← België

Arrest 198980 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 16/12/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.980 Rolnummer: A. 191022/XIV-30815 Zaak: Arrest 198980 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 16/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-23 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-30 04:03 Fiche Arrest nr 198.980 van 16 december 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 198.980 van 16 december 2009 in de zaak A. 191.022/XIV-30.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. MOSKOFIDIS, kantoor houdende te 3600 GENK, Rootenstraat 21/18 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Servische nationaliteit, op 10 januari 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 20.135 van 9 december 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 3894 van 20 januari 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 9 juli 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 november 2009; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-30.815-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. MOSKOFIDIS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché K. GOOSSENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, van Servische nationaliteit, komt op 8 september 2007 België binnen en vraagt op 30 mei 2008 voor de tweede keer om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.2 Deze aanvraag wordt op 26 september 2008 door de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
  4. Verzoeker tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 3 november 2008 hoger beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.
  5. Op de zitting van 8 december 2008 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, K. HINNEKENS loco Mr. A. MOSKOFIDIS, gehoord. 1.
  6. Op 9 december 2008 velt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het thans bestreden arrest waarbij zijn beroep tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 26 september 2008 wordt verworpen wegens laattijdigheid. Dit arrest is als volgt gemotiveerd: “Uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing op 29 september 2008 bij aangetekende brief verstuurd werd naar de door de verzoekende partij op 18 september 2008 gekozen woonplaats. Naar luid van artikel 39/57, eerste lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van XIV-30.815-2/7 vreemdelingen moet het beroep tegen deze beslissing bij de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen worden ingesteld binnen de vijftien dagen na de kennisgeving van de beslissing waartegen het is gericht. De termijn vervat in voormeld artikel 39/57, eerste lid is van openbare orde en moet strikt worden toegepast. De strengheid van de wet kan worden gemilderd in geval van overmacht. Er is sprake van overmacht indien verzoeker een gebeurtenis is overkomen die hem volkomen vreemd is, die het hem onmogelijk maakt zijn verplichtingen na te komen en waaraan hijzelf geen schuld heeft (RvS 9 oktober 2003, nr. 124.058). Het volstaat niet dat de ingeroepen omstandigheid “onoverkomelijk” is, zij moet bovendien “onvoorzienbaar” zijn (RvS 11 mei 2006, nr.158.609). Het feit zich de verklaring betreffende de woonstkeuze van 18 september 2008 niet meer te herinneren, noch een door verzoeker voorzienbare verwarde psychische toestand tijdens het gehoor van 18 september 2008 voldoen aan voormelde vereisten en kunnen derhalve niet als overmacht worden aangezien. De Raad stelt ambtshalve vast dat het op 3 november 2008 ingestelde de beroep laattijdig is. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWIS- TINGEN: Enig artikel Het beroep wordt verworpen.”.
  7. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  8. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “- schending van artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 betreffende toegang tot het grondgebied , het verblijf de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen (Vreemdelingenwet): van artikel 1,A,2) van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie). De RVV stelt verkeerdelijk dat het door verzoeker ingestelde beroep dd. 3 november 2008 tegen de weigeringsbeslissing dd. 26 september 2008 van het CGVS laattijdig zou zijn. De RVV stelt dat uit het administratief dossier blijkt dat de beslissing van het CGVS op 29 september 2008 bij aangetekende brief verzonden werd naar de door verzoeker op 18 september 2008 (datum van het gehoor op het CGVS) gekozen woonplaats; zijnde 'het opvangcentrum voor asielzoekers te Lanaken'. De RVV verwijst naar artikel 39/57, eerste lid van de Vw. stellende dat de termijn daarin vervat van openbare orde is en strikt moet worden toegepast. Nog volgens de RVV kan de strengheid van de wet (enkel) gemilderd worden in geval van overmacht. De RVV stelt dat er sprake is van overmacht indien verzoeker een gebeurtenis is overkomen die hem volkomen vreemd is, die het hem onmogelijk maakt zijn verplichtingen na te komen en waaraan hijzelf geen schuld heeft. In zijn verzoekschrift houdende beroep tegen de weigeringsbeslissing dd. 26 september 2008 van het CGVS had verzoeker omstandig toegelicht waarom zijn beroep niet als laattijdig dient te worden beschouwd. In zijn beroepsschrift dd. 3 november 2008 vermeldde verzoeker letterlijk het volgende: “BEROEP IS NIET LAATTIJDIG : Aan verzoeker zélf werd de beslissing dd. 26/09/2008 van het CGVS niet betekend. Via een omweg (via zijn