← België

Arrest 199003 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 17/12/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.003 Rolnummer: Zaak: Arrest 199003 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 17/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-30 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-30 04:03 Fiche Arrest nr 199.003 van 17 december 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 199.003 van 17 december 2009 in de zaken I. A. 164.597/VII-34.354 II. A. 176.573/VII-36.

  1. In zake: I. + II.
  2. Vincent SPRUYTTE
  3. de BVBA AVITECH ACCOUSTICS thans de BVBA LUNAHRA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Van Heuven kantoor houdend te Kortrijk President Kennedypark 6, bus 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: I. + II. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te Oostende Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het beroep, ingesteld op 26 augustus 2005, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 15 juni 2005 tot weigering van de verlenging van de erkenning van Vincent Spruytte als milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen (zaak A. 164.597/VII-34.354). Het beroep, ingesteld op 8 september 2006, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 28 juli 2006 waarbij het ministerieel besluit van 15 juni 2005 tot weigering van de verlenging van de erkenning van Vincent Spruytte als milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen wordt ingetrokken en waarbij de verlenging van de erkenning van Vincent Spruytte als milieudeskundige VII-34.354 en 36.498-1/16 in de discipline geluid en trillingen opnieuw wordt geweigerd (zaak A. 176.573/VII-36.498). II. Verloop van de rechtspleging
  5. Bij arrest nr. 147.998 van 29 juli 2005 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing in de zaak A. 164.597/VII-34.354 ingewilligd. In de zaak A. 164.597/VII-34.354 heeft de verwerende partij een memorie van antwoord ingediend en hebben de verzoekende partijen een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Peter Provoost heeft in de zaak A. 164.597/VII-34.354 een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben in de zaak A. 164.597/VII-34.354 een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft in de zaak A. 164.597/VII-34.354 een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De zaken A. 164.597/VII-34.354 en A.176.573/VII-36.498 zijn samengevoegd bij beschikking van 2 oktober
  6. In de zaak A.176.573/VII-36.498 heeft de verwerende partij een memorie van antwoord ingediend en hebben de verzoekende partijen een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Peter Provoost heeft in de zaak A.176.573/VII-36.498 een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben in de zaak A.176.573/VII-36.498 een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft in de zaak A.176.573/VII-36.498 een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 november
  7. VII-34.354 en 36.498-2/16 Staatsraad Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tim Vermeir, die loco advocaat Dirk Van Heuven verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Rudy Verschraegen, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  8. III. Feiten
  9. De eerste verzoeker is zaakvoerder van de tweede verzoekende partij en was destijds erkend als milieudeskundige in de discipline "geluid en trillingen" op grond van artikel 1.3.2.2., § 5, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II). Het voorliggend geschil betreft een beslissing van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 15 juni 2005 tot weigering van de verlenging van de erkenning als milieudeskundige in de genoemde disciplines (zaak A. 164.597/VII-34.354) en een beslissing van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 28 juli 2006 waarbij deze beslissing van 15 juni 2005 wordt ingetrokken en waarbij de verlenging van de erkenning als milieudeskundige in de genoemde disciplines opnieuw wordt geweigerd (zaak A. 176.573/VII-36.498). De tenuitvoerlegging van de hierboven vermelde beslissing van 15 juni 2005 werd bij uiterst dringende noodzakelijkheid geschorst bij arrest van de Raad van State nr. 147.998 van 29 juli
  10. Na dit arrest deelt de afdeling Juridische Dienstverlening per brief van 1 augustus 2005 aan de afdeling Algemeen Milieu- en Natuurbeleid mee dat het aangewezen lijkt om een nieuw onderzoek van de erkenningsaanvraag van de eerste verzoeker in te stellen, en dat, nadat de resultaten van dit nieuw onderzoek gekend zijn, desgevallend kan worden overwogen om het voormelde ministerieel besluit van 15 juni 2005 in te trekken en een nieuw besluit uit te vaardigen. VII-34.354 en 36.498-3/16
  11. Op 8 augustus 2005 schrijft de afdeling Algemeen Milieu- en Natuurbeleid aan de eerste verzoeker dat, gelet op voormeld schorsingsarrest, een nieuw onderzoek wordt ingesteld. Zij vraagt een kopie te bezorgen "van alle rapporten en onderzoeken opgesteld tussen 1 juni 2003 en 30 april 2005". Na briefwisseling tussen de partijen aangaande, onder meer, de gevraagde verslagen, deelt deze afdeling mee dat zij het er mee eens is dat een selectie van 25 relevante verslagen wordt bezorgd. De eerste verzoeker gaat uiteindelijk niet in op die vraag.
