id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.167 Rolnummer: A. 139036/X-11499 Zaak: Arrest 199167 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 21/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-27 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 04:05 Fiche Arrest nr 199.167 van 21 december 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : heropening debatten Afstand Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 199.167 van 21 december 2009 in de zaak A. 139.036/X-11.
- In zake:
- Kathy STAMPAERT (in de vordering tot schorsing) wonende te 9830 SINT-MARTENS-LATEM Kerkstraat 34
- Christiaan ROELS ( in de vordering tot schorsing) wonende te 9830 SINT-MARTENS-LATEM Kerkstraat 30
- Suzanne DE CRAENE wonende te 9830 SINT-MARTENS-LATEM Kerkstraat 2 tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 GENT Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 11 juli 2003, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 15 april 2003 van de gewestelijk stedenbouwkundige ambtenaar waarbij aan de Vlaamse Landmaatschappij de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het uitvoeren van het natuurinrichtingsproject “Latemse Meersen”, met name de aanleg van een knuppelpad, beplantingswerken, groenaanleg en onderhoud, graven en ruimen van poelen op een perceel gelegen te Sint-Martens- Latem, Brakelmeersstraat, kadastraal bekend sectie A, nr. 453 C “inzonderheid van het plan nr. 2 Maatregel 3b/02: aanleggen en verbeteren wandelpad en het plan nr. 3 Maatregel 3b/01 : bos omvorming populierenaanplant”. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 125.073 van 5 november 2003 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. X-11499-1/13 De derde verzoekster heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de derde verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De derde verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 juni
- Staatsraad Jeroen Van Nieuwenhove heeft verslag uitgebracht. Suzanne De Craene, die in persoon verschijnt, en advocaat Veerle Tollenaere, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Rechtspleging
- Naar luid van artikel 17, § 4ter van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest. De eerste verzoekster en de tweede verzoeker hebben geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend binnen de termijn van dertig X-11499-2/13 dagen na kennisgeving van het arrest waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing is verworpen. Ten aanzien van deze partijen geldt een vermoeden van afstand van het geding. IV. Feiten
- De verzoekster heeft haar woonplaats in de Kerkstraat te Sint-Martens-Latem. Achter haar eigendom, dat bestaat uit drie percelen en gelegen is in woongebied, ligt een terrein dat overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgestelde gewestplan Gentse en Kanaalzone gelegen is in natuurgebied. Het terrein is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch binnen het gebied van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. Bij besluit van 25 januari 1995 beslist de Vlaamse minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming het terrein te beschermen als landschap omwille van de cultuurhistorische en natuurwetenschappelijke waarde.
- Bij ministerieel besluit van 29 juni 1999 beslist de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw het natuurinrichtingsproject Latemse Meersen in te stellen, waarvan het werkterrein het betrokken terrein omvat. Een projectrapport van februari 2000 voorziet onder meer in de aanpassing van wegen en van het wegenpatroon door het optimaliseren en realiseren van openbare wandelverbindingen. Om de wandelmogelijkheden in het projectgebied te verhogen worden enkele wandelverbindingen mogelijk gemaakt of verbeterd. Het betreft onverharde voetwegels die enkel voor wandelaars bestemd zijn. Over de zone Gemeentehuis-Kwakstraat, die het betrokken terrein omvat, wordt gesteld dat gedurende de winter en het voorjaar een gedeelte van de wandelverbinding tussen het gemeentehuis en de Kwakstraat onder water staat en dat derhalve moet worden voorzien in een knuppelpad. Het projectrapport wordt aan een openbaar onderzoek onderworpen van 27 maart 2000 tot 25 april
- Op 13 februari 2001 stelt de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw de maatregelen en de modaliteiten vast tot uitvoering van het natuurinrichtingsproject, waaronder het “optimaliseren en realiseren van openbare wandelpaden”. Een deelprojectuitvoeringsplan 1, dat onder meer de bestaande toestand omvat en de technische plannen met de uitwerking van de X-11499-3/13 natuurinrichtingsmaatregelen wordt opgemaakt en aan een nieuw openbaar onderzoek onderworpen van 14 december 2001 tot 14 januari
- Op 5 maart 2002 beslist het projectcomité het deelprojectuitvoeringsplan 1 vast te stellen.
