id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.000 Rolnummer: A. 185987/VII-37997 Zaak: Arrest 199000 - Wapens - 17/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-30 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-30 04:03 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(
- en)DE Fiche Arrest nr 199.000 van 17 december 2009 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : heropening debatten prejudiciële vraag Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 199.000 van 17 december 2009 in de zaak A. 185.987/XII-5279 In zake: Marcel LAMBRECHTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jacques Bruneel kantoor houdend te Antwerpen Amerikalei 22 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Antwerpen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 19 november 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 24 september 2007 van de gouverneur van de provincie Antwerpen waarbij de aanvraag van Marcel Lambrechts tot het verkrijgen van vergunningen tot het voorhanden hebben van vuurwapens niet wordt ingewilligd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten heeft een verslag opgesteld. De verzoeker en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2009. XII-5279-1\8 Staatsraad Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Thomas Bruneel, die loco advocaat Jacques Bruneel verschijnt voor de verzoeker, en attaché Inge Verrezen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Ten gevolge van de inwerkingtreding van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens (hierna: de wapenwet) vraagt verzoeker vijf vergunningen aan tot het voorhanden hebben van vuurwapens. Twee aanvragen betreffen jacht- en sportwapens die vóór de nieuwe wapenwet niet vergunningplichtig waren. De andere aanvragen betreffen drie verweervuurwapens waarvoor hij in 1998 en 2000 vergunningen had verkregen. Op 6 december 2006 geeft de lokale politie te Antwerpen een ongunstig advies. Uit het bijgevoegd inlichtingenbulletin blijkt dat verzoeker bij vonnis van 25 juni 1998 door de correctionele rechtbank te Antwerpen werd veroordeeld wegens onder meer valsheid in geschrifte en het gebruik van valse stukken. Met het bestreden besluit van 24 september 2007 weigert de gouverneur van de provincie Antwerpen de vergunningen op grond van de volgende redenen : “Overwegende dat de artikelen 11, § 3, 2/ en 44, § 2 van voormelde wet bepalen dat een vergunning slechts wordt verleend aan iemand die niet is veroordeeld als dader of medeplichtige van één van de misdrijven bedoeld in artikel 5, § 4, 1/ tot 4/; Overwegende dat de aanvrager een dergelijke veroordeling heeft opgelopen; Overwegende dat de korpschef van de lokale politie een ongunstig advies verleent met betrekking tot de aanvraag”. XII-5279-2\8 IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4. Verwerende partij werpt op dat overeenkomstig artikel 30 van de wapenwet tegen besluiten van de gouverneur tot weigering van wapenvergunningen beroep kan worden ingesteld bij de minister van Justitie. Volgens de verwerende partij is het huidig beroep dan ook onontvankelijk omdat “de minister niet werd gevat en dus nog geen uitspraak heeft gedaan”. Beoordeling 5. Artikel 30, eerste lid, van de wapenwet luidt : “Beroep staat open bij de minister van Justitie of bij zijn gemachtigde in geval van het ontbreken van een beslissing van de gouverneur binnen de in artikel 31 bedoelde termijnen, of tegen de beslissingen van de gouverneur tot weigering, beperking, schorsing of intrekking van een erkenning, een vergunning of een recht, behalve tegen beslissingen inzake onontvankelijke aanvragen”. Tegen de beslissingen van de gouverneur over onontvankelijke aanvragen kunnen de betrokkenen derhalve beroep tot nietigverklaring instellen bij de Raad van State zonder vooraf een beroep bij de minister van Justitie te moeten indienen. 6. De bestreden beslissing weigert de vergunningen omdat verzoeker een veroordeling heeft opgelopen als bedoeld in artikel 5, § 4, 1/ tot 4/, van de wapenwet. Luidens dit artikel 5, § 4, zijn de aanvragen van personen die een dergelijke veroordeling hebben opgelopen “onontvankelijk”. Niettegenstaande in de bestreden beslissing niet uitdrukkelijk wordt vermeld dat de aanvragen van verzoeker onontvankelijk zijn, gaat het te dezen derhalve toch niet om een beslissing waartegen overeenkomstig artikel 30, eerste lid, van de wapenwet beroep bij de minister van Justitie of bij zijn gemachtigde open staat. XII-5279-3\8 In artikel 4 van de bestreden beslissing wordt dan ook terecht vermeld dat tegen deze beslissing beroep kan worden ingesteld bij de Raad van State. 7. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van het enig middel Standpunt van de partijen 8. Verzoeker voert de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de door hem ingediende aanvraag tot het verkrijgen van vergunningen tot het voorhanden hebben van bepaalde vuurwapens door de gouverneur van de provincie Antwerpen werd afgewezen op grond van de artikelen 11, § 3, 2/, en 44, § 2, van de wapenwet, terwijl de voorwaarde ingeschreven in voormelde artikelen bij de beoordeling van zijn aanvraag buiten toepassing diende te worden gelaten om reden van ongrondwettigheid. Door dit niet te doen is het afwijzend besluit van de gouverneur van de provincie Antwerpen zelf ook behept met een ongrondwettigheid en moet het bijgevolg nietig worden verklaard. Verzoeker licht het middel als volgt toe: “Dat artikelen 11, § 3, 2/ en 44, § 2 inderdaad bepalen dat een vergunning slechts wordt verleend aan iemand die niet is veroordeeld als dader of medeplichtige van één van de misdrijven bedoeld in artikel 5, § 4, l/ tot 4/; Dat aldus overeenkomstig artikel 11, § 3, 2/ juncto artikel 5, § 4, 2/,
