← België

Arrest 198996 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 17/12/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.996 Rolnummer: A. 178216/XII-4915 Zaak: Arrest 198996 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 17/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-30 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 04:03 Fiche Arrest nr 198.996 van 17 december 2009 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 198.996 van 17 december 2009 in de zaak A. 178.216/XII-

  1. In zake : Nathalie BRABANTS, woonplaats kiezend te Gingelom, Dokter Kempeneersstraat 116 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door de scholengroep Zuid-Limburg 13, dat woonplaats kiest bij advocaat M. Stommels, kantoor houdende te Antwerpen, Amerikalei 220, bus
  2. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Natalie Brabants op 31 oktober 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “- de beslissing van onbekende datum om verzoekster niet langer in dienst te houden als TADD-er (tijdelijke aanstelling doorlopende duur) voor het schooljaar 2006-2007 in een betrekking met als vak AV Nederlands in de instelling KA Tongeren. Dit is de eerste bestreden beslissing. - de beslissing van onbekende datum om Bert Vangertruijden als TADD-er aan te stellen in de betrekking AV Nederlands 8 uur ASO 3e graad en 13 uur ASO 2e graad vanaf 1 september 2006 tot en met 30 juni
  3. Dit is de tweede bestreden beslissing. - De impliciete weigering om verzoekster in dienst te houden als TADD-er in de betrekking AV Nederlands 8 uur ASO 3e graad en 13 uur ASO 2e graad vanaf 1 september 2006 tot en met 30 juni
  4. Deze impliciete weigering vormt de derde bestreden beslissing en volgt uit de tweede bestreden beslissing”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste-auditeur afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-4915-1\16 Gelet op de beschikking van 8 oktober 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 november 2009; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. Swartenbroeckx, die loco advocaat I. Martens verschijnt voor verzoekster, en van advocaat J. Fransen, die loco advocaat M. Stommels verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
  5. Verzoekster, op dat ogenblik tijdelijk aangesteld voor doorlopende duur (TADD) aan het KA Tongeren voor de vakken AV Nederlands

(16u)en AV Media
(4u)in de derde graad van het ASO, wordt bij beslissing van 14 oktober 2004 van de raad van bestuur van scholengroep 13 - Zuid-Limburg - van het Gemeenschapsonderwijs met onmiddellijke ingang bij hoogdringendheid preventief geschorst, beslissing die op 15 november 2004, na een hoorzitting, door de raad van bestuur wordt bevestigd en op 7 april 2005 wordt verlengd. Op 24 maart 2005 wordt lastens verzoekster een tuchtprocedure opgestart, die na een hoorzitting op 26 april 2005, op 21 mei 2005 leidt tot de beslissing van de raad van bestuur, met toepassing van artikel 69 van het rechtspositiedecreet van 27 maart 1991 (decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs), aan de raad van beroep voor te stellen verzoekster de tuchtstraf van de schorsing voor de duur van één jaar op te leggen. Op 13 juni 2005 tekent verzoekster tegen voornoemd voorstel van tuchtstraf beroep aan bij de raad van beroep. XII-4915-2\16 1.2. Op 1 september 2005 wordt verzoeksters opdracht als TADD bepaald op 8 uur AV Nederlands ASO, tweede graad, en 12 uur AV Nederlands, ASO, derde graad. Verzoekster tekent de melding van het opdrachtenpakket op 20 september 2005 voor kennisname, zonder opmerkingen. Op 15 oktober 2005 wordt deze opdracht aangepast en wordt verzoekster tot 30 juni 2006 als TADD aangesteld voor 20 uren “pedagogische coördinatie”, “gelijkgesteld vak : AV Nederlands ASO” aan het KA Tongeren. Het betreft nog steeds 8 uur ASO, tweede graad en 12 uur ASO, derde graad. Verzoekster ondertekent de melding van haar gewijzigde opdrachtenpakket ditmaal “voor niet akkoord - bezwaarschrift wordt ingediend” maar van een latere betwisting is geen spoor. De opdracht van verzoekster wordt nader omschreven als het uitwerken van de vakoverschrijdende eindtermen voor het vak Nederlands tweede en derde graad secundair onderwijs, rekening houdend met een differentiatie naar de verschillende studierichtingen. Ook dit document, met bijgaand haar nieuwe uurrooster in de vestigingsplaats Borgloon, tekent verzoekster op 17 oktober 2005 “voor niet akkoord - voor ontvangst”. Volgens verwerende partij “nam [verzoekster] toch de betrekking op in de vestigingsplaats Borgloon”. 1.3. Op 23 november 2005 beslist de raad van beroep het beroep van verzoekster ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond te verklaren en haar de tuchtstraf van de schorsing bij tuchtmaatregel voor de duur van zeven maanden op te leggen. 