id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.191 Rolnummer: A. 75186/X-7578 Zaak: Arrest 199191 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 22/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-30 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 04:05 Fiche Arrest nr 199.191 van 22 december 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 199.191 van 22 december 2009 in de zaak A. 75.186/X-7578. In zake: de b.v.b.a. CHABIMMO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thierry Taffijn kantoor houdend te 1700 DILBEEK Ninoofsesteenweg 244 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 BRUSSEL Boomstraat 14 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 1 augustus 1997, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 3 juni 1997 van de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van het beroep van de verzoekende partij ingesteld tegen het besluit van 22 augustus 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij de vergunning is geweigerd voor het regulariseren van een garage na afbraak van een bestaande garage aan de Zwartenbroekstraat 79 te Lennik, op percelen kadastraal bekend sectie E, nrs. 509/g, 509/i, 509/k en 509/l. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een verslag opgesteld. X-7578-1/11 De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2009. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Willemien Baert, die loco advocaat Thierry Taffijn verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Filip van Dievoet, die loco advocaat Michel van Dievoet verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Op 1 december 1995 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoekende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lennik een aanvraag in tot het verkrijgen van een bouwvergunning voor de “(r)egularisatie van een afgebroken garage + (
- de)reeds heropgerichte nieuwe garage” op percelen die zijn gelegen aan de Zwartenbroekstraat 79 te Lennik, en die kadastraal bekend zijn onder sectie E, nrs. 509/g, 509/i, 509/k en 509/l. Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse zijn de percelen gelegen in agrarisch gebied. Voor het gebied waarin de percelen zijn begrepen, bestaat er geen goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan. Evenmin zijn de percelen gelegen binnen het gebied van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling. 4. Van 9 december 1995 tot en met 26 december 1995 wordt een openbaar onderzoek georganiseerd. Er worden geen bezwaren ingediend. X-7578-2/11 5. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lennik besluit in zitting van 8 januari 1995 (lees: 1996) om een gunstig advies te verlenen inzake de voormelde bouwaanvraag. De afdeling Land van de administratie Milieu-, Natuur, Land- en Waterbeheer brengt op 12 februari 1996 het volgende advies uit : “(...) Gelet op het feit dat de garage reeds is opgericht valt het in de huidige toestand moeilijk te achterhalen hoe het oorspronkelijk bouwwerk eruit zag en in welke bouwfysische toestand het goed verkeerde. Uit bijgaand plan blijkt dat een kleinere losstaande garage vervangen wordt door een dubbelgarage die bij de woning aansluit. Het feit dat elders op de eigendom bergingen werden afgebroken kan geen alibi zijn om het garageoppervlak te verdubbelen. Het voorzien van (een) schuifraam met terras en bijkomende deur- en vensteropeningen wekt de indruk dat dit bouwwerk slechts gedeeltelijk zal gebruikt worden als garage en deels als woongedeelte. Uit landbouwkundig oogpunt kan enkel met een vernieuwbouwgarage worden akkoord gegaan binnen de normen van de geldende decreten”. In een advies van 23 februari 1996 stelt de gemachtigde ambtenaar omtrent de regularisatieaanvraag : “Volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse - K.B. 7 maart 1977 situeert de bouwplaats zich in een agrarisch gebied. Art. 11 van de voorschriften van het K.B. van 28 december 1972 betreffende de toepassing en inrichting van de gewestplannen. Het voorgelegd(
- e)projekt voorziet de regularisatie van de uitbreiding van een woning door aanbouw van (een) dubbele garage. Enkele bestaande bergingen zijn weggebroken. Het decreet van 13 juli 1994 van de Vlaamse Raad houdende wijziging van art. 79 van de wet op de stedebouw voorziet dat bij het afwijken van de voorschriften van het gewestplan, de uitbreiding van de woning met inbegrip van de bijgebouwen slechts kan leiden tot een maximale vermeerdering van het bouwvolume met 20%. Het totale bouwvolume mag na uitbreiding maximum 700 m³ bedragen. De voorgestelde werken voorzien een uitbreiding waardoor het totaalvolume + 770 m³ bedraagt. Het verbouwingsontwerp is aldus niet in overeenstemming met (het) bovenvermeld(