  12. Op 15 maart 2006 deelt de afdeling Milieuvergunningen mee dat haar geen nieuwe studies bekend zijn maar dat haar "algemene opmerkingen" behouden blijven, en adviseert zij ongunstig. Op 22 maart 2006 bezorgt ook de afdeling Milieu-inspectie een ongunstig advies aan de afdeling Algemeen Milieu- en Natuurbeleid. Dat advies is gebaseerd op een steekproef van tien akoestische onderzoeken.
  13. Op 12 juni 2006 volgt een hoorzitting, waarop de verzoekende partijen zijn vertegenwoordigd. Met een brief van 22 juni 2006 bezorgen de verzoekende partijen hun opmerkingen over het verslag van die zitting.
  14. Op 28 juli 2006 wordt de in de zaak A. 176.573/VII-36.498 bestreden beslissing genomen, waarbij de geschorste beslissing van 15 juni 2005 wordt ingetrokken en de verlenging van de erkenning van de eerste verzoeker als milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen opnieuw wordt geweigerd. Deze beslissing verwijst naar en citeert uitvoerig uit het advies van de afdeling Milieuvergunningen van 15 maart 2006, het advies van de afdeling Milieu-inspectie van 22 maart 2006 en de "vaststellingen en bedenkingen" van professor emeritus Jan Thoen en is als volgt gemotiveerd: "Overwegende dat de Raad van state in haar arrest van 29 juli 2005 van oordeel was dat voornoemd ministerieel besluit van 15 juni 2005 niet afdoende was gemotiveerd, voornamelijk omdat de weigering van de verlenging van de erkenning gebaseerd was op de evaluatie van vier geluidsstudies waarvan er drie werden uitgevoerd vóór 13 juni 2003; (...) Overwegende dat de afdeling Milieuvergunningen en Milieu-inspectie (...) 10 dossiers grondig hebben onderzocht en zodoende zich een goed beeld hebben kunnen vormen van de werkwijze van de heer Spruytte. Overwegende dat uit de diverse adviezen van de afdeling Milieu-inspectie en de afdeling Milieuvergunningen en de nota van Prof Em. Dr. Jan Thoen blijkt dat de heer Spruytte tot op heden geen verbetering heeft kunnen aanbrengen of wensen aan te brengen in zijn rapportering, ondanks het feit dat voormelde gebreken ondermeer reeds in de vorige ministeriële besluiten VII-34.354 en 36.498-4/16 d.d. 03 juni 2002 en 13 juni 2003 en tijdens de hoorzitting van 28 juni 2002 werden meegedeeld; Overwegende dat uit de voormelde adviezen van de afdeling Milieu- inspectie en de afdeling Milieuvergunningen en de nota van Prof Em. Dr. Jan Thoen blijkt dat de rapporten van de heer Spruytte nog steeds onduidelijk en ondoorzichtig zijn, zodat deze rapporten door de ambtenaren die er gebruik moeten van maken niet kunnen worden geïnterpreteerd; Overwegende dat de besproken rapporten vaak niet alle noodzakelijke meetresultaten bevatten, geen rechtvaardiging bevatten waarom bepaalde methodes werden gebruikt en op welke wijze er gemeten werd en bovendien geen duidelijke conclusie bevatten; Overwegende dat door deze gebreken de verslagen van de heer Spruytte vaak niet ten volle kunnen worden beoordeeld en geïnterpreteerd; Overwegende dat uit de adviezen van de voormelde afdelingen en de nota van Prof Em. Dr. Jan Thoen bovendien blijkt dat de besproken verslagen van de heer Spruytte een aantal technische fouten bevatten en niet conform VLAREM II zijn; Overwegende dat de heer Spruytte tot op heden nog steeds niet voldoet aan de voorwaarde van erkenning zoals opgenomen in het ministerieel besluit d.d. 13 juni 2003 waarin als voorwaarde was opgenomen: 'de in deze erkenning bedoelde deskundige zal gedurende de erkenningsperiode rekening houden met de 'Handleiding voor het beoordelen van volledige akoestische onderzoeken' van de afdeling Milieu-inspectie van AMINAL'; Overwegende dat voormelde Handleiding in § 2.6 stelt dat: 'De meet- en bedrijfsomstandigheden moeten duidelijk beschreven worden. Dat moet toelaten om na te gaan of de metingen werden uitgevoerd onder representatieve werking van de inrichting en onder representatieve geluidsoverdracht, dus met maximale geluidsimpact voor de buurt (art. 2, §1 van de bijlage 4.5.1.). Dit vereist onder meer een plan van de inrichting met aanduiding van de plaats van de voornaamste geluidsbronnen'; Overwegende dat § 2.
