← België

Arrest 198979 - Tucht (openbaar ambt) - 16/12/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.979 Rolnummer: A. 143088/IX-3966 Zaak: Arrest 198979 - Tucht (openbaar ambt) - 16/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-23 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-30 04:03 Fiche Arrest nr 198.979 van 16 december 2009 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 198.979 van 16 december 2009 in de zaak A. 143.088/IX-3966. In zake: Eric VAN OPSTAL, die woonplaats kiest bij advocaat I. EXELMANS, kantoor houdende te DIEST, Schellekensberg 28 tegen: de lokale politie Voorkempen die woonplaats kiest bij advocaat D. ERREYGERS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Eric VAN OPSTAL op 25 oktober 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de korpschef van de lokale politie Voorkempen van 27 augustus 2003 waarbij hij definitief uit zijn functie van diensthoofd recherche wordt ontzet; Gelet op het arrest nr. 127.414 van 26 januari 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 17 februari 2004 door de verzoekende partij; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories; IX-3966-1/19 Gelet op de beschikking van 16 januari 2009 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 16 maart 2009; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. EXELMANS, die verschijnt voor de verzoeker; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.1. Op het ogenblik van de bestreden beslissing is de verzoeker commissaris van politie. Hij is diensthoofd van de lokale recherche van de lokale politie Voorkempen. 1.2. In een vertrouwelijk verslag van 10 juli 2002 deelt de korpschef van de genoemde politiezone aan de procureur des Konings te Antwerpen mee dat hij op 9 juli 2002, via een aantal geruchten die binnen het korps circuleren, heeft vernomen dat de verzoeker zich recent schuldig zou hebben gemaakt aan de verduistering van in beslag genomen goederen, meer bepaald door een privaat, niet werkend GSM-toestel te hebben vervangen door een in beslag genomen, goed werkend exemplaar en dit ter beschikking te hebben gesteld van een familielid. De korpschef stelt dat, rekening houdend met de ernst van de feiten “die niet alleen strafrechtelijke gevolgen kunnen hebben, maar ook afbreuk doen aan de absolute integriteitsvoorwaarden waaraan verzoeker moet voldoen”, het voor alle partijen nuttig zou zijn deze geruchten zo vlug mogelijk door een onafhankelijk organisme te laten onderzoeken. Hij verzoekt de procureur des Konings om het Comité P met een onderzoek te belasten, en deelt nog mee dat binnen het korps de nodige maatregelen zullen worden getroffen om de verzoeker (voorlopig) van zijn functie te ontheffen. IX-3966-2/19 1.3. Met een nota van 17 juli 2002 deelt de korpschef aan de verzoeker mee: - dat hij op 9 juli 2002 in kennis werd gesteld van het feit dat de verzoeker niet op een correcte wijze zijn diensturen op de voorziene documenten en/of databanken zou hebben ingevuld en enkele maanden geleden een in beslag genomen GSM- toestel zou hebben verduisterd; - dat, gelet op de samenloop van deze feiten, beslist werd slechts één tuchtprocedu- re op te starten; - dat de verzoeker voor het tweede feit het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk onderzoek waarin nog geen eindbeslissing is genomen; - dat de korpschef, na inzage van de elementen waarover hij vooralsnog beschikt, beslist nog geen voorafgaand onderzoek op basis van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de Tuchtwet) te bevelen. 1.4. Eveneens op 17 juli 2002 beslist de korpschef, met verwijzing naar artikel 44, derde lid, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (hierna: WGP), dat de verzoeker “als ordemaatregel vanaf 16 juli 2002 voorlopig zijn functie als dienstchef recherche niet meer zal opnemen en dat hij vanaf die datum tewerkgesteld wordt op het hoofdcommissariaat, dienst LIK, als plaatsvervangend verantwoordelijke”. Deze beslissing, die de verzoeker nog dezelfde dag voor kennisname en ontvangst ondertekent, is als volgt gemotiveerd: “- gelet op het feit dat de houding van betrokkene, meer bepaald het op een niet correcte wijze registreren van zijn diensturen in de voorziene databanken en (