- Op 1 oktober 2002 (datum van het ontvangstbewijs) dient de Vlaamse Landmaatschappij een aanvraag in bij de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar voor de uitvoering van het project, meer bepaald deelprojectuitvoeringsplan 1, met name voor de aanleg van een knuppelpad, beplantingswerken, groenaanleg en onderhoud, alsook het graven en ruimen van poelen. Bij de aanvraag worden negen plannen gevoegd waaronder plan 2 - “maatregel 3b/02 aanleggen en verbeteren wandelpad” - en plan 3 - “maatregel 3b/01 bos vorming populieraanplant”. Op plan 2, waar door de verwerende partij de positie van de percelen van de verzoekende partijen wordt aangeduid, wordt de aanleg en de verbetering weergegeven van een wandelpad, dat loopt van de Meerstraat tot de Kwakstraat. Het pad zou ten dele in steenslagverharding worden uitgewerkt en ten dele als een knuppelpad, op enige hoogte boven overstroombare stukken grond. Op andere plaatsen wordt het bestaande pad ongemoeid gelaten. Langs het pad worden ook een aantal werken inzake groenaanleg gepland zoals het rooien en snoeien van bomen, heesters en struikgewas. Het pad loopt achter het perceel van de verzoekster. Plan 3 betreft een bosgebied waarvan een deel van de bomen worden geveld en waarbij ten dele wordt voorzien in nieuwe aanplantingen. Het bosgebied bevindt zich niet onmiddellijk achter het perceel van de verzoekster, maar een eind verder in het natuurgebied, in de richting van de Kwakstraat.
- Er wordt een openbaar onderzoek georganiseerd van 19 november 2002 tot 19 december 2003 waarbij er 16 bezwaren worden ingediend, onder andere door de verzoekster. De bezwaren handelen onder andere over het gebrek aan hoogteaanduiding voor wat betreft het knuppelpad.
- Op 6 november 2002 vraagt de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar advies aan de afdeling Natuur; deze afdeling brengt geen advies uit, blijkbaar omdat het hun eigen project is. X-11499-4/13
- Op 13 november 2002 geeft de cel Monumenten & Landschappen het volgende advies: “Gunstig. omdat de werken conform zijn met de gevoerde voorbesprekingen, en een bijdrage leveren voor behoud en herstel van de esthetische, cultuurhistorische en natuurwetenschappelijke waarde van het beschermd landschap”.
- Op 19 november 2002 geeft de afdeling Bos en Groen een gunstig advies. Op 22 november 2002 geeft de afdeling Bovenschelde een gunstig advies. Op 27 november 2002 geeft het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium een gunstig advies. Op 4 december 2002 geeft de afdeling Land een gunstig advies.
- Op 27 januari 2003 bespreekt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Martens-Latem de bezwaren en geeft het een gunstig advies over de aanvraag. Over de bezwaren met betrekking tot het wandelpad stelt het college het volgende: “Het College van Burgemeester en Schepenen onderschrijft de doelstellingen van het natuurinrichtingsproject om de toegankelijkheid van het gebied te verbeteren voor wandelaars, voor zover maatregelen worden genomen om andere gebruikers te weren (fietsers, bromfietsers, ruiters ...). In het project Recreatie-as Deinze Gent, dat parallel met de natuurinrichting verloopt, werd afgesproken dat de wandelwegen niet zouden worden gepromoot door het Vlaamse gewest of de provincie. Het college is van oordeel dat van de investeringen die in het verleden door de gemeente en de natuurvereniging werden gedaan, en nu ook met de natuurinrichting door de Vlaamse overheid, moet kunnen genoten worden. Het huidige tracé werd door de verschillende partners en betrokken besturen goedgekeurd in het projectcomité, waaruit mag worden afgeleid dat dit traject de natuurwaarden nauwelijks verstoort. Bovendien is er tot op heden steeds een weg geweest. De gemeente kocht de gronden eind jaren tachtig aan met het oog op een wandelverbinding die door afschaffing van de buurtweg was verdwenen. De weg werd echter ingepalmd door een landbouwer en geraakte in steeds slechtere staat. Het voorstel van een zwevend knuppelpad garandeert steeds een verbinding en vermijdt dat wandelaars nieuwe paden maken bij het omzeilen van plassen en moddersporen. Bijgevolg kan gesteld worden dat op termijn de schade aan-, en de verstoring van de natuur vermindert ten opzichte van een klassiek wandelpad. Het college behoudt zich het recht het wandelpad gedurende een bepaalde periode af te sluiten, bijvoorbeeld