1.4. Naar verwerende partij verklaart krijgt verzoekster eind november 2005 een aanstelling als lector aan de Xios Hogeschool, aanstelling die naderhand voor het schooljaar 2006-2007 wordt verlengd. 1.5. Op 1 december 2005 beslist de raad van bestuur de beslissing van 23 november 2005 van de raad van beroep uit te voeren. 1.6. Vanaf 1 september 2006 worden de uren pedagogische coördinatie waarin verzoekster tijdens het schooljaar 2005-2006 was aangesteld niet meer ingericht, volgens verwerende partij “door afschaffing van deze betrekking bij gebrek aan extra lestijden uit de scholengemeenschap”. XII-4915-3\16 Bij schrijven van 8 en 19 september 2006 wordt aan verzoekster als TADD zowel in het KTA Sint-Truiden (voltijds) als in het KTA 2 Tongeren (deeltijds) een betrekking van leraar AV Nederlands en Engels aangeboden (TSO en BSO). Op geen van beide voorstellen blijkt verzoekster te zijn ingegaan. 1.7. Zijnerzijds wordt Bert Vangertruijden vanaf 1 september 2005 aangesteld voor 8 uur AV Nederlands ASO, tweede graad, en 12 uur AV Nederlands, ASO, derde graad en dit “ter vervanging van mevr. Vandenbosch A. TBS pensioencommissie”. Hij wordt vanaf 1 september 2006 tot 30 juni 2007 aangesteld als leraar AV Nederlands aan het KA Tongeren en dit nog steeds als TADD “ter vervanging van mevr. Vandenbosch A. TBS pensioencommissie”. Het betreft ditmaal 8 uur ASO, derde graad, en 13 uur ASO, tweede graad. De ontvankelijkheid en het voorwerp van het beroep 2.1. Verwerende partij werpt op dat er geen expliciete beslissing is om verzoekster voor het schooljaar 2006-2007 niet langer als TADD-er aan te stellen en dat haar integendeel twee aanbiedingen werden gedaan waaronder een voltijdse betrekking. Verwerende partij betoogt dat verzoekster geen prioriteiten kan laten gelden op een welbepaalde specifieke betrekking in het KA Tongeren, zodat het beroep met betrekking tot de eerste bestreden beslissing “dan ook” niet ontvankelijk is. Volgens verwerende partij geldt dezelfde redenering voor de tweede en de derde bestreden beslissing omdat B. Vangertruijden “minstens dezelfde prioriteiten als verzoekster” had en het bestuur dus de mogelijkheid had om aan verzoekster de betrekking in Sint-Truiden aan te bieden en aan B. Vangertruijden de betrekking aan het KA Tongeren. 2.2. Verzoekster preciseert in de memorie van wederantwoord dat het beroep wat de eerste bestreden beslissing betreft, handelt over de weigering om haar nog langer aan te stellen in KA Tongeren, wat overigens precies blijkt uit het gegeven dat haar betrekkingen werden aangeboden in andere instellingen. Zij stelt voorts dat zij als TADD-gerechtigde wel degelijk prioriteit kan laten gelden op welbepaalde specifieke betrekkingen in het XII-4915-4\16 KA Tongeren en dat zij voorrang had op B. Vangertruijden aangezien zij reeds aangesteld was als TADD sedert het schooljaar 2005-2006. 2.3. Gelet op de door verzoekster gegeven precisering moet het beroep in zijn drie onderdelen zo begrepen worden dat het specifiek is gericht tegen beslissingen met betrekking tot welbepaalde betrekkingen aan het KA Tongeren. Aldus houdt de opgeworpen exceptie verband met de grond van de zaak, aangezien verzoekster in het enig middel precies aanvoert op een aanstelling van doorlopende duur in een welbepaalde betrekking aanspraak te mogen maken, minstens met voorrang op B. Vangertruijden. De bespreking van het enig middel leidt dan ook tot verdere precisering van het voorwerp van het beroep, zoals hierna zal blijken. De gegrondheid van het beroep Uiteenzetting van het middel 3.1. In het enig middel voert verzoekster de schending aan van artikel 23 van het rechtspositiedecreet van 27 maart 1991 en van “het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur”. Zij betoogt : “Verzoekster was reeds in het schooljaar 2004-2005 en 2005-2006 aangesteld als TADD-er in het vak AV Nederlands in de instelling KA Tongeren. Op 1 september 2006 zijn er 8u ASO 3de graad en 13u ASO 2de graad AV Nederlands in het KA Tongeren. Gelet op het feit dat verzoekster reeds aangesteld was als TADD-er in het vak AV Nederlands in het schooljaar 2004-2005 en 2005-2006 in KA Tongeren en voor het schooljaar 2006-2007 voldoende uren ingericht werden om verzoekster in dienst te houden als TADD-er, moesten deze uren aan verzoekster toegekend worden. De directie van het KA Tongeren beslist op onbekende datum om dhr. Vangertruijden aan te stellen, die op 1 september 2006 zijn recht op TADD heeft verworven. Tijdens het schooljaar 2005-2006 had dhr. Vangertruijden nog geen tijdelijke aanstelling van doorlopende duur (bijlage 6). Dit maakt dat verzoekster niet langer aangesteld is in KA Tongeren terwijl er uren AV Nederlands ingericht worden die binnen de draagwijdte van haar recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur vallen. Deze ingreep van de directie is een inperking van het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, dat maakt dat er van doorlopendheid geen sprake meer is. Tevens houdt dit een schending