← België

Arrest 199118 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/12/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.118 Rolnummer: A. 186683/XIV-30066 Zaak: Arrest 199118 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-08 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 04:05 Fiche Arrest nr 199.118 van 18 december 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 199.118 van 18 december 2009 in de zaak A. 186.683/XIV-30.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat R. PROOST, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Belegstraat 24 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, thans de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 14 januari 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 4717 van 11 december 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 2098 van 6 februari 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur R. VAN DEN EECKHOUT, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 30 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 november 2008; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-30.066-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat V. DE LE COURT, die loco advocaat R. PROOST verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat M. JOPPEN, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.
  2. Overwegende dat de verzoekende partij op 6 januari 2003 een aanvraag tot vestiging in functie van haar Belgische echtgenote indient; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 24 februari 2003 een beslissing tot weigering van de vestiging met bevel om het grondgebied te verlaten neemt; Overwegende dat de verzoekende partij tegen die beslissing enerzijds op 17 juni 2003 een verzoekschrift tot herziening bij de minister van Binnenlandse Zaken indient en anderzijds op 4 juli 2003 een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing bij de Raad van State instelt; Overwegende dat de Raad van State het voormelde schorsings- en annulatieberoep met het arrest nr. 152.299 van 7 december 2005 verwerpt; Overwegende dat de dienst Vreemdelingenzaken met een brief van 21 augustus 2007 aan de verzoekende partij meedeelt dat, met toepassing van artikel 230 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, de bij de minister aanhangige verzoeken tot herziening van rechtswege zonder voorwerp worden en dat de verzoekende partijen in herziening hun verzoek in een beroep tot nietigverklaring bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kunnen omzetten; 1.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij op 20 september 2007 bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een beroep tot nietigverklaring tegen de hoger genoemde beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 24 februari 2003 indient, dit in omzetting van het eerder ingediende verzoek tot herziening; XIV-30.066-2/6 Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dit laatste beroep tot nietigverklaring met een arrest van 11 december 2007 verwerpt; dat dit het bestreden arrest is; 2.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending van artikel 230 e.v. van de wet van wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opwerpt; dat zij haar twee voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgeworpen middelen volledig citeert; dat de verzoekende partij vervolgens aanvoert dat de verwerende partij een exceptie van niet-ontvankelijkheid op grond van het voornoemde artikel 230 had opgeworpen omdat de verzoekende partij destijds al een annulatieberoep bij de Raad van State had ingesteld, dat de verzoekende partij als verweer daartegen had doen gelden dat artikel 230 niet met terugwerkende kracht kan worden toegepast, dat bij het indienen ervan een verzoek tot herziening en een beroep tot nietigverklaring perfect mogelijk waren naast elkaar, dat de behandeling van het verzoek tot herziening bij de huidige wetgeving is afgeschaft en vervangen door een beroep tot nietigverklaring bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en dat het met terugwerkende kracht niet-ontvankelijk verklaren van het verzoek tot herziening het ontnemen van een aanleg zou betekenen, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met het bestreden arrest de verwerende partij heeft gevolgd door het beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk te verklaren omdat al in 2003 een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State was ingediend, dat artikel 230, § 2 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen immers duidelijk maakt dat de niet-ontvankelijkheid op basis van een hangende procedure kan worden uitgesproken maar niet op grond van een vroeger ingeleide procedure op basis van artikel 69 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, dat in het bestreden arrest niet op die argumenten is geantwoord, dat minstens een verkeerde interpretatie aan de wetgeving is gegeven en dat aldus tevens een schending van de motiveringsplicht moet worden vastgesteld; 2.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord toevoegt dat het middel duidelijk is en de geschonden rechtsregels vermeldt, dat de verplichting onder de nieuwe wetgeving om een verzoek tot herziening op straffe van verval om te zetten in een beroep tot nietigverklaring bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet toelaat dit laatste beroep niet-ontvankelijk te verklaren omwille van een veel eerder bij de Raad van State ingediend beroep tot nietigverklaring, dat de verwerende partij aldus een voorwaarde met terugwerkende kracht toevoegt en dat ten XIV-30.066-3/6 tijde van de indiening van het verzoek tot herziening de beide procedures naast elkaar mogelijk waren; 2.
