id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.106 Rolnummer: A. 189913/XIV-30591 Zaak: Arrest 199106 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-08 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:04 Fiche Arrest nr 199.106 van 18 december 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 199.106 van 18 december 2009 in de zaak A. 189.913/XIV-30.591. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat R. JESPERS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, thans de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Pakistaanse nationaliteit, op 3 oktober 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 15.499 van 1 september 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 3418 van 16 oktober 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 14 april 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 mei 2009; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-30.591-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat E. SCHOUTEN, die loco advocaat R. JESPERS verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat T. SCHREURS, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de verzoekende partij op 19 januari 2007 een aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid, (oud) van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) indient; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 7 januari 2008 die aanvraag niet-ontvankelijk verklaart; Overwegende dat de verzoekende partij op 25 maart 2008 tegen de voornoemde weigeringsbeslissing beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aantekent; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep met een arrest van 1 september 2008 verwerpt; dat dit het bestreden arrest is; 2.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending van artikel 6 van het E.V.R.M. en van de artikelen 10, 11 en 149 van de Grondwet opwerpt; dat zij dit als volgt toelicht: “Verzoeker is vooreerst van mening dat hij recht heeft een beroep in te stellen waarbij haar zaak in openbare zitting wordt behandeld. Hij stelt dat gezien art. 20 § 3 van de geco5rdineerde wetten op de Raad van State zulks niet toelaat daar in eerste instantie de Raad van State de toelaatbaarheid van het verzoekschrift zal nagaan zonder enige vorm van openbare zitting. Dat zulks in strijd is met art. 149 van de Grondwet. Dat zulks in strijd is met art. 6 EVRM en er geen sprake kan zijn van een eerlijk proces. Dat tevens door art. 20 § 3 verschillende categorieën ontstaan van rechtzoekende bij de Raad van State met name zij die een schorsing en annulatieberoep indienen en zij welke cassatieberoep indienen. Deze laatste categorie dient eerst door de "toelaatbaarheidsfilter" te passeren alvorens het beroep ten gronde wordt behandeld. Dat er geen objectief criterium voorhanden is om zulks een verschillende wijze van behandeling te verantwoorden. Dat in die zin twee prejudiciële vragen werd gesteld aan het Grondwettelijk Hof en deze zaken thans hangende zijn onder het rolnummer 4513 en 4514. Dat het middel gegrond is.”; XIV-30.591-2/7 2.1.2. Overwegende dat de verzoekende partij het middel in de memorie van wederantwoord herhaalt; 2.1.3. Overwegende dat het huidige cassatieberoep van de verzoekende partij met ‘s Raads beschikking nr. 3.418 van 16 oktober 2008 toelaatbaar is verklaard; dat de verzoekende partij aldus tot de procedure ten gronde is toegelaten, die overeenkomstig artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie- procedure bij de Raad van State is gevoerd; dat de zaak, na het wisselen van de memories en het opstellen en meedelen van het auditoraatsverslag, op een openbare terechtzitting is behandeld; dat de verzoekende partij aldus geen belang heeft bij het middel waarin zij opwerpt dat zij, anders dan in het geval van de gewone annulatieberoepen, eerst de in artikel 20, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State voorziene “toelaatbaarheidsfilter” dient te passeren; dat het eerste middel niet-ontvankelijk is; 2.2.