← België

Arrest 198981 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 16/12/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.981 Rolnummer: A. 191232/XIV-30875 Zaak: Arrest 198981 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 16/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-23 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-30 04:03 Fiche Arrest nr 198.981 van 16 december 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 198.981 van 16 december 2009 in de zaak A. 191.232/XIV-30.875. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat H. VAN VRECKOM, kantoor houdende te 1400 NIJVEL, rue Saint-André 5 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Albanese nationaliteit, op 27 januari 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 21.108 van 24 december 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 4007 van 9 februari 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 9 juli 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 november 2009; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-30.875-1/16 Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. OGUMULA die, loco Advocaat H. VAN VRECKOM verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché K. GOOSSENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. XXX komt op 14 februari 1999 België binnen en vraagt op 27 februari 2008 voor de tweede keer om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling en om de subsidiaire beschermingsstatus. 1.2 Deze aanvraag wordt op 14 augustus 2008 door de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.3. Verzoeker tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 3 september 2008 hoger beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.4. Op de zitting van 24 november 2008 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn raadsvrouw, Mr. H. VAN VRECKOM, gehoord. 1.5. Op 24 december 2008 velt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het thans bestreden arrest waarbij aan verzoeker de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus worden geweigerd. Dit arrest luidt als volgt: “1. Het feitenrelaas Het door verzoeker niet betwiste feitenrelaas, zoals uiteengezet in de bestreden beslissing, luidt als volgt: “U verklaarde afkomstig te zijn uit Dürres en in het bezit te zijn van de Albanese nationaliteit. U vroeg een eerste keer asiel aan in België op 15 februari 1999 onder het alias A.Z. (…), geboren op 18/07/1970 te Bare, Kosovo. Op 21 september 1999 nam de Dienst Vreemdelingenzaken een beslissing van weigering van verblijf. Op XIV-30.875-2/16 3 december 1999 werd deze beslissing door het Commissariaat-generaal bevestigd. U vroeg een tweede keer asiel aan in België op 27 februari 2008. U verklaarde toen in werkelijkheid A.X. (…), geboren op 19/09/1975 te Durres, Albanië, te zijn. U zou na uw eerste asielaanvraag niet teruggekeerd zijn naar Albanië. Sedert 1993 of 1994 zou u herhaaldelijk in Griekenland hebben gewerkt. Daar kwam u tot de ontdekking dat u biseksueel bent. Af en toe keerde u naar Albanië terug. In 1995 of 1996 zou uw neef, die eveneens in Griekenland werkte, van uw biseksuele geaardheid op de hoogte zijn geraakt. Hij zou dit aan uw vader hebben verteld. Tijdens een van uw bezoeken aan uw ouders zou uw vader u hiermee geconfronteerd hebben, maar u zou hebben ontkend biseksueel te zijn. Begin 1997 zou u tijdens een verblijf bij uw oom in Tirana in zijn woning door enkele kinderen zijn betrapt terwijl u seksueel getinte handelingen uitvoerde met een vriend. De echtgenote van uw oom zou dit aan uw moeder hebben verteld en zou hebben gezegd dat u Albanië moest verlaten, wat u ook deed. U keerde naar Griekenland terug om er te werken. In 1997 zou uw vader uw geld hebben verspeeld op de piramidespelen. Sindsdien zou u uw vader niet meer hebben gezien. Nog in 1997 zou u wegens uw geaardheid geslagen zijn door jongeren op straat. Toen u daarna klacht wou indienen bij de politie, zou u afgewimpeld zijn. U zou daarna geen klacht meer ingediend hebben omdat het land toen in chaos was. U zou tevens de autoriteiten vrezen omdat uw oom en uw schoonbroer bij de politie werken. In 1998 zou u nogmaals naar Albanië zijn teruggekeerd, maar uw moeder zou u onmiddellijk hebben gezegd dat u het land moest verlaten. Omdat u in Griekenland reeds driemaal was opgepakt door de politie, besloot u naar een ander land in Europa uit te wijken. U verliet Albanië in december 1998 met het vliegtuig en week via Wenen naar België uit. U verklaarde niet naar Albanië terug te kunnen keren omdat uw biseksuele geaardheid er niet wordt aanvaard. In 2006 zou u van uw vader een brief hebben ontvangen waarin u wordt uitgescholden en waarin uw vader zegt dat hij u heeft onterfd. (…). Ter ondersteuning van uw asielaanvraag legde u volgende documenten neer: uw internationaal paspoort, uitgereikt op 7 juni 2005, een brief van uw vader en de vertaling, een plan en de akte van de grond van uw vader en de vertaling ervan.” 2. De gegrondheid van het beroep 2.1. In een enig middel roept verzoeker de schending in van het artikel 1 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende het statuut van vluchtelingen en van de artikelen 48/3, 48/5, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdeling- en (hierna: de Vreemdelingenwet). 2.2. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beschikt inzake beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen over volheid van rechtsmacht, hetgeen impliceert dat het geschil met alle feitelijke en juridische vragen in zijn geheel aanhangig wordt gemaakt bij de Raad die een onderzoek voert binnen de lijnen van het rechtsplegingdossier en rekening houdend met het verzoekschrift dat de grenzen van het gerechtelijke debat bepaalt. Als administratieve rechter doet hij in laatste aanleg uitspraak over de grond van het geschil (Wetsontwerp tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, Parl. St. Kamer 2005-2006, nr. 2479/001, 95, 96 en 133). Door de devolutieve kracht van het beroep is de Raad niet noodzakelijk gebonden door de motieven waarop de bestreden beslissing is gesteund. De middelen die door verzoeker worden ontwikkeld zullen derhalve slechts besproken worden in de mate dat ze betrekking hebben op de in het onderhavige arrest in aanmerking genomen motieven. 