id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.141 Rolnummer: A. 164324/X-12406 Zaak: Arrest 199141 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 21/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-30 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 04:05 Fiche Arrest nr 199.141 van 21 december 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 199.141 van 21 december 2009 in de zaak A. 164.324/X-12.
- In zake: Robert DEGRAEF wonende te 3080 TERVUREN Heidestraat 28 tegen: de deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 BRUSSEL Boomstraat 14, bus 3 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 15 juli 2005, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 24 mei 2005 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant houdende verwerping van het beroep van verzoeker tegen het besluit van 25 oktober 2004 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Tervuren waarbij de vergunning wordt geweigerd voor het verkavelen van een terrein gelegen te Tervuren, Merenstraat, kadastraal bekend sectie B, nrs. 118/c/2, 118/d/2 en 150/t. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. X-12.406-1/17 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 november
- Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Robert Degraef, die in persoon verschijnt, en advocaat Filip van Dievoet, die loco advocaat Michel van Dievoet verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 23 augustus 2004 (datum van het ontvangstbewijs) vraagt de verzoeker aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Tervuren een vergunning voor het verkavelen van gronden, gelegen te Tervuren (voorheen Duisburg), Merenstraat, sectie B, nrs. 118/c/2, 118/d/2 en 150/t. De voornoemde aanvraag beoogt het creëren van één kavel voor open bebouwing, in tweede bouworde, te bereiken via een toegangsweg van 7,50 meter breed en een diepte van 23,50 meter. De voornoemde percelen zijn, volgens het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgesteld gewestplan Leuven, over een diepte van 50 meter vanaf de voorliggende weg, in woongebied met een landelijk karakter gelegen. De percelen zijn niet gelegen binnen het beheersingsgebied van een bijzonder plan van aanleg of binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling.
- Tijdens het openbaar onderzoek met betrekking tot de voormelde aanvraag worden drie bezwaren ingediend, luidende als volgt : “N Het voorgestelde verkavelingplan voorziet een woning in 2e bouworde. In de nabije omgeving is geen soortgelijke woonwijze terug te vinden, zodat het ontwerp de goede stedenbouwkundige ordening (lintbebouwing) in het gedrang brengt. X-12.406-2/17 N Het gebouw is niet geïntegreerd in de omgeving en heeft een storend karakter. N De nabij gelegen woningen bevinden zich op een redelijke afstand van de wegenis en niet zoals voorgesteld op 40 m van deze. N De buren worden gestoord in hun privacy doordat de voorgestelde voorgevel achter hun achtergevels wordt voorzien waardoor een rechtstreeks zich in hun achtertuin wordt gecreëerd”.
- Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Tervuren beantwoordt de bezwaren in zijn preadvies van 4 oktober 2004 als volgt : “- een woning in tweede bouworde - het ontwerp brengt hierdoor de goede stedenbouwkundige ordening (lintbebouwing) in het gedrang; - geen integratie in omgeving en een storend karakter; - de nabijgelegen woningen bevinden zich op redelijke afstand van de weg en niet zoals voorgesteld op 40 m; Het perceel is over een diepte van 50 m vanaf de voorliggende weg gelegen in een landelijk woongebied. Dit impliceert een woonstrook om bebouwing in functie van de voorliggende weg toe te laten. De bebouwing in de onmiddellijke omgeving zijn overwegend vrijstaande eengezinswoningen met een ruime voorgevelbreedte. Het project voorziet een eengezinswoning in tweede bouworde. Hierdoor zal het project zich niet integreren in de ruimtelijke ordening van de onmiddellijke omgeving. - storing van privacy en rechtstreeks zicht in hun achtertuin doordat voorgevel achter hun achtergevels wordt geplaatst. In tweede bouworde wordt een bouwzone bepaald op 10 m van alle perceelsgrenzen en de bouwhoogte wordt dan bepaald op één bouwlaag. Hypothetisch zou de voorgestelde bouwzone dus aanvaardbaar zijn. Maar een woning in tweede bouworde is hier niet aanvaardbaar. Bijgevolg is het ingediende bezwaar gedeeltelijk gegrond”.
- Wat de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening betreft, stelt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Tervuren in zijn voormeld preadvies wat volgt : “Het perceel is over een diepte van 50m vanaf de voorliggende weg gelegen in een landelijk woongebied. Het betreft een lineair landelijk woongebied dat ontworpen is in functie van de voorliggende Merenstraat. De vorming van een achterliggende kavel is in strijd met de doelstellingen van het gewestplan, die bebouwing beperkt in functie van de voorliggende weg. Het is geenszins de bedoeling een tweede bouwstrook achter de bestaande bebouwing aan de weg toe te laten, wat verder blijkt uit de omzendbrief dd. 08/07/1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen. Het project voorziet een eengezinswoning in tweede bouworde. Hierdoor zal het project zich niet integreren in de ruimtelijke ordening van de onmiddellijke omgeving. Het achterliggende binnengebied is een nog niet-aangesneden woonuitbreidingsgebied. Het project kan de optimale ontwikkeling en een mogelijke ontsluiting van dit achterliggende gebied hypothekeren. Het project is planologisch-stedenbouwkundig onaanvaardbaar omwille van volgende redenen: door de voorgestelde inplanting zal X-12.406-3/17 -) de toekomstige woning niet geïntegreerd worden in de ruimtelijke ordening van de onmiddellijke omgeving; -) de optimale ontwikkeling en een mogelijke ontsluiting van het achtergelegen binnengebied gehypothekeerd worden; -) een tweede bouworde gecreëerd worden in een woongebied met landelijk karakter”.