in van artikel 23 van het decreet betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 vermits aan geen van de voorwaarden om een einde te stellen aan een aanstelling van doorlopende duur is voldaan”. XII-4915-5\16 3.2. In de memorie van wederantwoord stelt verzoekster dat haar betrekking en opdracht op 15 oktober 2005 enkel wijzigde in de zin dat de uren werden geput uit pedagogische coördinatie en dat “op geen enkele manier aangegeven [wordt] dat de betrekking/opdracht van 1 september 2005 in weze[n] een andere betrekking of opdracht zou zijn dan deze van 15 oktober 2005”. Dat verzoekster reeds eind november 2005 “haar opdracht als pedagogisch coördinator van de ene op de ander[e] dag in de steek liet zonder zelfs de directie te verwittigen” is volgens verzoekster een niet relevant punt omdat het thans niet meer tegen haar gebruikt kan worden. Dat andere betrekkingen werden aangeboden noemt zij eveneens niet relevant omdat de vraag is of zij in dienst kon worden gehouden in een betrekking als leraar SO voor het vak AV Nederlands in het KA Tongeren. Welnu, dat was het geval want in casu voldeed de betrekking van B. Vangertruijden aan de gestelde voorwaarden “om de doorlopendheid van het TADD-recht van verzoekster te respecteren”. Overigens erkent verzoekster in de memorie van wederantwoord dat een TADD geen recht geeft op “exact dezelfde betrekking”, zoals ook “een vast benoemd personeelslid zijn betrekking jaarlijks ziet wijzigen (zolang de inrichtende macht de draagwijdte van de vaste benoeming respecteert)”. Volgens verzoekster heeft het schoolbestuur ten onrechte gebruik willen maken van artikel 23, h, van het rechtspositiedecreet om een einde te stellen aan haar TADD. De directeur heeft daarbij bovendien verzaakt aan de motiveringsplicht die expliciet is opgenomen in artikel 21bis, § 14, van het rechtspositiedecreet. Verzoekster betoogt voorts dat een TADD betekent dat een aanstelling over de schooljaren heen doorloopt indien er voldoende uren beschikbaar zijn binnen de instelling : zij moest dan ook in dienst worden gehouden vooraleer B. Vangertruijden aangesteld kon worden als TADD. Verwerende partij gaat uit van de volgens haar verkeerde premisse dat zij en B. Vangertruijden even TADD- gerechtigd geweest zouden zijn. Zij is immers aangesteld sedert het schooljaar 2005- 2006 in een vacante betrekking, B. Vangertruijden is pas TADD sedert het schooljaar 2006-2007. De motieven van de tuchtsanctie doen niets terzake volgens verzoekster. 3.3. In de laatste memorie argumenteert verzoekster nog uitvoerig dat de betrekking van B. Vangertruijden van 1 september 2006 dezelfde betrekking was als haar betrekking van 15 oktober 2005 : het is volgens de definitie van artikel 3, XII-4915-6\16 10/, van het rechtspositiedecreet immers dezelfde concrete werkgelegenheid in een bepaald ambt (leraar SO), in een instelling (KA Tongeren), uitgedrukt in een bepaald aantal prestatie-eenheden per week, met vermelding van het onderwijsniveau (SO), het vak (AV Nederlands), de graad (tweede en derde graad) en de onderwijsvorm (ASO). Het enige verschil wordt bepaald door het aantal uren dat wordt gepresteerd (8+13 tegenover 8+12) omdat indien er tien uren of meer worden gepresteerd in de derde graad, 20u volstaan voor een voltijdse opdracht en er anders 21u gepresteerd moeten worden. Verzoekster meent dan ook dat de betrekking van 15 oktober 2005 en de betrekking van 1 september 2006 dezelfde betrekkingen zijn zodat de betrekking van 15 oktober 2005 niet werd afgeschaft en artikel 23 van het rechtspositiedecreet werd geschonden vermits aan geen van de voorwaarden om een einde te stellen aan een TADD is voldaan. Wettelijk kader 4.1. Artikel 21bis van het rechtspositiedecreet, zoals toepasselijk ten tijde van de bestreden beslissingen en voor zover relevant voor de beoordeling van het voorliggende beroep, bepaalt over de tijdelijke aanstelling en meer bepaald de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur wat volgt : “§ 1. Dit artikel is van toepassing op de personeelsleden en de instellingen van het basisonderwijs en het secundair onderwijs die tot een scholengemeenschap behoren. § 2. Een tijdelijke aanstelling in een instelling kan gebeuren in een vacante en/of niet vacante betrekking voor een bepaalde of voor een doorlopende duur. De tijdelijke aanstelling van doorlopende duur is een recht onder de voorwaarden van dit artikel. § 3. Een personeelslid heeft recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur indien het in één of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap : 1/ gespreid over ten minste drie schooljaren een dienstanciënniteit heeft van ten minste 720 dagen, waarvan 600 effectief gepresteerd, waarbij eveneens worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen : zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voorzover deze binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 210 