  1. of)documenten, ertoe bijdraagt dat het personeel van zijn dienst zijn integriteit in vraag stelt; - rekening houdend met het feit dat betrokkene door zijn korpschef in het verleden meer dan eens werd gewezen op de noodzaak om diensturen correct in te schrijven; - in aanmerking nemend dat er binnen het korps geruchten de ronde doen waaruit blijkt dat betrokkene in beslag genomen goederen zou hebben verduisterd, meer bepaald dat hij een drietal maanden geleden een privé, niet werkend GSM-toestel zou vervangen hebben door een in beslag genomen, goed functionerend exemplaar en dit laatste ter beschikking zou hebben gesteld van een familielid; - vermits betrokkene als officier en door zijn functie als diensthoofd recherche over een absolute en algemeen erkende integriteit dient te beschik- ken; - rekening houdend dat deze integriteit op dit ogenblik ernstig in vraag kan gesteld worden met daaruit voortvloeiend dat betrokkene momenteel niet meer beschikt over het nodige en voldoende gezag om een recherchedienst te leiden”; IX-3966-3/19 Deze beslissing wordt door de verzoeker niet bestreden. 1.5. Met een brief van 30 september 2002 bezorgt de procureur- generaal bij het Hof van beroep te Antwerpen aan de voorzitter van het politiecolle- ge van de lokale politie Voorkempen, voor verder gevolg op tuchtrechtelijk gebied, een brief van 13 september 2002 van de procureur des Konings en het daarbij gevoegd afschrift van het geseponeerd strafdossier ten laste van de verzoeker. In de voormelde brief van 13 september 2002 deelt de procureur des Konings aan de voorzitter van het politiecollege mee dat zijn ambt op strafrechtelijk vlak geen verder gevolg zal geven aan de zaak, gelet op de lange professionele loopbaan van de verzoeker, de geringe waarde van het voorwerp en het ontbreken van een persoonlijke verrijkingsgrond. Hij verwijst tevens naar artikel 24 van de Tuchtwet, luidens hetwelk het voorafgaand advies van zijn ambt vereist is met het oog op het opleggen van een zware tuchtstraf, en hij stelt dat de handelwijze van de verzoeker een zware tuchtstraf rechtvaardigt. 1.6. De procureur des Konings vraagt, eveneens met een brief van 13 september 2002, aan de korpschef van de lokale politie Voorkempen om aan de verzoeker ter kennis te brengen dat de vervolging inzake de feiten van verduistering door een openbaar ambtenaar voorlopig wordt opgeschort, dat deze maatregel nochtans een strenge waarschuwing inhoudt en vervolgingen mogelijk blijven, dat de feiten op tuchtrechtelijk vlak bovendien een zware tuchtstraf rechtvaardigen, en dat de strafvordering normaal kan worden hernomen, met name “bij nieuwe inbreuk(
  2. en)of wanneer het gedrag van de persoon voor wie deze waarschuwing bestemd is gerechtvaardigde kritiek uitlokt”. De procureur besluit zijn brief: “Het is echter zonder meer duidelijk dat betrokkene het vertrouwen van de procureur des Konings niet meer kan genieten om nog verder te functioneren binnen de lokale recherche van uw korps. Ik verzoek u mij dan ook te willen meedelen welke functie de heer Van Opstal in de toekomst zal uitoefenen”. De verzoeker ondertekent deze brief voor kennisname op 9 oktober 2002. 1.7. Met een brief van 9 oktober 2002 deelt commissaris van politie C. Van den Bulck aan de procureur des Konings mee dat aan de verzoeker kennis werd gegeven van de strenge waarschuwing vanwege de procureur, dat de verzoeker IX-3966-4/19 na een periode van ziekteverlof zijn dienst terug aanvatte op 9 oktober 2002 en dat hij op het hoofdcommissariaat een functie kreeg toegewezen in het “informatiebe- heer”. 1.8. Op 4 december 2002 ondertekent de verzoeker voor kennisname en ontvangst een document “tucht - inleidend verslag (HTO)”, gedateerd op 25 november 2002, waarin onder meer wordt gesteld dat de feiten in verband met het niet op een correcte wijze invullen van diensturen op de voorziene documenten en/of databanken niet konden worden bewezen, dat het vervangen van een privaat, niet werkend GSM-toestel door een in beslag genomen exemplaar en het ter beschikking stellen daarvan aan een familielid vaststaan, en dat het politiecollege in zitting van 25 november 2002 voorstelt om de verzoeker voor deze feiten de zware tuchtstraf van de schorsing voor een periode van drie maanden op te leggen, periode van non-activiteit die gepaard gaat met een weddeverlies van 25% van de geïndexeerde brutowedde en de niet-toekenning van andere toelagen en vergoeding- en. De aldus ingeleide tuchtprocedure resulteert uiteindelijk in de beslissing van het politiecollege van 16 juni 2003 waarbij aan de verzoeker de zware tuchtstraf van de schorsing voor een periode van twee maanden wordt opgelegd, gepaard gaand met een weddeverlies van 25% van de geïndexeerde brutowedde en de niet-toekenning van andere toelagen en vergoedingen. De verzoeker dient op 14 augustus 2003 tegen deze beslissing een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in (zaak A. 140.877/IX-3901). De vordering tot schorsing wordt verworpen bij arrest nr. 126.390 van 15 december 2003. Bij arrest nr. 198.978 van heden vernietigt de Raad van State de voormelde beslissing van 16 juni 2003 wegens de schending van artikel 38sexies van de Tuchtwet. Over de feiten die ten grondslag liggen aan de vernietigde beslissing (een privaat, niet-werkend GSM-toestel te hebben vervangen door een in beslag genomen, goed werkend