- b)van de wapenwet personen die veroordeeld zijn wegens een van de misdrijven bepaald in de artikelen 101 tot 135quinquies, 193 tot 214, é tot 236, 269 tot 274, 313, 322 tot 331, 336, 337, 344, 345, 347bis, 392 tot 415, 423 tot 442, 461 tot 488, 510 tot 518 en 520 tot 525 van het Strafwetboek; Dat door het inschrijven van deze voorwaarde in het licht van het doel van de wet een niet te verantwoorden onderscheid wordt ingevoerd tussen, enerzijds, personen die veroordeeld zijn wegens één van de misdrijven van het Strafwetboek dewelke zijn opgenomen in artikel 5, § 4, 2/,
- b)van de wapenwet en, anderzijds, personen die veroordeeld zijn wegens andere misdrijven van het Strafwetboek dan deze die opgenomen zijn in artikel 5, § 4, 2/,
- b)van de Wapenwet; Dat immers in de memorie van toelichting van de wapenwet te lezen staat dat het doel van de wet is “de risico's voor de openbare orde tot het minimum te herleiden” (Parl.St., 2263/001, p. 23) en dat aldus de openbare orde en de veiligheid in de samenleving voorop staat, zodat het enigzins logisch voorkomt dat een persoon die veroordeeld is voor een gewelddadig misdrijf en die aldus zijn gewelddadige natuur heeft laten kennen niet meer in aanmerking komt voor het verkrijgen van een vergunning voor een wapen; XII-5279-4\8 Dat de lijst met misdrijven onder artikel 5, § 4, 2/,
- b)van de wapenwet echter willekeurig is samengesteld en bijgevolg helemaal niet beantwoordt aan de finaliteit van de wet; Dat door de inschrijving van deze lijst men tot de, in het licht van het doel van de wet, paradoxale vaststelling komt dat een persoon die veroordeeld is geweest wegens valsheid in geschrifte (en dan nog wel in juni 1998), anno juni 2007 niet in aanmerking komt voor het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben van een wapen, terwijl een persoon die bijvoorbeeld veroordeeld is geweest wegens een ernstige schending van het internationaal humanitair recht (titel Ibis Strafwetboek) of wegens één der terroristische misdrijven (titel Iter Strafwetboek) wél een vergunning zou kunnen krijgen; Dat er door de wetgever dan ook geen aandacht is geweest voor het doel van de wet bij het opstellen van deze lijst, zodat er totaal geen verhouding is tussen de eventuele risico's voor de openbare orde en de misdrijven van het Strafwetboek dewelke wel of niet vermeld worden in artikel 5, § 4, 2/,
- b)van de Wapenwet; Dat, doordat er geen redelijke verantwoording bestaat voor het hoger beschreven verschil in behandeling, staat het dan ook vast dat de artikelen 5, 11 en 44 van de wapenwet een schending inhouden van het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel, zoals neergeschreven in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet; Dat het verzoeker dan ook gepast voorkomt hiervan bevestiging te verkrijgen bij wege van prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof”. 9. Verwerende partij werpt in de memorie van antwoord vooreerst tegen dat de gouverneur niet bevoegd is om de wet aan de Grondwet te toetsen, dat hij bijgevolg verplicht is om artikel 5, § 4, 2/, b), van de wapenwet toe te passen, los van de eventuele strijdigheid ervan met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, dat artikel 5, § 4, 2/, b), van de wapenwet de overname is van een bepaling van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie (artikel 1, § 2, 2/, b), dat een eventueel verzoek aan het Grondwettelijk Hof om dit artikel wegens strijdigheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te vernietigen niet meer mogelijk is, dat het Grondwettelijk Hof de strijdigheid van de wapenwet met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet heeft onderzocht en in het arrest nr. 154/2007 van 19 december 2007 (punten B.34 tot B.74) enkel de strijdigheid van de artikelen 11, § 3, 9/, en 29, § 1, lid 2, 1/, heeft vastgesteld, en dat het Grondwettelijk Hof in dit arrest het principe aanvaardt dat de wapenwet personen van het verkrijgen van een vergunning uitsluit (zie punt B.59.2). Verwerende partij voert voorts aan dat de bedoeling van artikel 5, § 4, 2/, b), is dat men de appreciatie over het eventueel toestaan van vergunningen opheft, vermits de wet expliciet stelt dat vergunningen in de voorziene gevallen niet afgegeven kunnen worden, dat de twee door verzoeker aangevoerde niet beoogde gevallen (misdrijf van internationaal humanitair recht en misdrijf van terrorisme) echter boven alle twijfel verheven zijn, dat de evidentie immers wil dat in deze XII-5279-5\8 gevallen geen vergunning tot het voorhanden hebben van vuurwapens wordt verleend, dat daarentegen in de hypothesen van voormeld artikel er twijfel over de afgifte van een vergunning zou kunnen bestaan, welke twijfel de wet heeft opgeheven door de afgifte van een vergunning uitdrukkelijk uit te sluiten, dat het voorkomen van die twijfel over het eventueel toestaan van vergunningen een objectieve en redelijke basis vormt voor artikel 5, § 4, 2/, b), en dat het uitsluiten van categorieën van personen “in de juiste relatie tot het opheffen van appreciatie over het eventueel toestaan van vergunningen” staat. 