2.3. De bewijslast inzake de gegrondheid van een asielaanvraag rust in beginsel op de asielzoeker zelf. Zoals iedere burger die om een erkenning vraagt, moet ook hij aantonen dat zijn aanvraag gerechtvaardigd is. Hij moet een poging ondernemen om het relaas te staven en dient de waarheid te vertellen (RvS 4 oktober 2006, nr. 163.124; UNHCR, Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, 1992, nr. 205). Zijn verklaringen kunnen een voldoende bewijs zijn van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze mogelijk, geloofwaardig en eerlijk zijn (J. HATHAWAY, The Law of Refugee Status, Butterworths, Toronto- XIV-30.875-3/16 Vancouver, 1991, 84). De afgelegde verklaringen mogen niet in strijd zijn met algemeen bekende feiten. In het relaas mogen dan ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Het voordeel van de twijfel kan slechts worden toegestaan als alle elementen werden onderzocht en men overtuigd is van de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen (UNHCR, a.w., nr. 204). De Raad voor Vreemdelingen- betwistingen moet niet bewijzen dat de feiten onwaar zouden zijn (RvS 19 mei 1993, nr. 43.027) en het is niet de taak van de Raad zelf de lacunes in de bewijsvoering van de vreemdeling op te vullen (RvS 5 juli 2007, nr. 173.197). De ongeloofwaardigheid van een asielrelaas kan niet alleen worden afgeleid uit tegenstrijdigheden, maar ook uit vage, incoherente en ongeloofwaardige verklaringen. 2.4. Om zich een juist beeld te vormen van de situatie waarin de vreemdeling zich bevindt, gaat de Raad alle objectieve gegevens na die hij nodig heeft om zijn arrest te kunnen nemen. Bij de beoordeling van de zaak houdt hij rekening met alle feitelijke elementen, ook met deze welke resulteren uit verklaringen afgelegd bij vroegere asielaanvragen. Geen enkele wetsbepaling verbiedt immers dat, in het kader van een meervoudige asielaanvraag, uitspraak wordt gedaan op basis van gegevens die in het kader van eerdere asielaanvragen bekend waren. 2.5. De Raad wijst erop dat op het ogenblik dat verzoeker een eerste asielaanvraag indiende op 15 februari 1999, onder een valse naam, een valse geboortedatum en een valse nationaliteit, de door hem voorgehouden gebeurtenissen zoals gesteld bij zijn tweede asielaanvraag zich reeds hadden voorgedaan. Reeds in december 1998 verliet betrokkene Albanië omwille van de beweerde problemen naar aanleiding van zijn biseksuele geaardheid. Verzoeker houdt in zijn verzoekschrift voor zich bij zijn eerste asielaanvraag te hebben bediend van een valse identiteit daar zijn vrees om naar Albanië te worden teruggestuurd ingegeven was door doodsangst. Het risico zich uit te geven tijdens de eerste asielaanvraag voor een persoon afkomstig uit Kosovo, die Kosovo totaal niet kent, er niet van afkomstig is en er bijgevolg geen problemen heeft gekend, impliceert dat de voorgehouden doodsangst, die hij beweert doorstaan te hebben ingevolge zijn beweerde problemen naar aanleiding van zijn seksuele geaardheid en die hij nog steeds vreest in zijn werkelijk land van herkomst, waarvan hij de nationaliteit heeft, in casu Albanië, niet kan worden aangenomen. Aan verzoekers in zijn tweede asielaanvraag voorgehouden relaas kan derhalve geen geloof worden gehecht. De door verzoeker toegevoegde documenten, in het bijzonder een verwijtende brief van zijn vader, wat niet als een objectieve bron kan worden aangenomen, een eigendomsdo- cument van een stuk grond in het bezit van zijn vader, internationale rapporten en een reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en een verwijzing naar een studie van seksgerelateerde asielaanvragen die allen betrekking hebben op de algemene situatie van homoseksualiteit in Albanië kunnen worden bijgebracht en aangehaald ter ondersteuning van het voorgehouden relaas van de feiten, doch vermogen een flagrant ongeloofwaardig relaas niet in zijn geloofwaardigheid te herstellen. Aan verzoeker kan derhalve de status van vluchteling, zoals bepaald bij artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet, niet worden toegekend. 2.6. Zoals reeds gesteld dient verzoekers asielrelaas als ongeloofwaardig te worden afgedaan. De Raad meent dat verzoeker dan ook niet langer kan steunen op de elementen aan de basis van dat relaas teneinde aannemelijk te maken een reëel risico te lopen op ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/4, § 2, a of b van de Vreemde- lingenwet. De subsidiaire beschermingsstatus kan evenwel worden verleend indien het aannemelijk is dat verzoeker een reëel risico op ernstige schade loopt dat losstaat van het risico voortvloeiende uit het ongeloofwaardige asielrelaas. De Raad stelt echter vast dat verzoeker niet aantoont dat er in Albanië een situatie heerst van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict in de zin van artikel 48/4, § 2, c van de Vreemdelingenwet. Derhalve toont verzoeker niet aan dat in zijnen XIV-30.875-4/16 hoofde een reëel risico op het lijden van ernstige schade in de zin van het voormelde artikel 48/4 zou kunnen worden aangenomen. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWIS- TINGEN: Artikel 1 De vluchtelingenstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd. Artikel 2 De subsidiaire beschermingsstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd.”. 2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “1. Eerste en enige middel: Kennelijk gebrekkige motivering wat een schending uitmaakt van de artikelen 48/3 en 39/65 van de wet van 15 december 1980 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen en het artikel 149 van de Grondwet, in combinatie met een schending van het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van verdediging. Overwegende dat het artikel 48/3,§§1 en 2 van de wet van 15 december 1980 bepaalt: “§1.- De vluchtelingenstatus wordt toegekend aan de vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden van artikel 1 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen dat op 28 juli 1951 de Genève tot stand is gekomen, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967. §2.-Daden van vervolging in de zin van artikel 1A van het Verdrag van Genève moeten:

  1. a)ofwel zo ernstig van aard zijn of zo vaak voorkomen dat zij een schending vormen van de grondrechten van de mens, met name de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15. 2, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;
  2. b)ofwel een samenstel zijn van verschillende maatregelen, waaronder mensenrechten- schendingen, die voldoende ernstig zijn om iemand op een soortgelijke wijze te treffen als omschreven in punt a); De hierboven genoemde daden van vervolging kunnen onder meer de vorm aannemen van :
  3. a)daden van lichamelijk of geestelijk geweld, inclusief seksueel geweld;
  4. b)wettelijke, administratieve, politiële en/ of gerechtelijke maatregelen die op zichzelf discriminerend n of op discriminerende wijze worden uitgevoerd;
  5. c)onevenredige of discriminerende vervolging of bestraffing;
  6. d)ontneming van de toegang tot rechtsmiddelen, waardoor een onevenredig zwaar of discriminerende straf wordt opgelegd;
