← België

Arrest 199107 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/12/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.107 Rolnummer: A. 189255/XIV-30525 Zaak: Arrest 199107 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-08 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 04:04 Fiche Arrest nr 199.107 van 18 december 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 199.107 van 18 december 2009 in de zaak A. 189.255/XIV-30.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat P. MEULEMANS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Koningin Astridlaan 143 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kirgische nationaliteit, op 4 augustus 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 13.550 van 30 juni 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 3298 van 1 september 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 13 maart 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 april 2009; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-30.525-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MEULEMANS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché R. LARNO, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 22 juni 2006 en zich dezelfde dag vluchteling verklaart; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 24 augustus 2006 deze aanvraag verwerpt; 1.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij zich op 21 september 2006 een tweede maal vluchteling verklaart; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 23 november 2006 deze aanvraag verwerpt; 1.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij zich op 14 december 2007 een derde maal vluchteling verklaart; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 12 maart 2008 beslist tot weigering van de vluchtelingenstatus en weigering van de subsidiaire beschermingsstatus; Overwegende dat de verzoekende partij op 31 maart 2008 tegen die weigeringsbeslissing beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aantekent; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep met een arrest van 30 juni 2008 verwerpt; dat dit het bestreden arrest is; 2.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending van artikel 1, A, van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, (Vluchtelingenverdrag) van “de motiveringsplicht in bestuurszaken”, van “de beginselen van behoorlijk bestuur” en van “het beginsel van de rechten van verweer” opwerpt; dat zij aanvoert dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de door haar neergelegde informatie volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet hoefde te onderzoeken omdat de asielaanvraag van de verzoekende partij in het algemeen verzonnen is, dat de verzoekende partij nochtans het recht heeft nieuwe stukken neer te leggen waarover zij tijdens een vorige asielaanvraag niet kon beschikken, dat de materiële motiveringsplicht, “zowel de formele als de substantiële”, wordt XIV-30.525-2/6 geschonden door de overgelegde stukken niet te onderzoeken, dat de verzoekende partij op het commissariaat-generaal een dagvaarding van 6 mei 2005, de verzending van de zaak van 27 juli 2006, de oproeping tot opsporing van 3 augustus 2006 en de verzending naar de strafrechtbank van 14 augustus 2008 heeft neergelegd, dat de gerechtelijke stukken de identiteit van de verzoekende partij vermelden en het artikel op grond waarvan zij vervolgd wordt, dat het bewijs van vervolging zwart op wit is geleverd, dat de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen zelfs niet is ingegaan op de middelen van de verzoekende partij om de gerechtelijke stukken te laten onderzoeken indien er twijfels aan de echtheid zijn, dat noch de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen noch de commissaris-generaal stellen dat de stukken niet echt zijn, dat eventuele twijfel in het voordeel van de asielzoeker moet spelen, dat de verwijzing naar eerdere bedrieglijk bevonden asielaanvragen daaraan geen afbreuk doet, dat een beroep tegen de beslissing inzake de vorige asielaanvraag bij de Raad van State hangende is, dat een vollediger relaas van een asielaanvrager niet wil zeggen dat er tegenstrijdigheden zijn met een vorig gehoor, dat de verzoekende partij tijdens de vorige asielaanvraag nog niet wist dat een procedure tegen haar liep, dat er minstens twijfel ten gunste van de verzoekende partij geldt, dat de verzoekende partij over essentiële elementen een zeer coherent relaas heeft gegeven zodat niet aan de oprechtheid ervan moet worden getwijfeld indien ondergeschikte details niet volledig worden weergegeven, dat de verzoekende partij tijdens elke aanvraag duidelijk naar de vervolging heeft verwezen, dat de commissaris-generaal en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen belangrijke informatie van Amnesty International niet hebben geanalyseerd, hoewel Amnesty International daarin uitdrukkelijk stelt dat het er alleszins op lijkt dat de verzoekende partij door de ordediensten in de gaten wordt gehouden en dat dit in Kirgizië niet ongewoon is, zeker niet als het gaat om een lid van een etnische minderheidsgroep met een slechte reputatie, dat artikel 6 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 tot regeling van de werking en de rechtspleging voor het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen voorziet dat de commissaris- generaal de asielzoeker minstens éénmaal voor gehoor oproept, dat een zorgvuldig bestuur bij een eventuele onduidelijkheid dus de taak heeft de betrokkene nogmaals op te roepen indien nodig, dat het beginsel van de rechten van verdediging wel degelijk van toepassing is, dat een asielzoeker voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en de Raad van State de mogelijkheid moet hebben zijn standpunt over alle elementen mee te delen, dat ook de subsidiaire beschermingsstatus op het commissariaat-generaal is gevraagd, dat daar niet op is ingegaan alhoewel de verzoekende partij in 1996 en in 2000 werd aangehouden en zij bij een terugkeer naar Kirgizië een reëel risico op ernstige schade loopt, dat de verzoekende partij had aangegeven hoeveel keer zij onrechtmatig werd aangehouden en hoe moeilijk het door de discriminatie voor haar echtgenote was om werk te vinden en voor haar kinderen om naar school te gaan, dat een beslissing moet worden verbroken en teruggestuurd wanneer de XIV-30.525-3/6 subsidiaire beschermingsstatus niet spontaan is onderzocht, dat ook hier geen beslissing is genomen en dat, rekening houdend met het gebrek aan motivering, de rechten van verweer zijn geschonden; 2.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederant- woord in essentie het middel herhaalt en toevoegt dat volgens de commissaris-generaal zelfs duidelijke processtukken niet meer geloofwaardig zijn wanneer sprake is van mogelijke tegenstrijdigheden, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt vorige asielaanvragen niet meer te mogen onderzoeken omdat dat buiten zijn bevoegdheid valt, terwijl de commissaris-generaal juist naar eerdere beslissingen verwijst om de neergelegde stukken niet te moeten onderzoeken, dat daardoor de ingeroepen bepalingen worden geschonden, dat de erkenning als vluchteling ook burgerlijke rechten met zich meebrengt, zodat ook de principes van artikel 6 van het E.V.R.M. “als algemeen rechtsbeginsel op zich” moeten worden gerespecteerd, dat het rapport van Amnesty International op systematische vervolgingen wijst met drie incidenten als voorbeeld en dat ook de motivering over de subsidiaire bescherming stereotiep is hoewel de verzoekende partij liefst 5 originele gerechtelijke stukken heeft neergelegd; 2.