- In zijn ongunstig advies van 15 oktober 2004 sluit de gemachtigde ambtenaar zich aan bij de voormelde opvatting van het college van burgemeester en schepenen.
- Het college weigert vervolgens op 25 oktober 2004 de gevraagde vergunning.
- Tegen de voormelde weigeringsbeslissing stelt de verzoeker op 24 november 2004 een administratief beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant.
- Op 24 mei 2005 beslist de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant om verzoekers beroep niet in te willigen. Dit is het bestreden besluit, waarin het volgende wordt overwogen : “I. Betreft Het verkavelingsberoep van dhr. Robert Degraef, Heidestraat 28, 3080 Tervuren. Het beroep wordt ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen te Tervuren d.d. 25/10/2004 tot weigering van een vergunning tot het verkavelen van een perceel grond, gelegen in de Merenstraat, te Tervuren, kadastraal bekend afdeling 4, sectie B, nr. 118c2, 118d2 en 150t. II. Wetgeving en reglementering Het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, inzonderheid artikel
- Het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, gewijzigd, voor het Vlaamse Gewest, bij koninklijk besluit van 13 december 1978 en bij ministerieel besluit van 3 oktober
- Het koninklijk besluit van 7 april 1977 houdende vaststelling van het gewestplan Leuven. Het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. III. Ontvankelijkheid Het besluit van het college van burgemeester en schepenen van Tervuren van 25 oktober 2004 werd aan de beroepsindiener betekend op 2 november
- Het beroep is gedateerd 24 november 2004 en werd op de post afgegeven op 24 november
- Het beroep werd op 25 november 2004 ontvangen op het X-12.406-4/17 provinciebestuur. Dit is binnen een termijn van dertig dagen na de betekening van het besluit. Het beroep is ontvankelijk. IV. De aanvraag De aanvraag beoogt de afsplitsing van één bouwkavel van een perceel, bestemd voor de oprichting van een ééngezinswoning in open verband. Het perceel is gelegen tussen de Heidestraat en de Merenstraat, vlakbij de dorpskern van Duisburg. De voorziene bouwkavel is een kavel in tweede bouworde ten opzichte van de Merenstraat. De bebouwing langs deze straat kenmerkt zich door vrijstaande eengezinswoningen. V. Adviezen De gemachtigde ambtenaar bevestigde op 15 oktober 2004 in een verkort advies het voorafgaand ongunstig advies van het college van burgemeester en schepenen. VI. Openbaar onderzoek Naar aanleiding van het openbaar onderzoek dat liep van 31 augustus 2004 tot en met 29 september 2004 werd er 1 bezwaarschrift ontvangen. Dit bezwaarschrift handelt over een woning in tweede bouworde, geen integratie van het gebouw in de omgeving, de inplanting van de nabijgelegen woningen en de verstoring van privacy. Het college van burgemeester en schepenen heeft dit bezwaarschrift in de zitting van 4 oktober 2004 behandeld en gemotiveerd gedeeltelijk gegrond bevonden. VII. Bestreden besluit Het college van burgemeester en schepenen weigerde de vergunning op 25 oktober 2004, na het verkort ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar van AROHM van 15 oktober 2004, om volgende redenen: - Door de voorgestelde inplanting zal de toekomstige woning niet geïntegreerd worden in de ruimtelijke ordening van de onmiddellijke omgeving. - Het project kan de optimale ontwikkeling en een mogelijke ontsluiting van het achterliggend binnengebied hypothekeren. - De vorming van een kavel in tweede bouworde is in strijd met de doelstellingen van het gewestplan, die bebouwing beperkt in functie van de voorliggende weg. VIII. Historiek Op 29 mei 2000 werd door het college van burgemeester en schepenen een ongunstig stedenbouwkundig attest nr. 2 afgeleverd, eveneens voor de oprichting van een alleenstaande woning op de achterliggende kavel. Het college van burgemeester en schepenen weigerde op 2 augustus 2004 een verkavelingvergunning op het betrokken perceel, om volgende redenen: - Door de voorgestelde inplanting zal de toekomstige woning niet geïntegreerd worden in de ruimtelijke ordening van de onmiddellijke omgeving. - De contradictie tussen de inplanting van de voetweg nr.