  15. van de Handleiding eist: 'een weergave en bespreking van de meetresultaten en van de meetomstandigheden met vermelding van de heersende windrichting en windsnelheid op het ogenblik van de metingen (art.
  16. §§
  17. en
  18. van de bijlage 4.5.1.)'. Overwegende dat uit de adviezen van de afdelingen Milieu-inspectie en Milieuvergunningen en de nota Prof Em. Dr. Jan Thoen blijkt dat de onderzochte verslagen opgesteld door de heer Spruytte niet aan deze voorwaarden voldoen; Overwegende dat de heer Spruytte nog steeds gebruik maakt van een eigen meetmethode welke eveneens een aantal problemen oplevert; Overwegende dat uit het advies van de afdeling Milieu-inspectie blijkt dat deze meetmethode niet aanvaardbaar is ondermeer om volgende redenen:
  19. het gebruik van voormelde methode maakt de werkwijze en de rapporten van de heer Spruytte volledig ondoorzichtig;
  20. het geluid van een inrichting beoordelen nadat de hoogste niveaus er zonder concrete verantwoording uit verwijderd zijn is onaanvaardbaar;
  21. niveaus met een onderling verschil van minder dan 3 dB(A) mogen niet van elkaar worden afgetrokken, bij een dergelijk klein verschil is er geen correcte meting mogelijk (...); Volgens de cursus 'Geluid' van Intec (Universiteit Gent, waar professor Botteldooren doceert, moet het verschil zelfs minstens 5 dB(A) bedragen (...). In de brief van voornoemde professor Botteldooren, waarnaar door de heer Spruytte wordt verwezen om zijn methode te verrechtvaardigen, is nergens sprake van de nauwkeurigheid van de methode, er kan dus zeker niet naar verwezen worden om het aftrekken van geluidsniveaus met een onderling VII-34.354 en 36.498-5/16 verschil van minder dan 3dB(A) te verantwoorden. Professor Botteldooren stelt hierin trouwens duidelijk over de methode het volgende: 'moet daarom met zeer veel omzichtigheid gebruikt worden' en 'enkel bruikbaar wanneer geen belangrijke geluidspieken voorkomen'; Overwegende dat ook de Afdeling Milieuvergunningen in haar advies van 15 maart 2006 tot het besluit komt dat de rapporten van de heer Spruytte onduidelijk en niet doorzichtig zijn, zodat bruikbare meetresultaten ontbreken in deze rapporten. Overwegende dat voormelde bezwaren en opmerkingen van de afdeling Milieu-inspectie en de afdeling Milieuvergunningen worden bevestigd in voormelde nota dd. 20 april 2006 van de heer Prof. Em. Dr. J. Thoen. (...) Overwegende dat het argument op de hoorzitting d.d. 12 juni 2006 dat de raadsman van de heer Vincent Spruytte bedenkingen heeft aangaande de huidige functie en kennis van Prof. Em. Dr. Jan Thoen niet wordt weerhouden aangezien Prof. Em. Dr. Jan Thoen nog steeds formeel verbonden is aan de Katholieke Universiteit van Leuven en de kennis van Prof. Em. Dr. Jan Thoen op het gebied van geluid alom is gekend en niet te betwisten valt, des te meer omdat de heer Thoen zelf meegewerkt en geschreven heeft aan de tekst voor het gedeelte aangaande geluid welke in het VLAREM is opgenomen. Wat betreft de methodologie heeft Prof. Em. Dr. Jan Thoen wel degelijk de moeite gedaan om deze op te zoeken op de website zoals blijkt uit zijn nota. Voor wat betreft de tegensprekelijkheid van het onderzoek van Prof. Thoen kan worden gesteld dat de heer Spruytte de kans heeft gehad zich te verdedigen op de hoorzitting en dat het onderzoek bovendien grotendeels een bevestiging is van de adviezen van de afdeling Milieuvergunningen en afdeling Milieu-inspectie. Overwegende dat het argument op de hoorzitting d.d. 12 juni 2006 van de raadsman van de heer Vincent Spruytte dat de methode al jarenlang gebruikt wordt en nooit is betwist niet wordt weerhouden. Dat bij het vernieuwen van de erkenning van de heer Vincent Spruytte in 2002 door de afdeling Milieu- inspectie een ongunstig advies werd uitgebracht en de verlenging van de erkenning slechts werd verleend voor een beperkte periode van één jaar met als voorwaarde dat de heer Spruytte de gepaste corrigerende maatregelen moest aanbrengen aan zijn werkmethode. Dat ook naar aanleiding van het M.B. van 13 juni 2003 opmerkingen werden gemaakt omtrent de werkmethode van de heer Spruytte en in dit M.B. opnieuw wordt gesteld dat de erkenning slechts wordt verleend op voorwaarde dat de rapportage grondig wordt aangepast en de voormelde handleiding zou worden gerespecteerd. Overwegende dat omtrent de werkmethode van de heer Vincent Spruytte bijgevolg reeds sedert meerdere jaren opmerkingen