectief van 89 buurtbewoners tekenen administratief beroep aan. 3.
- Volgende adviezen worden verleend : - de afdeling Water onthoudt zich van advies, omdat de beroepen geen betrekking hebben op de grondwaterwinning; - de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij adviseert gunstig; - de afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg adviseert voorwaardelijk gunstig; - de Vlaamse Milieumaatschappij adviseert gunstig; - de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseert ongunstig; - de Vlaamse Landmaatschappij adviseert gunstig; - de afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie ten slotte adviseert gunstig. 3.
- Op 25 juli 2006 wordt het bestreden besluit genomen. De vergunning wordt grotendeels verleend zoals gevraagd. Vergund worden : - de toevoeging van perceel nummer 689m; - de wijziging door het verplaatsen van 180 dieren naar een nieuwe stal; - de uitbreiding met : - stalplaatsen voor 60 bedrijfsvoertuigen; - de bovengrondse opslag van 10.000 liter witte en 40.000 liter rode mazout en van 5 x 200 liter afgewerkte olie (totale opslag P3-producten: 51.000 liter); - 2 verdeelslangen bij de brandstoftanks van 10.000 liter en 40.000 liter; - de opslag van 200 m3 stro in een loods; - metaalbewerkingsmachines met een totaal vermogen van 11,6 kW; VII-36.566-3/13 - de opslag van 5.570 m³ voeders, waarvan 70 m³ brijvoeding en 5.500 m³ (3.300 ton) kuilmaïs; - een grondwaterwinning op een diepte van 205 meter met een opgepompt debiet van max. 10 m³/dag en 3.650 m³/jaar; - de opslag van 2.774 m³ organisch biologisch afval en mix met vergisting van 49.800 ton/jaar organisch biologisch afval; - 2 stroomgeneratoren aangedreven door gasmotoren (biogas) elk met een vermogen van 650 kW (totaal vermogen: 1.300 kW); - een transformator met een vermogen van 1.300 kVA; - de covergisting van 49.800 ton organisch biologisch afval, waarvan 16.000 ton dierlijke mest; - de opslag van 18.300 m3 (11.000 ton) energiemaïs. Akte wordt genomen van de volgende op zich in derde klasse ingedeelde onderdelen van de inrichting: - het lozen van maximum 2 m³/uur en 500 m³/jaar bedrijfsafvalwater via een KWS-scheider in de gracht; - een kleinschalige waterzuiveringsinstallatie (IBA) voor het behandelen van huishoudelijk afvalwater, met inbegrip van de lozing van het effluent met een debiet van maximaal 1 m³/dag en 180 m³/jaar in de gracht; - een herstelplaats voor voertuigen met 1 brug; - het wassen van maximum 9 voertuigen per dag; - 3 compressoren van respectievelijk 5 kW, 8,2 kW en 25 kW (totaal vermogen 38,2 kW); - de opslag van 600 liter argon, zuurstof en acetyleen in flessen; - de opslag van 200 kg antivries in vaten en bussen; - de opslag in vaten en bussen van 3 x 1.000 liter smeerolie en 10 x 200 liter hydraulische olie; - de opslag van 5.000 kg gevaarlijke producten in kleine verpakkingen; - de opslag van 4.760 m³ organische mest en VLACO eindproduct (uitbreiding met 4.530 m³); - een wastafel met een vat van 200 liter organisch solvent; - de opslag van 5 ton melk. En ten slotte wordt nog gesteld : "Aan de melding van volgend op zich in derde klasse ingedeeld onderdeel van de inrichting kan geen uitvoering worden gegeven gelet op de ligging in agrarisch gebied : de opslag van 1,5 ton biociden". VII-36.566-4/13 IV. Onderzoek van de middelen Vooraf De verzoekende partij voert in haar inleidend verzoekschrift twee middelen in hoofdorde aan en zeven middelen in ondergeschikte orde. In het tussenarrest nr. 193.595 van 28 mei 2009 werd het eerste middel, in hoofdorde aangevoerd, niet gegrond bevonden en werden de debatten heropend voor aanvullend onderzoek. A. Tweede middel in hoofdorde aangevoerd Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij voert in een tweede middel, in hoofdorde geformuleerd, de schending, minstens een verkeerde toepassing, aan van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna : inrichtingsbesluit), de schending van artikel 3 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, de schending van de bekendmakingsplicht zoals voorzien in artikel 190 van de Grondwet en de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. In essentie stelt de verzoekende partij dat de bestreden beslissing gebaseerd is op de criteria van de omzendbrief RO/2006/01 betreffende het afwegingskader en randvoorwaarden voor de inplanting van installaties voor mestbehandeling en vergisting (hierna : omzendbrief RO/2006/01) en zij die criteria als dwingende rechtsregels beschouwt; deze omzendbrief is echter niet verschenen in het Belgisch Staatsblad of voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State. Beoordeling
