id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.961 Rolnummer: A. 150092/X-11823 Zaak: Arrest 198961 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-24 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 04:03 Fiche Arrest nr 198.961 van 15 december 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 198.961 van 15 december 2009 in de zaak A. 150.092/X-11.
- In zake: Filip WALLEYN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Isabelle Larmuseau, Peter De Smedt en Bert Roelandts kantoor houdend te 9000 GENT Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de stad BRUGGE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Antoon Lust kantoor houdend te 8310 BRUGGE Baron Ruzettelaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Philippe DE PAPE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koenraad Alliet kantoor houdend te 8200 BRUGGE Dianadreef 14 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 29 maart 2004, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 12 december 2003 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge houdende afgifte aan Philippe De Pape van een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een veranda bij een bestaande woning op een perceel gelegen te Brugge, Carmersstraat, kadastraal bekend sectie F, nr. 318/h. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 142.798 van 5 april 2005 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. X-11.823-1/10 De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 20 juni
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Stephan De Taeye heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 juni
- Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Lies Du Gardein, die loco advocaten Isabelle Larmuseau, Peter De Smedt en Bert Roelandts verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Frank Judo, die loco advocaat Antoon Lust verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Koenraad Alliet, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur An Van Den Broeck, daartoe gemachtigd bij beslissing van 31 oktober 2008 van de adjunct-auditeur-generaal, heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten X-11.823-2/10
- Op 28 april 2003 (datum van het ontvangstbewijs) dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge een aanvraag in tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een veranda bij een bestaande woning op een perceel gelegen te Brugge aan de Carmersstraat 7, kadastraal bekend sectie F, nr. 318/h. De verzoeker is eigenaar en bewoner van het aanpalende pand (Carmersstraat 9), dat als monument is ingeschreven op een op 29 april 2003 door de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken vastgestelde ontwerplijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten.
- Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Brugge-Oostkust, is het perceel van de tussenkomende partij gelegen in woongebied met culturele, historische en/of esthetische waarde. Voor het gebied waarin het perceel is begrepen, bestaat geen goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan. Evenmin is het perceel gelegen binnen het gebied van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling.
- Er wordt van 2 juni 2003 tot en met 1 juli 2003 een openbaar onderzoek georganiseerd. Naar aanleiding daarvan wordt één bezwaarschrift ingediend, door de verzoeker (op 17 juni 2003).
- De dienst Monumentenzorg, die het bezwaarschrift gegrond bevindt inzake de ontworpen hoogte van de veranda op de perceelsgrens (“dient beperkt tot de hoogte van een tuinmuur”, “hoger dan kon verwacht worden uitgaande van de verkoopsvoorwaarden Carmersstraat 9”), maar het voor het overige ongegrond acht, geeft een ongunstig advies. In zitting van 21 november 2003 besluit het college van burgemeester en schepenen tot het kennis nemen van het voormelde advies en van het gevoerde openbaar onderzoek, tot het ontvankelijk en deels gegrond verklaren van het bezwaarschrift en tot het gunstig beslissen over het bouwen van de veranda mits de hoogte op de perceelsgrens wordt beperkt tot 2,20 meter.