in het broedseizoen, of maatregelen te nemen X-11499-5/13 die het gebruik beperken indien zou blijken dat de verstoring te groot is (groepsactiviteiten, wandelclubs, ...). Het college wenst zich niet uit te spreken over een eventueel conflict met het beschermingsbesluit als landschap. Monumenten en Landschappen is vertegenwoordigd in het projectcomité en dient bij deze bouwaanvraag advies te verstrekken. Betwistingen over hetgeen eind jaren tachtig is aangekocht door de gemeente dienen uiteraard te worden uitgeklaard. Op het verwervingsplan, dat aan de VLM werd overgemaakt, is ter hoogte van de percelen van bezwaarschrift 14 een breedte van 1,92 meter voorzien waarvan 0,98 meter afkomstig van de gronden van de bezwaarschriftindieners. Aan de VLM zal worden verzocht na te gaan of de huidige afpaling al dan niet in strijd is met het verwervingsplan. Het college acht de bezwaren met betrekking tot de schending van de privacy niet relevant gezien het over diepe tuinen gaat waar in de meeste gevallen reeds een groenscherm of afsluiting aanwezig is. Ook het onderbreken van het natuurlijk reliëf als bijzonder te beschermen element is niet relevant gezien in meerdere tuinen reeds vergravingen of ophogingen gebeurden en het juist de private tuinen zijn die voor een grens zorgen. De aanleg van een wandelpad vergt voor de aangelanden geen bijzondere maatregelen die afwijken van een normale tuinuitrusting. De aanleg van het knuppelpad mag slechts tot doel hebben boven het gemiddeld winterpeil te blijven en aldus het wandelen op zich te optimaliseren. De bezwaren 1 tot en met 10 en 15 worden aanvaard voor wat betreft het ontbreken van een hoogteaanduiding. De aanleg van het knuppelpad ter hoogte van de percelen 560c en 633c mag, indien er reeds voldoende hagen, hetzij bermen aanwezig zijn, geen inkijk mogelijk maken in de naastliggende tuinen”.
- Op 15 april 2003 beslist de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar tot de afgifte van de stedenbouwkundige vergunning. Hij “sluit zich aan bij de conclusies dewelke het schepencollege tengevolge van de beraadslaging hieromtrent heeft getrokken”. Voor wat betreft de bestaanbaarheid met de gewestplanbestemming en de beoordeling van de goede plaatselijke aanleg vermeldt het bestreden besluit nog het volgende: “De verschillende projecten zijn volkomen bestaanbaar met de gewestplanbestemming ‘natuurgebied’. Het is immers enkel in de natuurgebieden met wetenschappelijke waarde of de natuurreservaten (aangeduid met een R in plaats van een N) dat de toegelaten werken beperkt zijn tot louter deze die noodzakelijk zijn voor de actieve en/of passieve bescherming van de aanwezige natuurwaarden. Het oprichten van een knuppelpad bijvoorbeeld is als dusdanig allerminst strijdig met het voorschrift voor de gewone natuurgebieden, waarin een (weliswaar luw) recreatief medegebruik mogelijk is. De projecten zijn eveneens verenigbaar met de goede aanleg der plaats : het betreft hier ‘maatwerk’ waarbij landschapsvreemde elementen worden verwijderd (exotische flora bijvoorbeeld) of gecamoufleerd (de vlasfabriek) en landschapseigen elementen worden versterkt (bosomvorming) of zelfs aangelegd (poelen). Zoals het schepencollege aangeeft spelen de aan te leggen X-11499-6/13 wandelpaden hierin een vrijwarende rol: in dit beschermd landschap gaat de voorkeur inderdaad uit naar ‘gekanaliseerd’ boven ‘vrij’ voetgangersverkeer”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Uiteenzetting van de exceptie
- De verwerende partij betwist het belang van de verzoekster bij de vernietiging van het bestreden besluit. Ze voert aan dat uit een beschikking in kort geding van 6 oktober 2003 van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van Gent blijkt dat het door de verzoekster aangevoerde nadeel elke feitelijke grondslag mist. Tevens wijst de verwerende partij op het feit dat de verzoekster nooit enig bezwaarschrift heeft ingediend in het kader van het openbaar onderzoek. Beoordeling