toestel en dat laatste ter beschikking te hebben gesteld van een familielid), spreekt de Raad van State zich in dat arrest niet uit. 1.9. Op 30 juni 2003 beslist het politiecollege om de betrekking van “hoofd recherche” open te stellen. IX-3966-5/19 Met een nota van 4 augustus 2003 aan alle officieren van de lokale politie Voorkempen, waaronder de verzoeker, deelt commissaris van politie C. Van den Bulck mee dat de betrekking van commissaris/diensthoofd van de lokale recherche binnen de politiezone wordt opengesteld, dat deze betrekking eerst intern wordt aangeboden aan de commissarissen van de politiezone, ongeacht hun huidige functie, dat kandidaturen schriftelijk dienen toe te komen vóór 25 augustus 2003, en dat de uiteindelijke toewijzing van de betrekking zal gebeuren overeenkomstig artikel 57 WGP. Volgens de verwerende partij werd intern slechts één kandidatuur ontvangen en stelde de verzoeker zich geen kandidaat. 1.10. Op 27 augustus 2003 beslist de korpschef “de tijdelijke inwendige maatregel tot ontzetting van [de verzoeker] uit [zijn] functie als diensthoofd recherche [om te zetten] in een definitieve ontzetting en dit vanaf 1 september 2003”. Deze beslissing, die de verzoeker nog dezelfde dag voor kennisname ondertekent, steunt op de volgende motieven: “- Verwijzend naar de nota vermeld in de rubriek ‘Ref’, waarbij u bij wijze van interne maatregel voorlopig uit uw functie diensthoofd recherche werd ontzet; - Rekening houdend met art. 57 van de wet op de geïntegreerde politie (WGP) dat stelt dat de Procureur des Konings advies moet uitbrengen bij de aanstelling van het diensthoofd recherche; in dit raam verwijzend naar het schrijven van deze gerechtelijke overheid d.d. 13 september 2002 met kenmerk AN 14.97.834-02 en waarvan u op 09 oktober 2002 kennisnam, waaruit blijkt dat, en ik citeer, ‘dat betrokkene het vertrouwen van de Procureur des Konings niet meer kan genieten om nog verder te functioneren binnen de lokale recherche van uw korps’; - In aanmerking nemend dat ik de zienswijze van de Procureur des Konings bijtreed en dat daarenboven blijkt dat u binnen de zone niet meer over het morele gezag beschikt dat men verwacht van een officier die dagdagelijks leiding aan personeel dient te geven; - Rekening houdend dat u in mijn bijzijn te verstaan hebt gegeven dat u door de door u begane feiten inderdaad niet meer bij de lokale recherche kunt dienen; - Gelet op art. 44 WGP dat stelt dat de korpschef instaat voor de verdeling van de taken binnen het lokaal politiekorps en de uitvoering van het beheer ervan.” Dit is de bestreden beslissing. IX-3966-6/19 1.11. Met een nota van 26 augustus 2003 deelt de korpschef aan de officieren mee dat binnen de zone een betrekking van officier Beleid, Ontwikkeling en Onderricht vacant wordt verklaard. Blijkens het verslag van een “vergadering officieren”, die plaatsheeft op 1 oktober 2003, wordt de verzoeker, bij ontstentenis van kandidaten, aangeduid om de functie van officier Beleid, Ontwikkeling en Onderricht vanaf dezelfde dag nog uit te oefenen. Verzoek tot samenvoeging 2.1. De verzoeker vraagt dat het voorliggende beroep wordt samen- gevoegd met het beroep tot nietigverklaring dat hij heeft ingesteld tegen de beslissing van het politiecollege van 16 juni 2003 waarbij hem de zware tuchtstraf van de schorsing voor een periode van twee maanden wordt opgelegd, gepaard gaand met een weddeverlies van 25 % van de geïndexeerde brutowedde en de niet- toekenning van andere toelagen en vergoedingen tijdens deze periode (zaak A. 140.877/IX-3901). Hij voert aan dat de beide zaken gebaseerd zijn op dezelfde gronden. 2.2. De enkele omstandigheid dat dezelfde feitelijke gegevens aan de grondslag liggen van de bestreden beslissingen in de beide zaken, impliceert echter niet noodzakelijk dat deze zaken juridisch samenhangend zijn, in die zin dat de uitspraak over de ene zaak gevolgen heeft voor de uitspraak over de andere zaak. Te dezen blijkt een dergelijke samenhang niet, zodat de zaken niet moeten worden samengevoegd. Zoals hiervóór vermeld onder de uiteenzetting van de feiten van de onderhavige zaak, heeft de Raad van State bij arrest nr. 198.978 van heden reeds uitspraak gedaan over de zaak A. 140.877/IX-3901. Ontvankelijkheid van het beroep IX-3966-7/19 3.1. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord verscheidene excepties van onontvankelijkheid van het beroep op. Vooreerst laat zij gelden dat de bestreden beslissing een maatregel van inwendige orde betreft, die niet voor vernietiging vatbaar is. Zij merkt in dat verband op dat de verzoeker geen beroep heeft ingediend tegen de “voorlopige ordemaatregel van 17 juli 2002”. Voorts voert zij aan dat de verzoeker niet over het rechtens vereiste belang bij zijn beroep beschikt. Zij betoogt dat het advies van de procureur des Konings van 13 september 2002 en het besluit van het politiecollege van 30 juni 2003 waarbij de betrekking van “hoofd recherche” vacant werd verklaard, aanvechtbare beslissingen zijn, maar dat de verzoeker er niets tegen heeft onder- nomen, zodat hij geacht moet worden ze te hebben aanvaard. De verwerende partij stelt ook vast dat de verzoeker zich geen kandidaat heeft gesteld voor de vacant verklaarde betrekking van “hoofd recherche” en zij interpreteert dit stilzitten van de verzoeker als “een bijkomende afstand”. Zij stelt dat de verzoeker in de gegeven omstandigheden geen actueel belang heeft bij zijn beroep. Volgens de verwerende beschikte zij bovendien, gelet op artikel 57 WGP, bij het nemen van de bestreden beslissing niet over enige discretionaire bevoegdheid. Zij zet uiteen dat nu de verzoeker niet langer het vertrouwen van de procureur des Konings genoot, hij niet meer aan de voorwaarden voldeed om in zijn functie van hoofd van de lokale recherche te worden gehandhaafd. Zij laat gelden dat de verzoeker dienvolgens niet over een wettig of geoorloofd belang bij zijn beroep beschikt. Zij stelt ook dat, gelet op haar gebonden bevoegdheid, zij na een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing tot het nemen van eenzelfde beslissing gehouden zou zijn. Ten slotte laat de verwerende partij gelden dat het beroep laattijdig is. Zij betoogt dat het advies van de procureur des Konings en het besluit van het politiecollege van 30 juni 2003, waarvan de verzoeker ten laatste op 4 augustus 2003 kennis kreeg, definitief zijn geworden en dat de bestreden beslissing een louter gevolg daarvan is. 3.2. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat de ontvankelijkheid van zijn beroep niet kan worden betwist. Hij stelt dat hij blijk geeft van de vereiste hoedanigheid en van het vereiste belang, aangezien hij door de bestreden beslissing werd geschorst en deze maatregel gepaard gaat met verlies van IX-3966-8/19 wedde en sociale voordelen. Hij voegt eraan toe dat hem “bovendien” zijn functie werd ontnomen. Met betrekking tot de tijdigheid van zijn beroep voert hij aan dat het beroep werd ingesteld binnen de beroepstermijn van zestig dagen vanaf de betekening van de bestreden beslissing. Beoordeling 3.3.1. De verzoeker wordt door de bestreden beslissing definitief uit zijn functie van diensthoofd recherche bij de lokale politie Voorkempen ontzet. Deze beslissing is gesteund op het motief dat de verzoeker omwille van de feiten die hem ook tuchtrechtelijk worden verweten, niet meer het vertrouwen geniet van de procureur des Konings om nog verder te functioneren binnen de lokale recherche en hij binnen de zone niet meer over het morele gezag beschikt dat mag worden verwacht van een officier die dagelijks leiding moet geven aan personeel. De bestreden beslissing heeft aldus weliswaar de goede werking van de dienst voor ogen, maar is dermate grievend voor de verzoeker, doordat ze hem de functie van diensthoofd van de lokale recherche ontneemt, dat ze voor hem een voor vernietiging vatbare handeling is. 3.3.2. De verzoeker heeft belang bij de vernietiging van een dergelijke ordemaatregel. De omstandigheid dat hij geen beroep tot nietigverklaring heeft ingediend tegen de beslissing van de korpschef van 17 juli 2002 waarbij hij voorlopig van zijn functie van diensthoofd recherche werd ontheven, noch tegen de beslissing van het politiecollege van 30 juni 2003 waarbij de betrekking van “hoofd recherche” werd openverklaard, zonder dat de verzoeker zich daarvoor kandidaat heeft gesteld, doet aan dat belang geen afbreuk, terwijl het advies van de procureur des Konings van 13 september 2002 aan de korpschef op zich geen grievende gevolgen heeft teweeggebracht en bijgevolg geen aanvechtbare handeling is. Artikel 57 WGP luidt als volgt: “De politieambtenaar die binnen het lokaal politiekorps de dienst leidt die hoofdzakelijk belast is met de opdrachten van gerechtelijke politie, wordt in deze functie aangesteld na een met redenen omkleed advies van de procureur des Konings.” IX-3966-9/19 Hieruit blijkt niet dat de verwerende partij, zoals zij beweert, de bestreden beslissing heeft genomen op grond van een gebonden bevoegdheid, waardoor een eventuele vernietiging van deze beslissing slechts ertoe zou kunnen leiden dat zij dezelfde beslissing dient te nemen. Evenmin kan uit de aangehaalde bepaling worden afgeleid dat de verzoeker geen wettig of geoorloofd belang bij zijn beroep heeft. 3.3.3. De bestreden beslissing werd genomen op 27 augustus 2003. De verzoeker heeft ze dezelfde dag nog voor kennisname ondertekend. Zelfs buiten beschouwing gelaten dat de kennisgeving van de bestreden beslissing geen melding maakt van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State en de daarbij in acht te nemen beroepstermijn en vormvoorschriften, moet worden vastgesteld dat het voorliggende beroep op 25 oktober 2003 alleszins binnen de beroepstermijn van zestig dagen werd ingediend. 