- Het college van burgemeester en schepenen deelt bij brief van 28 november 2003 aan de verzoeker mee wat volgt: X-11.823-3/10 “Betreft: uw bezwaarschrift n.a.v. het openbaar onderzoek voor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een veranda bij een bestaande woning, Carmersstraat 7, 8000 Brugge door De Pape Philippe Het College van Burgemeester en Schepenen heeft in zitting van 21.11.03 over deze aanvraag en over uw bezwaren beraadslaagd en een aantal beslissingen genomen. Wat uw bezwaar i.v.m. de verkoopsvoorwaarden betreft, kunnen wij u meedelen dat het pand Carmersstraat 7 werd verkocht aan de nv Bruwo binnen het globale Rijckepijndersproject. Hierbij werden geen voorwaarden opgenomen voor de bebouwing van betreffende tuingrond. Dit bezwaar is dan ook ongegrond. Voor uw bezwaar dat de waardevolle zij- en achtergevel minder zichtbaar zou worden door het uitvoeren van de aanvraag, kunnen wij u melden dat de ontworpen verandaconstructie de waardevolle achtergevel in beperkte mate aan het zicht onttrekt vanaf de Elisabeth Zorghestraat. De constructie blijft evenwel vrij laag en brengt geen enkele schade toe aan deze achtergevel waarvoor de restauratie werd gesubsidieerd (met opstelling van een akte non-modificandi). Het feit dat de constructie minder zichtbaar zal zijn vanaf de openbare weg vormt op zich geen waardevermindering en toont voor u geen nadeel aan. Dit bezwaar is eveneens ongegrond. Op uw bezwaar wat de invloed van de constructie op bezonning betreft, kunnen wij u antwoorden dat deze eerder beperkt zal zijn. Bij de verkoop met aangehechte verkoopsvoorwaarden werden evenwel verwachtingen gegeven dat de tuin niet bebouwbaar zou zijn en de muurhoogtes dus zouden beperkt blijven tot de hoogte van tuinmuren. De hoogte van de muur op de perceelsgrens blijft beperkt tot 2.47m, doch dit is nog steeds hoger dan de maximale hoogte die wordt opgelegd voor tuinmuren (artikel 45 van de gemeentelijke bouwverordening). Dit bezwaar is dan ook gegrond. De aanvrager zal zijn plannen dienen aan te passen zodat de hoogte op de perceelsgrens beperkt blijft tot de hoogte van een tuinmuur. Het College van Burgemeester en Schepenen heeft dan ook gunstig beslist over de aanvraag mits de hoogte op de perceelsgrens beperkt blijft tot 2,20m”.
- Bij het bestreden besluit van 12 december 2003 verleent het college van burgemeester en schepenen aan de tussenkomende partij de stedenbouwkundige vergunning. Daarin motiveert het college zijn standpunt als volgt: “- Gezien het advies van de gemachtigde ambtenaar niet vereist is voor het oprichten, verbouwen of herbouwen van een gebouw met inbegrip van zijn normale, fysisch aansluitende aanhorigheden, zelfs indien hier een vergunningsplichtige functiewijziging mee gepaard gaat, op voorwaarde dat - 1/ de aanvraag gelegen is in een woongebied in de ruime zin - 2/ het bouwvolume niet groter is dan 1000 m³; - Gelet op het openbaar onderzoek gehouden van 02.06.03 tot 01.07.03; - Overwegende dat er één bezwaarschrift werd ingediend; - Overwegende dat het bezwaarschrift ontvankelijk en deels gegrond is; - Overwegende dat aangepaste plannen werden ingediend waarbij de veranda in hoogte beperkt wordt tot 2,20m; - Gelet op het akkoord van de buureigenaar; X-11.823-4/10 - Overwegende dat het ontwerp in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen en verenigbaar is met zijn onmiddellijke omgeving en met de goede plaatselijke aanleg”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
- Anticiperend op een exceptio ratione temporis, stelt de verzoeker in zijn verzoekschrift dat hij, “spijts herhaalde navragen”, op 14 januari 2004 vernam dat de litigieuze vergunning door het college van burgemeester en schepenen werd afgeleverd. Omdat hij, naar eigen zeggen, geen kopie van het bouwdossier kon verkrijgen en evenmin het dossier onmiddellijk kon inzien, vroeg hij daartoe met een brief van “14 januari 2004” de schriftelijke toelating. Daarop zou de informatiedienst van de stad Brugge hem bij schrijven van 29 januari 2004 een kopie van de afgeleverde vergunning hebben betekend. De verzoeker meent dat 2 à 3 weken een redelijke termijn is voor kennisname van het bestreden besluit.
