van het decreet op de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, gewijzigd bij decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999, bij decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de Ruimtelijke Ordening en bij decreet van 26 april 2000 Aanvrager : BECKERS-LOUSBERG, Brabant 54, SINT-PIETERS-VOEREN X-12.333-3/17 Perceel gelegen ze SINT-PIETERS-VOEREN, Afdeling 4 - Sectie A - Perceelnr 562G Aanvraag tot inrichten landelijke verblijfplaatsen Geachte heer en mevrouw, In toepassing van
van het decreet op de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober heb ik beroep aangetekend tegen het besluit van de Bestendige Deputatie van 28/10/04 houdende inwilliging van uw beroep tegen de weigering van de vergunning door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente 3790 VOEREN. Ik voeg hierbij kopie van mijn beroep bij de Minister; gemotiveerd als volgt: Voorliggende aanvraag betreft de verbouwing en uitbreiding van een bestaande stal tot twee appartementen voor hoevetoerisme. Volgens artikel 145bis kunnen binnen de bedrijfswoning en de bedrijfsgebouwen die er fysisch één geheel mee vormen tijdelijke verblijfsgelegenheden voorzien worden op voorwaarde dat de landbouw als nevenbestemming nog aanwezig blijft. De stal van deze aanvraag vormt echter geen fysische eenheid met het bestaande landbouwerf, de stal is gesitueerd aan de overzijde van de straat op een apart perceel. Het handelt hier tevens niet louter over een bestemmingswijziging daar de bestaande constructie in de diepte en de hoogte wordt uitgebreid zodat hier ook sprake is van een volume-uitbreiding, hetgeen niet voorzien is binnen de modaliteiten van artikel 145bis. Dit beroep, evenals de termijn voor instelling van het beroep, schorst de vergunning, zodat u niet met de werken mag beginnen. Voor het overige is hoger vermeld
Hier bijgevoegd vindt u de inventaris van de stukken die aan de Vlaamse regering en niet aan de aanvrager worden toegezonden. Het staat U vrij een aanvraag in te dienen om gehoord te worden, volgens de procedure als hier bijgevoegd. Inventaris van dossierstukken die voorafgaan aan het beroep bij de Vlaamse regering - Besluit van de Bestendige Deputatie van 28/10/04 + plannen - Beroepschrift van 12/03/04 - Weigering van de stedenbouwkundige vergunning van 10/02/04 - Advies gemachtigde ambtenaar van 30/01/04 - Advies Toerisme Vlaanderen van 15/01/04 - Advies van de afdeling Land van 20/11/03 - Advies van de afdeling Natuur van 21/01/04 - foto’s - ligging gewestplan - kadasterplan”. 13. Op 31 januari 2005 deelt de verzoeker aan de verwerende partij mee dat hij het beroep van de gemachtigde ambtenaar als nietig aanziet om reden dat hij nooit in de Franse taal en laattijdig kennis kreeg van dit beroep. Tevens vraagt hij om gehoord te worden. 14. Op 9 maart 2005 stuurt de verzoeker de verwerende partij een rappelbrief met toepassing van
, § 2, vierde lid van het gecoördineerde decreet. X-12.333-4/17
, § 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, in tegenstelling tot wat de raadsman voorhoudt, in het Nederlands gebeuren. Faciliteiten worden niet telkens opnieuw automatisch verleend. Wie eerder het gebruik van het Frans heeft gevraagd, zal dus zonder een vernieuwd uitdrukkelijk verzoek in zijn latere betrekkingen met de overheid niet opnieuw in die taal worden te woord gestaan of aangeschreven (Zie daarover Omzendbrief VR 97/29 van 7 oktober 1997 betreffende taalgebruik in de diensten) Het is dus niet omdat de aanvrager in zijn brief van 12 maart 2004 aan de bestendige deputatie van de provincie Limburg heeft gevraagd om zijn beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van 10 februari 2004 in de Franse taal te behandelen, dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar hem onmiddellijk in het Frans ter kennis moest worden gebracht en dat de verdere procedure bij de minister zonder