  7. e)vervolging of bestraffing wegens de weigering militaire dienst te vervullen, in het bijzonder tijdens een conflict wanneer het vervullen van militaire dienst strafbare feiten of handelingen inhoudt die onder de uitsluitingsgronden van artikel 55 / 2, §1, vallen;
  8. f)daden van genderspecifieke of kindspecifieke aard" Dat het artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 stelt: "De uitspraken van de Raad zijn met redenen omkleed. Ze worden ondertekend door de voorzitter en een lid van de griffie."; Dat het artikel 149 van de Grondwet bepaalt: : "De vonnis is met redenen omkleed. Het wordt in openbare terechtzitting uitgesproken." Dat de Raad van State reeds heeft geoordeeld dat de verplichting tot motivering opgelegd door het artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 impliceert dat de XIV-30.875-5/16 administratieve rechtsinstantie de middelen en argumenten, aangehaald door de verzoeker, moet onderzoeken, in ieder geval wanneer deze worden verworpen; Dat de motivering van het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in ieder geval moet toelaten aan de rechtsonderhorigen en aan de Raad van State, wanneer deze wordt gevat door een verzoekschrift in cassatie, om zich te verzekeren van of te controleren of de rechter op volledige wijze de elementen van de dossiers heeft onderzocht en effectief heeft geantwoord op de argumenten die werden naar voor gebracht (stuk 2: C.E., n/ 178. 831 van 23 januari 2008, p. 4 ); Dat de Raad van State bij zijn uitspraak als administratieve cassatie rechter zijn eigen beoordeling van de feiten niet in de plaats mag stellen van deze van de administratieve rechter, maar wel de bevoegdheid heeft om de objectieve juistheid van de materiële relatie van de feiten die worden aanvaard door de administratieve rechter, te controleren en anderzijds de wettelijke kwalificatie van deze feiten te controleren ten aanzien van de toepasselijke rechtsbepalingen ( R.v.St., nr. 170. 104,18 april 2007, R.D.E., 2007, 161, zoals geciteerd in stuk 3 : BREWAEYS, E. en DE SMET, A., " De Raad van State als cassatierechter in vreemdelingenzaken", T.V.R., 2008, nr. 3, p. 185); Dat aldus wordt aanvaard dat de Raad van State kan nagaan of het rechtsbegrip niet op verkeerde wijze wordt geïnterpreteerd door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ( R. PETIT, Sociaal procesrecht, Brugge, die Keure, 2007, nr. 667, zoals geciteerd in stuk 3: op. cit., p. 185 ); Dat de Raad van State moet nagaan of het bestreden arrest deugdelijk naar recht verantwoord is en of het administratief rechtscollege een antwoord heeft gegeven op alle argumenten die de verzoeker aan hem heeft voorgelegd ( wij onderstrepen, R.v.St., nr. 184. 167, 13 juni 2008 ; R.v.St., nr. 178. 832, 23 januari 2008 ; R.v.St., nr. 178. 831 van 23 januari 2008„ zoals geciteerd in stuk 3, op. cit., p. 193); Overwegende dat de eiser zal aantonen dat de argumenten die hij heeft aangehaald in het verzoekschrift ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet heeft onderzocht en er geen antwoord is gegeven op de argumenten die hij heeft voorgelegd; Overwegende dat het arrest als volgt is gemotiveerd : " [...] 2.1. In een enig middel roept verzoeker de schending in van het artikel 1 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende het statuut van vluchtelingen en van de artikelen 48/3, 48 / 5, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestigingen verwijdering van vreemdelin- gen (hierna: de Vreemdelingenwet ). 2.2. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beschikt inzake beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen over volheid van rechtsmacht, hetgeen impliceert dat het geschil met alle feitelijke en juridische vragen in zijn geheel aanhangig wordt gemaakt bij de Raad die een onderzoek voert binnen de lijnen van het rechtsplegingsdossier en rekening houdend met het verzoekschrift dat de grenzen van het gerechtelijke debat bepaalt. Als administratieve rechter doet hij in laatste aanleg uitspraak over de grond van het geschil (Wetsontwerp tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, Parl. St., Kamer, 2005-2006, nr. 2479/001; 95, 96 en 133). Door de devolutieve kracht van het beroep is de Raad niet noodzakelijk gebonden door de motieven waarop de bestreden beslissing is gesteund. De middelen die door de verzoeker worden ontwikkeld zullen derhalve slechts besproken worden in de mate dat ze betrekking hebben op de in het onderhavige arrest in aanmerking genomen motieven. 2.3. De bewijslast inzake de gegrondheid van een asielaanvraag rust in beginsel op de asielzoeker zelf. Zoals iedere burger die om een erkenning vraagt, moeten ook hij aantonen dat zijn aanvraag gerechtvaardigd is. Hij moet een poging ondernemen om het relaas te staven en dient de waarheid te vertellen ( RvS, 4 oktober 2006, nr. 163.124, UNHCR, Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, 1992, nr. 205). Zijn verklaringen kunnen een voldoende bewijs zijn van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze mogelijk, geloofwaardig en eerlijk zijn (HATHAWAY, J.C., The Law of Refugee Status, Butterworths, Toronto-Vancouver, 1992,84 ). De verklaringen moeten plausibel zijn en niet in strijd XIV-30.875-6/16 met algemeen bekende feiten. In het relaas mogen dan ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen Het voordeel van de twijfel kan slechts worden toegestaan als alle elementen werden onderzocht en men overtuigd is van de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen (UNHCR, a.w., nr. 204 ). De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet niet bewijzen dat de feiten onwaar zouden zijn (RvS 19 mei 1993, nr. 43.027) en het is niet de taak van de Raad zelf de lacunes in de bewijsvoering van de vreemdeling op te vullen ( RvS 5 juli 2007, nr. 173.197). De ongeloofwaardigheid van een asielrelaas kan niet alleen worden afgeleid uit tegenstrijdigheden, maar ook uit vage, incoherente en ongeloofwaardige verklaringen. 2.4. Om zich een juist beeld te vormen van de situatie waarin de vreemdeling Zich bevindt, gaat de Raad alle objectieve gegevens na die hij nodig heeft om zijn arrest kunnen nemen. Bij de beoordeling van de Zaak houdt hij rekening met alle feitelijke elementen, ook met de welke resulteren uit de verklaringen afgelegd bij vroegere asielaanvragen. Geen enkele wetsbepaling verbiedt immers dat, in het kader van een meervoudig asielaanvraag, uitspraak wordt gedaan op basis van gegevens die in het kader van eerdere asielaanvragen bekend waren. 