sociaal assistent van het Rode Kruis opvangcentrum te Menen) kreeg verzoeker kennis van het feit dat er een beslissing van het CGVS was tussengekomen. XIV-30.815-3/7 Op 27/10/2008 werd verzoeker in het bezit gesteld van de weigeringsbeslissing dd. 26/09/2008 van het CGVS. Hij bracht zijn advocaat diezelfde dag hiervan op de hoogte met de vraag om een beroep in te stellen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. (Stuk 2) Sinds 18/06/2008 verbleef verzoeker in het Rode Kruis opvangcentrum te Lanaken. Op 11/09/2008 verhuisde hij naar het Rode Kruis opvangcentrum te Menen. Op datum van zijn gehoor op het CGVS dd. 18/09/2008 verbleef verzoeker alleszins niet meer in Lanaken. Verzoeker is niet zeker of hij een 'verklaring betreffende de woonstkeuze' had ondertekend ter gelegenheid van zijn gehoor op het CGVS dd. 18/09/
  9. Hij herinnert zich dit niet meer. Indien hij een dergelijk document wel had ondertekend, dan vraagt hij de RVV om rekening te willen houden met zijn verwarde psychische toestand tijdens het gehoor dd. 18/09/2008 , hetwelk ertoe leidde dat hij helemaal geen besef had van de inhoud van het document. Tijdens zijn gehoor op het CGVS had verzoeker trouwens meermaals aangegeven dat hij concentratiemoeilijkheden had. Zie gehoor verzoeker op CGVS dd. 18/09/2008: blz. 3 : CG: Wat zal het zijn ? KV: Shaqiri denk ik. Om eerlijk te zijn, Ik vergeet enorm veel, ik heb problemen in mijn hoofd sinds dat alles is gebeurd. Zie ook gehoor verzoeker op CGVS dd. 18/09/2008 : blz. 4 : CG: En waar mag die kamer zich dan bevinden ? KV: Wat erin staat zeker , ik excuseer mij, ik ben zeer beladen. Ik heb hoofdpijn door al die zorgen. Ik denk er onophoudelijk aan. Tijdens zijn gehoor overhandigde verzoeker aan de dossierbehandelaarster een medisch attest dd. 17/09/2008 (!!) waaruit bleek dat het opvangcentrum te Menen bezig was met de opstart van een psychologische begeleiding voor verzoeker. Zie gehoor verzoeker op CGVS dd. 18/09/2008 : blz. 6 : CG: Heeft U nog documenten om neer te leggen ? KV: Ja, een medisch attest, ik moet bij de psychiater. CG: Wat is dat : psychologische begeleiding ? KV: Ik heb een psychiater aangevraagd, want ik heb dat nodig. Ik heb onafgebroken hoofdpijn, ik slaag er niet in te slapen door al die problemen. Zelfs als verzoeker op de dag van zijn gehoor op het CGVS dd. 18/09/2008 een 'verklaring betreffende de woonstkeuze' had ondertekend met vermelding als adres: 'opvangcentrum Lanaken' , dan nog vraagt verzoeker een zeker begrip vanwege de RVV en om rekening te willen houden met zijn psychiatrische stoornis. Trouwens indien de dossierbehandelaarster op het CGVS een zekere oplettendheid aan de dag had gelegd , had zij meteen kunnen vaststellen dat verzoeker enerzijds op de 'verklaring betreffende de woonstkeuze' als adres laat optekenen : 'opvang- centrum Lanaken' , terwijl hij anderzijds tegelijkertijd een attest van het opvangcen- trum van Menen voorlegt, met als datum 17/09/2008, zijnde één dag vóór het gehoor op het CGVS. Gezien het voorgaande is het beroep dan ook niet laattijdig." Verzoeker had in zijn beroepsschrift niet alleen aangehaald dat zijn psychische toestand tijdens het gehoor dd. 18/09/2008 verward was ; maar bovendien stelde hij dat de dossierbehandelaar die het gehoor van verzoeker op het CGVS had afgenomen (minstens méé) verantwoordelijk is voor de mogelijke fout die was ontstaan op de dag van het gehoor. In het beroepsschrift dd. 3 november 2008 staat duidelijk te lezen dat verzoeker tijdens zijn gehoor een medisch attest had overhandigd aan de dossierbehandelaar waarop een datum vermeld stond : namelijk dat verzoeker op 17 september 2008 (zijnde daags vóór XIV-30.815-4/7 het gehoor op het CGVS) begonnen was met een psychologische begeleiding in het opvangcentrum waar hij op dat ogenblik verbleef : zijnde te Menen (en dus NIET Lanaken). De dossierbehandelaar had dan ook zélf voldoende alert dienen te zijn om op te merken dat het door verzoeker op de dag van het gehoor op het CGVS (18 september 2008) ondertekende voorgedrukte attest van woonplaatskeuze (met vermelding `asielcentrum Lanaken') onmogelijk correct kon zijn. Ondanks het feit dat verzoeker deze pertinente opmerkingen uitdrukkelijk in zijn beroepsschrift dd. 3 november 2008 had uiteengezet, heeft de RVV niet op alle onderdelen geantwoord in het arrest dd. 9 december 2008, integendeel. De RVV beperkte zich uitsluitend tot het toetsen van een eventuele overmachtsituatie (zijn verzoekers verwarde psychische toestand) in hoofde van verzoeker ; zonder te antwoorden op de opmerking die gedaan was in het beroepsschrift of er in casu door de dossierbehandelaar zélf een fout was begaan. In het arrest dd. 9 december 2008 heeft de RVV dit punt volledig ontweken en helemaal geen (afdoende) antwoord gegeven op de opgeworpen middelen van verzoeker zodat bewezen is dat de beslissing van de RVV foutief en onafdoende gemotiveerd is en dat zij een schending uitmaakt van de motiveringsplicht vervat in artikel 39/65 Vw. Overeenkomstig artikel 39/65 van de Vreemdelingenwet moeten alle uitspraken van de Raad met redenen omkleed worden. De motivering moet correct zijn en afdoende, en de omvang van de motivering moet aangepast zijn aan het belang van de beslissing. In casu was de motivering niet afdoende gezien deze niet op alle opgeworpen middelen een afdoende antwoord heeft gegeven. De beslissing dd. 9 december 2008 van de RVV dient te worden vernietigd.”; 2.