uitdrukkelijk verzoek ook in die taal moet verlopen. Het beroep van de gemachtigde ambtenaar is om die reden dus niet nietig. Tussen haakjes: het klopt niet dat de betrokkene heeft verzocht dat alle procedures met betrekking tot zijn vergunningsaanvraag in het Frans zouden worden gevoerd, zoals in de brief van de advocaat van 31 januari 2005 wordt beweerd. In de genoemde brief van de particulier van 12 maart 2004 wordt enkel gevraagd dat zijn beroep bij de bestendige deputatie in het Frans wordt behandeld. Na de kennisneming van het beroep van de gemachtigde ambtenaar, was het wel het recht van de betrokkene uitdrukkelijk te vragen dat ook de betrekkingen in de beroepsprocedure bij de minister in het Frans verlopen. Dat houdt ook in dat hij recht heeft op een Franse vertaling van het beroepschrift. Blijkbaar is hem pas op 17 maart 2005 een vertaling ter hand gesteld. We weten niet X-12.333-6/17 wanneer de raadsman zijn verzoek heeft gedaan. Als dat pas is gebeurd, is er geen bezwaar. Maar mocht hij al vroeg in de beroepsprocedure om een vertaling hebben gevraagd, weegt die laattijdigheid zwaarder door. Een beslissing is niet enkel nietig wanneer ze zelf de taalwetgeving schendt, maar ook wanneer tijdens de voorbereiding van die beslissing inbreuken op de taalwetgeving zijn begaan. Als een procedure is gevoerd op een wijze die niet strookt met de taalwet, dan wordt de uiteindelijke beslissing daardoor aangetast. Dit is een voorbehoud dat moet worden gemaakt. Het bezwaar dat de kennisgeving van het beroepschrift van de gemachtigde ambtenaar onmiddellijk in het Frans had moeten gebeuren, is hoe dan ook ongegrond.’; Overwegende dat de raadsheer van de aanvrager tijdens de hoorzitting uitdrukkelijk verklaarde dat hij aan de gemachtigde ambtenaar geen vertaling van het beroepsschrift heeft gevraagd, vermits dit verzoek duidelijk moest blijken uit de reeds gevoerde procedure; dat slechts telefonisch op maandag 14 maart 2005 om een vertaling van het beroepsschrift werd verzocht; dat deze vertaling hem op 17 maart 2005 werd bezorgd, wat zeker binnen een redelijke termijn is; dat uit hoger geciteerd juridisch advies blijkt dat in deze omstandigheden het beroep van de gemachtigde ambtenaar wel degelijk ontvankelijk is; Overwegende dat de advocaat van de particulier tijdens de hoorzitting nogmaals aanvoert dat de vertaling hem laattijdig is bezorgd, waardoor de voorbereiding voor de hoorzitting niet grondig is kunnen gebeuren; dat nochtans de hoorzitting initieel gepland was op 18 maart 2005, maar op uitdrukkelijk verzoek van de advocaat werd uitgesteld naar 21 maart 2005 juist om de (Nederlandstalige) raadsheer in gelegenheid te stellen deze hoorzitting voor te bereiden aan de hand van het vertaalde beroepsschrift; dat verder uitstel onmogelijk was, gezien het feit dat de advocaat op 9 maart 2005 een rappelbrief had gestuurd waardoor een dwingende termijn van 30 dagen wordt ingesteld; Overwegende dat tenslotte de heer Peeters tijdens de hoorzitting nog een derde reden aanvoert waaruit zou blijken dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar onontvankelijk zou zijn; dat met name het beroepsschrift als bijlage vermeld ‘inventarislijst’; dat deze inventarislijst inderdaad werd bijgevoegd bij de kennisgeving van het beroepsschrift aan de particulier; dat de heer Peeters echter aanvoert dat alle stukken, vermeldt op deze inventarislijst eveneens hadden moeten overgemaakt worden aan de particulier; dat ook deze stelling echter niet correct is, vermits in