2.5. De Raad wijst erop dat op het ogenblik dat verzoeker een eerste asielaanvraag indiende op 15 februari 1999, onder een valse naam, een valse geboortedatum en een valse nationaliteit, de door hem voorgehouden gebeurtenissen zoals gesteld bij zijn tweede asielaanvraag zich reeds hadden voorgedaan. Reeds in december 1998 verliet betrokkene Albanië omwille van de beweerde problemen naar aanleiding van zijn biseksuele geaardheid. Verzoeker houdt in zijn verzoekschrift voor zich bij zijn eerste asielaanvraag te hebben bediend van een valse identiteit daar zijn vrees om naar Albanië te worden teruggestuurd ingegeven was door doodsangst. Het risico zich uit te geven tijdens de eerste asielaanvraag voor een persoon afkomstig uit Kosovo, die Kosovo totaal niet kent, er niet van afkomstig is en er bijgevolg geen problemen heeft gekend, impliceert dat de voorgehouden doodsangst, die hij beweert doorstaan te hebben ingevolge zijn beweerde problemen naar aanleiding van zijn seksuele geaardheid en die hij nog steeds vreest in zijn werkelijke land van herkomst, waarvan hij de nationaliteit heeft, in casu Albanië, niet kan worden aangenomen. Aan verzoekers in zijn tweede asielaanvraag voorgehouden relaas kan derhalve geen geloof wordt gehecht. De door de verzoeker toegevoegde documenten, in het bijzonder een verwijtende brief van zijn vader, wat niet als een objectieve bron kan worden aangenomen, een eigendomsdocument van een stuk grond in het bezit van zijn vader, internationale rapporten en een reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en een verwijzing naar een studie van teksgerelateerde asielaanvragen die allen betrekking hebben op de algemene situatie van homoseksualiteit in Albanië kunnen worden bijgebracht en aangehaald ter ondersteuning van het voorgehouden relaas van de feiten, doch vermogen een flagrante ongeloofwaardig relaas niet in zijn geloofwaardigheid te herstellen. Aan verzoeker kan derhalve de status van vluchteling, zoals bepaald bij artikel 48/ 3 van de Vreemdelingenwet niet worden toegekend. 2.6. Zoals reeds gesteld dient verzoekers asielrelaas als ongeloofwaardig te worden afgedaan. De Raad meent dat verzoeker dan ook niet langer kan steunen op de elementen aan de basis van dat relaas teneinde aannemelijk te maken een reëel risico te lopen op ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/ 4, §2 a of b van de Vreemdeling- enwet. De subsidiaire beschermingsstatus kan evenwel worden verleend indien het aannemelijk is dat verzoeker een reëel risico op ernstige schade loopt dat losstaat van het risico voortvloeiende uit het ongeloofwaardig asielrelaas. De Raad stelt echter vast dat verzoeker niet aantoont dat er in Albanië en situatie heerst van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict in de zijn van artikel 48/4, §2, c van de Vreemdelingenwet. Derhalve toont verzoeker niet aan dat in XIV-30.875-7/16 tenen hoofde een reëel risico op het leiden van ernstige schade in de zijn van het voormelde artikel 48/ 4 zou kunnen worden aangenomen."; Overwegende dat het inderdaad correct is te stellen dat de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen beschikt over de volheid van rechtsmacht, zoals het bestreden arrest stelt en dat door de devolutieve kracht van het beroep te Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet noodzakelijk gebonden is door de motieven waarop de beslissing van de Commissaris-generaal is gesteund; Dat dit echter geen geldige reden kan zijn om niet in te gaan op alle argumenten aangehaald door de eiser in zijn verzoekschrift bij de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen; Dat aldus, wanneer het bestreden arrest stelt dat de middelen die door de verzoeker werden ontwikkeld in het verzoekschrift slechts zullen besproken worden in de mate dat ze betrekking hebben op de motieven die in het bestreden arrest in aanmerking worden genomen, dit bestreden arrest een kennelijk gebrekkige motivering vertoont, omdat er niet is antwoord op alle argumenten van de eiser zoals ontwikkeld in zijn verzoekschrift ; Dat ter herinnering, de Raad van State reeds heeft geoordeeld dat zij moet nagaan of het bestreden arrest deugdelijk naar recht verantwoord is en of het administratief rechtscollege een antwoord heeft gegeven op alle argumenten die de verzoeker aan hem heeft voorgelegd ( wij onderstrepen, R.v.St., nr. 184. 167, 13 juni 2008 ; R.v.St., nr. 178.832, 23 januari 2008 ; R.v.St., nr. 178. 831 van 23 januari 2008„ zoals geciteerd in stuk 3, op. cit., p. 193); Dat de Raad van State reeds heeft geoordeeld dat de verplichting tot motivering opgelegd door het artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 impliceert dat de administratieve rechtsinstantie de middelen en argumenten, aangehaald door de verzoeker, moet onderzoeken, in ieder geval wanneer deze worden verworpen; Dat de motivering van het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in ieder geval moet toelaten aan de rechtsonderhorigen en aan de Raad van State, wanneer deze wordt gevat door een verzoekschrift in cassatie, om zich te verzekeren van of te controleren of de rechter op volledige wijze de elementen van de dossiers heeft onderzocht en effectief heeft geantwoord op de argumenten die werden naar voor gebracht (stuk 2: C.E., n/ 178. 831 van 23 januari 2008, p. 4 ); Dat de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 14 augustus 2008 op lichtelijk (a)ndere wijze is gemotiveerd, in die zin dat in die beslissing men zich baseert op de beweerde bedrieglijkheid van de eerste asielaanvraag van de eiser, terwijl het bestreden arrest niet dit motief weerhoudt omtrent de bedrieglijkheid, maar enkel stelt dat de verklaringen van de eiser ongeloofwaardig zouden zijn omwille van het feit dat de eiser een eerste asielaanvraag heeft ingediend onder een valse naam, een valse geboortedatum en een valse nationaliteit ; Dat echter de beslissing van de Commissaris-generaal zich ook gebaseerd op de beweerde ongeloofwaardigheid van het relaas van de eiser doordat er wordt gesteld: "[...] Door deze vaststellingen komt uw algemene geloofwaardigheid aanzienlijk op de helling te staan". ; Dat het bestreden arrest stelt omtrent de geloofwaardigheid van de eiser : "[...] Aan verzoekers in zijn tweede asielaanvraag voorgehouden relaas kan derhalve geen geloof worden gehecht. [...]"; Dat de Commissaris-generaal tot deze vaststelling van ongeloofwaardigheid komt op basis van de vaststelling dat de eiser een eerste asielaanvraag indiende onder een valse identiteit en met valse vluchtmotieven, terwijl het bestreden arrest ook diezelfde conclusie onderschrijft, ook al wordt dit op iets andere wijze gemotiveerd ; Dat de Commissaris-generaal stelt dat de verklaringen van de eiser over zijn nalatigheid (zijn schaamte ten aanzien van de Belgische overheden en zijn angst om te worden teruggestuurd naar Albanië ) niet als afdoende kunnen worden beschouwd, terwijl het bestreden arrest enkel stelt : "[...] Het risico zich uit te even tijdens de eerste asielaanvraag voor een persoon afkomstig uit Kosovo, die Kosovo tot taal niet kent, er niet van afkomstig is en er XIV-30.875-8/16 bijgevolg geen problemen heeft gekend, impliceert dat de voorgehouden doodsangst, die hij beweert doorstaan te hebben ingevolge zijn beweerde problemen naar aanleiding van zijn seksuele geaardheid en die hij nog steeds vreest in zijn werkelijke land van herkomst, waarvan hij de nationaliteit heeft, in casu Albanië, niet kan worden aangenomen. Aan verzoekers in zijn tweede asielaanvraag voorgehouden relaas kan derhalve geen geloof wordt gehecht.