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen. 2/ als laatste evaluatie geen beoordeling of evaluatie met de eindconclusie ‘onvoldoende’ heeft verkregen. Indien het personeelslid niet werd beoordeeld of geëvalueerd, wordt deze voorwaarde geacht voldaan te zijn; 3/ niet werd ontslagen. Het recht geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen : 1/ in de instellingen van dezelfde scholengemeenschap ongeacht het net; 2/ in de instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep; XII-4915-7\16 3/ in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren. Het personeelslid dat een beroep wenst te doen op het recht van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur moet, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgend schooljaar, vóór 15 juni bij de raad van bestuur, kandideren met een ter post aangetekende brief. Als het personeelslid in één of meer instellingen van de scholengroep een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dit vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt. Het recht op tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden bedoeld in hoofdstuk Vbis voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor zij een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. § 4. De anciënniteit bedoeld in § 3 wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid zijn recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laat gelden. Voor de toepassing van dit artikel wordt de anciënniteit in afwijking van artikel 4, berekend op basis van prestaties : [...] § 5. Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor dat ambt waarin de in § 3 bedoelde anciënniteit is verworven en waarvoor het personeelslid het vereiste bekwaamheidsbewijs of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. Is de in § 3 bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar, dan geldt dit recht voor dit ambt en voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. Is de in § 3 bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar voor een vak of een specialiteit waarvoor het personeelslid een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit, dan geldt dit recht voor dit ambt, dit vak of deze specialiteit en daarenboven ook voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. § 6. Een personeelslid dat krachtens § 5 recht verworven heeft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, verliest dit recht in het betrokken ambt wanneer hij vervolgens vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in één of meer instellingen van de scholengemeenschap. § 7. [...] § 8. Een personeelslid kan het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laten gelden voor elke vacature die in de loop van het schooljaar ontstaat, op voorwaarde dat hij nog niet is aangesteld voor een voltijdse betrekking of geen voltijdse betrekking heeft waarvan hij titularis is. § 9. Wanneer de directeur over verscheidene vacatures beschikt, moet hij bij voorrang betrekkingen die definitief vacant zijn toewijzen aan personeelsleden met een recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. § 10. Vastbenoemde personeelsleden die in één of meer instellingen van de scholengemeenschap een betrekking met onvolledige prestaties in hoofdambt hebben, komen prioritair en in de hieronder vermelde volgorde in aanmerking voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, voor zover van toepassing : 1/ in instellingen van dezelfde scholengemeenschap; 2/ in instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep; 3/ in instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren. § 11.[...] XII-4915-8\16 § 12. Behoudens andersluidende overeenkomst met de directeur en op straffe van verlies van zijn recht op de aangeboden betrekking, moet het personeelslid dat zijn recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur doet gelden, die betrekking in haar geheel aanvaarden, zoals ze wordt aangeboden. Die bepaling is niet van toepassing op de personeelsleden die binnen de scholengemeenschap een niet-voltijdse betrekking uitoefenen en deze opdracht willen uitbreiden. De toepassing van deze paragraaf mag niet leiden tot onverantwoorde pedagogische opsplitsing van de te begeven opdracht. § 13. Indien een personeelslid met recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur de aanstelling van een ander personeelslid betwist, geeft de directeur inzage van de administratieve documenten van het personeelslid waarvan hij de aanstelling betwist. § 14. De directeur moet de beëindiging van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur steeds schriftelijk motiveren en meedelen aan het personeelslid”. 4.2. Voor zoveel als te dezen van belang zou kunnen zijn, bepaalt artikel 23 van het rechtspositiedecreet : “Een tijdelijke aanstelling in een wervingsambt eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg voor het geheel of een deel van de opdracht : [...]