10. In de laatste memorie betoogt verwerende partij nog dat de in de lijst van artikel 5, § 4, 2/, b), opgenomen misdrijven niet uitsluitend inbreuken moeten zijn die te maken hebben met geweld, dat ook wie veroordeeld is voor valsheid in geschrifte en bedrieglijke bankbreuk niet langer kan worden vertrouwd met betrekking tot het bezit van wapens en vooral de bijhorende documenten, dat een eventuele vervalsing van een vergunning of een ander wettelijk document met betrekking tot een wapen immers een groot gevaar is voor de openbare orde, dat wapens zo kunnen overgaan van het legale naar het illegale circuit en omgekeerd, waarbij allerlei misbruiken mogelijk worden met vervalste documenten, en dat de filosofie die achter de meer vermelde lijst zit, is dat wapens niet in handen mogen komen van personen die al hebben getoond dat ze agressief ingesteld zijn of niet terugdeinzen voor geweld, noch van personen van wie de betrouwbaarheid in twijfel mag worden getrokken. Beoordeling 11. Verzoeker vraagt een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Grondwettelijk Hof over de verenigbaarheid van de artikelen 11, § 3, 2/, en 44, § 2, juncto artikel 5, § 4, 2/, b), van de wapenwet met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De relevante bepalingen van artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof luiden: “§ 1. Het Arbitragehof doet, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak bij wege van arrest op vragen omtrent : [...] 3/ de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel van de artikelen van titel II ‘De Belgen en hun rechten’, en de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet. [...] § 2. Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechtscollege, dan moet dit college het Arbitragehof verzoeken op deze vraag uitspraak te doen. XII-5279-6\8 Het rechtscollege is daartoe echter niet gehouden : 1/ wanneer de zaak niet door het betrokken rechtscollege kan worden behandeld om redenen van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid, tenzij wanneer die redenen ontleend zijn aan normen die zelf het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag; 2/ wanneer het Arbitragehof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met een identiek onderwerp”. 12. De omstandigheid dat de termijn om tegen de wapenwet vernietigingsberoep bij het Grondwettelijk Hof in te stellen is verstreken, vormt geen beletsel om een prejudiciële vraag aan het Hof te stellen. Het blijkt voorts niet dat het Grondwettelijk Hof zich reeds heeft uitgesproken over een vraag of een beroep met een identiek onderwerp, in de zin van voormeld artikel 26, § 2, tweede lid, 2/. Wat het door verwerende partij ingeroepen arrest nr. 154/2007 van 19 december 2007 betreft, wordt met verzoeker vastgesteld dat het geen uitspraak doet over de grondwettigheid van het door verzoeker aangeklaagde onderscheid tussen, enerzijds, personen die veroordeeld zijn wegens één van de misdrijven van het Strafwetboek die zijn opgenomen in artikel 5, § 4, 2/, b), van de wapenwet en, anderzijds, personen die veroordeeld zijn wegens andere misdrijven vermeld in het Strafwetboek. Ten slotte kan niet worden ingegaan op de argumentatie van verwerende partij dat voor het gemaakte onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Niet de Raad van State, maar alleen het Grondwettelijk Hof is bevoegd om over de grondwettigheid van de betwiste wetsbepalingen te oordelen. 13. Er bestaat derhalve aanleiding om in te gaan op het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. BESLISSING 1. De debatten worden heropend. 2. Aan het Grondwettelijk Hof worden de volgende prejudiciële vraag gesteld: “Schenden de artikelen 11, § 3, 2/, en 44, § 2, juncto artikel 5, § 4, 2/, b), van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat voor de toekenning van vergunningen tot het voorhanden hebben van vuurwapens een onderscheid wordt gemaakt tussen, enerzijds, XII-5279-7\8 personen die veroordeeld zijn wegens één van de misdrijven van het Strafwetboek die zijn opgenomen in artikel 5, § 4, 2/, b), en, anderzijds, personen die veroordeeld zijn wegens andere misdrijven vermeld in het Strafwetboek?” 3. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt ermee gelast, na de ontvangst van het antwoord van het Grondwettelijk Hof op de voormelde prejudiciële vraag, het onderzoek van de zaak voort te zetten. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 17 december 2009, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert van Haegendoren, staatsraad, met bijstand van Silja Doms, griffier. De griffier, De voorzitter, Silja Doms Dierk Verbiest XII-5279-8\8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.000 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.211.493 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.