- De door de verzoekster aangevochten vergunde werken liggen hetzij in een gebied dat grenst aan de percelen van de verzoekster (voor wat betreft het wandelpad), hetzij in de onmiddellijke omgeving (voor wat betreft het bosgebied). Dat in een kort gedingprocedure voor de gewone rechter, net zoals overigens in de administratieve kort gedingprocedure voor de Raad van State wordt geoordeeld dat de verzoekster geen dermate ernstig nadeel ondervindt dat in het kader van die procedure een schorsing of voorlopige maatregelen kunnen worden bevolen, impliceert nog niet dat de verzoekster geen belang zou hebben in het kader van een annulatieberoep. Ook het feit dat de verzoekster geen bezwaarschrift heeft ingediend bij de openbare onderzoeken met betrekking tot het natuurinrichtingsproject “Latemse Meren”, doet geen afbreuk aan haar belang. V. Onderzoek van de middelen A. Tweede onderdeel van het eerste middel Uiteenzetting van het middelonderdeel
- In een tweede onderdeel van het eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 19, derde lid van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en X-11499-7/13 de gewestplannen, van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, van het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiële motiveringsplicht, alsook van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet). De verzoekster stelt dat de vergunningverlenende overheid de impact van het wandelpad op de goede plaatselijke aanleg niet op deugdelijke wijze heeft onderzocht. Alle in de betrokken omgeving aanwezige belangen moeten immers worden betrokken bij dat onderzoek, waaronder de woonkwaliteit van diegenen die vlak naast het wandelpad wonen. In het bestreden besluit wordt hieraan geen enkele overweging gewijd. In het advies van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Martens-Latem, waarin de bezwaren van de verzoekster worden verworpen, wordt enkel ingegaan op de privacyaspecten en niet op andere vormen van hinder, zoals rustverstoring. Ook voor wat betreft de privacy wordt geen rekening gehouden met het feit dat sommige woningen slechts op 20 meter van het knuppelpad zijn ingeplant en dat de privacy en het rustig woongenot ook in de tuinen geldt (waar gesteld wordt dat de diepte van de tuinen maakt dat er geen schending is van de privacy). Het argument dat “in de meeste gevallen” reeds groenschermen of afsluitingen bestaan, houdt geen voldoende concreet onderzoek in. Bovendien is vanuit een (verhoogd) knuppelpad inkijk in elke aanpalende tuin en woning mogelijk en bevat het bestreden besluit hieromtrent geen garanties. Beoordeling
- De Raad van State vermag zijn beoordeling van de eisen van de goede plaatselijke aanleg niet in de plaats te stellen van die van de bevoegde overheid. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht is hij enkel bevoegd na te gaan of de administratieve overheid de haar ter zake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. De beoordeling van de goede plaatselijke ordening veronderstelt dat niet alleen rekening wordt gehouden met de feitelijke en juridische toestand van het perceel, maar ook met de omringende percelen, ook al zijn die in andere bestemmingsgebieden gelegen. Deze verplichting geldt des te meer indien in het X-11499-8/13 kader van het openbaar onderzoek bezwaren werden geformuleerd door bewoners van omringende percelen waarin zij de aanleg van het wandelpad bekritiseren. Het bestreden besluit bevat enerzijds een beoordeling van de goede plaatselijke aanleg die in wezen gericht is op de verenigbaarheid met het karakter en de bestaande inrichting van het natuurgebied. Anderzijds verklaart de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar zich aan te sluiten bij de beoordeling door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Martens- Latem voor wat betreft de beoordeling van de ingediende bezwaren (zie randnr. 11). In de omstandige beoordeling van de bezwaren met betrekking tot de aanleg van het wandelpad door het college van burgemeester en schepenen in zijn advies van 27 januari 2003 (zie randnr. 10), die de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar zich eigen heeft gemaakt, worden verscheidene elementen onderzocht die door de verzoekster worden bekritiseerd. Ze worden hierna één voor één besproken. Aan de kritiek van de verzoekster dat “grote wandelfrequentie” en “rustverstoring” in deze beoordeling niet aan bod komt, werd tegemoet gekomen, nu het college verklaart “maatregelen te nemen die het gebruik beperken indien zou blijken dat de verstoring te groot is (groepsactiviteiten, wandelclubs, ...)”