id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.994 Rolnummer: A. 114631/XII-3387 Zaak: Arrest 198994 - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) - 17/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-30 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:03 Fiche Arrest nr 198.994 van 17 december 2009 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 198.994 van 17 december 2009 in de zaak A. 114.631/XII-3387 In zake:
- Danny VEREECKE
- Mireille KITENGE KALEMA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Van Heuven kantoor houdend te Kortrijk President Kennedypark 6/24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Roland Pockele-Dilles kantoor houdend te Antwerpen Stoopstraat 1, bus 13 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 5 februari 2002, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 5 december 2001 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen tot onmiddellijke definitieve sluiting van de lokalen of plaatsen die in het pand Oudemanstraat 27 bestemd zijn voor raamprostitutie. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 102.488 van 10 januari 2002 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekers hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. XII-3387-1\7 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 mei
- Staatsraad Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tim Vermeir, die verschijnt voor verzoekers, en advocaat Kristine Dillen, die loco advocaat Roland Pockele-Dilles verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoekers verklaren eigenaar te zijn van een pand te Antwerpen, Oudemanstraat
- Op 5 december 2001 beslist het college van burgemeester en schepenen tot de onmiddellijke definitieve sluiting van de lokalen of plaatsen die in het pand bestemd zijn voor raamprostitutie. In de formele motivering wordt in de eerste plaats erop gewezen dat er sinds de aanvulling van hoofdstuk IV van de code van gemeentelijke politiereglementen op 27 januari 2001 een concentratiegebied is afgebakend waar raamprostitutie wordt gedoogd en dat als gevolg hiervan het college kan beslissen XII-3387-2\7 om raamprostitutiepanden die niet in de Verversrui, de Vingerlingstraat en de Schipperstraat gelegen zijn te sluiten. Daarna wordt uiteengezet dat de politie op 4 september 2001 vaststelde dat het pand Oudemanstraat 27 gebruikt wordt als raamprostitutiepand, dat één van de eigenaars in verband hiermee op 4 september 2001 een aangetekende brief heeft gekregen, en dat de politie op 26 oktober 2001 vaststelde dat de gekleurde neonverlichting nog waarneembaar was en een prostituee in de vitrine zat. Vervolgens wordt onder meer geargumenteerd: “De stad heeft [met de aanvulling van de code van gemeentelijke politiereglementen] bij de burger de verwachting gewekt dat buiten het concentratiegebied geen raamprostitutie meer zal voorkomen. De burger verwacht van de stad dat aan vastgestelde overtredingen en misstanden een bestuurlijk vervolg wordt gegeven ter handhaving van het beleid. Om de uitvoering van de integrale aanpak prostitutie mogelijk te maken, en om het handhavingsbeleid niet in het gedrang te brengen, is een sluiting van het raamprostitutiepand gelegen in de Oudemanstraat 27 dan ook aangewezen. Om te voorkomen dat na verloop van tijd de raamprostitutie weer zou opduiken in dit pand dat gelegen is buiten het concentratiegebied, is het aangewezen om de sluiting definitief te maken. Uit de vaststellingen van de politie blijkt dat de betrokken eigenaar, ondanks uitdrukkelijke waarschuwing, niet vrijwillig overgaat tot stopzetting van het gebruik van zijn pand voor raamprostitutie. Aangezien de administratieve sluiting van het pand een logische maatregel is die voortvloeit uit de feitelijke vaststellingen, is volgens de rechtspraak van de Raad van State de stad ontslagen van de hoorplicht. Het college kan de administratieve sluiting van het pand onmiddellijk bevelen”. IV. Ontvankelijkheid
- Volgens de memorie van antwoord is de vordering niet ontvankelijk, eensdeels, omdat verzoekers niet zijn ingeschreven in het handelsregister en niet het nummer van hun inschrijving in het verzoekschrift vermelden en, anderdeels, omdat zij een onwettig en ongeoorloofd belang nastreven.
- De eerste exceptie is volgens het auditoraatsverslag ongegrond om reden dat het verhuren van een bepaald onroerend goed “op zich niet inhoudt dat men, aldaar, ‘hetzij een hoofdinrichting, hetzij een filiaal of een bijkantoor exploiteert’ als bedoeld in [artikel 4 van het koninklijk besluit van 20 juli 1964 houdende coördinatie van de wetten betreffende het handelsregister]”. XII-3387-3\7 In de laatste memorie dringt verwerende partij niet echt meer op de exceptie aan, maar verklaart zij zich te richten “naar de wijsheid van de Raad van State”. De Raad van State acht het wijs de zienswijze in het auditoraatsverslag bij te vallen. De exceptie is ongegrond.
- Verwerende partij ontzegt verzoekers het wettig belang omdat zij zich zouden verrijken met de exploitatie van andermans raamprostitutie. Ter staving wordt verwezen naar rechtspraak die zou aannemen dat het halen van voordeel uit andermans prostitutie strijdig is met de openbare orde of goede zeden. Artikel 62.1 van de code van gemeentelijke politiereglementen van verwerende partij houdt uitdrukkelijk in dat het verbod op onder andere raamprostitutie niet algemeen is en namelijk niet geldt in het zogenaamd concentratiegebied. Binnen dat gebied mogen, blijkens het reglement geschiktheidsverklaring raamprostitutiepand dat verwerende partij op 19 juni 2000 aannam, eigenaars hun pand aan raamprostituees verhuren op voorwaarde dat zij beschikken over een door het college te verlenen geschiktheidsverklaring. Het mag dan ook allerminst verwonderen dat verwerende partij de bestreden sluiting niet heeft opgelegd omdat de verhuring met het oog op raamprostitutie principieel in strijd zou zijn met de openbare orde of de goede zeden, maar om het enkele feit dat het raamprostitutiepand van verzoekers buiten het afgebakende concentratiegebied gelegen is. In de gegeven omstandigheden is verwerende partij slecht geplaatst om de verhuring van een onroerend goed voor raamprostitutie als strijdig met de morele ordening van de samenleving en met de openbare orde en goede zeden te bestempelen en kan zij niet geloofwaardig op die grond het belang van verzoekers bij het beroep betwisten. De tweede exceptie wordt verworpen.