- In het tussenarrest nr. 193.595 van 28 mei 2009 overwoog de Raad van State bij de beoordeling van het eerste middel, in hoofdorde aangevoerd, dat de omzendbrief RO/2006/01 het inrichtingsbesluit niet wijzigt of aanvult; de omzendbrief, aldus de Raad van State, geeft een beleidslijn en duidt aan onder welke VII-36.566-5/13 voorwaarden een mestbehandelings- of vergistingsinstallatie die niet gebonden is aan één enkel bedrijf, mag worden toegelaten in een agrarisch gebied; hij is daarmee niet in tegenspraak met het inrichtingsbesluit waarin enkel bepaald is dat agrarische gebieden bestemd zijn voor "de landbouw in de ruime zin" en voor "para-agrarische bedrijven", hetgeen ruimte laat voor een nadere invulling; de omzendbrief, aldus de Raad van State, heeft de lijnen voor die invulling uitgetekend en de verzoekende partij toont niet aan dat de minister zijn bevoegdheid terzake op een kennelijk onredelijke wijze zou hebben gebruikt. Uit deze overwegingen blijkt dat de verzoekende partij bij haar tweede middel in hoofdorde aangevoerd, uitgaat van de verkeerde hypothese dat de omzendbrief een verordenend karakter zou hebben. Het tweede middel is niet gegrond. In die omstandigheden, nu de beide middelen aangevoerd in hoofdorde verworpen worden, worden de middelen aangevoerd in ondergeschikte orde onderzocht. B. Eerste middel in ondergeschikte orde aangevoerd Standpunt van de partijen
- In een eerste middel, in ondergeschikte orde aangevoerd, roept de verzoekende partij de schending in van de omzendbrief RO/2006/01 in combinatie met de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen : "Doordat de bestreden beslissing dd. 25 juli 2006 onder meer overweegt dat 'de inrichting voldoet aan de bepalingen van de omzendbrief', 'dat de aangevraagde installaties toelaatbaar zijn in agrarisch gebied en dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dan (lees: dat) de exploitatie van de inrichting verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften'. Terwijl de Omzendbrief RO/2006/01 wel principieel stelt dat zulke installaties mogelijk zijn in agrarisch gebied, maar tevens een verdere toetsing in concreto van het ruimtebeslag bepaalt. Bovendien stelt de Omzendbrief uitdrukkelijk dat het advies van het departement Landbouw en Visserij bepalend zal zijn voor het oordeel over de aanvaardbaarheid van de betrokken inrichting in het agrarisch gebied. Tenslotte somt de Omzendbrief enige randvoorwaarden op vanuit de ruimtelijke ordening die bij de beoordeling kunnen spelen. Bijgevolg gaat het Ministerieel Besluit minstens deels uit van niet-draagkrachtige motieven". VII-36.566-6/13 In de toelichting citeert de verzoekende partij uit de motivering van de bestreden beslissing en uit de omzendbrief RO/2006/01, en vervolgt : "De Omzendbrief RO/2006/01 stelt onder meer dat mestbehandelings- en vergistingsinstallaties van beperkte schaal en niet gebonden aan één enkel bedrijf in principe (onder bepaalde voorwaarden) in agrarisch gebied kunnen ingeplant worden. Verder in de Omzendbrief worden elementen aangehaald om te komen tot een behoorlijke beoordeling in concreto. Onder meer wordt het ruimtebeslag best zo beperkt mogelijk gehouden, wat het geval is in de vier opgesomde gevallen. Het Ministerieel Besluit laat echter na dit op afdoende wijze te beoordelen. Bovendien stelt de Omzendbrief dat het advies van het departement Landbouw en Visserij van het beleidsdomein Landbouw en Visserij bepalend zal zijn voor het oordeel over de aanvaardbaarheid van de betrokken inrichting in het agrarisch gebied, zodat de Minister niet zonder meer kon stellen dat de aangevraagde installaties toelaatbaar zijn in agrarisch gebied. Tenslotte somt de Omzendbrief enige randvoorwaarden op vanuit de ruimtelijke ordening die bij de beoordeling kunnen spelen. AROHM hield wel rekening met de ruimtelijke elementen en kwam uiteindelijk tot een ongunstig advies. Bijgevolg was de Minister niet in de mogelijkheid om op basis van zijn uiterst summiere toetsing en motivering zonder bovenvermelde elementen in rekening te brengen, te besluiten dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften. A fortiori kon de Minister niet in algemene bewoordingen overwegen dat de inrichting 'voldoet aan de bepalingen van de desbetreffende Omzendbrief', zonder dat alle bepalingen van de Omzendbrief effectief getoetst zijn. Concluderend kan worden gesteld dat de motivering van de Minister minstens op het punt aangehaald in dit middel niet draagkrachtig is en dus niet afdoende, gelet op het nalaten om rekening te houden met de uitdrukkelijke bewoordingen van de Omzendbrief, het ongunstig advies van AROHM en om een degelijke beoordeling concreto door te voeren op basis van de werkelijke feitelijke omstandigheden".
