id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.186 Rolnummer: A. 193937/X-14393 Zaak: Arrest 199186 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 22/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-28 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:05 Fiche Arrest nr 199.186 van 22 december 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 199.186 van 22 december 2009 in de zaak A. 193.937/X-14.393. In zake: Hugo CAMMAER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Bergé kantoor houdend te 3000 LEUVEN Naamsestraat 165 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dany Socquet kantoor houdend te 3080 TERVUREN Merenstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen: 1. Paul RYCKEN 2. Godelieve MARIEN wonende te 3000 LEUVEN Onze Lieve Vrouwstraat 25 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 12 september 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 7 juli 2009 van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant houdende verwerping van het beroep van Hugo Cammaer tegen het besluit van 17 april 2009 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven houdende afgifte aan Paul Rycken en Godelieve Marien van de vergunning voor het verbouwen van een eengezinswoning op een perceel gelegen te Leuven, Sint-Annastraat, kadastraal bekend sectie D, nr. 128/h. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. X-14.393-1/14 Auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 november 2009. Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jan Bergé, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Dany Socquet, die verschijnt voor de verwerende partij, en de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Tussenkomst 3. Met een op 28 september 2009 ter post aangetekend verzoekschrift vragen Paul Rycken en Godelieve Marien om in het geding te mogen tussenkomen. Er is grond om dat verzoek in te willigen, wat betreft het administratief kort geding. IV. Feiten 4. Op 28 januari 2009 (datum van het ontvangstbewijs) dienen Paul Rycken en Godelieve Marien bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven een aanvraag in tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning voor het verbouwen van een eengezinswoning gelegen aan de Sint-Annastraat 4 te Leuven, op een perceel kadastraal bekend sectie D, nr. 128/h. 5. Het betrokken perceel is volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Leuven, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 april 1977, gelegen in woongebied met cultureel-historische en/of esthetische waarde. X-14.393-2/14 Het is niet gelegen binnen het beheersingsgebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan en maakt evenmin deel uit van een behoorlijk vergunde niet vervallen verkaveling. 6. De woning van de verzoeker, gelegen Sint-Annastraat 2, paalt aan het betrokken perceel. Zijn woning staat dwars op de Sint-Annastraat en tussen deze woning en de woning Sint-Annastraat 4 bevindt zich de tuin van de verzoeker. 7. De aanvraag beoogt de op het gelijkvloers bestaande achterbouw te slopen en de woning daar uit te breiden tot op een diepte van 12,63 m op het gelijkvloers en 11 m op de eerste en de tweede verdieping. De blinde zijgevel palend aan de tuin van de verzoeker wordt afgewerkt met gevelsteen. 8. Tijdens het openbaar onderzoek over de aanvraag dienen de verzoeker en zijn echtgenote een bezwaarschrift in. 9. Na een gunstig advies van de gewestelijk erfgoed ambtenaar van het agentschap RO-Vlaanderen en een positief verslag van de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar, verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven bij besluit van 17 april 2009 de gevraagde stedenbouwkundige vergunning. 10. Op 6 mei 2009 stellen de verzoeker en zijn echtgenote tegen deze beslissing administratief beroep in bij de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. 11. De aanvragers laten de deputatie hun argumentatie geworden met een op 14 mei 2009 ter post aangetekende brief. 12. De gewestelijk erfgoed ambtenaar van het agentschap RO-Vlaanderen adviseert ditmaal op 15 juni 2009 ongunstig, omdat door de uitbouw van het pand mogelijk archeologische resten verdwijnen en “bijkomend ook de leesbaarheid van de inplanting van het verdwenen klooster in het huidige stadsweefsel verloren (dreigt) te gaan”. 13. De provinciale stedenbouwkundige ambtenaar maakt op 19 juni 2009 een gemotiveerd verslag op, waarin hij voorstelt het administratief beroep van de verzoeker en zijn echtgenote niet in te willigen. X-14.393-3/14 14. Bij het thans bestreden besluit van 7 juli 2009 verwerpt de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant het beroep van de verzoeker en wordt de gevraagde stedenbouwkundige vergunning verleend, mits de uitbreiding op de perceelgrens af te werken in materialen die aansluiten bij deze van de bestaande wachtgevel. 