, § 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals later gewijzigd, uitdrukkelijk wordt opgesomd welke stukken de kennisgave aan de aanvrager van het beroep van de gemachtigde ambtenaar minstens dient te bevatten; dat hierin wordt vermeld ‘2/ een inventaris van de overige stukken die aan de Vlaamse regering en niet aan de aanvrager worden toegezonden’; dat het precies deze inventaris is die wel degelijk werd meegezonden met de kennisgeving; dat de stukken op deze inventaris niet dienden meegezonden, omdat het ten eerste geen nieuwe gegevens zijn, maar enkel deze documenten die aan de basis lagen van ook de beslissingen van het college van burgemeester en schepenen en/of van de bestendige deputatie; dat bovendien het dossier te allen tijde kan worden ingekeken in het kader van openbaarheid van bestuur; dat ook dit motief tot onontvankelijk verklaren van het beroep van de gemachtigde ambtenaar onterecht blijkt te zijn, zodat het dossier ten gronde dient te worden beoordeeld; Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Sint-Truiden -Tongeren, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 april 1977, gelegen is in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat in dit gebied, overeenkomstig de noodzakelijke samenlezing der artikelen 11 en 15 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de X-12.333-7/17 ontwerp -gewestplannen en de gewestplannen, bestemd voor de landbouw in de ruime zin, bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen; dat de daar voorgestelde handelingen en werken de schoonheidswaarde van het landschap niet mogen in gevaar brengen; Overwegende dat kwestieuze grond niet gelegen is binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling; dat wegens het ontbreken van enig gedetailleerd ordeningsplan de vergunningverlenende overheid de voorliggende vraag dient te evalueren aan de hand van de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede aanleg der plaats, gebaseerd op de eerder geciteerde voorschriften van het vigerend gewestplan; Overwegende dat de aanvraag strekt tot het verbouwen van een bedrijfsgebouw bij een bestaand landbouwbedrijf naar twee appartementen voor hoevetoerisme; dat hiertoe een bestaande stal, in lamentabele staat, grondig wordt verbouwd en uitgebreid zowel in de diepte als in de hoogte; dat zowel op het gelijkvloers als op de nieuwe verdieping een volwaardig appartement met leefruimte, aparte slaapkamer, keuken en badkamer wordt voorzien; dat de te verbouwen stal zich aan de overzijde van de straat situeert ten opzichte van het landbouwbedrijf; Overwegende dat de aanvraag openbaar werd gemaakt van 19 november 2003 tot 18 december 2003; dat geen bezwaren werden ingediend; dat de afdeling Natuur van AMINAL op 25 november 2003 een voorwaardelijk gunstig advies verleende; dat het advies van Toerisme Vlaanderen afgeleverd op 22 januari 2004 eveneens voorwaardelijk gunstig is; Overwegende dat evenwel de afdeling Land van AMINAL op 20 november 2003 in het kader van voorliggende aanvraag volgend ongunstig advies verleende: ‘In antwoord op uw bovenvermeld schrijven van 8 januari, heb ik de eer U mede te delen dat het ter zake verstrekt advies op 16 januari 2002 met referte 02/0020A73109/17/RESW onverkort behouden blijft. Er worden geen nieuwe gegevens aangebracht die ons standpunt zouden wijzigen. Ook ruimten voor hoevetoerisme dienen ingericht te worden in gebouwen die deel uitmaken van het bedrijfserf dat op zich onopsplitsbaar is. Van dit erf afgescheiden gebouwen kunnen enkel in stand gehouden worden. Verbouwen zeker ten behoeve van een bestemmingswijziging tot woonruimte of gastenverblijf is uitgesloten. De uiteindelijke juridisch administratieve afweging zal echter door de gemachtigde ambtenaar van de afdeling AROHM genomen worden.’; Overwegende dat het vorige advies van 16 januari 2002 waarnaar verwezen wordt ook nog vermelde: ‘In antwoord op uw bovenvermeld schrijven van 8 januari, heb ik de eer U mede te delen dat er uit landbouwkundig oogpunt een ongunstig advies gegeven wordt. Het betreft hier een bedrijfsruimte gelegen aan de overzijde van de weg tegenover de hoeve van de aanvrager. Het is daar een uitgesproken landbouwgebied waar elke versterking van residentiële aanwezigheid uit hoofde van de vrijwaring van de