- In haar memorie van antwoord repliceert de verwerende partij dat nu de bestreden beslissing op begrijpbare en afdoende wijze motiveert dat de installatie voldoet aan de voorwaarden van de omzendbrief RO/2006/01 en deze laatste niet strijdt met het inrichtingsbesluit, de verenigbaarheid van de installatie met de agrarische bestemming van het gebied draagkrachtig wordt gemotiveerd. Voorts benadrukt zij dat ze het negatieve advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen heeft weerlegd door de aanvraag te toetsen aan de omzendbrief RO/2006/01, terwijl voormeld advies gebaseerd was op de omzendbrief RO/2000/02 die door de omzendbrief RO/2006/01 is vervangen, en dus achterhaald was; in de omzendbrief RO/2006/01 wordt bovendien gesteld dat de randvoorwaarden vanuit ruimtelijke ordening bij de beoordeling kunnen worden geëvalueerd, wat betekent dat er dus sprake is van een mogelijkheid, niet van een verplichting. VII-36.566-7/13 De verwerende partij stelt dat uit de bestreden beslissing blijkt dat een concreet onderzoek werd gevoerd; zij meent ook niet te moeten antwoorden op de andersluidende adviezen, verleend aan de overheid in eerste aanleg, daar er tijdens de beroepsprocedure nieuwe adviezen worden verstrekt. Voorts werd in de bestreden beslissing het ongunstig advies weerlegd wat betreft het feit dat er in de stad geen andere geschikte terreinen voorhanden zijn en werd het mobiliteitsaspect beoordeeld. Ten slotte merkt de verwerende partij op dat de nieuwe installatie wordt ingeplant aansluitend met het bestaande bedrijf en dat er een groenscherm is voorzien.
- De verzoekende partij stelt in haar memorie van wederantwoord het volgende : "De motivering is niet afdoende. De minister beperkt er zich toe in zijn eerste en tweede overweging van het bestreden besluit 'in verband met de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten' te stellen dat de inrichting niet gelegen is in de in de Omzendbrief RO/2006/01 aangehaalde kwetsbare gebieden, dat het tonnage inputmateriaal onder het maximum aangegeven in de omzendbrief blijft en dat het in casu een inrichting van beperkte schaal betreft dewelke niet is gebonden aan één enkel bedrijf. Louter op basis van deze beperkte toetsing wordt reeds in de derde overweging gesteld dat 'vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften', hoewel in de omzendbrief nog onder meer uitdrukkelijk wordt gesteld: 'Voor de aanvragen in agrarisch gebied is het advies van het departement Landbouw en Visserij van het beleidsdomein Landbouw en Visserij vereist. Het advies zal bepalend zijn voor het oordeel over de aanvaardbaarheid van de betrokken inrichting in het agrarisch gebied'. Bijgevolg kon de Minister niet zonder meer oordelen dat de betrokken inrichting aanvaardbaar is in agrarisch gebied, zonder het advies van de afdeling Land uitdrukkelijk in overweging te nemen wat hij niet doet of zonder minstens te stellen dat de aanvaardbaarheid van de inrichting in agrarisch gebied ook zal afhangen van het advies van de afdeling Land. Ook het advies van AROHM aan de PMVC (met kenmerk N/110.560) wijst erop dat in elk geval het advies van (de) afdeling Land vereist is, in verband met de aanvaardbaarheid van de betrokken inrichting in het agrarisch gebied en over de relatie met de omgevende bedrijven. (...) Indien de toetsing van de 'randvoorwaarden vanuit ruimtelijke ordening' zoals opgenomen in de Omzendbrief RO/2006/01 niet als een verplichting is opgenomen, blijft het gegeven dat er een negatief advies was van (de) afdeling stedenbouwkundige vergunningen en er een uitgebreid klachtendossier bestaat, zodat het een behoorlijk en zorgvuldig bestuur betaamt om in het kader van haar motiveringsplicht tot een doorgedreven toetsing/motivering op het gebied van de ruimtelijke ordening over te gaan. In casu is dit niet afdoende gebeurd. De Minister neemt een reeks opmerkingen, onder meer (het) advies van VII-36.566-8/13 AROHM aan de PMVC (met kenmerk N/110.560) niet in overweging (zie deels hieronder). Bovendien stelt de verwerende partij onterecht dat het negatieve advies van de afdeling stedenbouwkundige vergunningen grotendeels achterhaald was daar het gebaseerd was op de Omzendbrief RO/2000/