worden gemaakt en de heer Spruytte herhaaldelijk werd verzocht om zijn werkwijze aan te passen. Overwegende dat het technisch niet mogelijk is en ook niet nodig is om 'tegengeluidstudies' te laten uitvoeren betreffende de beoordeelde onderzoeken. De onderzochte rapporten werden beoordeeld op objectieve gronden en ondeugdelijk bevonden om duidelijk uitgelegde redenen. Een studie van de erbij horende geluidsopnamen kunnen niets aan deze conclusie veranderen. Overwegende dat het in dit kader van belang is om de volgende passage uit het voormeld advies van de afdeling Milieu-inspectie nogmaals aan te halen: 'Het toezicht op de naleving van de Vlarem reglementering omtrent geluidshinder gebeurt door het uitvoeren van akoestische onderzoeken (AO). Vlarem kent twee soorten AO, het beperkte (BAO) en het zogenaamde volledige (VAO) akoestische onderzoek. Die akoestische onderzoeken worden uitgevoerd door de toezichthoudende ambtenaren (TA) en/of door de erkende deskundigen (ED) en dat een door een ED uitgevoerd AO is geen vrijblijvende oefening in de akoestiek maar een document dat deel uitmaakt van een administratief dossier. Op grond van VII-34.354 en 36.498-6/16 een AO kunnen, indien nodig, tegen de exploitant van een inrichting maatregelen genomen worden. De eventuele maatregelen worden echter steeds genomen onder de verantwoordelijkheid van de TA, NIET onder die van de ED. Een AO, ook dat van een ED, moet voldoen aan de eisen van de TA. Dat volgt niet alleen logisch uit het voorgaande maar blijkt ook uit de voorschriften van Vlarem: - Het BAO gebeurt onder de verantwoordelijkheid van de TA (zie 'Definities geluid' in artikel 1.1.
  22. van Vlarem II). - Het VAO moet uitgevoerd worden volgens de bijlage 4.5.
  23. van Vlarem II. Uit artikel 1 van die bijlage blijkt dat het VAO moet uitgevoerd worden volgens de voorschriften van de bijlage 4.5.1 van Vlarem II. In artikel 1.§ 6 van de bijlage 4.5.1 staat dat de ED voorafgaand aan het VAO overleg moet plegen met, onder andere, de afdeling Milieuvergunningen en Milieu-inspectie (...). Bovendien staat in artikel 2 van de bijlage 4.5.2 dat het VAO onderzoek ter goedkeuring en beoordeling moet voorgelegd worden aan, onder meer, de afdeling Milieu-inspectie. Overwegende dat een ED er is om de bevoegde overheid bij te staan, een erkenning is niet vrijblijvend maar brengt voor de ED verplichtingen met zich mee, zijn AO moeten onder meer voldoen aan de eisen van de afdeling Milieu-inspectie'. Overwegende dat het bijgevolg, gelet op de mogelijke gevolgen die aan akoestische onderzoeken worden gegeven onder de verantwoordelijkheid van de toezichthoudende ambtenaren, absoluut noodzakelijk is dat de gebruikte methode en de rapportage door deze ambtenaren ten volle kunnen worden beoordeeld en geïnterpreteerd, zodat de richtlijnen van de Afdeling Milieu- inspectie omtrent deze methode en rapportage door de erkende deskundigen moeten worden opgevolgd. Overwegende dat op de hoorzitting d.d. 12 juni 2006 de raadsman van de heer Vincent Spruytte aangaande de technische bezwaren naar de verdediging zoals reeds gegeven bij de Raad van state verwijst. Overwegende dat de argumenten van de heer Spruytte niet worden weerhouden, gelet op de voornoemde adviezen van de afdeling Milieuvergunningen en de afdeling Milieu-inspectie en de voormelde nota van Professor Emeritus Dr. Jan Thoen en omwille van de volgende twee technische bezwaren: - Het zonder enige verantwoording weglaten van de 'kleine percentielen', en het aftrekken van geluidsniveaus die onderling minder dan drie dB(A) van elkaar verschillen. Die 'kleine percentielen' vertegenwoordigen de hoogste geluidsniveaus. De hoogste geluidsniveaus veroorzaken uiteraard ook de grootste hinder. De heer Spruytte verwijdert dus uit zijn metingen de meest hinderlijke geluidsniveaus. Dat is volstrekt onaanvaardbaar. In de vordering tot schorsing van 27 juli 2005 verrechtvaardigt de heer Vincent Spruytte dat als volgt: 'Bovendien vergeet de Milieu-inspectie dat niet enkel de hoogste waarden in de statistische methode worden verwijderd, maar ook de laagste waarden. Het eindresultaat is neutraal'. Het is niet in te zien hoe het weglaten van de minst hinderlijke geluidsniveaus het weglaten van de meest hinderlijke zou kunnen 'neutraliseren', tenminste niet voor wat geluidsHINDER betreft. - Het aftrekken van twee geluidsniveaus die onderling minder dan 3 dB(A) verschillen kan, door