id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.962 Rolnummer: A. 158172/X-12154 Zaak: Arrest 198962 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-24 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-30 04:03 Fiche Arrest nr 198.962 van 15 december 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 198.962 van 15 december 2009 in de zaak A. 158.172/X-12.
- In zake: Claudine GHYSBRECHTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Opsommer kantoor houdend te 9700 OUDENAARDE Kasteelstraat 8 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 7 december 2004, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 30 september 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende verwerping van het beroep ingesteld tegen de beslissing van 15 december 2003 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Oudenaarde waarbij de vergunning is geweigerd voor het bouwen van gevels en het herstellen van een dak van een gebouw op een perceel gelegen te Mater, Oosse, kadastraal bekend sectie B, nr. 253/c. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 19 april 2004 wordt aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging verleend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. X-12.154-1/12 De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 september
- Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Karolien Beké, die loco advocaat Jan Opsommer verschijnt voor de verzoekende partij, en bestuurssecretaris Marie-Anne De Geest, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 27 januari 2003 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoekster bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Oudenaarde een aanvraag in om een vergunning te verkrijgen “tot het bouwen van gevels - herstellen dak” met betrekking tot een perceel gelegen te Mater, Oosse, kadastraal bekend sectie B, nr. 253/c.
- Op 15 december 2003 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Oudenaarde de gevraagde vergunning, na een ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar van 28 november
- Op 23 december 2003 wordt door de dienst ruimtelijke ordening van het stadsbestuur van Oudenaarde aan de postontvanger de opdracht gegeven om een brief aan de verzoekster “van ambtswege aan te tekenen en ten spoedigste te verzenden”.
- Op 24 december 2003 biedt de postbode zich “vruchteloos” aan op verzoeksters adres. Op hetzelfde bericht duidt hij aan dat de stukken, die X-12.154-2/12 vijftien dagen op het postkantoor zullen worden bewaard, aldaar kunnen worden afgehaald vanaf 29 december 2003 om 9 uur.
- Op 22 januari 2004 verzendt het college van burgemeester en schepenen van de stad Oudenaarde de weigeringsbeslissing nogmaals aangetekend naar de verzoekster.
- Bij aangetekende brief van 20 februari 2004 tekent de verzoekster tegen de voornoemde weigeringsbeslissing administratief beroep aan bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen.
- Op 29 april 2004 vindt een hoorzitting plaats waarin verzoeksters raadsman de volgende zittingsnota neerlegt: “(...) De bestreden beslissing werd inderdaad een eerste maal verstuurd aan verzoekster op 23/12/
- Aangezien verzoekster op dat moment in het buitenland verbleef, liet de postbode op 24/12/2003 een bericht achter dat de aangetekende zending kon worden afgehaald op het postkantoor. Aangezien verzoekster gedurende die periode niet terug naar België kwam en dan ook geen kennis had van dit bericht. Dat de aangetekende zending niet werd afgehaald, ten bewijze daarvan het bericht dat nog steeds in het bezit is van verzoekster. (...) Aangezien de stad Oudenaarde op 22/01/2004 de teruggekeerde beslissing van weigering opnieuw aangetekend aan verzoekster verstuurde. (...) Aangezien verzoekster nu wel kennis nam, ten vroegste op 23/01/
- Aangezien onderhavig beroep werd ingesteld bij aangetekend schrijven dd. 19/02/
- Dat het beroep tijdig en ontvankelijk is. (...)”.