- Tevergeefs betwist verwerende partij ter terechtzitting ook nog het actueel karakter van het belang, om reden dat het college van burgemeester en schepenen op 23 maart 2007 besloot de aangevochten administratieve sluiting op te XII-3387-4\7 heffen nadat verzoekers meedeelden het gebruik van het pand als raamprostitutiepand te willen beëindigen. Deze opheffing geldt immers alleen voor de toekomst en verandert er niets aan dat verzoekers de sluiting tot dan effectief hebben moeten ondergaan. V. De grond van de zaak Standpunt van de partijen
- Verzoekers voeren in een eerste middel onder meer de schending van de hoorplicht aan. Toegelicht wordt onder andere dat verwerende partij ten onrechte meent van de naleving ervan ontslagen te zijn, dat de sanctie van de administratieve sluiting facultatief is, dat de stad de keuze heeft tussen de tijdelijke en de definitieve sluiting, dat volgens de Raad van State de hoorplicht ruim te interpreteren is, en dat zelfs wanneer een bepaald feit onbetwistbaar zou zijn, maar de overheid de keuze heeft tussen verschillende maatregelen en zij kiest voor de zwaarste maatregel, de hoorplicht moet worden nageleefd.
- Verwerende partij reageert in de memorie van antwoord en de laatste memorie in essentie dat er te dezen geen sprake is van een hoorplicht, dat de bestreden beslissing het logische en ook het enig mogelijke gevolg is van de dwingende bepalingen in de code van gemeentelijke politiereglementen, en dat verzoekers nooit uitdrukkelijk gevraagd hebben om gehoord te worden. Beoordeling
- De bestreden beslissing legt verzoekers de administratieve sanctie van de definitieve sluiting van hun instelling op wegens overtreding van de verbodsbepalingen in artikelen 58 tot en met 62 van de code van gemeentelijke politiereglementen, in verband met de vrijwaring van de openbare zedelijkheid en de openbare rust in verband met de ontucht en de prostitutie. Een dergelijke beslissing is van die aard dat ze, krachtens een beginsel van behoorlijk bestuur, in principe niet rechtmatig kan worden opgelegd indien de betrokkene niet voorafgaandelijk in de gelegenheid is gesteld om op nuttige wijze voor zijn standpunt op te komen. XII-3387-5\7 De verplichting tot horen is niet afhankelijk van een voorafgaand verzoek daartoe -voor zoveel al mogelijk- van de betrokkene.
- Dat verzoekers niet hoefden te worden gehoord omdat een definitieve sluiting de enig mogelijke, minstens logische, maatregel was die kon worden opgelegd, “vermits het pand gelegen is buiten het concentratiegebied”, wordt niet aangenomen. Zoals verwerende partij in de laatste memorie immers zelf aangeeft, is de sluiting en verzegeling van een raamprostitutiepand slechts de ultieme stap, nadat de eigenaar in gebreke bleef gevolg te geven aan onder meer een waarschuwing en verzoek om de activiteit stop te zetten. Als zelfs al van een waarschuwing en simpel verzoek een nuttig effect wordt verwacht, ziet de Raad niet in waarom een tijdelijke sluiting in voorkomend geval een maatregel zou zijn die tegen elke logica ingaat. Dat een andere mogelijkheid dan de definitieve sluiting -waarvoor tijdens een hoorzitting zou kunnen worden gepleit- denkbaar is, blijkt overigens ook genoegzaam uit de eigen houding van verwerende partij in de zaak die tot het arrest nr. 198.992 van 17 december 2009 leidde. In die zaak was de verboden terbeschikkingstelling aan de orde van een hotel voor prostitutie, in een woonbuurt en in de omgeving van twee scholen. Verwerende partij beperkte de administratieve sluiting tot drie maanden, en wel omdat “tijdens de hoorzitting naar voren [was] gekomen dat de eigenaars bereid zijn om te onderzoeken of een gewone hoteluitbating niet mogelijk is, eventueel zelfs een andere bestemming” en omdat het, precies vanwege die intentieverklaring ter hoorzitting, raadzaam leek om “de eigenaars alsnog de kans te geven om een ernstig en haalbaar voorstel te formuleren”. Het blijkt niet dat te dezen verwerende partij in een geval verkeerde waarin zij zich van de hoorplicht ontslagen mocht achten.
- Het middel is in de besproken mate gegrond. XII-3387-6\7 BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van 5 december 2001 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen tot onmiddellijke definitieve sluiting van de lokalen of plaatsen die in het pand Oudemanstraat 27 bestemd zijn voor raamprostitutie.
- De stad Antwerpen wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 17 december 2009, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert van Haegendoren, staatsraad, met bijstand van Silja Doms, griffier. De griffier, De voorzitter, Silja Doms Dierk Verbiest XII-3387-7\7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.994 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.102.488 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div