de onvermijdelijke meetfouten, aanleiding geven tot grote fouten en is strijdig met een algemeen aanvaarde code van goede praktijk. Zie opnieuw de bijlagen 5 tot en met 9 van het advies van de afdeling Milieu-inspectie. VII-34.354 en 36.498-7/16 Zie ook de nota van Professor Emeritus Jan Thoen, laatste zin van punt 2 'Gebruikte methodologie'. Meer nog, in de cursus van Intec van de Universiteit Gent waar professor Botteldooren doceert staat 'maar als het achtergrondgeluidsniveau maar 5 dB onder het totale geluidsniveau ligt, dan is een correcte meting onmogelijk'. Professor Botteldooren acht dus een verschil van minstens 5 (vijf) dB nodig ipv 3 (drie). Het gebruik van een methode die tot grote fouten kan aanleiding geven is onaanvaardbaar. Overwegende dat de heer Spruytte er niet in slaagt om deze technische bezwaren te weerleggen, ook niet in 'eerdere verdedigingsdocumenten'. Overwegende dat om deze redenen de verlenging van de erkenning van de heer Spruytte dient te worden geweigerd (...)". IV. Ontvankelijkheid van het beroep in de zaak A. 176.573/VII-36.498 A. Het belang van de eerste verzoeker Standpunt van de verwerende partij
  24. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat de eerste verzoeker niet langer een verlenging van zijn erkenning nastreeft, gezien hij zijn professionele loopbaan volgens haar "reeds voor de totstandkoming van het bestreden besluit" een andere wending gaf, hetgeen zou blijken uit het verslag van de hoorzitting. Volgens de verwerende partij wenst de eerste verzoeker in de eerste plaats een schadevergoeding te verkrijgen, en zou de huidige procedure wellicht worden aangewend ten bewijze van een fout in hoofde van de verwerende partij. Beide verzoekende partijen zouden aldus geen rechtstreeks voordeel hebben bij een gebeurlijke vernietiging van het tweede bestreden besluit.
  25. In haar laatste memorie voegt de verwerende partij hier nog aan toe, in antwoord op het auditoraatsverslag, dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat de eerste verzoeker nog steeds actief is gebleven inzake geluidsonderzoek. Beoordeling
  26. Het niet verlengen van een erkenning als geluidsdeskundige is griefhoudend voor de aanvrager, zeker wanneer, zoals te dezen, precies diens professionele deskundigheid wordt betwijfeld. Het doet daarbij niet terzake of hij al dan niet nog aanspraak wenst te maken op erkenning. De verwerende partij kan uit een uitlating van de raadsman tijdens een hoorzitting niet besluiten dat de VII-34.354 en 36.498-8/16 verzoekende partijen onherroepelijk afstand hebben gedaan van de aanvraag tot erkenning. De exceptie wordt verworpen. B. Ten aanzien van de tweede verzoekende partij Standpunt van de verwerende partij
  27. In haar laatste memorie werpt de verwerende partij voor de eerste maal ten aanzien van de tweede verzoekende partij als exceptie, onder meer, op dat deze niet over de vereiste hoedanigheid beschikt, omdat zij niet de adressaat is van de bestreden beslissing. Zij wijst er ook op dat de tweede verzoekende partij ondertussen van naam is veranderd. Beoordeling
  28. De bestreden beslissing is gericht tot Vincent Spruytte, zaakvoerder van de BVBA Avitech Accoustics. De verwerende partij heeft in de opeenvolgende erkennings- beslissingen de namen van beide verzoekende partijen door elkaar gebruikt. In haar memorie van antwoord heeft zij terzake overigens geen exceptie opgeworpen. De naamsverandering van de tweede verzoekende partij leidt niet tot de onontvankelijkheid van haar beroep. De rechten van verdediging van de verwerende partij zijn niet geschonden, en de rechtsgang heeft geen vertraging opgelopen. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van de zaken A. Derde middel in de zaak A. 176.573/VII-36.498 Standpunt van de partijen
  29. De verzoekende partijen voeren in een derde middel de schending aan van "de rechtskracht en (...) de privilège du préalable van de eerste ministeriële besluiten van 3 juni 2002 en 13 juni 2003", van het gezag van gewijsde van het VII-34.354 en 36.498-9/16 schorsingsarrest van de Raad van State nr. 147.998 van 29 juli 2005, van artikel 5 van het koninklijk besluit van 2 april 1974 houdende de voorwaarden en modaliteiten voor de erkenning van de laboratoria en lichamen die, in het kader van de bestrijding van de geluidshinder, belast zijn met het beproeven van en de controle op apparaten en inrichtingen, van de artikelen 1.3.2.