[...]"; Dat dergelijke motivering in het bestreden arrest totaal onbegrijpelijk is, nu er niet kan worden begrepen waarom de doodsangst die de eiser heeft omwille van zijn problemen naar aanleiding van zijn seksuele geaardheid niet zou kunnen worden weerhouden omwille van de redenen zoals uiteengezet in het verzoekschrift om tot de conclusie te komen dat er eventueel wel geloof zou kunnen worden gericht aan de verklaringen van de eiser en er tot een onderzoek ten gronde zou kunnen worden overgegaan van het risico voor de eiser op vervolgingen ingeval van terugkeer naar Albanië, zoals dit trouwens is gebeurd in de beslissing van de Commissaris-generaal, waarin eveneens een deel van de motivering verwijst naar de redenen waarom de Commissaris-generaal van oordeel(
  9. l)is dat de eiser toch een effectieve bescherming zou kunnen krijgen in Albanië, ondanks zijn vrees; Dat in het verzoekschrift bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de eiser het volgende heeft uiteengezet zijn verweer betreft omtrent zijn bedrieglijke verklaringen in de eerste asielaanvraag, die hebben geleid tot de conclusie van bedrieglijkheid en ongeloofwaardigheid van zijn verklaringen : “[...] Overwegende dat de bestreden beslissing oordeelt dat het feit dat de eiser een eerste asielaanvraag indienden onder een andere identiteit om pas later, in het kader van een tweede asielaanvraag zijn echte identiteit en vluchtmotieven op te geven, acht jaar na de eerste asielaanvraag niet in overeenstemming zou zijn met een daadwerkelijke vrees voor vervolging of een reëel risico op het lijden van ernstige schade ; Dat er eveneens wordt geoordeeld dat zijn verklaring voor het nalaten van het opgeven van zijn echte identiteit en vluchtmotieven weinig afdoende zou zijn; Dat de eiser bij zijn aankomst in België slechte raad heeft gekregen van mensen die hij toen beschouwde als zijn vrienden ; Dat hij geen idee had wat hij in België kon verwachten bij het indienen een asielaan- vraag, gezien hij helemaal niet vertrouwd was met de Belgische samenlevingen wetten; Dat hij op dat moment zeer bang was om te zullen worden teruggestuurd en omdat hij het zekere voor het onzekere wilde nemen, meende hij dat hij er goed aan deed om te verklaren dat hij afkomstig was uit Kosovo en niet uit Albanië, gezien aan vele koers gevaren en statuut werd gegeven op dat moment omwille van de talrijke problemen die er plaatsvonden en die er tot de oorlog hebben geleid ; Dat hij ten teerste deze beslissing betreurt, omdat hij zich ervan bewust is dat het enkel in zijn voordeel kon zijn indien hij onmiddellijk de waarheid had verteld, vanaf zijn eerste asielaanvraag; Dat hij echter in volledige onzekerheid bij het aankomen in België en zich heeft laten leiden door mensen waarvan hij dacht dat zij het beter konden weten dan hemzelf; Dat hij spijtig genoeg te laat heeft beseft dat hij beter van in het begin de volledige waarheid had verteld en het heeft inderdaad lang geduurd eer hij uiteindelijk zijn echte identiteit en problemen heeft naar voren gebracht, maar dit ligt aan het feit dat hij zich enorm schaamt over de manier waarop hij zich heeft laten misleiden door zijn zogenaamde vrienden en omdat hij zich evenveel schaamt ten aanzien van de Belgische autoriteiten voor deze vergissing die hij heeft begaan; Dat de bestreden beslissing stelt dat de verklaring van de eiser voor zijn nalatigheid weinig afdoende zou zijn, maar er wordt niet uitgelegd waarom deze verklaring niet als dusdanig zou kunnen worden aangemerkt ; Dat gezien de tegenpartij een verplichting heeft tot motivering, het niet voldoende is te stellen dat de verklaring gegeven door de eiser weinig afdoende zou zijn, maar er moet ook worden uitgelegd waarom deze verklaring niet zou kunnen worden aanvaard; Dat de bestreden beslissing op dit punt tekort schiet, XIV-30.875-9/16 Dat in tegenstelling tot wat de bestreden beslissing beweert, er helemaal niet kan worden gesteld dat de eiser op intentionele wijze de Belgische autoriteiten zou proberen te misleiden; Dat er ook helemaal niet zo maar automatisch de link kan worden gelegd tussen het gebruik van een andere identiteit en fraude en dat de toepassing van het principe "fraus omnia corrumpit" niet blindelings mag gebeuren maar op omzichtige wijze moet worden omgesprongen met een dergelijk besluit ; Dat indien men niet kan aantonen dat de persoon de intentie heeft om de overheid te bedriegen er geen sprake is van fraude en het principe "fraus omnia corrumpit"is dan niet van toepassing; Dat volgens het Hof van Cassatie: “De toepassing van het algemeen rechtsbeginsel " Fraus monia corrumpit"veronderstelt het bestaan van bedrog, dat kwaadwilligheid, opzettelijke misleidingen oneerlijkheid met de bedoeling te schaden of winst te behalen inhoudt." (Cass., 4 december 2006, www.juridat.be); zie ook Cass., 3 oktober 1997, RG C 96.0318.F, n/ 386 en ook Conclusions M VELU, alors avocat général, avant Cass., 13 juni 1985, RG 7214, n/ 623, pp. 1307-1308, n/8); Dat in een beslissing van 22 juni 1999 gericht tegen een beslissing van de Commissa- ris-generaal voor de vluchtelingen en staatslozen tot intrekking van een statuut van vluchteling, de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen heeft geoordeeld dat men niet kon spreken van fraude als het gebruik van een valse identiteit onder druk van een derde of uit angst om te moeten terugkeren gebeurde ; Dat in voornoemde beslissing de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen heeft geoordeeld: “De vluchtelinge heeft haar land verlaten in het gezelschap van haar echtgenoot in oktober 1989 om te vluchten naar Zweden. Omdat er een visumprobleem was voor dat land werden ze tegengehouden in Duitsland. Ze hebben dan in Duitsland een asielaanvraag ingediend. Die werd verworpen in december 1990. Uit angst terug te moeten naar Libanon zijn ze op 27 oktober 1991 naar België gevlucht. Daar dienden ze twee dagen later een asielaanvraag met een andere identiteit en valse documenten. Op 23 mei 1995 werden ze als vluchteling erkend. Op 13 februari werd hun vluchte- lingenstatuut door het commissariaat-generaal ingetrokken wegens fraude. Overwegende dat de verzoeker tijdens een openbare zitting toegaf een valse identiteit te hebben gebruikt in het kader van een asielaanvraag in België; (...) Dat