15. Een afschrift van het besluit wordt onder meer aan de verzoeker ter kennis gebracht met een op 15 juli 2009 ter post aangetekend schrijven. V. Onderzoek van de vordering 16. Overeenkomstig artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. A. Ernst van het middel Enig middel Uiteenzetting van het middel 17. Het enig middel luidt als volgt: “11. Het middel is genomen uit de schending (...) van artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: Motiveringswet), art. 53 §3 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: Coördinatiedecreet), van artikel 5, 6, 1.2.3 en 19, laatste lid van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp gewestplannen en gewestplannen (hierna: Inrichtingsbesluit), artikel 4 van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), van het begrip goede ruimtelijke ordening, alsook van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, meer bepaald het motiveringsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, en uit machtsoverschrijding. Doordat de bestreden beslissing besluit dat het verbouwingsproject verenigbaar is met goede ruimtelijke ordening op grond van een loutere beschrijving van het project, van een verwijzing naar stedenbouwkundige vergunningen van het college van burgemeester en schepenen van Leuven van 17 april 2009, en van een beknopte weerlegging van het ongunstig advies van de afdeling Onroerend Erfgoed van het agentschap RO Vlaanderen van X-14.393-4/14 04 maart 2009, zonder echter de concrete kenmerken van de ruimtelijke ordening en de aanleg ter plaatse te onderzoeken en te beschrijven, in het bijzonder voor wat betreft het aanpalende eigendom van de verzoekende partij en de bijzondere historische kenmerken van de onmiddellijke omgeving, alhoewel daarover zowel naar aanleiding van het openbaar onderzoek bezwaren werden geformuleerd, en tijdens de administratieve beroepsprocedure, ook tijdens de hoorzitting, middelen werden naar voor gebracht. Terwijl, eerste onderdeel, de vergunningverlenende overheid de vergunningsaanvraag moet beoordelen op haar overeenstemming met de goede ruimtelijke ordening, wat impliceert dat in concreto moet worden onderzocht wat de juiste aanleg van de plaats is, en op afdoende wijze moet worden aangetoond dat het project verenigbaar is met de ruimtelijke ordening van die plaats, ook al is de aanvraag niet in strijd met het gewestplan. En terwijl, tweede onderdeel, een en ander uitdrukkelijk uit de vergunningsbeslissing moet blijken. Toelichting 12. De bestreden beslissing beschrijft op een eerder summiere wijze de woning nr 4 waarop de vergunning betrekking heeft, en van de gevraagde wijzigingen. De sanering van de benedenverdieping wordt een merkelijke verbetering van de plaatselijke toestand genoemd. Deze vaststelling houdt klaarblijkelijk verband met het gedeeltelijk wegnemen van de aanbouw die zich nu op het gelijkvloerse niveau uitstrekt over nagenoeg de volledige oppervlakte van het perceel, waardoor een koer- of tuinzone met een diepte van 4,75m zal worden ingericht. Wat de voor de verzoekende partij belangrijke uitbreiding van de rechterzijgevel betreft, vermeldt de vergunning dat hij met een terugspringende parementsteen esthetisch wordt afgewerkt. Over de opbouw van de achtergevel wordt gezegd dat hij het binnengebied en de beschermde omgeving van de Predikherenkerk ten goede komt. De bestreden beslissing beschrijft de onmiddellijke omgeving van de projectwoning op geen enkele wijze. Aan het aanpalende eigendom van de verzoekende partij noch aan het onmiddellijk nabije beschermde monument (de Predikherenkerk) en het beschermde stadsgezicht (waartoe de woning van de verzoekende partij behoort) wordt een woord besteed. Terwijl de bijzondere configuratie van de woning en de tuin nr 2 op zichzelf en ten opzichte van de projectwoning al een bijzondere aandacht verdient. Hoe kwe(ts)baarder de onmiddellijke omgeving is, des temeer moeten het onderzoek en de beschrijving ervan concreet en zorgvuldig zijn, opdat de juiste stedenbouwkundige beslissingen kunnen worden genomen. Het kan dus niet worden aangenomen dat de bestendige deputatie zich een concreet, correct en volledig beeld heeft gevormd van de aanleg van de plaats. Uw Raad kan dus niet nagaan of de beslissingnemende overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens. Uit de toelichtingen hierboven blijkt de tekortkoming al voldoende. De bestendige deputatie kan geen excuus vinden in de aanvankelijke stedenbouwkundige vergunning van het college van burgemeester en schepenen van Leuven van 17 april 2009, vermits die aan dezelfde gebreken lijdt (en waarvan ze de motieven overigens niet zou kunnen overnemen zonder ze zich eigen te hebben gemaakt). Aldus schendt het bestreden besluit manifest de zorgvuldigheidsplicht, m.b. de plicht om alle elementen van de zaak grondig te onderzoeken en de beslissing aldus correct voor te bereiden, alsook (minstens) art. 6, 1.2.3 en 19, laatste lid van het Inrichtingsbesluit. 