  30. en 1.3.2.2., § 5, van Vlarem II, van het rechtszekerheidsbeginsel, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet) en van het algemeen beginsel waardoor elke overheid verplicht wordt haar beslissing op deugdelijke gronden te motiveren. Het middel houdt, samengevat, een kritiek in op vier door de verzoekende partijen onderscheiden motieven van de bestreden beslissing, namelijk het motief dat met betrekking tot de werkmethode van de eerste verzoeker "reeds sedert meerdere jaren opmerkingen worden gemaakt en de heer Spruytte herhaaldelijk werd verzocht om zijn werkwijze aan te passen", de motivering aangaande de rapportage van de eerste verzoeker, de motivering aangaande de beweerde miskenning van de handleiding van de afdeling Milieu-inspectie en de motivering aangaande de meetmethode van de eerste verzoeker. Wat het eerstgenoemde motief betreft, menen de verzoekende partijen dat in de bestreden beslissing de motivering met betrekking tot de "eigen meetmethode" uit het arrest nr. 147.998 van 29 juli 2005 werd verzwegen. Zij stellen dat de eerste beslissing tot weigering van de erkenning volgens de thans bestreden beslissing door de Raad van State voornamelijk werd geschorst omdat zij "gebaseerd was op de evaluatie van 4 geluidsstudies waarvan 3 werden uitgevoerd voor 13 juni 2003", en dat de verwerende partij daardoor aan het voormelde arrest nr. 147.998 van 29 juli 2005 een onvoldoende draagwijdte heeft toegekend, en zodoende het gezag van gewijsde ervan heeft miskend. Zij hernemen de argumentatie, die ook reeds tijdens de hoorzitting naar voren werd gebracht, inzake het feit dat de eerste verzoeker altijd heeft gewerkt met de thans door de afdeling Milieu-inspectie afgevallen methode. Wat het tweede motief betreft, stellen de verzoekende partijen dat nadere toelichting werd gegeven over de door de eerste verzoeker gebruikte methode, dat deze methode onderworpen werd aan een kritische toets door professor Dirk Botteldooren, en dat het eindrapport van diens vakgroep informatietechnologie de techniek een verbetering noemde ten opzichte van de gangbare methode. Voorts merken de verzoekende partijen op dat de eerste verzoeker zijn rapportage heeft VII-34.354 en 36.498-10/16 aangepast en dat er door de verschillende overheden die zijn talrijke dossiers hebben aanvaard nooit enig voorbehoud werd gemaakt. Met betrekking tot het derde genoemde motief betogen de verzoekende partijen dat de handleiding van de afdeling Milieu-inspectie enkel betrekking heeft op de rapportage, en niet op de gevolgde methode. Wat het vierde motief betreft, gaan de verzoekende partijen grondig in op technische aspecten van de kritiek van de verwerende partij, inzake de door de eerste verzoeker gehanteerde meetmethode. Zij spreken tegen dat die methode ondoorzichtig is, omdat deze bewering volgens hen niet verzoenbaar is met de uitvoerige toelichting die tijdens een hoorzitting van 28 juni 2002 werd gegeven, en die volgens hen impliciet werd aanvaard door de verwerende partij in haar beslissing van 13 juni 2003 tot verlenging van de erkenning.