- Het advies van AROHM aan de PMVC (met kenmerk N/110.560) is grotendeels nog wel degelijk van belang, daar bepaalde afwegingen nog steeds binnen het beoordelingskader van de nieuwe Omzendbrief RO/2006/01 passen, met name onder meer: 'De voorgestelde verwerkingsinstallatie betekent een verdubbeling van de bestaande bedrijfsoppervlakte. Een grote loods + 4 vergisters moet ifv de biogasinstallatie bijkomend worden opgericht. De installatie kan niet binnen de bestaande gebouwen worden ingeplant en heeft aldus wel een duidelijke ruimtelijke impact op de omgeving. Bijkomend moet gesteld worden dat de voorgestelde locatie op de grens met het landschappelijk waardevol agrarisch gebied (ingetekend ifv vallei van de Raamloop / overzijde van de Raamloopstraat) gelegen is. In de Raamloopstraat zelf zijn weinig andere landbouwbedrijven gelegen (geen concentratie / geen structureel aangetast agrarisch gebied). Er moet geconcludeerd worden dat de voorgestelde locatie vanuit ruimtelijk oogpunt geen ideale locatie betreft. (...) Om bij uitzondering mestverwerkingsinstallaties van beperkte schaal in agrarisch gebied toe te laten, is in elk geval het advies van (de) afdeling Land vereist, in verband met de aanvaardbaarheid van de betrokken inrichting in het agrarisch gebied en over de relatie met de omgevende bedrijven. Het advies van de afdeling Land moet nog gevraagd worden in (het) kader van de aanvraag tot Stedenbouwkundige vergunning. (...) De verwerkingsinstallatie is vreemd aan de omgeving qua vorm en materiaalgebruik. De nieuw te bouwen installatie wordt op korte afstand en links van de bestaande bedrijfsgebouwen ingeplant. Toch betekent de gevraagde installatie een verdubbeling van de totale bedrijfsoppervlakte. Zoals hierboven ook reeds vermeld, is de voorgestelde locatie gelegen op de grens met het landschappelijk waardevol agrarisch gebied en niet in een structureel aangetast agrarisch gebied. Ook zijn er binnen het grondgebied van de Stad Hoogstraten gebieden die specifiek voor het bouwen van dergelijke installaties worden gevrijwaard. (...) Voor wat betreft het mobiliteitsaspect wordt het advies van de stad Hoogstraten gevolgd (landbouwweggetje is niet voorzien op dergelijk zwaar verkeer). De Raamloopstraat zou onvoldoende uitgerust zijn voor de gevraagde bijkomende mobiliteitsgenererende activiteit. De voorziene locaties voor dergelijke bedrijven (BPA 'Meirberg') is in de onmiddellijke nabijheid van een op- en afrittencomplex van de E19 gelegen (betere bereikbaarheid). Bijkomend moet ook het transport van (het) landbouw- loonwerkbedrijf in rekening gebracht worden (regularisatie van loonwerkersbedrijf 60-tal voertuigen). De aanvraag brengt de goede ruimtelijke ordening in het gedrang. (...)' Tot slot wenst verzoekende partij nog te herhalen dat de bestreden inrichting de draagkracht van de bestaande wegeninfrastructuur wel degelijk zal overschrijden. Het 'zo goed als mogelijk gelegen zijn' zoals de verwerende partij meent, kan niet worden gevolgd. (cfr. advies AROHM hierboven: De aanvraag brengt de goede ruimtelijke ordening in het gedrang.) Bijgevolg schendt de bestreden beslissing de Omzendbrief RO/2006/01 betreffende het afwegingskader en randvoorwaarden voor de inplanting van installaties voor mestbehandeling en vergisting in combinatie met artikel 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen". VII-36.566-9/13 VII-36.566-10/13 Beoordeling
- De verzoekende partij voert onder meer aan dat de verwerende partij in de bestreden beslissing de stedenbouwkundige toetsing in concreto van de aanvraag niet afdoende heeft gemotiveerd niettegenstaande in de omzendbrief deze toetsing is opgelegd.