landbouwstructuur dient vermeden te worden. Het is geen verbouwing van een woning maar de omvorming van een bedrijfsgebouw (deels in zeer slechte staat) tot een afzonderlijke tweede woning voor de uitbater van een nabijgelegen landbouwbedrijf. Dit gaat gepaard met de realisatie van een belangrijk volume in nieuwbouw en totale verandering van het oorspronkelijk uitzicht.’; Overwegende dat overeenkomstig artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 in het agrarisch gebied verblijfsgelegenheden weliswaar kunnen worden toegestaan, doch slechts voor zover deze een integrerend deel X-12.333-8/17 van een leefbaar bedrijf uitmaken; dat in voorliggend dossier de te verbouwen stal weliswaar eigendom uitmaakt van een nog in werking zijnde leefbaar landbouwbedrijf, doch door de ligging aan de overzijde van de weg en op een apart kadastraal perceel, eenvoudig afsplitsbaar is en geenszins kan worden beschouwd als ruimtelijk geïntegreerd in het bedrijf; Overwegende dat bovendien de opvatting van de plannen, waar de beoogde verblijfsgelegenheden worden opgevat als twee kleine, maar volkomen onafhankelijke appartementen, niet strookt met de bedoeling van de wetgever om de verhuur van enkele kamers op een bestaande boerderij mogelijk te maken; dat hier in feite twee woongelegenheden worden gecreëerd, waarbij enkele garantie bestaat dat deze niet permanent zullen bewoond worden in plaats van te worden verhuurd als vakantiewoning; dat het creëren van nieuwe, zonevreemde woongelegenheden uitgesloten is in het agrarisch gebied; dat de beoogde appartementen geen enkele directe band meer hebben met het landbouwbedrijf; Overwegende dat tenslotte nog wordt opgemerkt dat het betrokken bedrijf gelegen is temidden van een zeer uitgestrekt en uitgesproken gaaf en onaangetast landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat op 200 meter ten oosten van het bedrijf en op 400 meter ten westen ervan zich twee uitgestrekte natuurgebieden situeren, die beiden geselecteerd zijn als ‘grote eenheid natuur’ en als ‘habitatrichtlijngebied’, terwijl het dichtst bijgelegen (landelijk). woongebied ruim 900 meter van het bedrijf verwijderd is; dat het duidelijk is dat in deze ongerepte, onaangetaste omgeving de ruimtelijke draagkracht beperkt is; dat het toelaten van de nieuwe inplanting van twee appartementen in deze omgeving de goede plaatselijke ordening duidelijk verstoort; Overwegende dat in bijkomende orde nog wordt opgemerkt dat de vierkantshoeve op het kadastraal perceel afdeling 4, sectie A, nr. 559B op 16 juni 2000 voorlopig als monument werd beschermd; dat enkel de vierkantshoeve zelf in deze voorlopige beschermingsbeslissing werd opgenomen, en niet de stal waarop voorliggende aanvraag betrekking heeft, gelegen aan de overzijde van de Brabant; dat dit ten overvloede nogmaals aantoont dat het niet om een fysisch geïntegreerd onderdeel van de hoeve gaat; Overwegende dat samenvattend slechts kan worden geconcludeerd dat de voorliggende plannen, het grondig verbouwen en uitbreiden van een bestaande stal inhouden tot twee woonentiteiten; dat ongeacht de benaming ‘verblijfsgelegenheid’ wordt vastgesteld dat het om volwaardige appartementen gaat, die perfect als zelfstandige woonunit kunnen gebruikt worden; dat bovendien niet voldaan is aan de strikte voorwaarde voor het inbrengen van verblijfsgelegenheid bij een bestaand landbouwbedrijf, omdat deze appartementen gelegen zijn aan de overzijde van de straat ten opzichte van het bedrijf, op een apart kadastraal perceel, en als dusdanig gemakkelijk afsplitsbaar zijn; dat bijgevolg deze verblijfsgelegenheden geenszins een geïntegreerd deel uitmaken van het bestaande bedrijf, zodat niet voldaan is aan een essentiële voorwaarde tot het verlenen van de vergunning; dat bovendien het betrokken bedrijf geïsoleerd gelegen is in een zeer omvangrijk, homogeen en onaangetast landschappelijk waardevol agrarisch