  31. De verwerende partij meent in haar memorie van antwoord dat het middel een ongeoorloofde opportuniteitskritiek vormt op het bestreden besluit, en dat de Raad van State terzake onbevoegd is. Daarnaast gaat zij uitgebreid in op de overwegingen van het arrest van de Raad van State nr. 147.998 van 29 juli
  32. Wat het eerste motief betreft, betoogt de verwerende partij dat de bestreden beslissing in hoofdorde wordt gemotiveerd met een verwijzing naar de gemotiveerde nieuwe adviezen van de afdeling Milieu-inspectie en de afdeling Milieuvergunningen, evenals naar de nota van professor Thoen, die volgens haar in hoofdorde gebaseerd zijn op een doorlichting van tien rapporten inzake akoestisch onderzoek van de eerste verzoeker, uitgevoerd in het kader van zijn laatste erkenning tussen 13 juni 2003 en 30 april
  33. Voorts betoogt de verwerende partij dat de stelling van de Raad van State uit het voormelde arrest dat de eerste bestreden beslissing niet afdoende was gemotiveerd "voornamelijk" was ingegeven door de vaststelling dat de weigering van de verlenging van de erkenning van de eerste verzoeker was gesteund op de evaluatie van een te beperkt aantal geluidsstudies, die bovendien niet recent waren. VII-34.354 en 36.498-11/16 De verwerende partij argumenteert tevens dat de methode van de eerste verzoeker waarbij de meetresultaten rechtstreeks worden verwerkt met een "random generator", niet voldoet aan de "handleiding voor het beoordelen van volledige akoestische onderzoeken". Wat het tweede motief betreft, verwijst de verwerende partij in hoofdorde naar hetgeen elders bij het derde middel wordt uiteengezet, evenals naar de uiteenzetting in de bestreden beslissing onder verwijzing naar, onder meer, "het uitgebreid gemotiveerde advies" van de afdeling Milieu-inspectie. Voor het overige stelt de verwerende partij in de memorie van antwoord in hoofdzaak dat het derde en het vierde motief betrekking hebben op een technische discussie nopens een appreciatie, waarover de Raad van State volgens haar niet mag oordelen, en dat de ondoorzichtigheid van de meetmethode van de eerste verzoeker niet impliciet werd aanvaard in het ministerieel besluit van 13 juni 2003 maar integendeel expliciet werd verworpen.
  34. In de memorie van wederantwoord betogen de verzoekende partijen met betrekking tot het derde onderdeel dat het niet gaat om een technische discussie, maar om de schending van het motiveringsbeginsel. Met betrekking tot het vierde onderdeel trachten zij verder aan te tonen dat de techniek van de eerste verzoeker een verfijning is van de gangbare techniek.
  35. In de laatste memorie stelt de verwerende partij dat de vraag "of een of meerdere onderdelen van het derde middel al dan niet gegrond zijn" niet relevant is, omdat de bestreden beslissing volgens haar reeds afdoende wordt gedragen door een ander motief, namelijk het motief dat de verzoekende partijen zouden hebben geweigerd bepaalde gevraagde rapporten aan het bestuur te bezorgen. Beoordeling
  36. De vraag of het middel de opportuniteit van de bestreden beslissing betreft, hangt samen met het onderzoek van de grond van het middel. In de adviezen waarnaar de bestreden beslissing verwijst, worden concrete gebreken genoemd. Deze adviezen steunen op een onderzoek van tien dossiers, die in het administratief dossier echter niet worden voorgelegd, zodat de Raad van State niet kan nagaan of de adviezen de feiten correct weergeven. De VII-34.354 en 36.498-12/16 verwerende partij antwoordt niet eens op de kritiek die de verzoekende partijen in hun inleidende akte formuleren over de inhoud van de verslagen en de bijgevoegde meetresultaten, maar beperkt zich tot algemeenheden over de beweerde ondoorzichtigheid en onbruikbaarheid, terwijl het blijbaar gaat om verslagen die door haar administratie wel degelijk werden gebruikt in verschillende procedures. De afdeling Milieu-inspectie poneert in haar advies in wezen de stelling dat de verslagen van de milieudeskundigen moeten voldoen aan haar opvatting. Uit het gegeven dat de akoestische onderzoeken kunnen leiden tot maatregelen waarvoor de toezichthoudende ambtenaren "verantwoordelijk" zijn, volgt in elk geval niet dat de afdeling Milieu-inspectie op algemene wijze regels zou kunnen opleggen, bijkomend aan deze die volgen uit de voorschriften van Vlarem II. Ook de door de verwerende partij genoemde Vlarem II - bepalingen houden geen toewijzing van enige reglementaire bevoegdheid in. Aan de handleiding van de afdeling Milieu-inspectie kan dus te dezen geen waarde worden gehecht. De bestreden beslissing geeft evenmin enige uitleg over de, nochtans door de verzoekende partijen opgeworpen, vraag waarom de beweerd ondeugdelijke verslagen destijds, zonder opmerkingen, door de afdeling Milieu-inspectie konden worden gebruikt. In het advies dat de afdeling Milieu-inspectie ter voorbereiding van de thans bestreden beslissing heeft gegeven, wordt geen motief aangebracht waarom de door de eerste verzoeker opgestelde verslagen, zoals beweerd, niet "doorzichtig en begrijpelijk" zijn. Evenmin wordt verduidelijkt waarom met bepaalde vaststellingen in die verslagen "werkelijk niets" kan worden aangevangen noch waarom deze "geen informatiewaarde hebben". De verwijzing in de memorie van antwoord naar twee verslagen is niet terzake dienend, aangezien het hier gaat om twee onderzoeken die vreemd zijn aan de tien verslagen die werden onderzocht voor het nemen van de bestreden beslissing. Bovendien gaat het om andere tekortkomingen dan deze die in de bestreden beslissing worden genoemd. De technische fouten, waarvan de bestreden beslissing gewag maakt, kunnen evenmin op overtuigende wijze een weigering van de erkenning verantwoorden. De eerste vermeende technische fout, namelijk het zonder enige verantwoording weglaten van de "kleine percentielen", vindt geen steun in de bepalingen van Vlarem II. In artikel 1, § 1, van bijlage 4.5.