  1. e)uiterlijk op het einde van het schooljaar of de leergang waarvoor de aanstelling werd gedaan, onverminderd de toepassing van de reglementering inzake reaffectatie en wedertewerkstelling. Deze bepaling is eveneens van toepassing ten aanzien van de personeelsleden die werden aangeworven overeenkomstig de voorheen bestaande rechtspositieregeling. Ze is evenwel niet van toepassing op de personeelsleden die tijdelijk zijn aangesteld voor doorlopende duur; [...]
  2. h)door afschaffing van de betrekking; [...]
  3. j)voor de personeelsleden die werden aangesteld met miskenning van de in artikel 21 of 21bis bedoelde voorrangsregels”. 4.3. Tenslotte is het nuttig voor een goed begrip van de aangehaalde bepalingen, ook de in artikel 3 van het rechtspositiedecreet gegeven definities van “ambt”, “betrekking” en “opdracht” in herinnering te brengen, aangezien “ambt” en “betrekking” begrippen zijn waaraan de decreetgever voor de toepassing van het rechtspositiedecreet duidelijk een onderscheiden betekenis heeft gegeven : “9/ een ambt : een functie die in de onderwijssector wordt uitgeoefend en door de Gemeenschap wordt gefinancierd. De Vlaamse regering stelt de verschillende ambten vast en maakt een indeling in wervings-, selectie- en bevorderingsambten. Zolang de Vlaamse regering geen uitvoering heeft verleend aan deze bepaling blijft de bestaande reglementering van kracht; 10/ een betrekking : de concrete werkgelegenheid in een bepaald ambt in een instelling, uitgedrukt in een door de inrichtende macht bepaald aantal prestatie-eenheden per week en, indien het een onderwijsopdracht betreft, met vermelding van het onderwijsniveau, het vak en de specialiteit ervan of een XII-4915-9\16 ermede gelijkgestelde activiteit, en in voorkomend geval, de graad of cyclus en de onderwijsvorm of de opleidingsvorm. [...] Een betrekking kan volledig of onvolledig zijn. Een volledige betrekking stemt overeen met het aantal prestatie-eenheden vereist voor een ambt met volledige prestaties. [...] 12/ opdracht van een personeelslid : aantal prestatie-eenheden per week door een personeelslid verricht in een bepaald ambt in een instelling en, indien het een onderwijsopdracht betreft, in een bepaald onderwijsniveau, in een bepaald vak en de specialiteit ervan of een ermede gelijkgestelde activiteit, en in voorkomend geval, de graad of cyclus en de onderwijsvorm of de opleidingsvorm. De prestatie-eenheid is de basiseenheid die voor een bepaald ambt door de Vlaamse regering wordt vastgesteld”. Beoordeling 5. Het begrip “tijdelijke aanstelling van doorlopende duur” of TADD wordt in artikel 21bis van het rechtspositiedecreet in twee betekenissen gebruikt. Er is, vooreerst, het recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur voor wie een bepaalde dienstanciënniteit heeft verworven. Dit recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur wordt verworven in een “ambt”, zo blijkt onder meer uit artikel 21bis, § 3, vierde lid, en § 5. Reeds bij de bespreking van de exceptie is gebleken dat onder deze invalshoek verzoeksters rechten door verwerende partij niet zijn miskend, aangezien wel degelijk aan verzoekster voor het desbetreffende schooljaar twee betrekkingen in het ambt van leraar, waaronder een voltijdse, aangeboden werden voor een aanstelling van doorlopende duur. Verzoekster betwist dit overigens niet, het is haar immers enkel te doen om een betrekking in het KA Tongeren. 