  6. Overwegende, wat betreft de voorgehouden schending van de motiveringsplicht, dat in het bestreden arrest de exceptie van de verwerende partij op grond van artikel 230 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wordt vermeld, dat het verweer van de verzoekende partij tegen die exceptie wordt weergegeven en dat de exceptie vervolgens gegrond wordt verklaard met verwijzing naar het voornoemde artikel 230, in het bijzonder § 1; tweede lid ervan, en de bevinding dat omwille van het eerdere annulatieberoep bij de Raad van State geen omzetting van het verzoek tot herziening in een beroep tot nietigverklaring bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen mogelijk is; dat daarmee aan de motiveringsplicht als vormvereiste voor jurisdictionele beslissingen is voldaan; dat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende, wat betreft de voorgehouden schending van artikel 230 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, dat die bepaling als volgt luidt: “ §
  7. De met toepassing van artikel 64 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ingediende verzoeken tot herziening die op de datum bepaald bij artikel 231 aanhangig zijn bij de minister van Binnenlandse Zaken, worden van rechtswege zonder voorwerp. De minister of zijn gemachtigde meldt dit aan de verzoeker in herziening en laat hem weten dat hij, op straffe van verval, binnen de dertig dagen die ingaat met de betekening van deze mededeling, zijn verzoek tot herziening kan omzetten in een (beroep tot nietigverklaring) van de beslissing waarvan de herziening wordt gevraagd. Behalve wanneer de verzoeker met toepassing van artikel 69, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zoals dit van toepassing was daags voor de in artikel 231 bepaalde datum, een rechtstreeks beroep bij de Raad van State heeft ingesteld tegen de beslissing waarvan de herziening wordt gevraagd, kan de verzoeker, op straffe van verval, binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de betekening van (de) in het eerste lid bepaalde (mededeling), een verzoek tot nietigverklaring indienen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tegen de initiële beslissing waarvan hij de herziening heeft gevraagd. Behoudens akkoord van de vreemdeling, kan tijdens de overeenkomstig het tweede lid voor het indienen van het beroep vastgestelde termijn en tijdens het onderzoek van dit beroep door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, gericht tegen de initiële beslissing waarvan de herziening werd gevraagd, ten aanzien van de vreemdeling geen enkele maatregel tot verwijdering van het grondgebied gedwongen worden uitgevoerd en mogen geen zodanige maatregelen ten opzichte van de vreemdeling worden genomen wegens feiten die aanleiding hebben gegeven tot de beslissing waartegen dat beroep is ingediend. §
  8. De Raad van State blijft bevoegd ten aanzien van de op de in artikel 231 bepaalde datum aanhangige beroepen tot nietigverklaring in de zin van artikel 69, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en XIV-30.066-4/6 de verwijdering van vreemdelingen, met dien verstande dat de in artikel 69, derde lid, van de wet van 15 december 1980 bepaalde grond van opschorting ophoudt uitwerking te hebben. Totdat een eindarrest over het beroep is gewezen door de Raad van State, kan de vreemdeling die met toepassing van het voornoemde artikel 69, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, een beroep tot nietigverklaring heeft ingediend, zich beroepen op het voordeel bedoeld in § 1, derde lid.”; Overwegende dat de verzoekende partij niet betwist dat zij oorspronkelijk tegen de weigeringsbeslissing van 24 februari 2003 zowel een verzoek tot herziening bij de minister van Binnenlandse Zaken op 17 juni 2003 als een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State op 4 juli 2003 heeft ingediend; dat dit laatste beroep tot nietigverklaring met ‘s Raad arrest nr. 152.299 van 7 december 2005 is verworpen; Overwegende dat de vraag rijst of de verzoekende partij op grond van artikel 230 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nog een beroep tot nietigverklaring bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tegen de beslissing waarvan zij de herziening had gevraagd kon indienen, rekening gehouden met het reeds ingestelde - en inmiddels verworpen - afzonderlijke beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State; Overwegende dat in het bijzonder in artikel 230, § 1, tweede lid, van de voornoemde wet de omzetting van een verzoek tot herziening in een annulatieberoep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uitdrukkelijk wordt uitgesloten indien er reeds een rechtstreeks beroep bij de Raad van State werd ingesteld tegen de beslissing waarvan de herziening wordt gevraagd; dat de wet geen onderscheid maakt tussen een rechtstreeks beroep bij de Raad van State dat nog hangende is, dan wel waarover reeds uitspraak is gedaan; dat, los van het feit dat een duidelijke tekst geen interpretatie behoeft, ook in de voorbereidende werken geen elementen te vinden zijn die de visie van de verzoekende partij ondersteunen; Overwegende dat de verzoekende partij zich voor haar stelling evenmin op artikel 230, § 2, van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan beroepen; dat die bepaling enkel een overgangsregeling bevat voor wat betreft de bevoegdheid van de Raad van State indien er, naast een verzoek tot herziening bij de minister van Binnenlandse Zaken, al een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State is ingediend; dat er in de bewuste § 2 sprake is van “aanhangige beroepen tot nietigverklaring” omdat de Raad van State uiteraard enkel over een aanhangig beroep tot nietigverklaring uitspraak kan doen, waarna zijn rechtsmacht is uitgeput; dat het gebruik van die bewoordingen in § 2 niet betekent dat XIV-30.066-5/6 in § 1 enkel nog “aanhangige” beroepen tot nietigverklaringen bij de Raad van State worden bedoeld; dat het middel ook in die mate ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  9. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien december tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-30.066-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.118 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.