gebied, in de dichte nabijheid van twee grote, waardevolle natuurgebieden; dat de ruimtelijke draagkracht van dergelijk gaaf gebied beperkt is, en dat de voorgestelde inplanting van twee appartementen, zelfs wanneer ze slechts gebruikt worden als vakantiewoningen, deze draagkracht ruim overschrijdt; dat om al deze redenen het beroep van de gemachtigde ambtenaar moet worden ingewilligd”. X-12.333-9/17 20. Bij faxbericht van 31 maart 2005 wordt de verzoeker een vertaling van de hoorzitting in de Franse taal bezorgd, met de vermelding dat “eventuele opmerkingen of aanvullingen aan het verslag kunnen toegevoegd worden (...)”. 21. Op 1 april 2005 ontvangen de verzoeker en zijn echtgenote een afschrift van het bestreden besluit. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste en tweede middel Uiteenzetting van het eerste en het tweede middel 22. De verzoeker roept in een eerste middel de schending in van “artikel 36 § 2 en § 3, laatste lid van de wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en artikel 12, laatste lid van de Gec. Wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van talen in bestuurszaken” : “Bespreking 01. In artikel 12 , laatste lid van de Gec. Wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken wordt voorgeschreven dat in de taalgrensgemeenten de plaatselijke diensten zich tot de particulieren wenden in die van beide talen - het Nederlands of het Frans - waarvan de betrokkenen zich hebben bediend of het gebruik hebben gevraagd ; Artikel 36 § 2 van de wet van 09 augustus 1980 tot hervorming der instellingen stelt dat op de diensten van de VLAAMSE EXECUTIEVE , met betrekking tot de gemeenten met een speciale taalregeling uit hun ambtsgebied, de taalregeling van toepassing is die door de Gec. Wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken is opgelegd aan de plaatselijke diensten van die gemeenten , voor de berichten , mededelingen en formulieren die bestemd zijn voor het publiek , voor de betrekkingen met particulieren en voor het opstellen van akten , getuigschriften , verklaringen en vergunningen ; Artikel 36 § 3, laatste lid van de wet van 09 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, stelt dat de diensten van de VLAAMSE EXECUTIEVE derwijze georganiseerd worden dat , zonder enige moeite , kan worden voldaan aan de bepalingen van § 2; 02. De heer Raymond BECKERS - verzoekende partij - is inwoner van de gemeente VOEREN (Sint-Pieters-Voeren), zijnde een taalgrensgemeente opgesomd in artikel 8 , eerste lid , 10/ van de Gec. Wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van talen in bestuurszaken en begiftigd met een speciale taalregeling ter bescherming van hun taalkundige minderheden; In zijn beroepsschrift, ingediend op 12 maart 2004 bij de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van de Provincie LIMBURG in toepassing van
& 3 van het Decreet betreffende de Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw zoals gecoördineerd op 22 oktober 1996, verzocht verzoekende partij uitdrukkelijk het gebruik van de franse taal; X-12.333-10/17 Het verzoek tot gebruik van de franse taal werd gerespecteerd door de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van de Provincie LIMBURG doch totaal genegeerd door de Gemachtigde Ambtenaar enerzijds en door de diensten van de Vlaamse Executieve anderzijds, De door verzoekende partij bijgebrachte stukken en documenten, uitgaande van de Gemachtigde Ambtenaar en van de diensten van de VLAAMSE EXECUTIEVE, tonen aan dat, spijts het uitdrukkelijk verzoek van verzoekende partij tot het gebruik van de franse taal, de Gemachtigde Ambtenaar en de diensten van de VLAAMSE EXECUTIEVE, optredend in het kader van
van het Decreet betreffende de Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw zoals gecoördineerd op 22 oktober 1996 als bestuursoverheid en als orgaan van actief bestuur, nalieten de franse taal te gebruiken in haar betrekkingen met verzoekende partij; De bestreden beslissing is hierdoor niet wettig tot stand kunnen komen en terzake behoort het de nietigheid , desgevallend ambtshalve, vast te stellen
