id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.993 Rolnummer: A. 108455/XII-3236 Zaak: Arrest 198993 - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) - 17/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-30 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-30 04:03 Fiche Arrest nr 198.993 van 17 december 2009 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 198.993 van 17 december 2009 in de zaak A. 108.455/XII-
- In zake: Jan VERMEESCH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Van Wesemael kantoor houdend te 1050 Brussel Waterloosesteenweg 412 F bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Roland Pockele-Dilles kantoor houdend te Antwerpen Stoopstraat 1, bus 13 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 3 augustus 2001, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 6 juni 2001 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen tot de definitieve administratieve sluiting van de lokalen of kamers van het pand in de Sint-Paulusplaats 7, waarin activiteiten genoemd in artikelen 58 tot en met 62 van de code van gemeentelijke politiereglementen plaats hebben. II. Verloop van de rechtspleging De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. XII-3236-1\7 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 mei
- Staatsraad Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Vincent Defraiteur, die loco advocaat Philippe Van Wesemael verschijnt voor verzoeker, en advocaat Kristine Dillen, die loco advocaat Roland Pockele-Dilles verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoeker verklaart eigenaar te zijn van een pand te Antwerpen, Sint-Paulusplaats
- Op 6 juni 2001 beslist het college van burgemeester en schepenen tot de definitieve administratieve sluiting van de lokalen of kamers die in het pand worden gebruikt voor de activiteiten genoemd in de artikelen 58 tot en met 62 van de code van gemeentelijke politiereglementen. Blijkens de formele motivering is op 22 februari 2001 en 26 mei 2001 vastgesteld dat in het pand prostitutie wordt bedreven, hetgeen wordt opgemaakt uit de gekleurde neonverlichting die aan de vitrine is aangebracht en de aanwezigheid in de vitrine van personen die enkel in lingerie gekleed zijn en trachten klanten te lokken door middel van gebaren en tekens naar voorbijgangers op de openbare weg. Deze feiten spelen zich af, aldus nog de formele motivering, buiten de zone vastgelegd bij artikel 62.1 van de code van gemeentelijke politiereglementen. In die zone, ook concentratiegebied genoemd, gelden niet de verbodsbepalingen van de artikelen 58 tot en met 62 van de code van gemeentelijke XII-3236-2\7 politiereglementen, in verband met het plegen van of aansporen tot ontucht en het zich overgeven eraan of in verband met het verhuren of onderverhuren van een huis voor een en ander. III. Ontvankelijkheid
- Volgens de memorie van antwoord is de vordering niet ontvankelijk, eensdeels, omdat verzoeker niet is ingeschreven in het handelsregister en, anderdeels, omdat hij geen wettig belang heeft.
- De eerste exceptie is volgens het auditoraatsverslag ongegrond om reden dat het verhuren van een bepaald onroerend goed “op zich niet inhoudt dat men, aldaar, ‘hetzij een hoofdinrichting, hetzij een filiaal of een bijkantoor exploiteert’ als bedoeld in [artikel 4 van het koninklijk besluit van 20 juli 1964 houdende coördinatie van de wetten betreffende het handelsregister]”. In de laatste memorie dringt verwerende partij niet echt meer op de exceptie aan, maar verklaart zij zich te richten “naar de wijsheid van de Raad van State”. De Raad van State acht het wijs de zienswijze in het auditoraatsverslag bij te vallen. De exceptie is ongegrond.
- Verwerende partij ontzegt verzoeker het wettig belang omdat hij zich zou verrijken met de exploitatie van andermans raamprostitutie. Ter staving wordt verwezen naar rechtspraak die zou aannemen dat het halen van voordeel uit andermans prostitutie strijdig is met de openbare orde of goede zeden. Artikel 62.1 van de code van gemeentelijke politiereglementen van verwerende partij houdt uitdrukkelijk in dat het verbod op onder andere raamprostitutie niet algemeen is en namelijk niet geldt in het zogenaamd concentratiegebied. Het reglement geschiktheidsverklaring raamprostitutiepand dan weer voorziet onder voorwaarden in de afgifte door het college van burgemeester en schepenen van een geschiktheidsverklaring “ter vaststelling van de geschiktheid van een constructie, gebouw of gebouwgedeelte en de inrichting daarvan voor het beoogde doel, namelijk raamprostitutiepand”. Het mag dan ook allerminst verwonderen dat verwerende partij de bestreden sluiting niet heeft opgelegd omdat XII-3236-3\7 het gebruik van het pand voor raamprostitutie principieel in strijd zou zijn met de openbare orde of de goede zeden. In de gegeven omstandigheden is verwerende partij slecht geplaatst om het gebruik van een onroerend goed voor raamprostitutie als strijdig met de morele ordening van de samenleving en met de openbare orde en goede zeden te bestempelen en kan zij niet geloofwaardig op die grond verzoekers belang bij het beroep betwisten. De tweede exceptie wordt verworpen.