6. Dat brengt dan de tweede betekenis van TADD naar de voorgrond, te weten de effectieve aanstelling waardoor het recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur wordt geconcretiseerd. Die tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geschiedt luidens artikel 21bis, § 2, in een welbepaalde vacante of niet-vacante betrekking. Als die betrekking wordt afgeschaft, vervalt luidens artikel 23, h, van het rechtspositiedecreet de aanstelling in die betrekking. Het doet het betrokken personeelslid evenwel niet het recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verliezen -in het ambt- en het personeelslid mag aanspraak maken op andere aanstellingen in vacante of niet-vacante betrekkingen. Zoals de Raad van State ook reeds overwoog in zijn arrest Koninckx, nr. 115.128, van 28 januari 2003, verliest een personeelslid dat een XII-4915-10\16 bepaalde betrekking weigert in de ene instelling, niet het voorrangsrecht op een TADD-aanstelling in een betrekking in een andere instelling. Verwerende partij wordt bijgevolg niet bijgevallen, als zou verzoekster haar recht op TADD in het KA Tongeren verloren hebben door niet in te gaan op de aangeboden betrekkingen in andere instellingen van de scholengroep. Uit artikel 21bis, § 3, vierde lid, van het rechtspositiedecreet volgt ook dat verzoekster ingevolge haar eerste aanstelling van doorlopende duur, niet meer uitdrukkelijk moet kandideren, maar dat zij geacht wordt een “over de schooljaren doorlopende” kandidaat te zijn “voor dat ambt”. 7. Verzoekster wordt niet bijgevallen in haar betoog, dat haar betrekking van 15 oktober 2005 de betrekking is waarin B. Vangertruijden op 1 september 2006 is aangesteld. De tijdelijke aanstelling waar verzoekster na de wijziging van haar opdrachtenpakket op 15 oktober 2005 in was aangesteld, was een betrekking pedagogisch coördinator en dit vanaf 15 oktober 2005 tot 30 juni 2006. Die aanstelling draagt wel de vermelding “Gelijkgesteld vak : AV Nederlands”, maar het betreft geen effectieve aanstelling voor welbepaalde uren in een welbepaalde graad of klas, zoals blijkt uit de opdrachtbepaling die verzoekster -weze het “voor niet akkoord”- op 17 oktober 2005 heeft ondertekend. Ze valt derhalve formeel te onderscheiden van een aanstelling in een betrekking die daadwerkelijk te presteren en gepresteerde lesopdrachten in welbepaalde klassen betreft. B. Vangertruijden fungeerde zijnerzijds op datzelfde ogenblik wél in een dergelijke betrekking, namelijk in 8 uren AV Nederlands ASO tweede graad en 12 uren AV Nederlands derde graad. Meer nog : verzoekster en B. Vangertruijden, tijdens het schooljaar 2005-2006 beiden aangesteld in het KA Tongeren, hadden daar elk een betrekking. B. Vangertruijden is dan op 1 september 2006 opnieuw aangesteld in de welbepaalde betrekking die hij reeds het vorige schooljaar had, telkenmale “ter vervanging van mevr. Vandenbosch A., TBS pensioencommissie”, met als verschil dat hij vanaf 1 september 2006 TADD is. Het enkele feit dat hij in die betrekking een enigszins gewijzigd opdrachtenpakket had, maakt er geen andere betrekking van, zoals verzoekster zelf heeft uiteengezet in haar laatste memorie. Het argument dat hij zou zijn aangesteld in de “oude” betrekking van verzoekster, faalt bijgevolg. XII-4915-11\16 Van een weigering om verzoekster voor het schooljaar 2006-2007 “in dienst te houden” in de betrekking van B. Vangertruijden (derde bestreden beslissing) is bijgevolg geen sprake, aangezien verzoekster vertrekt van het feitelijk verkeerd uitgangspunt dat zij het was die in die betrekking op 15 oktober 2005 fungeerde. 8. Van een beslissing om verzoekster voor het schooljaar 2006-2007 niet langer “in dienst te houden met als vak AV Nederlands in de instelling KA Tongeren” (eerste bestreden beslissing) is er evenmin sprake, nu verzoekster het schooljaar ervoor aangesteld was als pedagogisch coördinator. Verwerende partij licht daaromtrent toe hoe die uren pedagogisch coördinator tijdens dat schooljaar wel, en het er op volgende schooljaar niet meer beschikbaar waren. Verzoekster ontkracht niet die feitelijke toelichting, maar noemt ze in de memorie van wederantwoord enkel irrelevant “aangezien de betwisting niet handelt over het feit of de betrekking als pedagogisch coördinator nog kon worden ingericht”. Volgens verzoekster is de vraag enkel of zij “in dienst [kon] worden gehouden in een betrekking als leraar SO voor het vak AV Nederlands in het KA Tongeren”, wat het geval blijkt te zijn in casu in “de betrekking van dhr. Vangertruijden”. Ook in de laatste memorie gaat verzoeksters aandacht voluit naar de vergelijking van haar eerdere betrekking met de welbepaalde betrekking van B. Vangertruijden. Het beroep van verzoekster is aldus niet gericht tegen de beslissing waarbij verwerende partij weigert haar als TADD “in dienst te houden” als pedagogisch coördinator. 