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie op inzake de tijdigheid van het beroep tot nietigverklaring. Zij voert daartoe aan: “De termijn voor het indienen van het beroep tot schorsing of nietigverklaring van een handeling die noch bekendgemaakt, noch aan de verzoeker betekend moet worden, gaat in op de dag waarop hij er in feite kennis van heeft. Daartoe is niet vereist dat hij kennis heeft van de volledige tekst van deze akte, maar wel dat hij op de hoogte is gebracht van de precieze inhoud en van de draagwijdte ervan, d.w.z. van de voor hem belangrijke bepalingen. Uit het dossier blijkt dat verzoeker met het schrijven van 28 november 2003 op de hoogte werd gebracht van het standpunt van de verwerende partij, en dienvolgens van de precieze draagwijdte van de beslissing. Dat verwerende partij op 12 december 2003 haar eerder vertolkte standpunt formaliseerde, staat daar niet aan in de weg. Ondanks het feit dat verzoekende partij kennis had van het standpunt van verwerende partij, en zij duidelijk op de hoogte was van het feit dat er een stedenbouwkundige vergunning op til was, richtte zij pas op 16 januari 2003, hetzij ruim een maand na het uitreiken van de vergunning en ruim anderhalve maand na het schrijven van 28 november 2003, een brief naar verwerende partij met een verzoek haar een kopie van de stedenbouwkundige vergunning te willen overmaken. Van een schrijven van 14 januari 2004 vanwege de raadsman van verzoekende partij is in het administratief dossier geen spoor te vinden. Evenmin trouwens als van beweerde verzoeken om het dossier en/of de vergunningen te mogen inzien. Nochtans rust er op verzoekende partij een plicht tot waakzaamheid. Hij moest, van het moment dat hij op de hoogte was van het bestaan van de beslissing, de nodige stappen doen om kennis te krijgen van de inhoud. In feite X-11.823-5/10 had verzoeker reeds op 28 november 2003 (...) kennis van de inhoud van de bestreden beslissing. Verzoekende partij talmde een maand aleer daadwerkelijk stappen te ondernemen om effectief een kopie van de vergunning te krijgen, minstens te verifiëren of er een nieuwe beslissing was die de inhoud van het schrijven van 28 november 2003 bevestigde. Uw Raad oordeelde reeds dat drie weken wachten na kennisname van een vergunning om van de inhoud inzage te nemen, onredelijk lang is. In dit geval is het nog frappanter nu verzoekende partij reeds kennis had van de inhoud van de bestreden beslissing vooraleer ze effectief werd genomen. Zij diende dan ook een bijzondere waakzaamheid aan de dag te leggen ten einde te weten te komen wanneer precies de beslissing werd genomen. Verzoekende partij heeft meer dan anderhalve maand nadat haar de inhoud van de bestreden beslissing werd ter kennis gebracht gewacht om verwerende partij aan te schrijven. Uw Raad heeft recent, in haar arrest De Ryck van 1 februari 2005, nr. 139.973 ter zake nog het volgende gestatueerd: ‘Overwegende dat bouwvergunningen noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend dienen te worden; dat voor derden belanghebbenden de in artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State bepaalde termijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop zij kennis hebben van de vergunning of ervan kennis konden hebben, gebruik makend van de hen door artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw geboden mogelijkheid om er ten gemeentehuize inzage van te nemen; dat op derden belanghebbenden de verplichting rust om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van het hen wettelijk toegekende inzagerecht; dat deze termijn ingaat de dag waarop zij, aan de hand van wat zij kunnen vaststellen op de plaats waar de vergunde bouwwerken worden uitgevoerd, zich ervan rekenschap dienen te geven dat krachtens het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, voor de uitvoering van die werken een stedenbouwkundige vergunning vereist is, en dat zij bijgevolg redelijkerwijze moeten of kunnen veronderstellen dat een vergunning is afgegeven; dat het niet in de macht van een potentiële verzoeker mag liggen, wanneer hij in de mogelijkheid is kennis te nemen van de bestuurshandeling die hij eventueel in rechte wenst te bestrijden, die kennisneming uit te stellen en daardoor de aanvangsdatum van de termijn van beroep willekeurig te verschuiven, zodat de rechtsgeldigheid en het voortbestaan van de bedoelde bestuurshandeling buiten het weten zowel van de overheid van wie zij uitgaat als van alle andere belanghebbenden in het ongewisse wordt gehouden, met alle nadelige gevolgen vandien; dat die termijn alleszins niet begint te lopen de dag dat de belanghebbende kennis krijgt van het grievend karakter van de vergunning;’ Bovendien heeft het Auditoraat in de schorsingsprocedure duidelijk de onontvankelijkheid ratione temporis geadviseerd. De Auditeur schreef letterlijk: ‘Dat in die omstandigheden de bewijslast van de verjaring niet bij de overheid of de bouwheer berust maar dat het nu aan verzoekende partij toekomt aan te tonen dat haar beroep tijdig is ingesteld.’ Op verzoekende partij rust de bewijslast. In het dossier wordt door verzoekende partij evenwel geen enkel concreet element naar voorgebracht wanneer ze precies op de hoogte was van de bestreden beslissing. Nu verwerende partij de verzoekende partij reeds met een schrijven van 28 november 2003 op de hoogte had gesteld van de inhoud van de vergunning X-11.823-6/10 die eerlang zou worden verleend rustte op de verzoekende partij een bijzondere waakzaamheidsplicht. In haar verzoekschrift beweert verzoekende partij volstrekt in tegenstrijd met de waarheid dat de bouwvergunning niet meteen kon worden ingezien op de diensten van verwerende partij. Eenieder die zich op de dienst Ruimtelijke Ordening aanbiedt kan inzage krijgen in afgeleverde vergunningen. Het is wel zo dat wanneer men een kopie wenst te krijgen van een vergunning of een bouwdossier men zich daarvoor naar de informatiedienst moet wenden alwaar men schriftelijk de toelating moet vragen van de vergunning. Het is evenwel niet die datum die de termijn van 60 dagen doet ingaan, maar wel de dag waarop verzoekende partij kennis kon nemen van de vergunning, gebruikmakend van haar inzagerecht ten stadhuize. Nu de verzoekende partij zelf woonachtig is in hartje Brugge was het hem mogelijk om de vergunning meteen in te zien. Zoals Uw Raad recent nog gewezen heeft in de zaak De Ryck mag het niet in de macht van de potentiële verzoekende partij liggen om, wanneer hij in de mogelijkheid is kennis te nemen van een vergunning die hij wenst aan te vechten - en waarvan hij zoals in casu eigenlijk al de inhoud kende -, die kennisneming uit te stellen om zo de termijn om de vergunning aan te vechten willekeurig te verschuiven”.
- In haar verzoekschrift tot tussenkomst werpt de tussenkomende partij een zelfde exceptie op.
- De verzoeker voert in zijn memorie van wederantwoord nog aan dat men bezwaarlijk kan stellen dat hij ingevolge de brief van 28 november 2003 kennis had van de inhoud of de precieze draagwijdte van het bestreden besluit, aangezien daarin enkel summier werd geantwoord op de bezwaren die hij in het kader van het openbaar onderzoek had geuit. Ook stelt hij in die memorie nog het volgende: “De verwijzing door de verwerende partij naar het standpunt van de auditeur in de schorsingsprocedure kan in deze niet overtuigen, nu Uw Raad het advies van de auditeur op het vlak van de onontvankelijkheid ratione temporis niet is gevolgd. Het verzoek tot schorsing werd weliswaar afgewezen, maar dit op grond van de afwezigheid van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. In ieder geval werd de vordering ontvankelijk bevonden en nog geen uitspraak gedaan over de exceptie van onontvankelijkheid ratione temporis”.
- Door de tussenkomende partij wordt in een “toelichtende en aanvullende memorie”, buiten een verwijzing naar hetgeen ze reeds heeft aangevoerd, nog gesteld dat het helemaal niet zo is dat in de schorsingsprocedure de Raad van State het standpunt van het auditoraat met betrekking tot de ontvankelijkheid ratione temporis niet zou hebben gevolgd en dat de Raad dienaangaande in het kader van die procedure enkel heeft gesteld dat er in die stand van het geding geen uitspraak over moest worden gedaan. X-11.823-7/10
- Naast hetgeen de verwerende partij reeds heeft aangevoerd in haar memorie van antwoord, wijst ze er in haar laatste memorie vooreerst nog op dat de verzoeker, op het ogenblik dat hij het schrijven van 28 november 2003 ontving, niet anders kon dan dit te begrijpen in de zin dat er over de aanvraag definitief in gunstige zin was beslist, mits die ene voorwaarde. Volgens de verwerende partij kan de verzoeker de omstandigheid dat dit besluit toen nog niet was geformaliseerd niet als argument inroepen, omdat hij daar toen helemaal geen kennis van had en dit ook uit dat schrijven niet kon afleiden. Voorts stelt de verwerende partij dat ze heeft voldaan aan haar bewijslast door aan te tonen dat ze de verzoeker met een schrijven van 28 november 2003, “niet zomaar oppervlakkig doch zelfs zeer gedetailleerd”, op de hoogte heeft gebracht van het genomen besluit. Daarbij stelt ze