ze verklaart dat ze zo handelde op aangeven van haar man en dat hij op zijn beurt van Libanese politieke en religieuze leiders de raad kreeg om zo te handelen voor hun eigen veiligheid en om hun leven niet te riskeren; Dat ze preciseert dat de risico's bij terugkeer naar Libanon, na de asielprocedure in Duitsland zo hoog waren dat er geen andere keuze had dan zich neer te leggen bij het wangedrag van haar man en zijn kennissen. Gezien als het voorgaande blijkt het me dat de wil om fraude te plegen (volgens artikel 57 / 6, alinea 1 er, 2/bis van de wet) niet voldoende aanwezig. In die zin dat de intentie om fraude te plegen niet bewezen is. De commissie constateert bovendien dat de objectieve criteria om de asielaanvraag goed te keuren op 23 mei 1995 fundamenteel niet vervallen door het gebruik van een valse identiteit en dat de persoon nog altijd risico's loopt bij terugkeer naar Libanon. Dat de verzoekster diverse documenten heeft die haar echte identiteit aantonen (stuk nummer 13 / a to 13/ g van het dossier); Dat het volgens die laatste identiteit is dat ze als een vluchteling kan erkend wor- den"(V.B.V., n/ 98-0247 /F842 van 22 juni 1999 (integrale tekst op : http:/ / www.cce-rvv, rubriek rechtspraak); Dat de eiser omwille van een gegronde vrees voor vervolging naar Europa is gekomen en niet kon blijven in Albanië omdat hij daar in gevaar was; Dat de enige reden voor hem om een valse identiteit te gebruiken is geweest dat hij schrik had om te worden teruggestuurd naar zijn land van herkomst; Dat er daarom moet worden geoordeeld dat er zeker geen sprake is van moedwillige fraude, maar dat het gaat om verzwijgen en informatie en het aangeven van een andere XIV-30.875-10/16 identiteit die werd ingegeven door zijn doodsangst, wat overmacht uitmaakt in dat opzicht; Dat in een andere beslissing van 27 september 2006 de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen eveneens heeft geoordeelt dat men niet het onderzoek van de cruciale vraag mag vergeten, namelijk de vrees voor vervolging, zelfs wanneer men wordt geconfronteerd met moedwillig liegen; Dat in deze beslissing de Vaste Beroepscommissie heeft geoordeeld: "[...] Het feit dat de verzoeker tijdens de procedure valse verklaringen aflegde over het tijdstip van zijn vluchten en over een verblijf van meer dan drie jaar in verschillende derde landen, waar hij asielaanvragen indiende, heeft niet noodzakelijk een invloed op de werkelijkheid of de gegrondheid van zijn vrees voor vervolging; de vaststelling van valse verklaringen kan inderdaad rechtmatige twijfel over de geloofwaardigheid van zijn hele asielrelaas doen rijzen. Deze vaststelling stelt de asielinstanties niet vrij om zijn gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras„ nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, het land waarvan hij de nationaliteit bezit, conform het artikel I, sectie 1, 2e paragraaf van het Verdrag van Genève te beoordelen. Er moet herhaald worden dat, onder voorbehoud van de eventuele toepassing van een uitsluitingsclausule, de kernvraag in het onderzoek van een asielaanvraag blijft of de asielzoeker al dan niet redenen heeft om voor vervolging wegens een van de motieven van het Verdrag van Genève te vrezen. De commissie stelt in dit geval vast dat de leuf(g)enachtige verklaringen van de verzoeker gaan over de periode na de gebeurtenissen die aan de basis liggen van zijn vrees voor vervolging; ze hebben geen invloed op de "chronologische mogelijkheid" en de werkelijkheid van de ingeroepen feiten van vervolging [...]"(V.B.V., n/ 05-2560/F 2506 van 27 september 2006, volledige tekst op http:/ / www.cce-rvv.be ); Dat dezelfde leerstellingen moet worden toegepast op het dossier van de eiser; Dat er bovendien moet worden vastgesteld dat er niet meer wordt getwijfeld aan de identiteit van de eiser, omdat de bestreden beslissing uitdrukkelijk bevestigd dat het door de eiser neergelegd internationaal paspoort zijn identiteit en afkomst bevestigt en dat deze heden niet ter discussie staan; Dat ook al wordt er aan de identiteit en afkomst van de eiser niet getwijfeld, dan toch moet men vaststellen dat de bestreden beslissing beweert dat de "algemene geloofwaar- digheid" van de eiser aanzienlijk op de helling zou komen te staan ; Dat er daarom niet goed kan worden begrepen wat de bestreden beslissing daarmee bedoelt, nu de identiteit en afkomst van de eiser niet in twijfel wordt getrokken en dat er niet uitdrukkelijk wordt beweerd dat er geen geloof zou worden gehecht aan de problemen uiteengezet door de eiser omwille van zijn seksuele geaardheid; Dat de bestreden beslissing namelijk omtrent zijn vrees voor vervolging omwille van zijn seksuele geaardheid verwijst naar informatie in het administratief dossier die zou moeten aantonen dat de eiser geen risico op een vervolging loopt of op ernstige schade, enerzijds omdat de situatie voor homoseksuelen in Albanië gevoelig zou veranderd zijn, de eiser onvoldoende stappen zou hebben ondernomen om bescherming te krijgen en eventueel zich in een ander deel van Albanië zou kunnen vestigen om problemen te vermijden; Dat deze motivering dus helemaal geen betrekking heeft op de intrinsieke geloofwaar- digheid van het asielrelaas van de eiser; Dat daarom niet kan worden begrepen welke consequentie wordt getrokken door de bestreden beslissing uit het feit dat de eiser een andere identiteit en andere asielmotie- ven heeft vermeld tijdens zijn eerste asielaanvraag als tijdens de tweede asielaanvraag; Dat de bestreden beslissing hieromtrent dus manifest in gebrekkig is gemotiveerd; [...]" (stuk 4, p.5-8); Dat het verzoekschrift dus uiteenzetten wat de redenen zijn voor de eiser om zijn toevlucht te hebben genomen tot een valse identiteit en valse vluchtmotieven in het kader van zijn eerste asielaanvraag ; Dat hij al zijn argumenten heeft uiteengezet in XIV-30.875-11/16 hieromtrent, namelijk zijn doodsangst en de slechte raadgevingen die hij heeft gekregen, maar ook het feit dat hij zich spijtig genoeg heeft laten misleiden door zijn angst en gebrek aan kennis van de procedures en zijn rechten in België ; Dat hij daarnaast ook rechtspraak heeft aangehaald van het Hof van Cassatie en van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen, waarbij verschillende keren is geoordeeld dat het statuut van vluchteling toch kon worden toegekend en dat er dus wel geloof kon worden gehecht aan verklaringen van een kandidaat-vluchteling ondanks valse verklaringen gedaan in het verleden ; Dat in die rechtspraak niet enkel wordt rekening gehouden met doodsangst die dergelijke valse verklaringen kan verklaren maar er werd zelfs in een beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen ( n/05-2560/ F2506 van 27 september 2006, volledige tekst op www.cce-rvv.