9. Verzoekster refereert in haar stukken enkel aan het opdrachtenpakket dat voor het schooljaar 2006-2007 de betrekking van B. Vangertruijden bepaalt, namelijk 13u ASO tweede graad en 8u ASO derde graad. Dat voor een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur nog andere betrekkingen met een ander opdrachtenpakket beschikbaar waren wordt niet beweerd en is niet aangetoond, zodat wordt vastgesteld dat het beroep enkel ontvankelijk is voor wat de tweede bestreden beslissing betreft. In acht genomen de toelichting van het middel en de navolgende memories is de Raad van State bovendien in zoverre welwillend dat wordt aangenomen dat verzoekster spijts de ongelukkige formulering van de eerste en de derde bestreden beslissing in termen als “in dienst te houden” XII-4915-12\16 eigenlijk geacht moet worden ook de uit de tweede beslissing blijkende weigering aan te vechten om haar aan te stellen in de betrekking die aan B. Vangertruijden is aangeboden. 10.1. Uit de aanstelling van B. Vangertruijden blijkt dat er tijdens het schooljaar 2006-2007 alleszins uren AV Nederlands beschikbaar zijn waarvoor ook verzoekster op grond van artikel 21bis, § 3, vierde lid, van het rechtspositiedecreet geacht moet worden haar recht op TADD te doen gelden. Blijft dus de vraag of verzoekster terecht aanvoert dat haar “recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur” is geschonden door die betrekking niet aan haar maar wel aan B. Vangertruijden aan te bieden. 10.2. Tijdelijke personeelsleden die het recht op een tijdelijke aan- stelling van doorlopende duur hebben laten gelden hebben voorrang op personeelsleden die geen recht hebben op TADD. Tussen TADD-personeelsleden onderling stelt het rechtspositiedecreet evenwel geen volgorde op en beschikt het schoolbestuur over een beoordelingsvrijheid. De Raad van State ziet geen reden waarom de toenmalige minister van onderwijs het niet bij het rechte eind zou hebben wanneer hij daarover op 6 oktober 2005 in de commissie voor Onderwijs, Vorming, Wetenschap en Innovatie van het Vlaams Parlement in antwoord op een vraag om uitleg volgende toelichting gaf (Handelingen Commissievergadering C13 - OND2 - 6 oktober 2005, p. 4-6) : “[...] een personeelslid kan zijn voorrangsrecht laten gelden voor alle betrekkingen in het ambt waarvoor hij TADD-rechten heeft [...] Het recht op TADD geldt voor alle betrekkingen binnen de instellingen van een scholengemeenschap. Afwijkingen op deze basisrechten zijn niet toegestaan. Tussen de TADD-gerechtigden onderling bestaat geen voorrangsregeling. Het schoolbestuur heeft dus - bij voorkeur op basis van geobjectiveerde criteria - de vrije keuze om binnen de groep TADD-gerechtigden te kiezen. Het staat de schoolbesturen dan ook vrij om, na behoorlijk syndicaal overleg of onderhandelingen, bijkomende interne selectiecriteria te hanteren in het geval er meerdere voorrangsgerechtigde personeelsleden zijn. Deze bijkomende criteria mogen echter nooit afbreuk doen aan de statutair bepaalde voorrangsregels”. Terecht wijst de minister op “geobjectiveerde” criteria die de “vrije keuze” van het schoolbestuur moeten leiden. Dat tussen TADD-personeelsleden door het schoolbestuur vrij gekozen mag worden, geeft laatstgenoemde nog geen vrijgeleide tot willekeur. XII-4915-13\16 10.3. De hogere anciënniteit waarop verzoekster zich beroept is zeker een objectief criterium van onderscheid om tussen concurrenten