- In de laatste memorie betwist verwerende partij verzoekers belang ook nog omdat verzoeker akkoord was het pand op 30 november 2001 te sluiten “zelfs zonder de bestreden beslissing van verwerende partij”. Was verzoeker weliswaar bereid het pand vrijwillig te sluiten op 30 november 2001, uit niets blijkt dat hij dat ook al in juni 2001 wou. Nochtans heeft hij de bestreden sluiting reeds van dan af moeten ondergaan. Zoals overigens uit de formele motivering blijkt, adviseerde de politie juist tot de bestreden beslissing “[a]angezien de eigenaar weigert over te gaan tot vrijwillige sluiting”. De exceptie in de laatste memorie wordt eveneens verworpen. V. De grond van de zaak Standpunt van de partijen
- Verzoeker voert in een eerste middel onder meer de schending van de hoorplicht aan. Toegelicht wordt onder andere dat het bestreden besluit verzoekers pand sluit zonder dat hem de gelegenheid is geboden zijn standpunt op nuttige wijze te laten kennen, terwijl de genomen maatregel hem nochtans ernstig treft en het stadsbestuur niet uiteenzet welke hoogdringende omstandigheden een onmiddellijk optreden tegen zijn pand konden verantwoorden.
- Verwerende partij reageert in de memorie van antwoord en de laatste memorie in essentie dat er te dezen geen sprake is van een hoorplicht, dat de bestreden beslissing het logische en ook het enig mogelijke gevolg is van de XII-3236-4\7 dwingende bepalingen in de code van gemeentelijke politiereglementen, en dat verzoeker nooit uitdrukkelijk gevraagd heeft om gehoord te worden. Beoordeling
- De bestreden beslissing legt verzoeker de administratieve sanctie van de definitieve sluiting van zijn instelling op wegens overtreding van de verbodsbepalingen in artikelen 58 tot en met 62 van de code van gemeentelijke politiereglementen, in verband met de vrijwaring van de openbare zedelijkheid en de openbare rust in verband met de ontucht en de prostitutie. Een dergelijke beslissing is van die aard dat ze, krachtens een beginsel van behoorlijk bestuur, in principe niet rechtmatig kan worden opgelegd indien de betrokkene niet voorafgaandelijk in de gelegenheid is gesteld om op nuttige wijze voor zijn standpunt op te komen. De verplichting tot horen is niet afhankelijk van een voorafgaand verzoek daartoe -voor zoveel al mogelijk- van de betrokkene.
- Dat verzoeker niet hoefde te worden gehoord omdat een definitieve sluiting de enig mogelijke, minstens zinvolle, maatregel was die kon worden opgelegd, “vermits het pand gelegen is buiten het concentratiegebied”, wordt niet aangenomen. Zoals verwerende partij in de laatste memorie immers zelf aangeeft, is de sluiting en verzegeling van een raamprostitutiepand slechts de ultieme stap, nadat de eigenaar in gebreke bleef gevolg te geven aan onder meer een waarschuwing en verzoek om de activiteit stop te zetten. Als zelfs al van een waarschuwing en simpel verzoek een nuttig effect wordt verwacht, ziet de Raad niet in waarom een tijdelijke sluiting in voorkomend geval een maatregel zou zijn die tegen elke logica ingaat. Dat een andere mogelijkheid dan de definitieve sluiting -waarvoor tijdens een hoorzitting zou kunnen worden gepleit- denkbaar is, blijkt overigens ook genoegzaam uit de eigen houding van verwerende partij in de zaak die tot het arrest nr. 198.992 van 17 december 2009 leidde. In die zaak was de verboden terbeschikkingstelling aan de orde van een hotel voor prostitutie, in een woonbuurt XII-3236-5\7 en in de omgeving van twee scholen. Verwerende partij beperkte de administratieve sluiting tot drie maanden, en wel omdat “tijdens de hoorzitting naar voren [was] gekomen dat de eigenaars bereid zijn om te onderzoeken of een gewone hoteluitbating niet mogelijk is, eventueel zelfs een andere bestemming” en omdat het, precies vanwege die intentieverklaring ter hoorzitting, raadzaam leek om “de eigenaars alsnog de kans te geven om een ernstig en haalbaar voorstel te formuleren”. Het blijkt niet dat te dezen verwerende partij in een geval verkeerde waarin zij zich van de hoorplicht ontslagen mocht achten.
- Het middel is in de besproken mate gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van 6 juni 2001 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen tot de definitieve administratieve sluiting van de lokalen of kamers van het pand in de Sint-Paulusplaats 7, waarin activiteiten genoemd in artikelen 58 tot en met 62 van de code van gemeentelijke politiereglementen plaats hebben.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 173,53 euro. XII-3236-6\7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 17 december 2009, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert van Haegendoren, staatsraad, met bijstand van Silja Doms, griffier. De griffier, De voorzitter, Silja Doms Dierk Verbiest XII-3236-7\7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.993 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div