  10. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord integraal het in zijn inleidend verzoekschrift uiteengezette middel herhaalt; 2.
  11. Overwegende dat verzoeker nalaat uiteen te zetten op welke wijze hij artikel 1, A

(2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953, door de bestreden beslissing geschonden acht; dat het niet tot de bevoegdheid van de Raad van State als administratieve cassatierechter behoort om zijn beoordeling omtrent de vraag of er al dan niet overmacht aanwezig is, in de plaats te stellen van de feitenrechter; dat in casu blijkt dat verzoeker in zijn beroepschrift van 3 november 2008, onder meer, aanvoerde dat zijn beroep tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet als laattijdig mocht worden beschouwd wegens zijn psychologisch verwarde toestand en dat hij een attest op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zou hebben voorgelegd waaruit blijkt dat hij in het opvangcentrum van Menen bezig was met het opstarten van een psychologische begeleiding; dat niettegenstaande een dergelijk attest zich niet in het administratief dossier bevindt, doch ervan uitgaande dat verzoeker dit attest inderdaad heeft getoond op het gehoor van het Commissariaat-generaal, uit het gehoorver- slag van 18 september 2008 van het Commissariaat-generaal - en verzoeker niet betwist - blijkt dat dit attest enkel melding maakte van “psychologische begeleiding”, doch geenszins XIV-30.815-5/7 van dermate psychologische stoornissen die verzoeker zouden verhinderen een juist adres op te geven; dat op de vraag van het Commissariaat-generaal wat bedoeld wordt met “psychologische begeleiding”, verzoeker enkel antwoordde “Ik heb een psychiater aangevraagd want ik heb dat nodig. Ik heb onafgebroken hoofdpijn, ik slaag er niet in te slapen door die problemen.”; dat verzoeker niet in staat zou zijn een correcte adreswijziging door te geven, geenszins blijkt uit voormeld attest; dat het derhalve verzoeker zelf is die meent zulks te kunnen afleiden uit het getoonde attest zonder evenwel deze stelling in zijn beroepschrift van 3 november 2008 voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te ondersteunen met een medisch attest waaruit zulks ook effectief zou blijken; dat uit de voorgaande vaststellingen derhalve geenszins kan worden afgeleid dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de aangevoerde overmachtsituatie foutief zou hebben geïnterpreteerd, noch dat hij ten onrechte heeft vastgesteld dat de door verzoeker voorzienbare verwarde psychologische toestand tijdens het gehoor van 18 september 2008 niet voldoet aan de vereisten om van overmacht te kunnen spreken; dat voor zover verzoeker aanvoert dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich uitsluitend beperkt tot het toetsen van een eventuele overmachtsituatie in hoofde van verzoeker zonder te antwoorden op de opmerking in zijn beroepschrift dat door de dossierbehandelaar zelf een fout werd begaan omdat deze niet had opgemerkt dat het door verzoeker ondertekende voorgedrukte attest van woonplaatskeuze onmogelijk correct kon zijn, uit de in het bestreden arrest weergegeven definitie van overmacht impliciet doch zeker blijkt waarom de dossierbehande- laar van het Commissariaat-generaal geen fout kan worden verweten; dat, gezien de definitie van overmacht die de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest geeft, het trouwens duidelijk is dat, zelfs al zou de dossierbehandelaar een fout hebben begaan, quod non, verzoeker dan nog niet binnen het toepassingsgebied ervan zou vallen, aangezien hij geen onmogelijkheid aantoont zijn verplichtingen na te komen; dat, het feit dat de dossierbehandelaar niet voldoende alert was - daargelaten de vraag of hij dat had moeten zijn - voor verzoeker geen onmogelijkheid uitmaakt om aan zijn wettelijke verplichting tot het meedelen van een wijziging van woonplaatskeuze te voldoen; dat uit wat voorafgaat blijkt dat de bestreden beslissing op afdoende wijze is gemotiveerd; dat de bestreden beslissing de motieven bevat die de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ertoe hebben doen besluiten het beroep te verwerpen omwille van de laattijdigheid ervan; dat het enig middel, in de mate het ontvankelijk, niet gegrond is, XIV-30.815-6/7 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien december tweeduizend en negen, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.815-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.980 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.