  10. be)zonder dat uitdrukkelijk werd verwezen naar doodsangst of een andere verklaring voor valse verklaringen die eerder werden afgelegd (zie stuk 4, p. 7); Dat in toepassing van die rechtspraak : " [...] de vaststelling van valse verklaringen kan inderdaad rechtmatige twijfel over de geloofwaardigheid van zijn hele asielrelaas doen rijzen. Deze vaststelling stelt de asielinstanties niet vrij om zijn gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras„ nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging het land waarvan hij de nationaliteit bezit, conform het artikel 1, sectie 1, 2e paragraaf van het Verdrag van Genève te beoordelen". [...]"; Dat er ook wordt verwezen naar het feit dat de identiteit van de eiser niet kan worden betwijfeld, omdat hij bewijzen voorlegt van zijn identiteit; Dat het bestreden arrest enkel vaststelt dat de eiser in zijn verzoekschrift voorhoudt dat het gebruiken van een valse identiteit was ingegeven door doodsangst, gelet op zijn vrees naar Albanië te worden teruggestuurd, zonder echter in te gaan op de uitgebreide motivering van het verzoekschrift ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen en meer in het bijzonder de rechtspraak die wordt daar wordt aangehaald ; Dat het bestreden arrest zich er toe beperkt te stellen dat de doodsangst van de eiser niet zou kunnen worden aangenomen omwille van de volgende reden die volledig onbegrijpelijk is :“[...] Het risico zich uit te geven tijdens de eerste asielaanvraag voor een persoon afkomstig uit Kosovo, die Kosovo totaal niet kent, er niet van afkomstig is en er bijgevolg geen problemen heeft gekend, impliceert dat de voorgehouden doodsangst, die hij beweert doorstaan te hebben ingevolge zijn beweerde problemen naar aanleiding van zijn seksuele geaardheid en die hij nog steeds vreest in zijn werkelijke land van herkomst, waarvan hij de nationaliteit heeft, in casu Albanië, niet kan worden aangenomen.[...]” Dat er absoluut niet kan worden begrepen wat het bestreden arrest bedoelt met "het risico zich uit te geven voor een persoon afkomstig uit Kosovo .... "(enz.) ; Dat er niet kan worden begrepen welk risico het bestreden arrest bedoelt ; Dat het bestreden arrest lijkt te menen dat de eiser een risico zou hebben genomen door zich uit te geven als een persoon afkomstig uit Kosovo, die er geen problemen heeft gekend maar blijft in gebreke te verduidelijken wat precies dit risico zou inhouden en welke invloed dit risico zou bbhen (hebben) op de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas in het kader van zijn tweede asielaanvraag ; Dat niet alleen de motivering van het bestreden arrest totaal onbegrijpelijk is, maar er wordt bovendien helemaal niet geantwoord op de argumenten aangehaald door de eiser hieromtrent en die worden beschreven in het eerste onderdeel van het verzoekschrift bij de Raad voor Vreemdelingbetwistingen, zodat het bestreden arrest een totaal gebrek aan motivering vertoont, in strijd met de artikelen 48/3 en 39/65 van de wet van 15 december 1980 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen en het artikel 149 van de Grondwet; Dat het bestreden arrest beweert in zijn overweging 2.3 dat de middelen die door de eiser worden ontwikkeld slechts besproken zullen worden in de mate dat ze betrekking zouden hebben op de motieven die in het arrest in aanmerking worden genomen, maar XIV-30.875-12/16 zelfs dit wordt niet waargemaakt door het bestreden arrest, dat er zich enkel toe beperkt vast te stellen dat de eiser voorhoudt zijn gedreven door doodsangst om valse verklaringen af te leggen in de eerste asielaanvraag ; Dat echter de eiser niet enkel die doodsangst heeft ingeroepen, maar ook het feit dat hij slechte raad heeft gekregen in België, dat hij geen idee had van wat hij in België kon verwachten bij het indienen van een asielaanvraag, gezien hij helemaal niet vertrouwd was met de Belgische samenleving en wetten ; Dat hij eveneens heeft aangehaald dat op het moment dat hij zijn eerste asielaanvraag indiende er vele problemen waren in Kosovo die tot de oorlog hebben geleid en dat hij de raad heeft gevolgd van personen waarvan hij dacht dat zij het beter wisten dan hijzelf ; Dat hij pas later de waarheid heeft naar voor gebracht en het heeft redelijk lang geduurd omdat hij zich enorm schaamde over de manier waarop hij zich heeft laten misleiden en door zijn schaamte ten aanzien van de Belgische autoriteiten voor zijn valse verklaringen; Dat het bestreden arrest helemaal niet ingaat op al deze verklaringen en argumenten die worden aangereikt door de eiser, zodat het bestreden arrest ten onrechte stelt dat de middelen door de eiser ontwikkeld besproken zouden worden in de mate dat ze betrekking hebben op de motieven die in aanmerking worden genomen in het bestreden arrest ; Dat het bestreden arrest nergens spreekt over de slechte raadgevingen die de eiser heeft gekregen, zijn schaamte ten aanzien van de Belgische autoriteiten of de reden waarom zijn doodsangst te worden teruggestuurd naar Albanië niet in aanmerking kan worden genomen om de geloofwaardigheid van zijn verklaringen te herstellen ; Dat er evenmin met een woord wordt gesproken in het bestreden arrest over de rechtspraak die de eiser heeft aangehaald waaruit blijkt dat het statuut van vluchteling alsnog kan worden toegekend, ondanks valse verklaringen of fraude gepleegd in een vroeger stadium van de asielprocedure ; Dat er helemaal niet wordt gemotiveerd waarom het bestreden arrest geen aansluiting kan maken bij deze aangehaalde rechtspraak en waarom men toch oordeelt dat in het geval van de eiser geen toepassing zou kunnen worden gemaakt van die rechtspraak ; Dat de rechtspraak die de eiser heeft aangehaald nochtans middelen en argumenten uitmaken die op evidente wijze betrekking hebben op de motieven die worden weerhouden in het bestreden arrest ; Dat om op afdoende wijze te zijn gemotiveerd het bestreden arrest ook had moeten motiveren waarom deze rechtspraak en de andere redenen aangehaald door de eiser voor zijn valse verklaringen niet zouden kunnen worden weerhouden om de geloof- waardigheid van de verklaringen van de eiser te herstellen ; Dat indien de eiser er zich moet bij neerleggen dat het bestreden arrest niet antwoordt op de argumenten en middelen aangehaald in het tweede onderdeel van zijn verzoek- schrift , niet wordt hernomen door het bestreden arrest, omdat de motivering van de beslissing van de Commissaris- generaal waarop dit tweede onderdeel in het verzoekschrift een antwoord vormt, dan kan de eiser wel eisen dat er wordt geantwoord op al zijn argumenten en middelen aangehaald in het verzoekschrift (eerste onderdeel) die betrekking hebben op het motief van de ongeloofwaardigheid waartoe wordt besloten in het bestreden arrest, omdat dit onderdeel van het verzoekschrift bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de argumenten bevat van de eiser omtrent de motivering van de beslissing van de Commissaris-generaal die ook had besloten tot de ongeloofwaardigheid van de verklaringen van de eiser omwille van zijn valse verklaringen in zijn eerste asielaanvraag en zijn valse identiteit; Dat bovendien de motivering van het bestreden arrest omtrent de aangehaalde doodsangst door de eiser onbegrijpelijk is en dus geen pertinente of afdoende motivering kan zijn ; Dat indien het bestreden arrest niet kan worden vernietigd omwille van de niet afdoende motivering, dan opent dit de deur naar nog meer arresten van de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen met onbegrijpelijke motiveringen ; XIV-30.875-13/16 Dat zelfs indien in het algemeen wordt geoordeeld dat een middel dat de soevereine beoordeling van de eerste rechter bekritiseert door te stellen dat deze "de feiten slecht zou hebben geïnterpreteerd" en zelfs "onjuistheden zou hebben begaan in de uiteenzetting ervan door ingebeelde tegenstrijdigheden te onderlijnen", kennelijk