- Op 30 september 2004 besluit de bestendige deputatie dat verzoeksters beroep onontvankelijk is wegens laattijdigheid. Dit is de bestreden beslissing. Deze beslissing wordt op 8 oktober 2004 aan de verzoekster ter kennis gebracht. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel X-12.154-3/12
- De verzoekster roept in een eerste middel de schending in van “het Gecoördineerde decreet betreffende de ruimtelijke ordening 22 oktober 1996, inzonderheid artikel 53 § 1”: “Doordat de bestendige deputatie het beroep onontvankelijk heeft verklaard wegens laattijdigheid. Terwijl het decreet houdende ruimtelijke ordening expliciet een beroepstermijn voorziet van dertig dagen na ontvangst. Zodat de bestendige deputatie verzoekster ten onrechte de beroepsmogelijkheid heeft ontnomen. Toelichting ‘De aanvrager kan binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing van het schepencollege in beroep gaan bij de bestendige deputatie. Bij ontstentenis van een beslissing binnen de in artikel 52,§1 bepaalde termijn kan hij eveneens in beroep gaan (art. 53 §1 - (...)).’ ‘Van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen tot verlening of weigering van de vergunning wordt aan de aanvrager bij ter post aangetekende brief kennis gegeven binnen de vijfenzeventig dagen te rekenen vanaf de datum van het ontvangstbewijs. Deze termijn wordt met 50 dagen verlengd indien de gemachtigde ambtenaar gebruik maakt van de mogelijkheid om zijn adviseringstermijn te verlengen (“) art. 52 §1 - (...))’. Inbegrepen de termijnen om het openbaar onderzoek te organiseren en alle vereiste adviezen te vragen, beschikt het College van Burgemeester en Schepenen over een termijn van 75 dagen vanaf de datum van het ontvangstbewijs van de beslissing over de aanvraag te treffen, eventueel verlengd met 50 dagen. Dat dergelijke termijnen worden ingebouwd is uiteraard noodzakelijk om de aanvrager gedurende een niet al te lange termijn in een rechtsonzekere situatie te laten verkeren. Een bewijs van ontvangst van de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning werd afgeleverd op 27 januari
- Rekening houdend met bovenvermelde termijnen, verwachtte verzoekster dan ook ten laatste in juni 2003 een beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen. Dat de verwachtingen van verzoekster wel degelijk kunnen worden verantwoord, wordt bovendien bevestigd door het feit dat het openbaar onderzoek reeds plaatsvond van 7 februari 2003 tot 10 maart
- Toch bleef de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen uit tot de zitting van 15 december
- Niettegenstaande het feit dat de gemeente bevoegd blijft om over de aanvraag te beslissen, zolang de aanvrager na het verstrijken van bovenvermelde termijnen geen stappen tot beroep heeft ondernomen, kan bezwaarlijk worden gesteld dat de cumulatie van enerzijds de laattijdige beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen en anderzijds het feit dat verzoekster op vakantie was, niet als overmacht kan worden gekwalificeerd. Dat de Raad van State wel degelijk overmacht aanvaardt als grond van onmogelijkheid om de aangetekende zending af te halen bij de post. ‘dat de tussenkomende partij niet betwist dat in haar brievenbus een bericht is achtergelaten betreffende een voor haar bestemde aangetekende zending en gewag maakt van geen enkel geval van overmacht op grond waarvan zij in de onmogelijkheid zou hebben verkeerd om die brief af te halen bij de post; dat het bericht op 15 december 1992 in de brievenbus van de tussenkomende partij is (...).’ Dat in onderhavig geval wel degelijk sprake is van overmacht. Dat van iemand die een milieuvergunningsaanvraag indient niet kan worden verwacht X-12.154-4/12 dat hij een gans jaar thuisblijft omdat het bevoegde bestuur haar taken niet op een zorgvuldige manier uitoefent. Wanneer het bestuur de aan haar opgelegde termijnen overschrijdt, dan kan zij de gevolgen van dit onzorgvuldig handelen bezwaarlijk ten laste leggen van de vergunningsaanvrager. Bovendien dient een duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds de notie ‘ontvangst’ en anderzijds de notie ‘kennisgeving’. ‘Overwegende dat artikel 52, § 1, derde lid, van het WWROSP (lees: Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium) bepaalt: ‘Van de beslissing van de bestendige deputatie wordt aan