, lid 1 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 ontving de Gemachtigde Ambtenaar van rechtswege vanwege de diensten van de Bestendige Deputatie een afschrift van het beroepsschrift dat de heer Raymond BECKERS op 12 maart 2004 indiende tegen de beslissing van het College van Burgemeester & Schepenen , houdende de weigering van een bouwvergunning. In dit beroepsschrift bediende de heer Raymond BECKERS zich van de franse taal en verzocht hij daarenboven nog eens expressis verbis dat de franse taal zou gebruikt worden voor de hoorzitting , waar ook de Gemachtigde Ambtenaar uitgenodigd werd, en voor de verdere afhandeling van de administratieve beroepsprocedure; De Gemachtigde Ambtenaar was dus van meet af aan niet onwetend van het feit dat de heer Raymond BECKERS zich bediende van de franse taal en ook het gebruik van de franse taal wenste in zijn betrekkingen met het Bestuur; Volledigheidshalve wenst verzoekende partij nog op te merken dat de administratieve procedures die inzake bouwvergunningen gevoerd worden voor het College van Burgemeester & Schepenen , voor de Bestendige Deputatie en bij de Vlaamse Executieve aan elkaar gebonden zijn en één geheel uitmaken (...); X-12.333-11/17 Uit het feit dat verzoekende partij zijn beroepsschrift voor de Bestendige Deputatie in de franse taal voerde en de procedures voor de Bestendige Deputatie en de Vlaamse Executieve onlosmakelijk als één geheel met elkaar verbonden zijn , wist de Gemachtigde Ambtenaar maar al te goed dat de beroepsprocedure voor de Vlaamse regering in de franse taal gevoerd werd en diende hij zijn beroepsschrift van 30 november 2004 tegen de beslissing van de Bestendige Deputatie van 28 oktober 2004 aan verzoekende partij te notifiëren en ter kennis te brengen in de franse taal; Het niet notifiëren en/of ter kennis brengen in een andere taal dan de taal waarin het beroep diende genotifieerd te worden staat gelijk met het ontbreken van een notificatie”. 23. De verzoeker roept in een tweede middel de schending in van “
van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996”: “Toelichting : 01.
bepaalt nergens dat de ontvangst van de beslissing van de Bestendige Deputatie dient te gebeuren middels een postzending ; Het beroepsschrift van de Gemachtigde Ambtenaar dat per aangetekende post aan de Vlaamse regering werd bezorgd is laattijdig en het behoorde aan de Vlaamse regering om het beroep van de Gemachtigde Ambtenaar wegens deze laattijdigheid af te wijzen ; 02.
bepaalt verder dat het beroep terzelfder tijd ter kennis van de aanvrager en van de Vlaamse regering wordt gebracht ; Het objectief van het Decreet werd in geen enkel geval bereikt door het feit dat de Gemachtigde Ambtenaar zijn beroepsschrift nooit aan verzoekende partij ter kennis bracht in de franse taal zoals voorgeschreven op grond van artikel 36 § 2 en § 3 , laatste lid van de wet van 09 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en artikel 12 , laatste lid van de Gec. Wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van talen in bestuurszaken ; Daarenboven werd nooit een in het Nederlands opgesteld en voor eensluidend verklaard afschrift van het beroepschrift van de Gemachtigde Ambtenaar ‘terzelfder’ tijd ter kennis van verzoekende partij gebracht ; Het aangetekend schrijven van de Gemachtigde Ambtenaar op 30 november 2004 en de bijgevoegde inventarislijst (...) kan niet veréénzelvigd worden met het beroepschrift dat aan de Vlaamse regering werd aangeboden en de Raad van State oordeelde reeds dat het beroepsschrift zelf en niet enkel het blote feit dat beroep werd ingesteld aan de bouwaanvrager dient aangezegd te worden (...); Dat ook op deze gronden de doelstelling van de Decreetgever niet bereikt werd en doordat aan verzoekende partij binnen de wettelijke beroepstermijn X-12.333-12/17 nooit enig beroepschrift ter kennis werd gebracht , het aan de Vlaamse regering behoorde het beroep van de Gemachtigde Ambtenaar af te wijzen ;
