id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.999 Rolnummer: A. 185035/XII-5195 Zaak: Arrest 198999 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 17/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-30 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:03 Fiche Arrest nr 198.999 van 17 december 2009 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 198.999 van 17 december 2009 in de zaak A. 185.035/XII-
- In zake : Guy VANDEGEHUCHTE, die woonplaats kiest bij advocaat M. Deckx, kantoor houdende te Halle, Kasteelbrakelsesteenweg 702 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door de scholengroep 2, dat woonplaats kiest bij advocaat P. Van Gheem, kantoor houdende te Antwerpen, Emiel Banningstraat
- ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Guy Vandegehuchte op 3 september 2007 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 19 juni 2007 waarbij de algemeen directeur van scholengroep 2 van het Gemeenschapsonderwijs hem een definitieve beoordeling “onvoldoende” geeft; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 8 oktober 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 november 2009; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-5195-1\7 Gehoord de opmerkingen van advocaat M. Deckx, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat P. Cools, die loco advocaat P. Van Gheem verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
- Verzoeker is tijdens het schooljaar 2006-2007 tijdelijk aangesteld als leraar SO aan het KTA Kapellen. Op 27 maart 2007 kent de directeur van de betrokken school hem een beoordeling “onvoldoende” toe. Op 2 april 2007 tekent verzoeker bij de directeur bezwaar aan tegen deze beoordeling. Op 19 april 2007 beslist het college van directeurs van scholen- groep 2 van het Gemeenschapsonderwijs om de algemeen directeur te belasten met het onderzoek van de door de directeur gegeven beoordeling en het toekennen van een nieuwe beoordeling. Op 24 mei en nogmaals op 7 juni 2007 woont de algemeen directeur een les van verzoeker bij. Bij een ter post aangetekend schrijven van 11 juni 2007 wordt verzoeker uitgenodigd om op 18 juni 2007 te worden gehoord. Verzoeker verschijnt niet op de hoorzitting van 18 juni
- XII-5195-2\7 1.
- Op 19 juni 2007 beslist de algemeen directeur als tweede evaluator de beoordeling “onvoldoende” te behouden. Bij een ter post aangetekend schrijven van 3 juli 2007 wordt het beoordelingsverslag van de algemeen directeur aan verzoeker medegedeeld. De gegrondheid van het beroep
- In het inleidend verzoekschrift voert verzoeker twee middelen aan. In de laatste memorie merkt verzoeker op aangaande het tweede middel, dat het afhangt van het onderzoek van het eerste middel en dat hij zich naar de wijsheid van de Raad van State gedraagt. Deze verklaring kan enkel zo worden begrepen dat verzoeker geen bijkomend heil verwacht van een beoordeling van het tweede middel, dat slechts gegrond kan zijn indien ook het eerste middel gegrond is. Waar hij aldus zichzelf belang bij het middel ontzegt, wordt er hierna ook geen rekening mee gehouden en wordt dan ook enkel het eerste middel onderzocht. Uiteenzetting van het eerste middel
- Het eerste middel is geput uit de schending van artikel 22, § 2, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs (hierna : rechtspositiedecreet), doordat (eerste onderdeel) het tweede evaluatieverslag, tegelijk de definitieve beoordeling “onvoldoende” zijnde, werd opgesteld buiten de termijn van dertig dagen na de verzending door het instellingshoofd van het eerste beoordelingsverslag en het bezwaar van het betrokken personeelslid aan de algemeen directeur en die termijn als een vervaltermijn dient te worden aangemerkt, en doordat (tweede onderdeel), gesteld zelfs dat het hier een ordetermijn zou betreffen, de definitieve beoordeling “onvoldoende” niet binnen een redelijke termijn werd genomen. Verzoeker argumenteert dat het onderzoek door de algemeen directeur afgesloten moest worden met een beoordelingsverslag “tegen uiterlijk 9 juni 2007”. Het stilzitten van het bestuur na het verstrijken van de termijn betekent een positieve uitkomst voor de betrokkene en heeft tot gevolg dat de tweede beoordelaar zijn bevoegdheid verliest. Subsidiair merkt verzoeker op dat de eindbeslissing slechts werd genomen op 19 juni 2007 en hem werd betekend op 3 juli 2007, zodat die quasi verdubbeling van de termijn zonder dat er XII-5195-3\7 noemenswaardige redenen voorhanden zijn doet besluiten tot de overschrijding van de redelijke-termijneis. In de memorie van wederantwoord argumenteert verzoeker dat impliciet uit het rechtspositiedecreet kan worden afgeleid dat de voorliggende dertigdagentermijn een vervaltermijn betreft : een beoordelingsverslag dat na dertig dagen niet wordt besloten met de conclusie “onvoldoende” vervangt immers de beoordeling “onvoldoende” die initieel werd gegeven. De decreetgever stond dus een positieve uitkomst voor ogen voor de tijdelijke leerkracht die wordt beoordeeld, bij het uitblijven van een beoordelingsverslag dat de “onvoldoende” bevestigt. Een positieve uitkomst moet worden verondersteld wanneer een beoordelingsverslag de eerder gegeven “onvoldoende” niet bevestigt binnen dertig dagen. Bovendien, zo merkt verzoeker op, is de termijn van zeven dagen waarover hij zelf beschikt een vervaltermijn