- - Het gegrond geachte bezwaar. Net als in het voorliggend dossier werd één bouwkavel afgesplitst van het perceel. Er werd wel een andere bouwzone voorgesteld, met name een trechtervormige zone, ingeplant op 15 m uit de as van de Merenstraat, op 3 m vanaf de perceelsgrenzen en met een diepte van 15 m. IX. Motivering beroep De aanvrager gaat in beroep tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen. In de memorie ter aanvulling van het beroep worden onder andere de volgende argumenten aangehaald: - Binnen een straal van 1,5 km zijn er meerdere woningen in tweede bouworde opgericht. Er wordt meermaals verwezen naar de verkaveling aan de Hulststraat
- X-12.406-5/17 - Er wordt verwezen naar een arrest van de Raad van State waaruit zou volgen dat bouwen in tweede bouworde principieel niet als strijdig met de goede plaatselijke ordening dient beschouwd te worden. - Het verkavelingsontwerp voorziet in de oprichting van een ééngezinswoning, gelijkaardig aan de reeds bestaande woningen, zodat het wel verenigbaar is met de omgeving. - De bouwzone van het te verkavelen perceel is volledig gelegen binnen de woonzone (50 m ten opzichte van de straat) en voldoet aan alle gebruikelijke vereisten inzake afstanden tot de perceelgrenzen. - Door de inplanting op minstens 10 m vanaf de perceelgrenzen en de beperking in bouwhoogte tot één bouwlaag wordt de privacy en de bezonning van de voorliggende percelen niet in het gedrang gebracht. - Een andere inplanting van de nieuwbouw, rekening houdende met de relatief beperkte diepte van het voorliggend perceel, om tot een betere of meer rationele ordening te komen in de gegeven omstandigheden is niet voorhanden. - Het project verhindert de mogelijkheden van de eventuele ontwikkeling van het achterliggende woonuitbreidingsgebied niet, aangezien de kavel er geen deel van uitmaakt. - Een mogelijke ontsluiting wordt evenmin gehypothekeerd, aangezien het perceel 150t onvoldoende breed is om als wegenis gebruikt te kunnen worden en aangezien er nog onbebouwde gemeentelijke eigendommen liggen langs de Merenstraat. - Het perceel maakt geen deel uit van een (ontwerp-)BPA om de achterliggende gronden aan te snijden, het gemeentelijk structuurplan (ontwerp) voorziet geen aansnijding van het woonuitbreidingsgebied in de nabije toekomst. - Het betrokken weigeringsbesluit wordt ten slotte beschouwd als een schending van zowel de motiveringsplicht, als het gelijkheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. X. Bespreking • Wettelijke en reglementaire voorschriften Voor het gebied waarin het perceel gelegen is bestaat er geen goedgekeurd bijzonder plan van aanleg. De bouwplaats is volgens het gewestplan Leuven (KB dd. 7 april 1977) gedeeltelijk gelegen in woongebied met een landelijk karakter (50 m ten opzichte van de Merenstraat) en voor de rest in woonuitbreidingsgebied. Artikelen 5 en 6 van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen zijn van kracht: ‘De woonuitbreidingsgebieden zijn uitsluitend bestemd voor groepswoningbouw zolang de bevoegde overheid over de ordening van het gebied niet heeft beslist...’ ‘De woongebieden met een landelijk karakter zijn bestemd voor woningbouw in het algemeen en tevens voor landbouwbedrijven.’ Het gedeelte van het perceel dat gelegen is in woonuitbreidingsgebied wordt uit de verkaveling gesloten. Het creëren van een bouwkavel is op zich niet in strijd met de planologische bestemmingsvoorschriften van het woongebied met een landelijk karakter. Het lag evenwel niet in de bedoeling van het gewestplan om het creëren vaneen achterliggende bouwkavel in een woongebied met een landelijk karakter toe te laten. Dit blijkt duidelijk uit de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, gewijzigd via omzendbrief dd. 25 januari 2002 en 25 oktober
- In artikel 6 worden een aantal richtlijnen gegeven voor de beoordeling van aanvragen in woongebieden met een landelijk karakter: X-12.406-6/17 ‘Stimulering van gebieden met lintbebouwing is vooreerst planologisch niet verantwoord. De bebouwing kan slechts worden toegestaan worden in functie van de voorliggende weg. ... Aangezien voor de lintbebouwing de bebouwing slechts kan worden toegestaan in functie van de voorliggende weg, is bebouwing op achtergelegen kavels in principe uitgesloten. Dergelijke bebouwing zal immers niet verenigbaar zijn met de goede plaatselijke ordening van het gebied.’ Uit deel 2 van het verslag blijkt dat de voorliggende aanvraag niet verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening van het gebied. Wegens het ontbreken van enig gedetailleerd ordeningsplan valt de voorliggende aanvraag te beoordelen aan de hand van de gebruikelijke stedenbouwkundige inzichten en begrippen betreffende een goede ruimtelijke ordening, gebaseerd op de voorschriften van het vigerend gewestplan en met in achtname van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999, houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening: ‘De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit.’ Overeenkomstig artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid (BS dd. 14 november 2003) dient de aanvraag onderworpen te worden aan de watertoets. Het perceel van het voorliggende project ligt niet in een recent overstroomd gebied of een risicozone overstromingen. Hierdoor dienen er geen bijzondere maatregelen getroffen te worden in verband met de mogelijke bebouwingswijze. Wel dient er gepleit te worden voor het maximaal ter plaatse houden van het hemelwater. In dat kader dienen eventuele toekomstige stedenbouwkundige aanvragen voor het oprichten van constructies op het betrokken perceel ook steeds te voldoen aan de geldende stedenbouwkundige verordeningen met betrekking tot hemelwatervoorzieningen. • Verenigbaarheid met een goede ruimtelijke ordening Het goed is gelegen ten zuiden van de dorpskern van Duisburg, tussen de Heidestraat en de Merenstraat. Via een doorgang met een lengte van ca. 20 m en een breedte van 7,50 m is het achterliggend perceel toegankelijk vanaf de Merenstraat. De bebouwing langs de straten die vanuit de kern van Duisburg vertrekken worden gekenmerkt door landelijke lintbebouwing met voornamelijk vrijstaande ééngezinswoningen. Door het lange tijdsbestek waarin de woningen gebouwd zijn, zijn het karakter en de typologie ervan divers. Het binnengebied tussen de Merenstraat, de Heidestraat en de Schonenboomstraat is een woonuitbreidingsgebied dat nog niet aangesneden is. Het bestaat momenteel hoofdzakelijk uit akkerlanden met aansluitend bij de bebouwing langs de Heidestraat nog een aantal serres. Het gebied helt omhoog vanaf het centrum naar de Schonenboomstraat toe. Ook de Merenstraat heeft een dergelijke helling richting de watertorens, die zich aan het kruispunt met de Schonenboomstraat bevinden. Het perceel is belast met de voetweg nr.