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending van de artikelen 15, 30, 31 en 35 van de Richtlijn 2004/38 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG, (hierna Richtlijn 2004/38) “in combinatie met (het) gelijkheidsbeginsel zoals vastgelegd in artikel 10, 11 en 24 van de Grondwet” opwerpt; dat zij dit als volgt toelicht: “Artikel 35 van de EU Richtlijn 2004/38 van 29 april 2006 bepaalt zeer specifiek op welke wijze lidstaten dienen om te gaan met fraude en misbruik in het kader van de gezinshereniging EU onderdanen en derdelanders. Het artikel luidt als volgt: Artikel 35 Misbruik van rechten De lidstaten kunnen de nodige maatregelen nemen om een in deze richtlijn neergelegd recht in geval van rechtsmisbruik of fraude, zoals schijnhuwelijk, te ontzeggen, te beëindigen of in te trekken. Deze maatregelen zijn evenredig en zijn onderworpen aan de procedurele waarborgen van de artikelen 30 en 31. Verzoeker meent dat de bestreden beslissing niet is genomen met inachtneming van de artikelen 30 en 31. Deze EU Richtlijn heeft sedert 1 mei 2006 directe werking daar de Belgische Staat heeft nagelaten de Richtlijn om te zetten naar nationaal recht.. Directe werking betekent dat bepalingen, op voorwaarde dat ze voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk gedefinieerd zijn in de Richtlijn, toch van kracht worden in een lidstaat, zelfs wanneer de lidstaat in gebreke bleef om de betrokken bepalingen tijdig om te zetten in nationaal recht. Concreet heeft dit tot gevolg dat bestaande Belgische regelgeving die strijdig is met bepalingen van de Richtlijn die directe werking hebben, geen rechtsbasis meer heeft en door Belgische rechters buiten beschouwing zal moeten worden gelaten. Artikel 30.1: "Elk uit hoofde van artikel 27, lid 1 , genomen besluit moet de betrokkene op zodanige wijze schriftelijk ter kennis worden gebracht dat deze in staat is de inhoud en de gevolgen ervan te begrijpen." Artikel 31.3: "De rechtsmiddelen voorzien in de mogelijkheid van onderzoek van de wettigheid van het besluit, alsmede van de feiten en omstandigheden die de voorgenomen maatregel XIV-30.591-3/7 rechtvaardigen. Zij garanderen tevens dat het besluit niet onevenredig is, met name gelet op de voorwaarden van artikel 28. Verzoeker stelt vast dat de bestreden beslissing louter een administratieve beslissing betreft die niet werd genomen na een procedure zoals voorzien in artikel 31.3 van EU Richtlijn 2004/38 van 29 april 2004. Verzoeker meent dan ook dat de bestreden beslissing noodzakelijkerwijze nietig is. Schending van 31 van de Richtlijn 2004/38 Artikel 31.3: "De rechtsmiddelen voorzien in de mogelijkheid van onderzoek van de wettigheid van het besluit, alsmede van de feiten en omstandigheden die de voorgenomen maatregel rechtvaardigen. Zij garanderen tevens dat het besluit niet onevenredig is, met name gelet op de voorwaarden van artikel 28. Verzoeker werd een weigeringsbeslissing betekend waartegen enkel een beroep openstaat bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen openstaat.. Wanneer deze bestreden beslissing vermeldt dat enkel een beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is tegen deze beslissing moet verzoeker vaststellen dat dit beroep niet beantwoordt aan de voorwaarden zoals gesteld in art. 31 van de EU Richtlijn 2004/38. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt immers enkel over de wettigheid van de bestreden beslissing en niet over de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de beslissing. Verzoeker stelt voor de volledigheid dat ook onderhavig beroep niet voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in art. 31 van de EU Richtlijn 2004/38. Dat de motivering van de bestreden beslissing niet vermeldt dat een beroep openstaat welke niet alleen de wettigheid maar de feiten en omstandigheden onderzoekt. Schending van art. 28 van Richtlijn 2004/38 Artikel 28 van de EU Richtlijn luidt als volgt: Artikel 28 Bescherming tegen verwijdering 1. Alvorens een besluit tot verwijdering van het grondgebied om redenen van openbare orde of openbare veiligheid te nemen, neemt een gastland de duur van het verblijf van de betrokkene op zijn grondgebied, diens leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie, sociale en culturele integratie in het gastland en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van oorsprong, in overweging. 2. Behalve om ernstige redenen van openbare orde of openbare veiligheid kan een gastland geen besluit tot verwijdering van het grondgebied nemen ten aanzien van burgers van de Unie of familieleden, ongeacht hun nationaliteit, die een duurzaam verblijfsrecht op zijn grondgebied hebben verworven. 3. Behalve om dwingende redenen van openbare veiligheid zoals door de lidstaten gedefinieerd, kan ten aanzien van burgers van de Unie of hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, geen besluit tot verwijdering worden genomen, indien zij:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.