3.3.4. Uit wat voorafgaat volgt dat geen enkele van de opgeworpen excepties gegrond is. Ten gronde Uiteenzetting van het eerste middel 4.1. In een eerste middel voert de verzoeker aan dat de bestreden beslissing als een verkapte tuchtstraf moet worden beschouwd en dat de verwerende partij zich aldus schuldig heeft gemaakt aan machtsafwending. In de toelichting bij zijn middel laat de verzoeker, samengevat, gelden: - dat de maatregel van ontzetting uit de functie van diensthoofd recherche op 17 juli 2002 is genomen als een “voorlopige ordemaatregel” en dat hij, nu hij definitief wordt, als een “maatregel van inwendige orde” wordt voorgesteld, terwijl hij zeker geen maatregel van inwendige orde kan zijn, vermits hij steunt op een voorafgaande gedraging van de verzoeker en een weerslag heeft op het juridische statuut van de verzoeker; - dat de bestreden beslissing is genomen naar aanleiding van een eenmalig feit, namelijk een eenmalige, onrechtmatige gedraging van de verzoeker in maart 2002, terwijl eenmalige feiten doorgaans niet volstaan voor het opleggen IX-3966-10/19 van een ordemaatregel, maar eerder tuchtrechtelijk worden gestraft, voor zover ze daadwerkelijk een tuchtfout uitmaken; - dat de bestreden beslissing gebrekkig is gemotiveerd, enerzijds door te verwijzen naar de brief van de procureur des Konings van 13 september 2002, vermits die brief meer dan een jaar oud is en dus niet langer kan dienen om de bestreden beslissing te rechtvaardigen, en anderzijds door te stellen dat de verzoeker binnen de zone niet meer beschikt over het morele gezag dat kan worden verwacht van een officier die dagelijks leiding moet geven aan personeel, vermits die bevinding van de korpschef door niets wordt bewezen en in het geheel niet overeenstemt met het feit dat de verzoeker ondertussen de functie uitoefent van Officier Beleid, Ondersteuning en Opleiding, waarbij hij dagelijks leiding dient te geven en een gedeelte van de taak van de korpschef overneemt. Voorts betoogt de verzoeker dat de bestreden beslissing niet is genomen in het belang van de dienst, maar enkel om hem bijkomend te straffen voor zijn eenmalige misstap. Hij wijst erop dat die eenmalige gedraging reeds tuchtrech- telijk is vervolgd en gesanctioneerd en hij stelt dat een bijkomende bestraffing, naast de tuchtstraf, niet noodzakelijk of minstens te ingrijpend is. Hij benadrukt dat de verwerende partij de bestreden beslissing pas heeft genomen nadat hij een schorsings- en vernietigingsprocedure had opgestart tegen de beslissing waarbij hem de tuchtstraf werd opgelegd. De verzoeker besluit dat de bestreden beslissing moet worden gezien als een verkapte tuchtstraf en dat de verwerende partij zich aldus schuldig heeft gemaakt aan machtsafwending. 4.2. In zijn memorie van wederantwoord herinnert de verzoeker eraan dat de bestreden beslissing eerst werd genomen als een “voorlopige ordemaatregel”, waarna ze werd omgezet in een definitieve maatregel. De verzoeker stelt dat, in tegenstelling tot wat de verwerende partij in haar memorie van antwoord laat gelden, niet anders kan worden geconclu- deerd dan dat de bestreden beslissing geen maatregel van inwendige orde betreft, maar wel een verkapte tuchtmaatregel, nu ter staving ervan wordt verwezen naar een schrijven van de procureur des Konings van 13 september 2002 en sedertdien blijkbaar niet opnieuw om advies werd gevraagd. IX-3966-11/19 Voorts betoogt de verzoeker dat het niet logisch is dat in 2003 een beslissing wordt genomen op basis van een advies uit 2002, aangezien de toestand ondertussen evolueert. De verzoeker herhaalt ten slotte dat de bestreden beslissing dermate ingrijpend is dat ze niet als een maatregel van inwendige orde kan worden gekwalificeerd en dat ze genomen is als een rechtstreeks gevolg van de tuchtproce- dure met het enkele oogmerk om hem bijkomend en blijvend te sanctioneren. Beoordeling 4.3. In zijn verzoekschrift betoogt de verzoeker in essentie dat aangezien de in de bestreden beslissing vermelde motieven de maatregel van de ontzetting uit zijn functie niet kunnen rechtvaardigen, het enige oogmerk van deze maatregel kan zijn hem bijkomend te straffen voor een reeds tuchtrechtelijk gesanctioneerde, eenmalige misstap. Volgens de verzoeker is dit een onwettig oogmerk dat kan worden verklaard door de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring die hij, op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing, reeds had ingesteld tegen de hem eerder opgelegde tuchtstraf. De bestreden beslissing verwijst: - naar artikel 57 WGP, luidens hetwelk de politieambtenaar die binnen het lokaal politiekorps de dienst leidt die