. De privacybezwaren worden onder meer weerlegd met de stelling dat “het over diepe tuinen gaat waar in de meeste gevallen reeds een groenscherm of afsluiting aanwezig is”. Dergelijke schermen of afsluitingen zijn van aard de privacy in de tuinen zelf reeds te vrijwaren. Dat niet alle percelen een dergelijk scherm of een dergelijke afsluiting vertonen, is geen tekortkoming in de beoordeling van het college, dat er geredelijk van mocht uitgaan dat niet elke bewoner van een aanpalend perceel een dergelijk scherm of een dergelijke afsluiting wenst te plaatsen. Voorts wordt nog gesteld dat het te dezen niet gaat om “maatregelen die afwijken van een normale tuinuitrusting”. De verzoekster bekritiseert ten slotte nog dat het voorbehoud dat het college formuleert bij een mogelijke inkijk voor wat betreft twee percelen, niet aan bod komt in het bestreden besluit. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat zij geen belang heeft bij het middelonderdeel voor wat betreft deze twee percelen, die verderop gelegen zijn. Uit het voorgaande kan enerzijds worden geconcludeerd dat er wel degelijk een beoordeling van de goede plaatselijke aanleg voorligt voor wat betreft de aanpalende percelen en anderzijds dat de verzoekster de ondeugdelijkheid van die beoordeling niet aantoont. Het tweede onderdeel van het eerste middel is niet gegrond. X-11499-9/13 B. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- In een derde middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 7, 11 en 16 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 november 1997 tot vaststelling van de samenstelling van het dossier voor de aanvraag om een bouwvergunning, van het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiële motiveringsplicht, alsook van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet. De verzoekster argumenteert dat overeenkomstig het aangehaalde besluit in de verantwoordingsnota een beschrijving moet voorkomen van de ruimtelijke context, wat niet het geval is. Tevens werden ten onrechte de afmetingen van het tracé, de totale lengte en de exacte inplantingsplaats van de knuppelpaden, de juiste breedte van het wandelpad en de afstanden ten opzichte van de perceelsgrenzen niet aangeduid. Ook wordt de verschuiving van het bestaande wandelpad in de richting van de percelen van de verzoekster niet verantwoord, evenmin als de verwijdering van op het terrein aanwezige groenvoorzieningen. Er wordt op de plannen niet vermeld welke en hoeveel belangrijke bomen worden gerooid en de door de afdeling Bos en Groen verleende kapmachtiging werd niet aan het dossier toegevoegd. De terreinprofielen en hoogtelijnen werden niet aangeduid, terwijl er op het terrein belangrijke reliëfverschillen zijn die nergens op de plannen tot uiting komen. De uiteindelijke hoogte van het knuppelpad wordt nergens vermeld, zodat niet duidelijk is wat de wandelhoogte wordt, terwijl het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Martens-Latem de bezwaren die hierover werden geformuleerd, zelf is bijgetreden in zijn advies. Aangezien de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar de conclusies van het advies is bijgetreden, is sprake van een tegenstrijdige motivering. Beoordeling
- Onjuistheden, vergissingen of leemten in het aanvraagdossier kunnen tot de vernietiging van de stedenbouwkundige vergunning leiden, indien blijkt dat zij van die aard zijn dat zij de adviserende of de vergunningverlenende overheden in dwaling hebben gebracht en bovendien beslissend zijn geweest voor de toekenning van de bouwvergunning. Het is aan de verzoekster om aan te tonen welke deze leemten zijn en op welke wijze de overheden hierdoor misleid zijn. Het X-11499-10/13 ontbreken van bepaalde gegevens kan slechts tot de onwettigheid van de op grond van dat dossier verleende stedenbouwkundige vergunning leiden indien blijkt dat de vergunningverlenende overheid ingevolge het ontbreken van deze gegevens niet met de vereiste kennis van zaken de aanvraag heeft beoordeeld. Voor wat betreft de ontbrekende beschrijving van de ruimtelijke context blijkt niet dat, nog afgezien van de vraag in welke mate deze lacune niet reeds wordt ondervangen door de gegevens op de plannen bij de aanvraag, de vergunningverlenende overheid niet met kennis van zaken kon oordelen over de aanvraag. In tegenstelling tot wat de verzoekster voorhoudt, worden de ligging, de totale lengte en de breedte van de knuppelpaden op de plannen vermeld, net zoals de breedte van het wandelpad. Dat de afstanden tot de perceelsgrenzen niet zijn weergegeven, heeft