- Deze voetweg heeft een breedte van 1,65 m en loopt langs de zuidelijke perceelsgrens over een lengte van ca. 18 m, steekt het verbindingsgedeelte met de Merenstraat over om dan verder langs de oostelijke perceelgrens tot aan de Heidestraat te lopen. X-12.406-7/17 Het merendeel van het goed is gelegen in het woonuitbreidingsgebied. Slechts een tip van het perceel bevindt zich in het landelijk woonlint van de Merenstraat. De aanvraag beoogt de afsplitsing van dit gedeelte in het landelijk woongebied om er een bouwkavel van te maken. Het betreft een achterliggende kavel van 14a 25ca, die bestemd wordt voor de oprichting van een vrijstaande ééngezinswoning. Complementaire bedrijvigheid wordt niet toegelaten. Op de kavel wordt een maximale bouwzone van ± 96 m² ingetekend, trapeziumvormig door de inplanting op 13,50 á 20 m vanaf de zuidelijke perceelgrens en op 10 m vanaf de andere perceelsgrenzen. De afstand tussen deze bouwzone en de achtergevels van de 3 voorliggende woningen bedraagt minstens 20.00m. De voorgelegde stedenbouwkundige voorschriften leggen op dat het hoofdgebouw evenwijdig moet lopen met de as van de Merenstraat. De garage moet opgenomen worden in het hoofdgebouw. De kroonlijsthoogte bedraagt min. 2,50 m en max. 5,50 m, de dakhelling ligt tussen 25/ en 50/, waarbij 25% van de dakoppervlakte een afwijkende dakhelling mag hebben. In de voortuinstrook worden bevloeringen op beperkte oppervlakte toegelaten alsmede kleine constructies die tot de normale tuinuitrusting behoren. Beperkte reliëfwijzigingen tot 0,50 m mogen uitgevoerd worden. Tussen de rooilijn en de bouwlijn mag maximaal 50% van de oppervlakte verhard worden; deze verharding is dienstig als autostalplaats en/of toegang tot het gebouw. De rest wordt ingericht als tuinzone. Het grote gedeelte gelegen in het woonuitbreidingsgebied wordt uit de verkaveling gesloten. De voorgestelde woning in tweede bouworde is niet verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening van het gebied. Bebouwing in een landelijk woonlint kan enkel toegestaan worden in functie van de voorliggende weg. Bebouwing op achterliggende kavels verstoort deze lineaire structuur. De Merenstraat is langs beide zijden bebouwd met dergelijke lineaire lintbebouwing. Woningen in tweede bouworde komen ook niet voor in de onmiddellijke omgeving. De voorgestelde woning in tweede bouworde integreert zich dan ook helemaal niet in de bestaande plaatselijke ordening. Daarnaast verhindert de voorliggende verkaveling de mogelijke optimalisering van de bestaande perceelconfiguratie. Momenteel staat de woning Merenstraat nr. 55 vlak tegen de zuidelijke perceelgrens van het betrokken perceel. De inplanting van deze woning op het driehoekig perceel is verre van optimaal. Enkel langs de linkerzijde van deze buurwoning kan een tuinzone ingericht worden. Het zou dan ook wenselijk zijn om de perceelgrenzen tussen beide percelen te wijzigen. Door een gedeelte van het betrokken perceel te voegen bij dat van de buurwoning ontstaat er een perceel met perceelgrenzen die loodrecht staan op de Merenstraat en die ook doorlopen tot aan de zoneringsgrens tussen landelijk woongebied en het woonuitbreidingsgebied. Door ook langs de andere zijde de perceelgrenzen te wijzigen kan er zelfs nog een volwaardig perceel gecreëerd worden tussen de woningen 51 en 55 rechtstreeks langs de Merenstraat. In dat geval dient de voetweg nr. 43 uiteraard wel verlegd te worden. Door een herverdeling van een aantal percelen zou de huidige perceelconfiguratie hervormd kunnen worden tot een veel logischere structuur zonder dat daarbij een bouwkavel verloren gaat. Meer nog, de huidige achterliggende kavel zou herleid kunnen worden tot een kavel in eerste orde langs de Merenstraat. In verband met het achterliggende woonuitbreidingsgebied kan het argument van de gemeente dat de optimale ontwikkeling en een mogelijke ontsluiting hiervan (dat) door dit verkavelingsontwerp zou gehypothekeerd worden wel niet bijgetreden worden. De zuidzijde van het woonuitbreidingsgebied reikt tot aan de Schonenboomstraat. De ontsluiting van het gebied zou langs deze zijde gerealiseerd kunnen worden. Tegelijkertijd is het helemaal niet zeker dat dit woonuitbreidingsgebied op termijn zou aangesneden worden. Duisburg werd in het goedgekeurde provinciaal ruimtelijk structuurplan als X-12.406-8/17 kern-in-het-buitengebied geselecteerd. Verdichten binnen het woongebied is hier bijgevolg niet prioritair en het aansnijden van een woonuitbreidingsgebied is niet wenselijk tenzij er geen andere mogelijkheden zijn en indien deze oppervlakte aangewend wordt voor sociale huur- en koopwoningen én indien het gaat om kleinschalige projecten die bijdragen tot de kwaliteitsverbetering van de kern. Een dergelijke wansnijding dient bijgevolg voldoende gemotiveerd te worden. In 1998 werd de procedure voor de opmaak van een BPA specifiek voor dit woonuitbreidingsgebied opgestart. Na het voorontwerp van het BPA Schonenboom werd besloten dat de gemeente vooreerst een beleidsvisie aangaande het huisvestingsbeleid moest ontwikkelen en dat er een nieuwe woonbehoeftestudie moest opgemaakt worden. In het vooruitzicht van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan is dit ontwerp-BPA dan ook niet meer verder uitgewerkt. De aanvrager verwijst meermaals naar een precedent aan de Hulststraat, waar in een landelijk woongebied wel de oprichting van een woning in tweede bouworde werd