de aanvrager, aan het college en aan de gemachtigde ambtenaar, kennis gegeven binnen zestig dagen na de datum van afgifte bij de post van de aangetekende zending, die het beroep bevat’; dat luidens de eerste twee leden van § 2 beroep kan worden ingesteld bij de Regering ‘binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van de bestendige deputatie’; dat de wetgever, door achtereenvolgens het woord ‘kennisgeving’ en het woord ‘ontvangst’ te gebruiken, zelf een onderscheid heeft gemaakt dat men niet terugvindt in andere bepalingen die handelen over de kennisgeving; dat mag worden aangenomen dat dit onderscheid niet toevallig is gemaakt, maar een bedoeling weergeeft waarnaar dient te worden gezocht; Dat inderdaad wanneer het een aangetekende zending betreft, de algemeen gangbare regeling voor dergelijke verzendingen dient te worden toegepast en ervan uit moet worden gegaan dat een ter post aangetekende zending ontvangen wordt wanneer de brief is aangeboden op de woonplaats van de geadresseerde en hem is afgegeven of dat bij diens aanwezigheid een bericht is achtergelaten waarin hij ervan op de hoogte wordt gebracht dat hem een zending is aangeboden. dat de kennisgeving, in de precieze context waarin de woorden worden gebruikt, doelt op de verzending van de beslissing, terwijl de ontvangst, die de aanvang vormt van de termijn voor het instellen van beroep bij de Regering, moet worden begrepen als de effectieve ontvangst van die beslissing; dat dit onderscheid enerzijds kan worden gerechtvaardigd doordat de wetgever geen enkele formaliteit heeft opgelegd voor de kennisgeving van het besluit van de bestendige deputatie, wat in beginsel het vermoeden van ontvangst binnen een bepaalde termijn uitsluit en anderzijds, doordat de aanvrager moet kunnen beschikken over de gehele termijn van dertig dagen om zijn beroep in te stellen, dat niet met kennis van zaken kan worden ingesteld als de betrokkene niet effectief kennis heeft van de inhoud van de beslissing waartegen hij beroep kan instellen; dat de beroepen en procedures waarin artikel 52 van het WWROSP voorziet hoofdzakelijk tot doel hebben de aanvrager van vergunningen te wapenen tegen de lijdelijkheid van de administratie; dat de aanvrager aldus kan kiezen op welk tijdstip hij zijn beroep instelt tegen de weigering die het gevolg is van het stilzwijgen van de bevoegde overheid; dat daarentegen, wanneer een expliciete beslissing wordt genomen, de aanvrager die beroep wil instellen, ertoe gehouden is zulks te doen binnen de gestelde termijn; dat deze vervaltermijn tot doel heeft te voorkomen dat beslissingen waartegen beroep openstaat te lang onzeker blijven, en dat bijgevolg niet kan worden aanvaard dat een aanvrager naar eigen goeddunken de aanvang ervan verlaat; dat in dit geval de bestendige deputatie ervoor gezorgd heeft haar beslissing ter kennis te brengen bij een ter post aangetekende brief; dat bijgevolg de algemeen gangbare regeling dient te worden toegepast voor dat soort van zending en ervan uit moet worden gegaan dat een ter post aangetekende zending ontvangen wordt wanneer de brief is aangeboden op de woonplaats van de geadresseerde en hem is afgegeven of dat bij diens afwezigheid een bericht is achtergelaten waarin hij ervan op de hoogte wordt gebracht dat hem een zending is aangeboden en dat hij in kennis gesteld wordt van de mogelijkheid om ze af te halen bij de post; dat de tussenkomende partij niet betwist dat in haar X-12.154-5/12 brievenbus een bericht is achtergelaten betreffende een voor haar bestemde aangetekende zending en gewag maakt van geen enkel geval van overmacht op grond waarvan zij in de onmogelijkheid zou hebben verkeerd om die brief af te halen bij de post; dat het bericht op 15 december 1992 in de brievenbus van de tussenkomende partij is gedeponeerd, zodat de laatste dienstige dag om beroep in te stellen tegen het besluit van de bestendige deputatie donderdag 14 januari 1993 was; dat het beroep d.d. 16 januari 1993 te laat is ingediend en niet kon worden ingewilligd; dat het middel gegrond is (...).’ Dat in het Gecoördineerde decreet van 1996 eveneens sprake is van ontvangst van de beslissing. Dat onder ‘ontvangst’ in tegenstelling tot onder ‘kennisgeving’ de effectieve ontvangst dient te worden begrepen. Dat de algemeen gangbare regeling voor aangetekende verzendingen evenwel geen onweerlegbaar vermoeden creëert. Dat verweerder wel degelijk op de hoogte was van het feit dat verzoekster de beslissing tot weigering nooit in ontvangst heeft genomen. Dat verweerder immers zelf op 22/01/2004 de teruggekeerde beslissing van weigering opnieuw aangetekend aan verzoekster verstuurde (...). Dat verzoekster bovendien het bericht achtergelaten door de postdiensten bij haar afwezigheid nog steeds in haar bezit heeft (...). Verzoekster wist dus niet of de vergunning haar was toegestaan of geweigerd. Dat verzoekster niet met kennis van zaken beroep kon instellen vooraleer ze de bestreden beslissing effectief in ontvangst kon nemen. Dat verzoekster pas op 19 februari 2004 met kennis van zaken beroep kon instellen. Dat het beroep dus wel degelijk tijdig werd ingesteld. Het middel is gegrond”. Beoordeling
- Artikel 52, §1 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), zoals dit toentertijd gold, luidt als volgt: “Van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen tot verlening of weigering van de vergunning wordt aan de aanvrager bij ter post aangetekende brief kennis gegeven binnen vijfenzeventig dagen te rekenen vanaf de datum van het ontvangstbewijs. Deze termijn wordt met 50 dagen verlengd indien de gemachtigde ambtenaar gebruik maakt van de mogelijkheid om zijn adviseringstermijn te verlengen, in toepassing van artikel 43, § 1, derde lid. Het college zendt, de dag zelf waarop het de aanvrager van zijn beslissing kennis geeft, een afschrift ervan aan de gemachtigde ambtenaar”. Artikel 53, §1, eerste lid van het gecoördineerde decreet luidde toentertijd als volgt: “De aanvrager kan binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van het Schepencollege in beroep gaan bij de bestendige Deputatie. Bij ontstentenis van een beslissing binnen de in artikel 52, § 1, bepaalde termijn kan hij eveneens in beroep gaan. De bestendige Deputatie zendt een afschrift X-12.154-6/12 van het beroepschrift binnen vijf dagen na ontvangst aan de gemeente en aan de gemachtigde ambtenaar”.
- Opdat een kennisgeving bij ter post aangetekende brief geldig geschiedt, is het voldoende dat de postbode zich aan de woning van de belanghebbende heeft aangemeld en, als hij de brief niet persoonlijk aan de belanghebbende of een gemachtigde heeft kunnen overhandigen, in de brievenbus van de belanghebbende een bericht heeft achtergelaten waarin deze ervan wordt verwittigd dat de brief te zijner beschikking is op het postkantoor. De termijn begint derhalve te lopen de dag waarop het aangetekend schrijven ter woonplaats van de belanghebbende wordt aangeboden.
- De verzoekster betwist niet dat de aangetekende zending haar op 24 december 2003 werd betekend en dat op die dag een bericht werd achtergelaten dat zij de zending op het postkantoor kon afhalen. Het kwam haar toe de brief binnen de door artikel 53, §1, eerste zin van het gecoördineerde decreet gestelde termijn van dertig dagen op het postkantoor te gaan afhalen. De niet in ontvangstname binnen deze termijn staat gelijk met een weigering om de brief in ontvangst te nemen, tenzij de verzoekster wegens overmacht in de onmogelijkheid verkeerde om de brief tijdig af te halen. De bewijslast van het bestaan van overmacht ligt bij de verzoekster. Zij voert terzake aan dat zij de brief niet kon afhalen omdat zij in het buitenland met vakantie was. Dit laatste maakt evenwel geen overmacht uit. De omstandigheid dat de beslissing van het college van burgemeester en schepenen bijna elf maanden op zich liet wachten, doet aan deze vaststelling geen afbreuk, dit alleen al omdat de verzoekster gebruik kon maken, maar dit naliet, van de haar door artikel 53, § 1 van het gecoördineerde decreet geboden mogelijkheid om, bij ontstentenis van een beslissing vanwege het college binnen de in artikel 52, § 1 bepaalde termijn, bij de bestendige deputatie in beroep te gaan.
- De beroepstermijn nam derhalve op 24 december 2003 een aanvang. De verwerende partij heeft het door de verzoekster bij aangetekende brief van 20 februari 2004 ingestelde beroep terecht als laattijdig en onontvankelijk beoordeeld. Het feit dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Oudenaarde later op 22 januari 2004 tot een nieuwe aangetekende verzending is overgedaan, doet hieraan geen afbreuk.