- De overheid die bevoegd is om een milieuvergunning af te leveren moet rekening houden met de stedenbouwkundige en planologische voorschriften; de omzendbrief RO/2006/01 wijst op die concrete toetsing; onder randnummer 3.2.3 vermeldt de omzendbrief de zogenaamde randvoorwaarden vanuit ruimtelijke ordening; hier wordt een aantal elementen opgesomd waarmee, aldus de omzendbrief, rekening kan worden gehouden bij de stedenbouwkundige beoordeling van de aanvraag, wat beduidt dat de omzendbrief stellig de geadresseerden herinnert aan de plicht tot de stedenbouwkundige toetsing. De omzendbrief vermeldt inzake deze elementen bijvoorbeeld de aandacht voor de landschappelijke inkleding en de homogeniteit van de omgeving, de gebouwenconfiguratie en het materiaalgebruik op zich en de bijzondere waarden van de omgeving of de nabijheid van specifieke bestemmingsgebieden.
- In de bestreden beslissing wordt inzake de stedenbouwkundige toetsing van de aanvraag als volgt overwogen : "Overwegende dat in verband met de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten kan gesteld worden dat volgens de omzendbrief RO/2006/1 betreffende het afwegingskader en de randvoorwaarden voor de inplanting van installaties voor mestbehandeling en vergisting een inplanting van een mestbehandelings- en vergistingsinstallatie van beperkte schaal niet gebonden aan één enkel bedrijf in een agrarisch gebied is toegestaan indien het niet gelegen is in de aangehaalde ruimtelijk kwetsbare gebieden, niet in de door de Vlaamse regering aangehaalde habitatgebieden, noch in een beschermd landschap, alsmede in een beschermd dorp- / stadsgezicht; dat volgens deze omzendbrief een installatie van beperkte schaal beschouwd wordt als een installatie met een maximale tonnage van 60.000 ton inputmateriaal per jaar; dat de inrichting gelegen is in agrarisch gebied en niet gelegen is in de in de omzendbrief aangehaalde kwetsbare gebieden; dat het (een) inrichting betreft voor de vergisting van 49.800 ton/jaar organische biologische afval; dat de inrichting derhalve voldoet aan de bepalingen van de desbetreffende omzendbrief; Overwegende dat de omzendbrief RO/2006/1 voorziet dat mestbehandelings- en vergistingsinstallaties van beperkte schaal (maximum tonnage 60.000 ton inputmateriaal) en niet gebonden aan één enkel bedrijf in principe kunnen (onder bepaalde voorwaarden) in agrarisch gebied of op VII-36.566-11/13 bestaande lokale bedrijventerreinen waar dergelijke installaties conform de stedenbouwkundige voorschriften kunnen worden ingeplant; Overwegende bijgevolg dat de aangevraagde installaties wel toelaatbaar zijn in het agrarisch gebied en dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften". De wettelijk vereiste en in de omzendbrief in herinnering gebrachte concrete beoordeling van de stedenbouwkundige toetsing is niet op afdoende wijze in de motivering van de bestreden beslissing opgenomen. Deze vaststelling klemt des te meer, gelet op het ongunstige advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen uitgebracht ten aanzien van de minister. De omstandigheid dat dit advies geformuleerd werd rekening houdend met de omzendbrief RO/2000/02 in plaats van de omzendbrief RO/2006/01, is te dezen niet relevant; de beide omzendbrieven bevatten overigens immers gelijkaardige "randvoorwaarden vanuit ruimtelijke ordening".
- Het middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 25 juli 2006 waarbij aan Eddy Joosen een milieuvergunning wordt verleend om een rundveebedrijf, gelegen aan de Raamloopstraat 2 te Hoogstraten, te veranderen door toevoeging, wijziging en uitbreiding.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. VII-36.566-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien december tweeduizend en negen, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, met bijstand van Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-36.566-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.944 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.354 ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.595 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div