13. Artikel 19, laatste lid van het lnrichtingsbesluit bepaalt wat volgt: ‘De vergunning wordt evenwel, ook al is de aanvraag niet in strijd met het gewestplan of ontwerp gewestplan, slechts afgegeven zo de X-14.393-5/14 uitvoering van de handeling en werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening.’ Tot de afweging van de goede plaatselijke ordening behoort ongetwijfeld de lichtinval en de bezonning op de belendende percelen. Uw Raad heeft al bij herhaling vastgesteld dat licht, lucht en zon elementen zijn die de ordening van de ruimte raken, en in die zin de bebouwbaarheid en een concrete bebouwing van een eigendom conditioneren. Terzake maakt de bestreden beslissing geen enkele beoordeling, wat uiteraard al wordt verklaard door de afwezigheid van een correcte beschrijving van de aanleg van de plaats. 13.1. De bestreden vergunning heeft o.m. betrekking op de uitbreiding van de woning met een bijkomend volume achteraan, op de eerste en tweede verdieping, tot in het dak. Gezien van op het eigendom van de verzoekende partij betekent dit dat de (blinde) rechterzijgevel wordt verbreed of verlengd met 2,4m, van 8,6m tot 11m, d.i. een vermeerdering van 27%. De bestaande kroonlijst wordt verhoogd met ongeveer 1,4m, zodat aan de zijgevel vanaf de eerste verdieping tot onder de nieuwe kroonlijst een oppervlakte van ongeveer 15 m² wordt toegevoegd (voor wat zichtbaar is boven de actuele tuinmuur), d.i. een vermeerdering met ongeveer 20% (...). 13.2. De verhoging van de kroonlijst en de aansluiting van het nieuwe volume met een platform op het zadeldak conditioneren zeer sterk het nadeel en de hinder die de verzoekende partij ondervindt. De nieuwe ruimtelijke inneming is voor het erf van de verzoekende partij massief en tast de belichting en bezonning ervan ernstig aan. Het evenwicht tussen de erven wordt zodanig verbroken dat het project niet met een goede ruimtelijke ordening ter plaatse in overeenstemming is te brengen. De gevolgen zijn immers concreet als volgt. Uit de schaduwstudie (...) blijkt dat de directe bezonning in het bureau van de kelderverdieping in alle seizoenen zo goed als wegvalt. De lichtinval wordt erg erg problematisch. In de slaapkamer op het gelijkvloers is vanaf oktober tot einde februari sterk verminderd tot volledig geen bezonning meer. De belichting in die ruimte vermindert disproportioneel. Dat de ruimte op dit ogenblik de functie van slaapkamer heeft vermindert dit nadeel niet, vermits de functie gelet op de inrichting van het huis op elk ogenblik kan worden gewijzigd in een woon- en studeerruimte. De woonkamer op de eerste verdieping ontvangt substantieel minder zon in de periode van november van januari. Bij de winterzonnewende ontvangt de ruimte alleen nog wat zon door de bovenlichten van de ramen. De belichting wordt in dezelfde mate beperkt. Uit de schaduwstudie blijkt dat de vermindering van de directe bezonning op de tuin beperkt is. De vermindering van de belichting zal echter belangrijk zijn, en heeft negatieve gevolgen voor de plantengroei. De plantenkeuze zal deels moeten worden aangepast. Bijaldien geldt dat de vergroting van de blinde zijgevel met meer dan 20% het uitzicht en de beleving vanuit elke positie in de tuin en de woning negatief beïnvloedt. Uit foto’s 8, 9 en 10, die het uitzicht door de ramen van slaap- en woonkamer tonen, blijkt dat de uitbreiding van de muur het actuele vrije veld rechts naast de blinde muur inneemt, zodat kan worden begrepen dat uitbreiding op 9m van de gevel het leven in de woning (en uiteraard ook in de tuin) letterlijk in de schaduw dompelt. Het disproportionele karakter van het gevolg houdt ook verband met het feit dat links naast de blinde muur, gezien vanuit de ramen, geen licht of uitzicht te beleven valt, gelet op de enorme gevels van de panden Sint Annastraat 7 en 9 (wat de bestreden beslissing ook weer niet beschrijft) (...). De ingeslotenheid wat licht en bezonning wordt onaanvaardbaar groot, en overschrijdt een grens. 13.3. De verzoekende partij wijst er op dat de bijzondere configuratie van haar woning een intrinsiek en specifiek bepalend element van de ruimtelijke X-14.393-6/14 ordening ter plaatse is, zodat een uitbreiding in de zin van de vergunning op deze concrete plaats anders moet worden beoordeeld dan wanneer de achtergevels van de woningen nr 2 en nr 4 in elkaars verlengde zouden liggen (al of niet met een tuin ertussen). En ook is de beoordeling anders indien de aanvraag betrekking zou hebben op een woning die verder van het eigendom van de verzoekende partij verwijderd is. Het is precies met dit specifieke, zelfs unieke gegeven dat de vergunningverlenende overheid rekening moest hebben gehouden. 