- Het eerst met de laatste memorie van de verzoekster bijgebrachte stuk, te weten een VISA-afrekening waaruit moet blijken dat zij op 14 januari 2004 X-12.154-7/12 in Nimes verbleef, wordt laattijdig neergelegd en moet uit de debatten worden geweerd. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekster roept in een tweede middel de schending in van “de Algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het redelijkheidsbeginsel onder de vorm van het proportionaliteitsbeginsel”: “Doordat verweerster een onnoemelijke zware consequentie verbindt aan een zeer ongelukkige toestand in hoofde van verzoekster; Terwijl verweerster verplicht is de regels van de proportionaliteit in acht te nemen; Zodat de bestreden beslissing nietig is wegens schending van de Algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het proportionaliteitsbeginsel. Toelichting: Hoe klein of groot de beoordelingsvrijheid van de overheid ook mogen zijn, de beslissingen van de administratieve overheden dienen de toets van de proportionaliteit te doorstaan. De overheid mag i(n) haar besluitvorming en derhalve in haar appreciatierecht ten aanzien van de toepasselijke rechtsregels de grenzen van de redelijkheid niet te buiten gaan. In het licht van het proportionaliteitsbeginsel, als vorm van het redelijkheidsbeginsel, betekent dit meer concreet dat het nadeel dat door de beslissing wordt toegebracht aan verzoekster niet abnormaal zwaar mag zijn (disproportioneel). De enige doorslaggevende reden van de bestreden beslissing is de onontvankelijkheid van het beroep wegens laattijdigheid. Dat echter bezwaarlijk van verzoekster kon worden verwacht dat ze gedurende de kerst-en nieuwjaarsperiode geen verlof nam omdat het College van Burgemeester en Schepenen wel eens een beslissing zou kunnen nemen. Een beslissing die reeds een aanzienlijke tijd op zich liet wachten. Verweerder pleegt een inbreuk op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur inzonderheid het redelijkheidsbeginsel onder de vorm van het proportionaliteitsbeginsel. Het middel is gegrond”. Beoordeling
- Overmacht is een juridisch begrip waaraan een welbepaalde, precieze betekenis wordt toegekend en waarvan slechts één interpretatie de juiste kan zijn. De overheid beschikt terzake niet over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid. Uit de beoordeling van het eerste middel blijkt dat de verwerende partij het begrip overmacht juist heeft geïnterpreteerd. In die X-12.154-8/12 omstandigheid kan het redelijkheidsbeginsel in hoofde van de verwerende partij niet geschonden zijn. Het middel is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekster roept in een derde middel de schending in van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheidsprincipe”: “Doordat verweerder niet nauwgezet heeft onderzocht hoe het komt dat verzoekster haar initiële aangetekende zending niet in ontvangst kon nemen en bijgevolg niet binnen de normale termijn beroep kon instellen tegen de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen; Terwijl verweerder wel degelijk onderworpen is aan het zorgvuldigheidsprincipe; Zodat verweerder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel, schendt. Toelichting: ‘De machten welke de wet aan de administratie in het algemeen belang toekent stellen haar niet vrij van de verplichting tot voorzichtigheid, welke zich aan allen opdringt (...).’ Dat de zorgvuldigheidsnorm onder andere wordt aangewend om uit te maken of het bestuur bij de uitoefening van zijn taak derwijze is opgetreden, dat de bij die taakuitoefening betrokken belangen niet onnodig werden geschaad. Dat meer bepaald de beslissende overheid een dubbele zorgvuldigheid aan de dag moet leggen. Enerzijds dient zij voorzichtig te zijn in haar feitenvinding maar anderzijds moet zij ook op een zorgvuldige manier aan besluitvorming doen. De Overheid dient dus om tot een rechtmatig besluit te komen volledig op de hoogte te zijn van de feiten die de voorgenomen beslissing kunnen beïnvloeden. Deze vaststelling van de feiten dient juist en volledig te zijn. (...) Welnu nergens blijkt uit dat verweerster onderzocht heeft of de afwezigheid van verzoekster op het moment van eerste aanbieding verantwoord was. Nochtans heeft verzoekster dienaangaande stukken en uitleg aangebracht (...). Verweerster was met andere woorden ook onzorgvuldig bij haar besluitvorming nu ze geen rekening hield met deze aangebrachte informatie. Ook bij de uiteenzetting onder het eerste middel werd reeds voldoende aangetoond dat het onontvankelijk verklaren van het beroep niet op zorgvuldig(e) wijze gebeurde. Het middel is gegrond”. Beoordeling X-12.154-9/12
- Het komt aan de verzoekster toe de nodige gegevens en overtuigingsstukken aan te brengen die er onomstotelijk op wijzen dat zij zich in een overmachtssituatie bevond, waardoor zij in de absolute onmogelijkheid verkeerde om tijdig gevolg te geven aan het bericht van betekening. In casu heeft de verzoekster in haar zittingsnota voor de verwerende partij enkel aangevoerd dat zij in het buitenland verbleef. Uit de bestreden beslissing blijkt dat deze laatste partij dit gegeven wel degelijk in overweging heeft genomen. Zij verwijst daarin vooreerst naar het feit dat door verzoeksters raadsman ter zitting van 29 april 2004 een nota en stukken met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep werden neergelegd, waarna de zaak werd uitgesteld voor aanvullend onderzoek. Vervolgens overweegt de verwerende partij, nadat zij de chronologie van de betekening van de beslissing in eerste aanleg heeft weergegeven, wat volgt: “(...) dat het juridisch onderzoek evenwel uitwijst dat een geldige betekening van de beslissing per aangetekend schrijven de termijn van 30 dagen onverbiddelijk doet lopen ; dat de aanvrager bijvoorbeeld niet aan de vervaltermijn kan ontsnappen omdat hij bv. op vakantie was (...); dat derhalve de betekening op 23 december 2003 de termijn van dertig dagen onverbiddelijk deed lopen, zodat huidig beroep, ingesteld op 20 februari 2004, laattijdig is”.