  7. Overwegende dat artikel 1 van het Vluchtelingenverdrag geen rechtstreekse werking in het Belgische recht heeft; dat de kritiek tegen de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet dienstig kan worden aangevoerd vermits die beslissing niet het voorwerp van de huidige zaak is; dat “de motiveringsplicht in bestuurszaken” en de (algemene) “beginselen van behoorlijk bestuur” niet op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest betrekking hebben, zodat de schending daarvan, meer bepaald van de materiële motiveringsplicht en van het zorgvuldig- heidsbeginsel, evenmin op dienstige wijze kan worden opgeworpen; dat artikel 6 van het E.V.R.M. niet van toepassing is op geschillen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij in het middel voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wijst op vijf stukken die zij op het commissariaat-generaal heeft neergelegd en waarmee volgens haar geen of onvoldoende rekening is gehouden; dat in het bestreden arrest de motivering betreffende de kwestieuze stukken in de beslissing van de commissaris-generaal van 12 maart 2008 wordt weergegeven; dat vervolgens, in antwoord op de kritiek van de verzoekende partij, wordt gesteld dat de commissaris-generaal niet verplicht is elke mogelijke onderzoeksdaad met betrekking tot de bijgebrachte stukken te XIV-30.525-4/6 stellen, dat het relaas fictief en verzonnen is bevonden op grond van manifeste tegenstrijdigheden, dat de ongeloofwaardigheid van dergelijk fictief relaas niet door het neerleggen van documenten kan worden hersteld, dat de mogelijkheid en het recht om nieuwe stukken neer te leggen niets aan die vaststelling veranderen, dat kon worden volstaan met de vaststelling dat de stukken de tegenstrijdigheden en inconsistenties van het relaas niet herstellen omdat de ongeloofwaardigheid in casu niet te herstellen is en dat hetzelfde geldt voor het ter zitting neergelegde stuk; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ook de brief van Amnesty International, met de vermelding van de verzoekende partij daarin, heeft onderzocht vermits hij in het bestreden arrest in punt
  8. de beoordeling ervan door de commissaris-generaal weergeeft en verder onder de punten 2.
  9. en 2.
  10. die beoordeling zelf volgt; dat de stukken, waarnaar de verzoekende partij in haar middel voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had verwezen, aldus in de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn betrokken, doch niet van aard worden geacht om de geloofwaardigheid van het asielrelaas te herstellen; dat daarmee aan de vereisten van de motiveringsplicht als vormvereiste voor jurisdictionele beslissingen is voldaan; dat wat dat betreft evenmin een schending van de rechten van verdediging aannemelijk wordt gemaakt; dat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij in de uiteenzetting van het middel met betrekking tot de asielaanvraag ook een andere feitelijke beoordeling van de door haar neergelegde stukken vraagt; dat de Raad van State als administratieve cassatierechter echter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden; dat het middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat artikel 6 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geen betrekking heeft op de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, en derhalve ook niet op het bestreden arrest; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in asielzaken met volle rechtsmacht uitspraak doet en dit overeenkomstig een eigen procedureregeling; dat het middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij zowel op het commissariaat- generaal als voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is gehoord; dat de rechten van verdediging als dusdanig geen verplichting inhouden om een betrokkene meermaals te horen in dezelfde aanleg; dat de feitenrechter soeverein oordeelt of een nieuw gehoor eventueel noodzakelijk is; dat het middel in die mate, voor zover ontvankelijk, ongegrond is; XIV-30.525-5/6 Overwegende, wat betreft de subsidiaire beschermingsstatus, dat in het bestreden arrest nergens wordt gesteld “dat dit gegeven niet is uitgewerkt”, zoals de verzoekende partij thans voorhoudt; dat het middel in die mate feitelijke grondslag mist; dat de kritiek tegen de beslissing van de commissaris-generaal geen betrekking op het bestreden arrest heeft en dus niet dienstig kan worden aangevoerd; dat het middel in die mate niet- ontvankelijk is; dat in het bestreden arrest concreet wordt weergegeven waarom tot de weigering van de subsidiaire beschermingsstatus wordt besloten, met name omdat de verzoekende partij met een ongeloofwaardig bevonden relaas niet aannemelijk maakt dat zij een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2, c., van de Vreemdelingenwet zou lopen; dat de verzoekende partij wat dat betreft geen schending van de motiveringsplicht of de rechten van verdediging aantoont; dat het middel in die mate ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  11. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien december tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-30.525-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.107 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.