dat, “eens zover”, het aan de verzoeker toekomt aan te tonen dat hij de nodige diligentie aan de dag heeft gelegd om middels de hem ter beschikking staande middelen “[toentertijd het inzagerecht overeenkomstig het K.B. van 22 oktober 1971]” het nodige te doen om “[verder]” kennis te nemen van de akte zonder de beroepstermijn willekeurig te verlengen. Wat dit laatste betreft, voert de verwerende partij aan dat de verzoeker zich heeft beperkt tot een totaal vrijblijvende bewering, die door geen enkel objectief gegeven wordt ondersteund en zelfs bijzonder ongeloofwaardig overkomt. Inzake die ongeloofwaardigheid vestigt de verwerende partij de aandacht op de volgende elementen: “• Op welke manier ‘navraag’ is gedaan, verduidelijkt de verzoekende partij niet eens. Zeker niet schriftelijk, maar ook niet door ter plaatse het dossier te komen inzien (want daarvan wordt door de dienst nota genomen op de binnenflap van de kaft). • Dat die navragen, die derhalve enkel telefonische navragen kunnen geweest zijn, qoud non, steeds onbeantwoord zouden gebleven zijn (‘spijts’), is volstrekt onaannemelijk. Het personeel van dienst heeft zeker niet de gewoonte aan derden, en dan nog derden die een bezwaar hebben ingediend, te weigeren mede te delen dat er inmiddels een beslissing is genomen en dat ze er desgewenst kennis kunnen van nemen. De dienst werkt zo klantvriendelijk mogelijk. De verzoekende partij legt zelfs niet eens uit wat haar dan wel aan de telefoon zou gezegd zijn. • Dat de verzoekende partij uiteindelijk dan toch op 14 januari 2004 kennis van de beslissing zou hebben gekregen (hoe?) en nog diezelfde dag een afspraak met haar raadsman heeft gevraagd én ook bekomen, welke raadsman dan nog diezelfde dag een afschrift zou hebben gevraagd, is bijzonder onwaarschijnlijk, nog daargelaten dat, zeer merkwaardig, de op 19 januari 2004 op de dienst ingekomen brief is gedagtekend op 16 januari 2004”. X-11.823-8/10 Ook merkt de verwerende partij nog op dat uit de samenlezing van haar brief van 28 november 2003 en de door de verzoeker zelf ingeroepen brief van 14 januari 2004, blijkt dat de verzoeker minstens op 14 januari 2004 een voldoende kennis had van het bestaan, de aard en de draagwijdte van het bestreden besluit en mitsdien de termijn om een annulatieberoep in te dienen verstreek op 15 maart
- Beoordeling
- Aangezien een stedenbouwkundige vergunning noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend dient te worden, gaat voor een belanghebbende derde de in artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaalde beroepstermijn van zestig dagen in met de dag waarop hij kennis heeft van de vergunning. Opdat de termijn voor een belanghebbende derde zou beginnen te lopen vanaf het ogenblik dat hij feitelijk kennis heeft van een vergunning, is enkel vereist dat hij een voldoende kennis heeft van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de vergunning, niet dat hij op dat ogenblik kennis heeft van de precieze inhoud ervan, noch van het griefhoudend karakter ervan, noch van alle mogelijke onwettigheden die er zouden aankleven.
- De verzoeker stelt dat hij, “spijts herhaalde navragen”, pas op 14 januari 2004 heeft vernomen dat de litigieuze vergunning van 12 december 2003 was afgeleverd. Gelet op die kennis, sinds 14 januari 2004, van het bestaan van de bestreden vergunning en gelet op de brief van 28 november 2003 (zie randnummer 7) betreffende verzoekers bezwaarschrift naar aanleiding van het openbaar onderzoek inzake “de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een veranda bij een bestaande woning” aan de “Carmersstraat 7” te “Brugge”, waarin is vermeld dat “het College van Burgemeester en Schepenen (...) gunstig (heeft) beslist over de aanvraag mits de hoogte op de perceelsgrens beperkt blijft tot 2,20m”, moet de verzoeker worden geacht op 14 januari 2004 voldoende kennis te hebben gehad van het bestaan, de draagwijdte en de aard van de vergunning. De beroepstermijn van zestig dagen is met dat ogenblik ingegaan. Aangezien het beroep tot nietigverklaring pas op 29 maart 2004 is ingesteld, is het laattijdig. Bijgevolg zijn de excepties gegrond en is het beroep niet ontvankelijk. X-11.823-9/10 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien december 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Pierre Lefranc, staatsraad, met bijstand van Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-11.823-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.961 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.798 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div