een keuze te maken. Het is echter niet het enig mogelijke en in rechte aanvaardbare, objectieve criterium. De pedagogische weerslag van de aanstelling is dat eveneens en is, zelfs, in zoverre een relevant aandachtspunt bij het aanbieden van betrekkingen dat de decreetgever er zélf op heeft gealludeerd in artikel 21bis, § 12, van het rechtspositiedecreet. Verzoekster wijst op het gegeven dat zij reeds langer tot de TADD personeelscategorie behoorde en dus aangesteld moest “blijven” terwijl B. Vangertruijden nog aangesteld moest “worden”. Er wordt evenwel niet betwist dat B. Vangertruijden op het ogenblik van zijn aanstelling ook het recht verworven had op een aanstelling van doorlopende duur. Uit statutair oogpunt waren beiden op 1 september 2006 TADD-gerechtigd en was beider voorrang dus gelijkwaardig. Hiervoor is ook reeds uiteengezet dat de betrekking waarvan nog sprake niet de betrekking was waarin verzoekster zou aangesteld “blijven” maar dat het integendeel B. Vangertruijden is die in de betrekking aangesteld zou “blijven”, thans als TADD. Door geen doorslaggevend belang te geven aan het criterium anciënniteit is de bestreden beslissing zoals gezien niet onregelmatig, noch uit het oogpunt van het rechtspositiedecreet, noch uit het oogpunt van de -door verzoekster weliswaar niet expliciet aangevoerde- motiveringsplicht. Verzoekster geeft geen andere tegenargumenten, dan het gegeven dat zij reeds fungeerde in dezelfde betrekking. Dat argument is maar in zoverre correct, dat zij reeds fungeerde als TADD, maar in een andere betrekking. Gewis is dit een element dat relevantie vertoont. Maar het personeelsbeleid dat aan het schoolbestuur is opgedragen sluit niet uit dat tot een andere afweging wordt gekomen. Uit het voorliggende dossier blijkt nu net dat het schoolbestuur rekening hield met de aan verzoekster opgelegde tuchtsanctie en dat het daarom van mening was dat verzoekster beter ingezet kon worden in een andere instelling van de scholengroep. Dat dit op de belangen van het onderwijs en op het dienstbelang gesteunde motief ondeugdelijk is blijkt niet spontaan, en wordt hoe dan ook door verzoekster niet aangetoond. Dat verzoekster tot twee maal toe plotsklaps elders aan de slag is gegaan -waarbij zij niet tegenspreekt dat zij die postverlating niet eens zelf heeft meegedeeld aan verwerende partij- is destijds weliswaar zonder sanctie gebleven. Het is niettemin een feitelijk gegeven dat ook mee in de afweging mocht worden betrokken aan wie welke betrekking zou worden aangeboden. Beide motieven vermogen dan ook te XII-4915-14\16 verantwoorden dat de uren in Tongeren werden aangeboden aan B. Vangertruijden terwijl aan verzoekster -binnen haar recht op TADD voor de betrekkingen in de instellingen van de scholengemeenschap (artikel 21bis, § 3, tweede lid, van het rechtspositiedecreet) dat geldt voor het ambt van leraar en voor alle vakken en specialiteiten waarvoor zij het vereiste bekwaamheidsbewijs bezit (artikel 21bis, § 5, tweede lid)- uren in het KTA Sint-Truiden of in het KTA 2 Tongeren werden aangeboden. 11. Het enig middel is niet gegrond. 12. In de memorie van wederantwoord stelt verzoekster dat de directeur heeft verzaakt aan de motiveringsplicht bij de beëindiging van een TADD zoals die is voorgeschreven door artikel 21bis, § 14, van het rechtspositiedecreet. Voor zover verzoekster hiermee de schending van de formele-motiveringsplicht als een nieuw middel zou willen aanvoeren moet worden vastgesteld dat deze kritiek laattijdig is, aangezien ze al in het inleidend verzoekschrift kon -en dus moest- worden opgeworpen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. XII-4915-15\16 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien december 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4915-16\16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.996 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.