toegestaan. Op 2 juli 2001 werd inderdaad een verkavelingsvergunning verleend voor de vorming van een achterliggende bouwkavel. De gemachtigde ambtenaar oordeelde hier dat de percelen een restant vormen van het landelijk woongebied, waar bijkomende ordeningsmaatregelen niet kunnen baten om tot een betere of meer rationele aanleg van het gebied te komen. In deze gegeven omstandigheden werd een achterliggende kavel aanvaardbaar geacht. De plaatselijke ordening daar is niet te vergelijken met deze van het voorliggend dossier. Op het gewestplan werd langs de Merenstraat een woonlint voorzien met achterliggend een woonuitbreidingsgebied. De voorziene bouwkavel maakt duidelijk deel uit van dit woonlint. De achterliggende kavel van de Hulststraat behoort dan weer tot het binnengebied tussen de Hulststraat, de Schonenboomstraat en de Molenweg. Dit binnengebied is niet alleen kleiner dan het binnengebied achter de Mierenstaat maar werd op het gewestplan ook ingevuld met een recreatiegebied en eirond opgevuld met landelijk woongebied. In verband met voorgaanden die in het verleden zouden zijn vergund kan bovendien algemeen gesteld worden dat ze niet in aanmerking komen om nieuwe afwijkingen te verantwoorden. De vergunningverlenende overheid heeft trouwens het recht, maar ook de plicht om zodanig te beslissen dat de goede plaatselijke ordening wordt gevrijwaard. Luidens het arrest van de Raad van State van (...), kunnen vroegere tekortkomingen of vergissingen op dat vlak, ook die van andere overheden, hen niet van die plicht ontslaan. De toekenning van een vergunning met miskenning van de eisen van de goede plaatselijke ordening kan een nieuwe vergelijkbare vergunning niet rechtvaardigen, noch kan het een recht doen ontstaan ten voordele van derden om, zelfs in dezelfde omstandigheden, ook vergunning te bekomen (...). Ten slotte nog een opmerking bij de voorgestelde stedenbouwkundige voorschriften. In het uitzonderlijk geval dat een woning in tweede bouworde wel verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening, dan nog worden er een aantal beperkingen opgelegd om de schending van privacy ten aanzien van de voorliggende woningen te minimaliseren. In dit geval wordt hieraan gedeeltelijk tegemoet gekomen door bouwvrije stroken van minstens 10 m te voorzien. Anderzijds wordt er wel een maximale kroonlijsthoogte van 5,50 m toegelaten, waardoor een woning met 2 volwaardige bouwlagen kan gerealiseerd worden. Dit is niet aanvaardbaar. Bovendien helt de voorziene toegangsweg omhoog vanaf de Merenstraat. De woning ligt dus hoger dan de woningen langs de Merenstraat, waardoor de impact en de inkijk ten aanzien van de voorliggende percelen te groot is. Het verkavelingsontwerp is, gelet op de voorgaande beschouwingen, niet verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening van het gebied en komt niet in aanmerking voor een vergunning. X-12.406-9/17 De voorgaande overwegingen in acht genomen kan de bestendige deputatie het beroep niet inwilligen om volgende redenen: - Het creëren van een bouwkavel is op zich niet in strijd met de planologische bestemmingsvoorschriften van het woongebied met een landelijk karakter, maar het lag geenszins in de bedoeling van het gewestplan om achterliggende bouwkavels in landelijke woonlinten toe te laten. In een landelijk woonlint kan slechts bebouwing toegestaan worden in functie van de voorliggende weg. - Woningen in tweede bouworde komen ook niet voor in de onmiddellijke omgeving. De voorgestelde woning integreert zich dan ook helemaal niet in de bestaande plaatselijke ordening. - Daarnaast verhindert de voorliggende verkaveling de mogelijke optimalisering van de bestaande perceelconfiguratie. Door een herverdeling van een aantal percelen zou de huidige achterliggende kavel herleid kunnen worden tot een kavel in eerste orde langs de Merenstraat. - Doordat er een maximale kroonlijsthoogte van 5,50 m wordt toegelaten en doordat de woning in tweede bouworde hoger ligt dan de woningen langs de Merenstraat zou de impact en de inkijk ten aanzien van de voorliggende percelen bovendien te groot zijn”. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoeker roept in een eerste middel de schending in van het gelijkheidsbeginsel: “Doordat de bestreden weigeringsbeslissing totaal voorbij gaat aan de meerdere afwijkingen op het lineair bebouwingspatroon, welke toegankelijk zijn via een private weg, terwijl ze stelt dat: ‘in een landelijk woonlint bebouwing slechts kan toegestaan worden in functie van de voorliggende weg’. Terwijl bezwaarlijk kan worden betwist dat het ingediende ontwerp een alleenstaand feit is gezien het herhaaldelijk voorkomen van bouwen in tweede orde in de omgeving en dat naar uitzicht en ordening dit perceel een analoge situatie is, als het perceel in de aangrenzende straat met de Merenstraat waarvoor een gunstig advies is uitgebracht. * zie (...): Hulststraat 31 Vergunning nr. 2001/897-Ref. Stedeb. 