geschonden werd ; Aangezien
verzekert dat in geval van beroep het onderzoek van de aanvraag op tegenspraak geschiedt en dat de partijen een gelijke behandeling krijgen . Dit principe wordt echter geschonden indien de bouwaanvrager niet op dienstige wijze gebruik kan maken van de mogelijkheid zijn argumentatie te doen gelden , indien hij geen kennis kan nemen van de stukken van het dossier waarop de Vlaamse regering haar beoordeling zal steunen ; Op dienstige wijze gebruik kunnen maken van alle stukken impliceert dat deze stukken op zijn minst gesteld en/of vertaald werden in de franse taal ; Voorafgaand aan de hoorzitting heeft verzoekende partij zich ervan kunnen overtuigen dat zelfs in deze fase van de hoorzitting geen enkele normale tegenspraak mogelijk was ; Het middel is gegrond”. Beoordeling
, § 1, eerste lid van het gecoördineerde decreet zendt de bestendige deputatie binnen vijf dagen na ontvangst een afschrift van het beroepschrift aan de gemeente en aan de gemachtigde ambtenaar.
, § 2 van het gecoördineerde decreet luidde toentertijd als volgt : “§
, § 1, eerste lid van het gecoördineerde decreet, ontving de gemachtigde ambtenaar een afschrift van het voormelde beroepschrift van de verzoeker, zodat het voor hem duidelijk was of diende te zijn dat de verzoeker, die reeds bij het indienen van zijn aanvraag bij het college van burgemeester en schepenen van de Franse taal gebruik had gemaakt, tijdens de administratieve beroepsprocedure verder van deze taal gebruik wenste te maken. De gemachtigde ambtenaar was er bij het instellen van zijn beroep dan ook toe gehouden om, in toepassing van artikel 12, laatste lid van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, het in
, § 2 van het gecoördineerde decreet bedoelde afschrift van zijn beroepschrift in de Franse taal aan de verzoeker te bezorgen. Noch het betoog van de verwerende partij dat een kennisgeving van het beroepschrift in de Nederlandse taal volstond aangezien de keuze voor de Franse taal van de verzoeker beperkt is gebleven tot de procedure voor de deputatie, noch de overwegingen in het bestreden besluit dat “faciliteiten (...) niet telkens opnieuw automatisch (worden) verleend”, dat “wie eerder het gebruik van het Frans heeft gevraagd, (...) dus zonder een vernieuwd uitdrukkelijk verzoek in zijn latere betrekkingen met de overheid niet opnieuw in die taal (zal) worden te woord gestaan of aangeschreven (zie daarover Omzendbrief VR 97/29 van 7 oktober 1997 betreffende taalgebruik in de diensten)”, doen anders besluiten, aangezien niet de verzoeker maar de gemachtigde ambtenaar het beroep bij de verwerende partij heeft ingesteld, zodat het ter kennis brengen van dit beroep aan de aanvrager deel uitmaakt van de betrekking waarvoor de verzoeker het X-12.333-15/17 gebruik van de Franse taal heeft gevraagd. Overigens was een vernieuwde taalkeuze bij het instellen van dit beroep door de verzoeker niet aan de orde, en bleef verzoekers eerdere uitdrukkelijke keuze voor het gebruik van de Franse taal tijdens de administratieve beroepsprocedure onverminderd gelden. Gelet op het voorgaande heeft de gemachtigde ambtenaar bij het instellen van zijn beroep artikel 12, laatste lid van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken geschonden. Aangezien het beroepschrift van de gemachtigde ambtenaar niet terzelfder tijd als de Vlaamse regering, in de taal die hij verkoos, ter kennis van de verzoeker werd gebracht, werd tevens de door
, § 2 van het gecoördineerde decreet beoogde gelijkheid tussen de verzoeker en de Vlaamse regering geschonden. De middelen zijn in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.