en het zou niet getuigen van behoorlijk bestuur als in eenzelfde procedure de termijn waaraan het bestuur zich moet houden met ruim twee maanden kan worden overschreden. Subsidiair merkt verzoeker nog op dat zelfs als rekening wordt gehouden met de paasvakantie, de termijn nog steeds onredelijk blijft. Verzoeker blijft in de laatste memorie op het standpunt dat hij afleidt uit artikel 22, § 2, van het rechtspositiedecreet. Het gebruik van het werkwoord dat de handeling in kwestie weergeeft, vervoegd in de tegenwoordige tijd -“wordt”-, wijst conform de beginselen van wetgevingstechniek op een verplichting. De termijnvereiste betreft dan ook een absoluut bindende bepaling. Verzoeker vergelijkt nu ook het optreden van de algemeen directeur als tweede evaluator met het administratief toezicht om hieruit af te leiden dat de termijnen strikt moeten worden uitgelegd. Beoordeling
- Artikel 22, § 2, van het rechtspositiedecreet bepaalt : “Het tijdelijk personeelslid dat de vermelding ‘onvoldoende’ heeft bekomen, kan hiertegen binnen zeven kalenderdagen na kennisneming gemotiveerd bezwaar aantekenen bij het instellingshoofd van de instelling waar het de vermelding heeft gekregen. Het instellingshoofd zendt het beoordelingsverslag samen met het bezwaar binnen zeven kalenderdagen na de ontvangst van het bezwaar aan de algemeen directeur. Binnen de zeven kalenderdagen na die verzending wijst het college van directeurs iemand aan om een onderzoek ter plaatse in te stellen. Daarvoor kan een beroep worden gedaan op de centrale diensten van XII-5195-4\7 het Gemeenschapsonderwijs, met inbegrip van de pedagogische begeleidingsdienst. Het betrokken personeelslid wordt gehoord, tenminste behoorlijk opgeroepen. Het onderzoek wordt binnen dertig kalenderdagen na de verzending zoals hierboven bedoeld, afgesloten met een beoordelingsverslag. Als dit beoordelingsverslag niet wordt besloten met de conclusie ‘onvoldoende’, vervangt het de beoordeling die door het instellingshoofd werd gegeven”. 5.
- Wat de vervaltermijn in wezen van de ordetermijn onderscheidt, is dat het overschrijden ervan bevoegdheidsverlies meebrengt voor de overheid om alsnog op te treden. Dit verschil in sanctie doet geen afbreuk eraan dat zowel verval- als ordetermijnen juridisch bindend zijn. Zo kan ook een overschrijding van een ordetermijn tot een aansprakelijkheidsvordering tegen de overheid aanleiding geven. Het in laatste memorie aan de regels der wetgevingstechniek ontleend argument faalt dan ook: dat een verslag naar de wil van de decreetgever binnen dertig dagen “wordt” -en dus “moet worden”- opgesteld, leert op zich niets bij over de vraag of het dan om een verval- of ordetermijn gaat. 5.
- Gezien de strengheid van de sanctie die aan het overschrijden van een vervaltermijn kleeft, kan de toepassing van die rechtsfiguur in een welbepaald geval niet zonder meer worden vermoed : in beginsel dient in de betrokken wettekst formeel en op onbetwistbare wijze te worden gestipuleerd dat het overschrijden van de termijn voor het bestuur bevoegdheidsverlies meebrengt om naderhand die rechtshandeling nog te stellen die de bedoelde regel beoogt. Dit gevolg is in het decreet niet te lezen, zelfs niet “impliciet” in de laatste zin van het derde lid dat enkel aangeeft dat “dit beoordelingsverslag” -dat er in principe moet zijn binnen dertig dagen- de eerste beoordeling vervangt indien het niet besluit met de conclusie “onvoldoende”. Die laatste volzin regelt dus niet de gevolgen van het stilzitten van het bestuur, maar integendeel de gevolgen van een beoordelingsverslag dat ter dege is gerealiseerd. Het eerste middelonderdeel is ongegrond. 5.
- Uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker op 2 april 2007 een bezwaarschrift indiende, dat in de beschouwde periode een paasvakantie is te situeren van twee weken, dat het college van directeurs op 19 april 2007 de tweede evaluator heeft aangeduid, dat de algemeen directeur een eerste les heeft bijgewoond die niet zinvol tot een voor verzoeker gunstige beoordeling kon leiden omdat er enkel een film werd vertoond, dat de algemeen directeur bijgevolg een tweede les XII-5195-5\7 heeft bijgewoond wat voor verzoeker een nieuwe kans betekende, dat de tweede evaluator daags na de tweede les op 8 juni 2007 een rapport opstelde, dat verzoeker op 11 juni 2007 werd uitgenodigd voor een hoorzitting op 18 juni 2007 en dat het definitief beoordelingsverslag dateert van 19 juni
- Volgens verzoeker was op 18 juni 2007 de redelijke termijn reeds overschreden. Dat doet de vraag rijzen of hij dit bezwaar niet moest laten gelden op de hoorzitting en of, door zulks na te laten, hij niet het recht heeft verbeurd om dit middelonderdeel nog voor de Raad van State aan te voeren. Hoe dan ook oordeelt de Raad van State dat in de concrete omstandigheden zoals hiervoor geschetst, een beslissing van 19 juni 2007 die volgens verzoeker uiterlijk op 9 juni 2007 moest vallen, niet onredelijk laattijdig genoemd kan worden. Ook het tweede onderdeel moet worden verworpen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-5195-6\7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien december 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-5195-7\7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.999 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.