  37. bij Vlarem II wordt voorgeschreven dat het tot de taak van de milieudeskundige erkend in de discipline geluid en trillingen behoort om bij het akoestisch onderzoek de relevante grootheid of grootheden voor het specifieke geluid te bepalen en te verantwoorden. Of en hoe VII-34.354 en 36.498-13/16 dit in de tien onderzochte verslagen is gebeurd, en of die verslagen werden goedgekeurd, kan niet worden nagegaan, doordat deze verslagen zich niet in het administratief dossier bevinden, terwijl in de bestreden beslissing geen concrete motivering per verslag is terug te vinden. De tweede vermeende technische fout is volgens de bestreden beslissing "het aftrekken van twee geluidsniveaus die onderling minder dan 3 dB (A) verschillen". Het gaat hier veeleer om een afwijkende opinie omtrent het hanteren van meetmethodes, namelijk of het geluid van de te beoordelen inrichting moet worden vergeleken met het geluid dat er reeds is zonder de te beoordelen inrichting. Wanneer er een verlenging van een erkenning als deskundige wordt geweigerd, moet er precies en concreet worden aangegeven aan welke erkenningsvoorwaarden er niet langer wordt voldaan of moeten er ernstige technische of deontologische tekortkomingen worden aangetoond die het verder optreden als erkend deskundige in de weg staan. In de bestreden beslissing is dergelijke redengeving niet terug te vinden. De kritiek die ten aanzien van de verslagen van de eerste verzoeker wordt geformuleerd in de bestreden beslissing en in de aan de bestreden beslissing ten grondslag liggende adviezen, getuigt veeleer van een verschil in opvatting over de toe te passen meetcriteria, maar toont niet op overtuigende wijze aan dat de door de eerste verzoeker opgestelde verslagen door het hanteren van de beschreven methodes ondeugdelijk, onbruikbaar, onbetrouwbaar of foutief zouden zijn. De verwerende partij toont niet aan dat het motief dat "de opgevraagde rapporten niet werden verstrekt" op zich reeds een afdoende motivering is om de aangevraagde verlenging te weigeren. Indien dit argument zo decisief zou zijn, had de verwerende partij dit ongetwijfeld in haar memorie van antwoord ingeroepen en had zij het uitgebreide onderzoek omtrent de werkwijze van de eerste verzoeker achterwege kunnen laten. Het derde middel is gegrond. B. Zaak A. 164.597/VII-34.354 VII-34.354 en 36.498-14/16
  38. Het gegrond bevinden van het derde middel in de zaak A. 176.573/VII-36.498 leidt tot de vernietiging van het in die zaak bestreden besluit, met uitzondering van de bepaling aangaande de intrekking van het in de zaak A. 164.597/VII-34.354 bestreden besluit, vervat in artikel
  39. Als gevolg hiervan wordt de intrekking van het bestreden besluit van 15 juni 2005 definitief, zodat het beroep in de zaak A. 164.597/VII-34.354 zonder voorwerp is. BESLISSING
  40. De Raad van State vernietigt artikel 2 van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 28 juli 2006 waarbij de verlenging van de erkenning van Vincent Spruytte als milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen opnieuw wordt geweigerd.
  41. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk vernietigde besluit.
  42. De Raad van State verwerpt het beroep in de zaak A. 164.597/VII-34.
  43. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en van de beroepen tot nietigverklaring, begroot op 1.050 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien december tweeduizend en negen, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, met bijstand van Dieter Decock, griffier. De griffier De voorzitter VII-34.354 en 36.498-15/16 Dieter Decock Luc Hellin VII-34.354 en 36.498-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.003 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.