de beoordeling door de vergunningverlenende overheid niet aangetast, zoals blijkt uit de omstandige beoordeling van de weerslag van het wandelpad op de aanpalende bewoners. De beweerde verschuiving van het wandelpad wordt niet verder gecorroboreerd met concrete gegevens, wordt door de verwerende partij betwist en is bovendien geen kritiek die kan worden ingepast in de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen. Dat de “belangrijke bomen” niet elk individueel worden weergegeven, neemt niet weg dat in plan 3 het beboste gebied wordt weergegeven, alsook de aanduiding van de voorgenomen ontbossing respectievelijk aanplanting, aangevuld met de precieze aantallen van te rooien bomen en aan te planten gewassen en bomen. Dat de geplande maatregelen met betrekking tot het bosgebied niet worden hernomen in plan 2, dat handelt over de heraanleg van het wandelpad, is niet van aard de beoordeling van de vergunningverlenende overheid aan te tasten, aangezien de afzonderlijke voorstelling van elk van de uiteenlopende werken die beoordeling juist faciliteert, veeleer dan bemoeilijkt. De verzoekster licht niet toe in welke mate de afwezigheid van terreinprofielen en hoogtelijnen tot gevolg kan hebben dat de vergunningverlenende overheid niet met kennis van zaken over de aanvraag kon oordelen. In de mate dat het reliëf relevant kan zijn voor de inschatting van de gevolgen van het wandelpad voor de aanpalende bewoners, blijkt uit de bespreking van het tweede onderdeel van het eerste middel dat de vergunningverlenende overheid met kennis van zaken heeft kunnen oordelen. De vermelding van de hoogte van het knuppelpad boven het maaiveld is geen vereiste dat uit het aangehaalde besluit kan worden afgeleid. Het X-11499-11/13 ontbreken ervan kan bijgevolg niet met goed gevolg worden aangevoerd. Aangezien de aanleg van een knuppelpad te dezen niet meer inhoudt dan een noodzakelijke beperkte verhoging van een weg om gebeurlijke wateroverlast te overbruggen, valt ook niet in te zien hoe de vergunningverlenende overheid over een precieze hoogte van dit knuppelpad moet beschikken om met kennis van zaken te oordelen. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint- Martens-Latem heeft bij de beoordeling van de bezwaren met betrekking tot het wandelpad gesteld dat “de aanleg van het knuppelpad (...) slechts tot doel (mag) hebben boven het gemiddeld winterpeil te blijven en aldus het wandelen op zich te optimaliseren”. Uit het feit dat de bezwaren dientengevolge werden aanvaard voor wat betreft het ontbreken van een hoogteaanduiding, kan nog niet worden afgeleid dat het bestreden besluit op niet afdoende wijze is gemotiveerd, nu de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar zich bij deze conclusie heeft aangesloten, maar het kennelijk niet nodig heeft geacht om te voorzien in een uitdrukkelijke voorwaarde bij de stedenbouwkundige vergunning. Bovendien kan uit de spraakgebruikelijke betekenis van een knuppelpad worden afgeleid dat de hoogte ervan beperkt blijft tot hetgeen nodig is om het wandelen over tijdelijk overstroomde gronden mogelijk te maken. Het gebruik van funderingspalen van 150 respectievelijk 250 cm (in het laatste geval, blijkens de uitleg van de verwerende partij, voor moerassige zones) spreekt deze zienswijze allerminst tegen. Het derde middel is niet gegrond. C. Overige middelen
- Aangezien in het auditoraatsverslag enkel het tweede onderdeel van het eerste middel en het derde middel werden onderzocht, moeten de debatten worden heropend met het oog op een aanvullend onderzoek van het eerste onderdeel van het eerste middel, alsook het tweede, vierde en vijfde middel. X-11499-12/13 BESLISSING
- De afstand van het geding wordt vastgesteld in hoofde van de eerste verzoekster en de tweede verzoeker.
- De eerste verzoekster en de tweede verzoeker worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op 350 euro, ieder voor de helft.
- De debatten worden heropend.
- Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig december 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, met bijstand van Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-11499-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.167 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.125.073 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.211.030 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div