hoofdzakelijk belast is met de opdrachten van gerechtelijke politie, in deze functie wordt aangesteld na een met redenen omkleed advies van de procureur des Konings; - naar de brief van 13 september 2002 van de procureur des Konings (de instantie die destijds de aanstelling van de verzoeker als diensthoofd recherche bij de lokale politie Voorkempen gunstig adviseerde), waarin deze aan de korpschef meedeelt dat het zonder meer duidelijk is dat de verzoeker zijn vertrouwen niet meer kan genieten om nog verder te functioneren binnen de lokale recherche; - naar artikel 44, derde lid, WGP, luidens hetwelk de korpschef instaat voor de leiding, de organisatie en de verdeling van de taken binnen het lokaal politie- korps en de uitvoering van het beheer van dit korps. Voorts valt de korpschef in de bestreden beslissing het advies van de procureur des Konings bij en voegt hij daaraan toe dat de verzoeker niet meer IX-3966-12/19 over het morele gezag beschikt dat mag worden verwacht van een officier die dagelijks leiding moet geven aan personeel. Ten slotte stelt de korpschef in de bestreden beslissing dat de verzoeker zelf te kennen heeft gegeven dat hij omwille van de hem verweten feiten niet meer bij de lokale recherche kan dienen. Al deze vermeldingen ter motivering van de bestreden beslissing tonen aan, ongeacht de kwalificatie van de opgelegde maatregel, dat het niet verzoekers eenmalige, onrechtmatige gedraging in maart 2002 als zodanig is die de korpschef tot de bestreden beslissing heeft gebracht, maar wel, zoals de verwerende partij in haar memorie van antwoord terecht laat gelden, de aan de korpschef gerichte brief van de procureur des Konings van 13 september 2002, waaruit bleek dat de verzoeker het voor de uitoefening van zijn functie noodzakelijke vertrouwen van de procureur niet meer genoot, alsmede de bijkomende vaststellingen die de korpschef zelf heeft gedaan. Aangezien de verzoeker reeds vanaf 16 juli 2002 preventief uit de dienst recherche werd verwijderd en er tegen hem een tuchtprocedure werd gevoerd die op 16 juni 2003 werd afgesloten met het opleggen van de zware tuchtstraf van de schorsing voor een periode van twee maanden, kan aan de korpschef niet worden verweten dat hij de brief van de procureur des Konings pas na verloop van een jaar heeft opgediept om de verzoeker met een ordemaatregel te overvallen. De korpschef verantwoordt zijn handelwijze overigens ook met een verwijzing naar zijn persoonlijke ervaring dat de verzoeker het morele gezag mist om dagelijks leiding te geven aan personeel. Aangezien het vertrouwen van de procureur des Konings een basisvoorwaarde vormt voor de goede werking van een politiedienst die hoofdzakelijk is belast met opdrachten van gerechtelijke politie, moet worden aangenomen dat het teloorgaan van dat vertrouwen -zeker wanneer het, zoals te dezen, steunt op vaststellingen die een verband vertonen met de uitgeoefende functie-, een deugdelijke reden vormt om de dienst te herschikken. De verzoeker toont overigens niet aan welke minder ingrijpende maatregel de korpschef had kunnen treffen. De in de bestreden beslissing opgenomen verwijzingen naar de artikelen 44 en 57 WGP enerzijds en naar de brief van de procureur des Konings van 13 september 2002 anderzijds, volstaan dan ook om de beslissing tot definitieve IX-3966-13/19 ontzetting van de verzoeker uit zijn functie van diensthoofd recherche naar recht en redelijkheid te dragen. Uit het dossier van de zaak komen voorts geen gegevens naar voor die op enigerlei wijze blijk geven van de disciplinaire bedoeling die door de verzoeker aan de verwerende partij wordt toegeschreven, te weten de bedoeling om de verzoeker nogmaals te bestraffen voor zijn eenmalige, onrechtmatige gedraging van maart 2002. Waar de verzoeker een verband legt tussen de bestreden beslissing en het gegeven dat hij een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld tegen de beslissing van het politiecollege van 16 juni 2003 waarbij hem een tuchtstraf werd opgelegd, moet worden vastgesteld dat de verzoeker dit verband geenszins aannemelijk maakt en dat het derhalve niet meer is dan een loutere bewering. Deze bewering wordt zelfs door de neergelegde stukken tegengesproken, nu daaruit blijkt dat de verzoeker zijn beroep tegen de tuchtstraf heeft ingesteld op 14 augustus 2003 en de beslissing van het politiecollege om de betrekking van “hoofd recherche” vacant te verklaren reeds op 30 juni 2003 werd genomen. Het middel is niet gegrond. Uiteenzetting van het tweede middel 5.1. De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van het beginsel “non bis in idem”. Hij voert, samengevat, aan dat de procureur des Konings hem op 13 september 2002 reeds een tuchtstraf, met name een waarschuwing, heeft opgelegd en dat hem, met de bestreden beslissing een nieuwe