onontvankelijk is, dan nog moet de cassatie rechter instaat worden gesteld het opgedragen wettigheidstoezicht uit te oefenen ( Cass., 19 oktober 2000, Arr. Cass., 2000, 1616 en R.C. J .B., 2001, 5, noot A. MEEUS, zoals geciteerd in stuk 3 : op. cit., p. 189); Dat wanneer het determinerend motief van het bestreden arrest dat het besluit tot de ongeloofwaardigheid van de eiser, onbegrijpelijk is zo dat de Raad van State niet in staat is om het wettigheidstoezicht uit te oefenen, dan kan er niet anders dan worden vastgesteld dat er een manifest gebrek aan motivering is; Dat in het geval van de eiser, het bestreden arrest ook niet antwoordt op verschillende andere argumenten aangehaald in het verzoekschrift, zoals de aangehaalde rechtspraak, de slechte raadgevingen die hij heeft gekregen, de onkunde van de Belgische procedures en zijn schaamte tegenover de Belgische autoriteiten, maar in andere dossiers, waar het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel op formele wijze zal antwoorden op alle aangehaalde argumenten, maar zich dan wel bedient van onbegrijpelijke motiveringen, kan men toch ook niet toestaan dat deze arresten overeind blijven en niet zouden kunnen worden aangevochten voor de Raad van State; Dat indien in het onmogelijke geval de Raad van State toch in staat zou zijn om de motivering van het bestreden arrest te begrijpen, dan nog moeten worden geoordeeld dat het bestreden arrest moet worden vernietigd, omdat het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van verdediging is geschonden, nu de eiser niet de mogelijkheid heeft gehad om zich te verdedigen omtrent dit determinerend motief van het bestreden arrest, dat nergens wordt vermeld in de beslissing van de Commissariaat- generaal; Dat in toepassing van het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van verdediging de eiser de mogelijkheid moet hebben om als zijn middelen en argumenten in feite en in rechte te laten gelden ten aanzien van de redenen van weigering van het statuut van vluchteling en de subsidiaire bescherming ; Dat wanneer de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een nieuw motief of een nieuw middel zou gebruiken dat nog niet werd weerhouden door de Commissaris-generaal, dan moest hij de eiser de gelegenheid geven om ofwel hierover zijn argumenten te laten gelden op schriftelijke wijze ofwel ter terechtzitting, wat niet gebeurd is in dit geval ; Dat een andere mogelijkheid voor de tegenpartij erin bestond om de heropening van de debatten te bevelen teneinde de eiser toe te laten zijn middelen en argumenten te laten gelden teneinde zijn rechten van verdediging te vrijwaren ; Dat dit echter niet werd gedaan door de tegenpartij die in het bestreden arrest voor de eerste keer aanhaalt als reden om geen geloof te hechten aan het asielrelaas van de eiser in de tweede asielaanvraag : "Het risico zich uit te geven tijdens de eerste asielaanvraag voor een persoon afkomstig uit Kosovo, die Kosovo totaal niet kent, er niet van afkomstig is en er bijgevolg geen problemen heeft gekend, impliceert dat de voorgehou- den doodsangst, die hij beweert doorstaan te hebben ingevolge zijn beweerde problemen naar aanleiding van zijn seksuele geaardheid en die hij nog steeds vreest in zijn werkelijke land van herkomst, waarvan hij de nationaliteit heeft, in casu Albanië, niet kan worden aangenomen. [...]"; Dat de helemaal niet overeenstemt met de motivering van de beslissing van de Commissaris-generaal en de eiser dus niet de gelegenheid heeft gehad om zich te verdedigen hieromtrent, wat een manifeste schending is van zijn rechten van verdediging; Dat het bestreden arrest ook om die reden moet worden vernietigd, omwille van de schending van de rechten van verdediging van de eiser ;”; XIV-30.875-14/16 2.2. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van toelichting integraal het in zijn inleidend verzoekschrift uiteengezette middel herhaalt; 2.3. Overwegende dat wanneer de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen -zoals in het voorliggend geval- van oordeel is dat de ongeloofwaardigheid van het relaas van de vreemdeling al genoegzaam blijkt uit bepaalde bevindingen, het volkomen overbodig is het verweer in verband met de andere weigeringsmotieven van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen nog nader te onderzoeken; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet op alle gedetailleerde argumenten van de kandidaat- vluchteling dient in te gaan voor zover het arrest wel de pertinente motieven bevat waaraan de uitspraak is opgehangen; dat in casu uit de bewoordingen van het bestreden arrest genoegzaam blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen motiveert waarom verzoekers asielrelaas niet geloofwaardig is, met name omdat de problemen die verzoeker naar aanleiding van zijn tweede asielaanvraag aanhaalt volgens zijn verklaringen reeds bestonden op het ogenblik van zijn eerste asielaanvraag; dat het feit dat hij het op dat ogenblik niet nodig vond om de waarheid te vertellen en - integendeel - onder een valse naam, een valse geboortedatum en een valse nationaliteit met een verzonnen verhaal op de proppen kwam, volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de geloofwaardigheid ontkracht van het asielrelaas waarmee hij thans, naar aanleiding van zijn tweede asielaan- vraag, voor de dag komt; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als feitenrechter daarbij soeverein oordeelt of de door verzoeker aangehaalde verschoningsgronden, te weten “de slechte raadgevingen die hij heeft gekregen, de onkunde van de Belgische procedures en zijn schaamte tegenover de Belgische autoriteiten”, kunnen worden weerhouden; dat door er op te wijzen dat verzoeker tijdens zijn eerste asielaanvraag een risico heeft genomen door het verzwijgen van de waarheid, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen genoegzaam aangeeft waarom de door verzoeker aangehaalde verschoningsgronden niet in aanmerking worden genomen; dat voor zover verzoeker aanvoert dat het bestreden arrest niet ingaat op de rechtspraak die hij heeft aangehaald in zijn beroepschrift en waaruit blijkt dat ondanks valse verklaringen of fraude gepleegd in een vroeger stadium van de asielprocedure het statuut van vluchteling alsnog kan worden toegekend, dient opgemerkt dat deze rechtspraak geen bindende precedentswaarde heeft en dat andersluidende uitspraken in gelijkaardige gevallen mogelijk zijn zonder dat er sprake is van een aantasting van de rechtsgeldigheid van deze uitspraken; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dan ook niet nader diende in te gaan op de door verzoeker aangehaalde rechtspraak; dat, wat betreft de ingeroepen schending van het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van verdediging, het middel feitelijke grondslag mist, aangezien verzoeker zich wel degelijk heeft kunnen verdedigen tegen het determinerend motief nu de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de XIV-30.875-15/16 staatlozen in zijn beslissing van 14 augustus 2008 tot weigering van de vluchtelingenstatus en van de subsidiaire beschermingsstatus reeds had besloten tot de verwerping van verzoekers asielaanvraag omwille van de bedrieglijkheid ervan, en dit, onder meer, op grond van de vaststelling dat verzoeker door zijn handelen bij zijn eerste asielaanvraag de Belgische autoriteiten op intentionele wijze trachtte te misleiden; dat verzoeker derhalve niet kan worden gevolgd waar hij aanvoert dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een nieuw motief of een nieuw middel zou gebruiken dat nog niet werd weerhouden door de Commissaris-generaal; dat het enig middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien december tweeduizend en negen, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.875-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.981 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.