14. De bestreden beslissing nam ook de bijzondere historisch-culturele kenmerken van de zeer onmiddellijke omgeving niet in aanmerking. Het argument dat uitbreidingen van en wijzigingen aan woningen in een waardevolle omgeving de bestaande harmonie tussen de gebouwen en de leesbaarheid van het stadsweefsel niet altijd ten goede komen, snijdt geen hout. In zoverre dit argument kan gelden voor de geheel niet onderzochte ruimtelijke verhouding tussen de eigendommen nr. 2 en 4 - het argument wordt geformuleerd met betrekking tot de evaluatie van de historische omgeving -, toont het precies het problematische van de vergunde uitbreiding juist aan. Overigens vereisen aanpassingen aan het hedendaags comfort nog niet noodzakelijk een uitbreiding van het gebouw. Dit is een manifeste schending van art. 6, 1.2.3 van het Inrichtingsbesluit. 15. De evaluatie en de afweging moeten concreet zijn, en kunnen niet in algemene benaderingen worden afgedaan. De bestreden beslissing stelt o.m.: ‘De oorspronkelijke gebouwen van het Predikherenklooster vormden uiteraard een architecturaal zeer waardevol en harmonisch geheel. Door de afbraak en verkaveling van het zuidelijk deel van de site is deze harmonie echter verloren gegaan. Om te voorkomen dat de overblijvende waardevolle gebouwen verder zouden verdwijnen of in waarde verminderen, werd naar aanleiding van de bescherming van de Predikherenkerk, ook een zone als stadgezicht beschermd. De woning in kwestie valt buiten deze zone.’ De totale afwezigheid in het begin van de 19de eeuw, op het ogenblik van de verkaveling van de kloosterpercelen, van een idee over wat een goede ruimtelijke ordening kan en moet zijn, stelt de beslissingnemende overheid vandaag niet vrij van de vorming van een aangepaste visie op wat een duurzame ruimtelijke ordening is in het algemeen (artikel 4 DRO) en hoe daarvan met betrekking tot een individuele vergunningsaanvraag een concrete toepassing moet worden gemaakt. Een goede beoordeling van de aanleg op de plaats kan niet uitgaan van de vaststelling dat de zaak verknoeid is, maar moet gericht zijn op een algemene kwalitatieve verbetering. Ook de vaststelling dat de woning buiten het beschermde stadsgezicht valt getuigt van een foute en minstens voorbijgestreefde urbanistische visie. De woning nr. 4 bevindt zich op 9m van het beschermde monument en stadsgezicht, zodat de invloed van het bouwproject op de ruimtelijke ordening van die plaats nogal evident is, en zelfs manifest indien het in zijn concrete gevolgen wordt bekeken, zoals het hierboven is gedaan. Het is op zichzelf verbazend dat voor het oudste historische centrum van de stad Leuven geen ontwikkelde ruimtelijke visie bestaat. De afwezigheid van een beleids- of inrichtingsplan kan de vergunningverlenende overheid er niet van vrijstellen om naar aanleiding van een individuele vergunning op een zo belangrijke plaats een onderbouwde, geactualiseerde visie op de ruimtelijke ontwikkeling neer te leggen. Het is in dat verband zonneklaar dat de inrichting van opbrengsthuizen met een laag architecturaal of esthetisch karakter niet meer kunnen worden aanvaard. 16. De artikelen 2 en 3 Motiveringswet bepalen dat elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die beoogt rechtsgevolgen te hebben X-14.393-7/14 voor één of meer bestuurden of van een ander bestuur in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn. Alleen met de motieven die in de beslissing worden vermeld, kan rekening worden gehouden. Artikel 53 § 3 Coördinatiedecreet stelt dat de beslissing van de bestendige deputatie met redenen moet zijn omkleed. 16.1. Uit wat hierboven is gezegd blijkt al dat de bestreden beslissing geen afdoende concrete feitelijke gegevens met betrekking tot de aan het aanpalende perceel (van de verzoekende partij) of de in de onmiddellijke omgeving gelegen gebouwen en gronden bevat. De beslissing steunt dus niet op verplicht te onderzoeken feiten en gegevens, wat betekent dat de motivering de beslissing niet afdoende kan dragen, en dus onwettig is. 16.2. Een loutere uiteenzetting van het bouwproject is geen afdoende motivering. Zo kan men in de vermelding ‘de achtergevel wijzigt wel grondig, met nieuwe maar gelijke raamopeningen op elk niveau’ niet lezen waarom de als grondig aangemerkte wijziging gelet op alle noodzakelijke gegevens van de zaak verenigbaar is met de aanleg van de plaats, en dus vergunbaar. 16.3. De beslissing erkent dat ‘het zicht op de zuidelijk gelegen ‘zijtuin’ belangrijk (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.