tuchtstraf is opgelegd, zodat de verwerende partij het beginsel “non bis in idem” heeft geschonden. Tevens acht de verzoeker dit beginsel miskend doordat de bestreden beslissing, nadat hij op 16 juni 2003 reeds een tuchtstraf had opgelopen, een nieuwe tuchtstraf oplegt waarmee de verwerende partij beoogt te remediëren aan de onregelmatigheden van de oorspronkelijke tuchtstraf voor het geval die door het instellen van het annulatieberoep ertegen op de helling zou komen te staan. IX-3966-14/19 Beoordeling 5.2. Zoals blijkt uit de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep en van het eerste middel, heeft de bestreden beslissing betrekking op een ordemaatregel, zonder tuchtrechtelijk karakter, genomen in het belang van de dienst. Derhalve kan niet worden aangenomen dat de verzoeker met de bestreden beslissing een tweede keer is gestraft voor eenzelfde tekortkoming. Het middel is niet gegrond. Uiteenzetting van het derde middel 6.1. De verzoeker roept een derde middel in, afgeleid uit de schending van artikel 59 van de Tuchtwet. De verzoeker ontwikkelt dit middel vanuit de hypothese dat de bestreden beslissing niet als een tuchtstraf wordt aangemerkt. Hij voert aan dat conform artikel 59 van de Tuchtwet slechts één ordemaatregel kan worden getroffen, met name de voorlopige schorsing. Wel kan de korpschef op grond van artikel 44 WGP “maatregelen van inwendige orde” treffen, maar niet de “ordemaat- regel” die door de tuchtwet is geregeld. Om die reden besluit de verzoeker dat de bestreden beslissing, waarbij de functie van diensthoofd recherche hem definitief door de korpschef wordt ontnomen, strijdig is met artikel 59 van de Tuchtwet. Beoordeling 6.2. Artikel 44 WGP verleent aan de korpschef de bevoegdheid om tot elke maatregel te besluiten die noodzakelijk is om de goede werking van het korps dat onder zijn leiding staat, te behouden of te herstellen. Een dergelijke maatregel kan ook zijn oorzaak vinden in een misdraging van een personeelslid, maar moet altijd en uitsluitend gericht zijn op de goede werking van de dienst en niet op het bestraffen van het gedrag van het betrokken personeelslid. De Tuchtwet bevat een aantal bepalingen betreffende de voorlopige schorsing van een personeelslid dat in een tuchtzaak betrokken is (de artikelen 59 en volgende). Het bestuur dient zich voor een voorlopige verwijdering uit de dienst die gebeurt in de door de Tuchtwet bepaalde omstandigheden, te IX-3966-15/19 voegen naar de bepalingen van de Tuchtwet. Die bepalingen beletten evenwel niet dat een personeelslid van de politie, dat in een tuchtprocedure is betrokken, toch nog het voorwerp kan zijn van een verwijdering uit de dienst bij ordemaatregel, waarvoor de korpschef in artikel 44 WGP de bevoegdheid vindt. Het middel is niet gegrond. Uiteenzetting van het vierde middel 7.1. De verzoeker roept een vierde middel in, afgeleid uit de schending van de hoorplicht. De verzoeker betoogt dat wanneer een ordemaatregel de betrokkene een ernstig nadeel toebrengt en gebaseerd is op zijn persoonlijk gedrag, hij het recht moet hebben om zijn standpunt naar voor te brengen. De verzoeker laat gelden dat de verwerende partij te dezen te kort is geschoten in de op haar rustende hoorplicht, doordat hij wel een telefonische oproep heeft gekregen om zich op 27 augustus 2003 bij de korpschef aan te bieden, maar daar meteen, zonder voorafgaandelijk in de gelegenheid te zijn gesteld om argumenten naar voor te brengen, de bestreden beslissing betekend heeft gekregen. Beoordeling 7.2. Zoals bij de bespreking van het eerste middel is vastgesteld, vindt de bestreden beslissing haar wezenlijke grondslag in de mededeling van de procureur des Konings dat de verzoeker, wegens de feiten die hij heeft gepleegd, niet langer zijn vertrouwen geniet om nog binnen de lokale recherche te functione- ren. Die mededeling, waarvan de verzoeker op 9 oktober 2002 kennis heeft genomen zonder dat hij het op dat ogenblik nodig of nuttig achtte het standpunt van de procureur te bekritiseren, kan voor de korpschef, die verantwoordelijk is voor de goede werking van de dienst en die ter zake eigenmachtig beslissingen neemt, de deugdelijke grondslag vormen voor de bestreden beslissing. In die zin is de bestreden beslissing het logische gevolg van het zich eigen maken door de korpschef van het standpunt dat de procureur des Konings in zijn schrijven van 13 september 2002 heeft ingenomen en waarop de verzoeker geen inhoudelijke kritiek heeft geleverd. In de gegeven omstandigheden was de korpschef, wetende dat de IX-3966-16/19 verzoeker kennis had van het standpunt van de procureur des Konings en hij daarop niet had gereageerd, er niet toe gehouden om de verzoeker nogmaals uit te nodigen zijn standpunt met betrekking tot het verder leiden van de dienst recherche naar voor