- De verzoekster maakt niet aannemelijk dat de overheid onzorgvuldig heeft gehandeld. Het middel is ongegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekster roept in een vierde middel de schending in van “de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de materiële motiveringsplicht”: “Doordat de bestreden beslissing materieel gemotiveerd is met een verantwoording die niet proportioneel noch draagkrachtig en noch afdoende is; Doordat verweerder het beroep onterecht onontvankelijk verklaard; Doordat de opgegeven reden, de laattijdigheid van het beroep, niet kan stand houden; X-12.154-10/12 Terwijl de materiële motiveringsplicht de overheid verplicht enkel afdoende en draagkrachtige argumenten aan te wenden om haar beslissing te schragen Zodat de bestreden beslissing nietig is wegens schending van de materiële motiveringsplicht. Toelichting: De administratieve overheden dienen verantwoording af te leggen voor hun bevoegdheidsuitoefening in een concrete situatie. De motieven moeten draagkrachtig en deugdelijk zijn. De motieven moeten begrijpelijk zijn; daarenboven aanvaardbaar met het oog op het recht; alsook met het oog op de feiten en tenslotte met het oog op het beleid. De motieven dienen de beslissing te dragen (...). Verweerster schraagt zijn beslissing enkel op de laattijdigheid van het beroep. Zoals onder de vorige middelen voldoende werd aangetoond, houdt dit motief geen stand. Bovendien stelt verzoekster vast dat haar aangebrachte informatie over de overmachtsituatie waarin ze zich bevond niet specifiek werd onderzocht. Nochtans legde verzoekster bij monde van haar raadsman een zittingsnota neer bij de eerste verschijning voor verweerster. Daarnaast werden zowel op de eerste als de tweede zitting mondelinge toelichtingen gegeven omtrent het verblijf in het buitenland van verzoekster. Verwerende partij kende met andere woorden zeer goed de specifieke overmachtssituatie van verzoekster maar legt niet uit waarom dit niet kan worden weerhouden. De motieven dragen de bestreden beslissing daarom niet afdoend. Verweerder pleegt een inbreuk op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de materiële motiveringsplicht. Het middel is gegrond”. Beoordeling
- Uit de bestreden beslissing blijkt afdoende waarom verzoeksters beroep onontvankelijk wordt verklaard, namelijk omdat “de betekening op 23 december 2003 de termijn van dertig dagen onverbiddelijk deed lopen, zodat huidig beroep, ingesteld op 20 februari 2004, laattijdig is” en de verzoekster niet aan de vervaltermijn kon ontsnappen omdat zij met vakantie was. Voorts is niet vereist dat de bestreden beslissing de motieven van de motieven reveleert. De formele motiveringsplicht is niet geschonden.
- Uit de beoordeling van het eerste en het derde middel volgt dat de verwerende partij terecht heeft geoordeeld dat verzoeksters beroep laattijdig was en dat er geen sprake is van overmacht. Verzoeksters betoog over mondelinge toelichtingen die zij omtrent haar verblijf in het buitenland zou hebben gegeven, is te vaag en mist bewijskracht. Zij toont evenmin een schending van de materiële motiveringsplicht aan. Het middel is ongegrond. X-12.154-11/12 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien december 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, met bijstand van Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-12.154-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.962 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div