297N/380; 2 juli 2001; De positieve beoordeling van de goede ruimtelijke ordening ter staving van hogergenoemd verkavelingsontwerp stelt dat een residentieel bouwperceel op een overblijvend deel in een landelijk woongebied, door vorming van een achterliggende kavel aanvaardbaar is, daar waar bijkomende ordeningsmaatregelen niet kunnen baten om tot een betere of meer rationele aanleg van het gebied te komen. Deze argumentatie wordt in het besluit van de bestendige deputatie niet bestreden. Wel worden de begrippen ordening en inplanting in het besluit van de bestendige deputatie met elkaar verward. X-12.406-10/17 De bouwzone van de achterliggende kavel in de Hulstraat 31, ligt deels in de woonzone van de voorliggende straat en deels in het binnengebied tussen de Hulststraat, de Schonenboomstraat en de Molenweg. De woonzone in de Merenstraat beperkt zich tot 50 meter van de voorliggende straat en de bouwzone van het te verkavelen perceel is gelegen binnen deze woonzone, rekening houdende met alle vereisten inzake afstanden ten opzichte van de perceelgrenzen. De gronden aan de voorliggende weg (Merenstraat) zijn grotendeels bebouwd, en de voorgestelde achterliggende kavel is eveneens een restant van het woongebied langsheen de Merenstraat. Een andere inplanting van de nieuwbouw, rekening houdende met de relatief beperkte diepte van het voorliggend perceel, is in de gegeven omstandigheden niet voorhanden. Overwegende dat, inzake stedenbouwwetgeving, het gelijkheidsbeginsel een zekere continuïteit en coherentie in het optreden van de overheid veronderstelt, die zich vertaalt in een gelijke behandeling van vergelijkbare gevallen; Bij het verlenen of weigeren van vergunningen kan dus steeds de vraag worden gesteld of de concrete beslissing kan worden ingeschakeld in het geheel van de beslissingen die in gelijkaardige gevallen zijn genomen; (...) In een dergelijke situatie mag worden aangenomen dat, wanneer de gemeentelijke overheid en de gemachtigde ambtenaar akkoord gaan met de integratie van een dergelijk ontwerp in de omgeving, hun opvattingen als voldoende deskundig mogen worden beschouwd ten aanzien van de volgende gelijkaardige aanvragen in de betrokken omgeving. Zodat het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden waar dit niet zou worden toegelaten voor de verkavelingsaanvraag, in de uitzonderlijke omstandigheid van een restant, van een woongebied. waar een achterliggende kavel aanvaardbaar is, daar bijkomende ordeningsmaatregelen niet kunnen baten, om tot een meer logische of meer rationele aanleg te komen en er in dit geval geen sprake kan zijn van schending van de goede plaatselijke aanleg. Toelichting Verzoeker heeft dit reeds in zijn memorie ter aanvulling van het hoger beroep tegen weigering Verkavelingsvergunning en tijdens de hoorzitting van de bestendige deputatie op 24 mei 2005 omstandig aangetoond. Het middel is gegrond”. Beoordeling
- Het gelijkheidsbeginsel verzet zich ertegen dat personen die zich in dezelfde toestand bevinden ongelijk behandeld worden, tenzij er voor het verschil in behandeling een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. De verzoeker toont in zijn verzoekschrift allerminst aan dat het gevraagde waarvoor een vergunning werd verleend in de Hulstraat 31, zowel in rechte als in feite, volledig vergelijkbaar is met zijn aanvraag. Verzoekers betoog dat “de achterliggende kavel in de Hulstraat 31, deels in de woonzone van de voorliggende straat (ligt) en deels in het binnengebied tussen de Hulststraat, de Schonenboomstraat en de Molenweg” kan daartoe niet volstaan. Nochtans dient de partij die de schending van het gelijkheidsbeginsel opwerpt, dit met concrete en precieze gegevens aan te tonen. Met de eerst in de memorie van wederantwoord of de laatste memorie van de X-12.406-11/17 verzoeker aangevoerde argumenten en gegevens kan bij de beoordeling van het middel geen rekening worden gehouden. Het middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoeker roept in een tweede middel de schending in van “de motiveringsplicht en het daaruit volgend verbod op willekeur” : “Doordat de weigeringsbeslissing zich situeert in het kader van de ruimtelijke ordening dient ze dus gemotiveerd te zijn vanuit stedenbouwkundig oogpunt: de verenigbaarheid met het bestemmingsvoorschrift en de verenigbaarheid met de goede plaatselijke ordening. Terwijl de verkavelingsaanvraag zich in de eerste plaats richt naar de voorschriften van het toepasselijke gewestplan. Daar de dienst stedenbouw van de gemeente Tervuren over geen bouwreglement beschikt werden de normen die behoren tot de ‘gebruiken’ in de gemeente gerespecteerd. Ten genoege van recht staat vast dat in de woonkern waartoe het perceel behoort en waarop de verkavelingsaanvraag betrekking heeft, volgende niet limitatieve lijst van woningen in tweede orde (binnen een straal van 1,5 km), zijn opgericht. Dit toont voldoende aan dat het meermaals toepasselijk is. * Heidestraat, 59 * Mechelsestraat, 8 * Mechelsestraat, 28 * Oude Vrijheidsstraat, 12 * Steenweg op Tervuren, 63 * Veeweidestraat, 7 * etc. * zie (...): Woonwijkkaart met aanduiding nabije woningen in tweede bouworde (= rondjes, opzichtens perceel verzoeker aangeduid met kruisje); Dit wordt eveneens aangetoond door een woning in tweede orde die voorkomt in de onmiddellijke omgeving van het perceel, op nauwelijks 200m (Hulststraat 4) - in tegenstelling tot wat de bestreden beslissing stelt: het ‘niet’ voorkomen van woningen in tweede bouworde in de onmiddellijke omgeving, wat niet strookt met de werkelijkheid. * zie (...): Kadastraal plan wijdere omgeving; De bestreden weigeringsbeslissing betreffende de verkavelingsaanvraag stelt dat deze in tweede bouworde niet kan toegelaten worden omdat deze zich niet kunnen integreren in de onmiddellijke omgeving. Terwijl geen enkele wettelijke bepaling geschonden wordt, maar bovendien geen enkel logisch en consistent gegeven wordt aangehaald ter staving van de bewering dat een eengezinswoning zich niet zou kunnen integreren in de onmiddellijke omgeving zoals verzocht in de verkavelingsaanvraag. Aangezien het arrest van de Raad van State van (...) (...) omtrent bouwen in tweede bouworde stelt dat: ‘bouwen in tweede bouworde, op zich niet strijdig is met de goede plaatselijke ordening’ X-12.406-12/17 Volgt hieruit dat bouwen in tweede bouworde principieel niet als strijdig met de goede plaatselijke aanleg dient beschouwt en derhalve integratie in de onmiddellijke omgeving niet is uitgesloten. In verband met het aangehaalde arrest Raad van State (...) dat stelt dat: ‘De toekenning van een vergunning met miskenning van de eisen van de goede plaatselijke ordening kan een nieuwe vergelijkbare vergunning niet rechtvaardigen.’ volgt dat dit hier niet van toepassing is daar hierboven, waarnaar wordt verwezen, uitgebreid wordt aangetoond dat bouwen in tweede bouworde in de gegeven omstandigheden geen ‘miskenning’ is van de goede plaatselijke aanleg. Zodat het ingediende verkavelingsontwerp omwille van de bestemming, inplanting en uitzicht niet strijdig is met de goede plaatselijke ordening en verenigbaar met de omgeving, zoals de facto meerdere eengezinswoningen die degelijk in de woonomgeving werden aangelegd. Toelichting Verzoeker heeft dit reeds in zijn memorie ter aanvulling van het hoger beroep tegen weigering Verkavelingsvergunning en tijdens de hoorzitting van de bestendige deputatie op 24 mei 2005 omstandig aangetoond. Het middel is gegrond”. Beoordeling
- In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht vermag de Raad van State zijn beoordeling van de goede plaatselijke ordening niet in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. Hij is wel bevoegd na te gaan of de administratieve overheid de haar terzake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. De vergunningverlenende overheid dient bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede plaatselijke ordening in de eerste plaats rekening te houden met de ordening in de onmiddellijke omgeving. Deze beoordeling dient in concreto te geschieden en uit te gaan van de bestaande toestand. Al naar gelang de aard en de omvang van de aanvraag kan ook rekening worden gehouden met de ordening in een ruimere omgeving. Daarbij is de ordening in de ruimere omgeving uiteraard minder doorslaggevend en mag zij er alleszins niet toe leiden dat de ordening in de onmiddellijke omgeving, die de plaatselijke aanleg het meest bepaalt, buiten beschouwing wordt gelaten.
- In het bestreden besluit wordt met betrekking tot de verenigbaarheid van het gevraagde met de goede ruimtelijke ordening onder meer het volgende overwogen: X-12.406-13/17 “De voorgestelde woning in tweede bouworde is niet verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening van het gebied. Bebouwing in een landelijk woonlint kan enkel toegestaan worden in functie van de voorliggende weg. Bebouwing op achterliggende kavels verstoort deze lineaire structuur. De Merenstraat is langs beide zijden bebouwd met dergelijke lineaire lintbebouwing. Woningen in tweede bouworde komen ook niet voor in de onmiddellijke omgeving. De voorgestelde woning in tweede bouworde integreert zich dan ook helemaal niet in de bestaande plaatselijke ordening”.
- De verzoeker toont niet aan, noch maakt hij aannemelijk, dat de verwerende partij de woning in tweede bouworde in de Hulststraat “op nauwelijks 200 m” van het kwestieuze perceel ten onrechte als niet behorend tot de onmiddellijke omgeving van het kwestieuze perceel heeft beschouwd. Evenmin wordt aangetoond of aannemelijk gemaakt dat het niet in ogenschouw nemen in het bestreden besluit van de andere door de verzoeker opgesomde woningen in tweede bouworde, tot de onwettigheid van het bestreden besluit moet leiden. De verzoeker toont zodoende niet aan dat de verwerende partij is uitgegaan van onjuiste feitelijke gegevens, dat zij deze gegevens niet correct heeft beoordeeld of niet in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Met de eerst in de memorie van wederantwoord of laatste memorie van de verzoeker aangevoerde argumenten en gegevens kan bij de beoordeling van het middel geen rekening worden gehouden. Het middel is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoeker roept in een derde middel de schending in van het redelijkheidsbeginsel : “Doordat de bestreden beslissing de bestaande configuratie van betrokken percelen en woningen niet in aanmerking neemt. Terwijl dat het redelijkheidsbeginsel betekent dat de overheid bij het nemen van de betrokken beslissing alle betrokken belangen vooraf op redelijke wijze moet afwegen; Uit deze belangenafweging moet een juist evenwicht volgen tussen de draagwijdte van de administratieve handeling en het feit dat geleid heeft tot het stellen van deze administratieve handeling; Niet alleen moet blijken dat bij de belangenafweging geen van de betrokken belangen werd veronachtzaamd, maar met redelijkheid is verder in strijd, als een bepaald belang niet genoegzaam is gewogen, of niet genoeg aandacht heeft gekregen; Dat er zo onredelijkheid kan zijn bij onvoldoende of onjuiste belangenafweging, bij het opleggen van onredelijke voorschriften, etc.; (...) X-12.406-14/17 Overwegende dat het wijzigen van perceelgrenzen niet afdwingbaar is. Redelijkheid staat hierbij voor datgene wat een weldenkend, zinnig, verstandig denkende mens aanvaardbaar