te brengen. Het middel kan niet worden aangenomen. Uiteenzetting van het vijfde middel 8.1. De verzoeker roept ten slotte een vijfde middel in, afgeleid uit de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de materiële motiveringsplicht en van artikel 38sexies van de Tuchtwet waarin wordt bepaald dat de beslissingen en de voorstellen van beslissing van de hogere tuchtoverheid formeel moeten worden gemotiveerd. De verzoeker voert aan dat de bestreden beslissing steunt op de mededeling van de procureur des Konings van 13 september 2002 dat de verzoeker het vertrouwen niet meer kan genieten om nog verder te functioneren binnen de lokale recherche van het korps, terwijl die mededeling meer dan een jaar oud is, zodat geen rekening is gehouden met de actuele situatie, en terwijl het niet aan de procureur des Konings maar aan de korpschef toekomt om de dienst van de lokale politie te organiseren. Voorts laat de verzoeker gelden dat waar de korpschef in de bestreden beslissing stelt dat de verzoeker niet meer over het morele gezag beschikt dat kan worden verwacht van een officier die dagelijks leiding moet geven aan personeel, het een vaststaand gegeven is dat hij ondertussen, in afwachting van het opnieuw opnemen van zijn functie als diensthoofd, functioneert als officier Beleid, Ondersteuning en Opleiding en dat hij in het kader van die functie ontegensprekelijk het nodige morele gezag heeft en dagelijks leiding geeft aan personeel. Ten slotte voert de verzoeker aan dat, in tegenstelling tot hetgeen in de bestreden beslissing wordt gesteld, hij nooit te kennen heeft gegeven dat hij wegens de door hem begane feiten niet meer bij de lokale recherche kan dienen. Hij besluit dat de bestreden beslissing gegrond is op totaal foutieve argumenten. IX-3966-17/19 8.2. In zijn memorie van wederantwoord voert de verzoeker aan dat de motivering accuraat moet zijn. Hij betoogt dat door de bestreden beslissing te baseren op een advies van een jaar oud, de motivering niet meer als accuraat kan worden beschouwd, gelet op de evolutie in de toestand. Voorts voert hij aan dat de procureur diende te worden ingelicht over de stand van zaken in de tuchtprocedure teneinde over een correct en volledig beeld te beschikken en aldus te kunnen adviseren. Beoordeling 8.3. Een recherchedienst van een politiekorps zal slechts behoorlijk kunnen functioneren wanneer er een vertrouwensrelatie met de gerechtelijke overheden bestaat. Die vertrouwensrelatie moet in ieder geval aanwezig zijn ten aanzien van de politieambtenaar die de dienst leidt. In het onderhavige geval beschikte de korpschef met de brief van de procureur des Konings van 13 september 2002 -waarvan de gegevens door de verzoeker nooit zijn betwist- over voldoende gegevens om naar recht en redelijkheid in het belang van de dienst te besluiten dat de verzoeker de dienst recherche niet meer kon leiden. De verzoeker betoogt terecht dat het niet aan de procureur des Konings toekomt om de dienst binnen de lokale politie te organiseren, maar zulks is te dezen ook niet gebeurd, aangezien uit niets blijkt dat de korpschef zich gebonden achtte door het advies van de procureur des Konings. Integendeel kan uit de bewoordingen van de bestreden beslissing worden opgemaakt dat de korpschef zich heeft aangesloten bij het standpunt van de procureur des Konings en aldus gebruik heeft gemaakt van de discretionaire bevoegdheid die de wet hem ter zake heeft gegeven. De omstandigheid dat de verzoeker in de functie naar dewelke hij sedert juli 2002 is overgeplaatst, ook leiding zou hebben gegeven, moest voor de korpschef geen reden zijn om de procureur opnieuw te bevragen over zijn visie op de verzoeker, aangezien de procureur in zijn brief van 13 september 2002 in niet mis te verstane bewoordingen reeds had aangedrongen om de verzoeker definitief uit zijn functie bij de recherche te verwijderen. Overigens kan het morele gezag dat de verzoeker in zijn nieuwe functie eventueel heeft kunnen opbouwen, niet zonder meer worden getransponeerd naar de functie die hij bij de dienst recherche IX-3966-18/19 bekleedde en waarin de vertrouwensrelatie met de gerechtelijke overheden centraal staat. In het licht van wat voorafgaat, moet ten slotte worden aangeno- men dat de verwijzing in de bestreden beslissing naar een zogenaamde bekentenis van de verzoeker, een overtollig motief betreft, dat aan de bestreden beslissing zijn deugdelijke grondslag niet ontneemt. Het middel kan niet worden aangenomen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 16 december 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-3966-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.979 Gerelateerde publicatie(
  3. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.127.414 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.