vindt, strokend met de rede en het gezond verstand acht en als overeenstemmend met de billijkheid en eventueel zelfs met het rechtvaardige aanmerkt; (...) Overwegende dat het redelijkheidsbeginsel daar wordt geschonden waar: ‘Door de herverdeling van een aantal percelen zou de huidige achterliggende kavel herleid kunnen worden tot een kavel in eerste orde langs de Merenstraat’. De door verzoeker in zijn beroepsschrift opgeworpen bemerking: De inplanting en het volume van het gebouw van de eigenaars: Spreutels-Decoster, Charles op het terrein met adres: Merenstraat 51 en als kadastrale omschrijving nr. 150 r. (zoals afgebeeld op: http://www.gisvlaanderen.be/geo-vlaanderen/kleurenortho/ blijkt niet overeen te stemmen met de aanduiding op een uittreksel uit het kadastraal plan, alsook op een (eertijds door het gemeentebestuur Tervuren voorgesteld) verkavelingsontwerp, van het achterliggend woonuitbreidingsgebied. * zie (...): Kadastraal plan: reële inplanting naburige woning door verzoeker aangeduid in stippellijn, tegenover gebouw zoals vergund en aangeduid op plan; Deze vrijstaande woning is opgericht met de achtergevel op ongeveer 5 m van de voetweg nr. 43, en niet op meer dan 10 m zoals ter aanduiding op een uittreksel uit de kadastrale - of andere plannen aangegeven. De maximale breedte tussen de bestaande zijgevels van woning met huisnr. 51 & 55 is hooguit 16 m. Rekening houdende dat de afstand tussen de zijgevel en de perceelgrens minimaal 3 m behoeft is een voorgevelbreedte van slechts 16-(3+3 )-(3+3) = 4 m mogelijk. Dit is onvoldoende rekening houdende met de gangbare normen (voorgevelbreedte 7 m) voor een vrijstaande woning. * zie stuk 5: Kleurenorthografische opname (=loodrecht foto), conform kadastraal plan van stuk nr. 4; Waarbij dan ook nog een omlegging v/d voetweg nr. 43 dient plaats te vinden. Zodat de voorgestelde wijziging van de perceelgrenzen, om tot een volwaardige kavel in eerste orde langs de Merenstraat te komen, niet realiseerbaar is. Toelichting Verzoeker heeft dit reeds in zijn memorie ter aanvulling van het hoger beroep tegen weigering Verkavelingsvergunning en tijdens de hoorzitting van de bestendige deputatie op 24 mei 2005 omstandig aangetoond. Het middel is gegrond”. Beoordeling
- Het bij de bespreking van het tweede middel als wettig beoordeelde motief luidens hetwelk bebouwing op achterliggende kavels de lineaire structuur verstoort waardoor “de voorgestelde woning in tweede bouworde (...) zich (...) helemaal niet (integreert) in de bestaande plaatselijke ordening” is een afdoende motief om het bestreden besluit te dragen. De overweging in het bestreden besluit dat “de voorliggende verkaveling (daarnaast) de mogelijke optimalisering van de bestaande perceelsconfiguratie (verhindert)”, waarop de verzoeker in dit middel X-12.406-15/17 kritiek levert, betreft een overtollig motief waarvan de gebeurlijke onwettigheid niet tot de vernietiging van het bestreden besluit kan leiden. Het middel is onontvankelijk. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoeker roept in een vierde middel de schending in van “de wettelijke bepalingen ter regeling van de privacy, zoals onder meer gesteld in de betreffende artikels 675 e.v. van het Burgerlijk Wetboek (lichten en zichten)” : “Doordat de bestreden beslissing zich steunt op : ‘... doordat de woning in bouworde hoger ligt dan de woningen langs de Merenstraat’. Terwijl de voorliggende woning met huisnummer 51 zo is geconstrueerd dat de garage zich onder de woning bevindt en het gelijkvloers, living en terras liggen op zelfde niveau als de bouwplaats van de ontworpen verkaveling. Dit blijkt overduidelijk uit de fotografische opnamen gevoegd bij de verkavelingsaanvraag. * zie (...): Foto plaatsgesteldheid perceel verzoeker opzichtens voorliggende woning; Het niveau verschil tussen de bouwplaats en de voorliggende weg bedraagt hoogstens 2 m volgens de hoogtelijnen aangegeven op het ontwerpplan. * zie (...): Kadastraal plan: reële inplanting naburige woning door verzoeker aangeduid in stippellijn, tegenover gebouw zoals vergund en aangeduid op plan; De inplanting van de woning met huisnr. 55 ligt volgens de niveaulijnen hoger dan de te ontwerpen nieuwbouw. Het bestaan van grote ramen op de verdieping van de bestaande woningen biedt eveneens de mogelijkheid om van daaruit onbeperkt zicht te nemen op de op te richten woning en tuin van de verzoeker. Omtrent vrijwaring v/d privacy zijn door de verzoeker alle voorzorgen genomen door alle opgelegde voorschriften stipt na te volgen. Bovendien worden de percelen nog gescheiden door voetweg
- Zodat de aangehaalde impact en de inkijk door het niveauverschil niet tot uiting komt in de realiteit. Toelichting Verzoeker heeft dit reeds in zijn memorie ter aanvulling van het hoger beroep tegen weigering Verkavelingsvergunning en tijdens de hoorzitting van de bestendige deputatie op 24 mei 2005 omstandig aangetoond. Het middel is gegrond”. Beoordeling
- Om de reden vermeld bij de bespreking van het derde middel, te weten het voorhanden zijn van een afdoende motief, is ook dit middel onontvankelijk. X-12.406-16/17 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwinitg december 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, met bijstand van Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-12.406-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.141 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div