- e)decreet. Het op te richten gebouw heeft geen agrarische of para-agrarische bestemming. Het projekt is aldus strijdig met de voorschriften van art. 11. Omwille van de inbreuk op de stedebouwwet werd door de landelijke politie van Lennik proces-verbaal opgesteld op 30 mei 1995. Bij het parket van de Procureur des Konings werd het herstel van de plaats gevorderd. De goede ruimtelijke uitbouw wordt geschaad; aldus ONGUNSTIG”. 6. Om de reden opgegeven in het advies van 23 februari 1996 van de gemachtigde ambtenaar, weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lennik op 4 maart 1996 de regularisatievergunning. X-7578-3/11 7. Tegen dat weigeringsbesluit van 4 maart 1996 dient de verzoekende partij op 29 maart 1996 een beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. Die bestendige deputatie besluit op 22 augustus 1996 om dat beroep niet in te willigen. 8. De verzoekende partij dient tegen het voormelde besluit van de bestendige deputatie op 24 september 1996 een beroep in bij de Vlaamse regering. Bij het bestreden besluit van 3 juni 1997 verwerpt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening dat beroep. Daartoe wordt overwogen : “Overwegende dat de aanvraag de regularis(a)tie beoogt van een zonder vergunning opgerichte garage na afbraak van de bestaande garage; dat het een constructie van 5,80m bij 12,20m betreft, bestaande uit één bouwlaag met zadeldak; dat de garage aansluit op een bestaand gebouw met woonfunctie; dat het gevelmetselwerk bestaat uit rode strengpersgevelsteen; dat het eigendom gelegen is aan een gemeenteweg, voorzien van alle nutsleidingen; Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Halle - Vilvoorde - Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, gelegen is in het agrarisch gebied; dat zulk gebied, overeenkomstig artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen, bestemd is voor de landbouw in de ruime zin en behoudens bijzondere bepalingen enkel de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen alsmede de woning van de exploitanten mag bevatten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt en ook de para-agrarische bedrijven; dat de oprichting van een garage in functie van een residentiële bestemming met deze bepaling niet in overeenstemming is; Overwegende dat kwestieuze grond niet gelegen is binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling; dat wegens het ontbreken van enig gedetailleerd ordeningsplan de vergunningverlenende overheid de voorliggende vraag dient te evalueren aan de hand van de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede aanleg der plaats, gebaseerd op de eerder geciteerde voorschriften van het vigerend gewestplan; dat de opgerichte constructie louter in functie staat van een residentiële woonbestemming en derhalve strijdt met de planologische voorzieningen van het gewestplan; Overwegende dat artikel 43, §2, zesde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 stelt dat bij het verlenen van een gunstig advies de gemachtigde ambtenaar mag afwijken van de voorschriften van een ontwerp-gewestplan of gewestplan indien de aanvraag betrekking heeft op ofwel het verbouwen van een bestaand vergund gebouw binnen het bestaande bouwvolume en niet betrekking hebbend op het volledig herbouwen ofwel het uitbreiden van een vergunde woning; dat de uitbreiding van een vergunde woning met inbegrip van de bijgebouwen slechts kan leiden tot een maximale vermeerdering van het bouwvolume met 20 % en waarbij het totale bouwvolume na uitbreiding maximaal 700 m³ mag bedragen; dat deze afwijking bovendien slechts kan verleend worden op voorwaarde dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad, hetgeen betekent dat de ruimtelijke X-7578-4/11 draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort; dat dergelijke aanvraag in het agrarisch gebied naast een openbaar onderzoek ook onderworpen is aan het advies van de afdeling Land van de Administratie Milieu-, Natuur- en Landinrichting; Overwegende dat tijdens het openbaar onderzoek van 9 december 1995 tot en met 26 december 1995 geen bezwaarschriften werden ingediend; dat het college van burgemeester en schepenen hierover op 8 januari 1996 heeft beraadslaagd en beslist een gunstig advies uit te brengen; Overwegende dat door de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer, afdeling Land op 12 februari 1996 volgend advies wordt verleend: ‘Gelet op het feit dat de garage reeds is opgericht valt het in de huidige toestand moeilijk te achterhalen hoe het oorspronkelijk bouwwerk eruit zag en in welke bouwfysische toestand het goed verkeerde. Uit bijgaand plan blijkt dat een kleinere losstaande garage vervangen wordt door een dubbelgarage die bij de woning aansluit. Het feit dat elders op de eigendom bergingen werden afgebroken kan geen alibi zijn om het garageoppervlak te verdubbelen. Het voorzien van schuifraam met terras en bijkomende deur- en vensteropeningen wekt de indruk dat dit bou(w)werk slechts gedeeltelijk zal gebruikt worden als garage en deels als woongedeelte. Uit landbouwkundig oogpunt kan enkel met een vernieuwbouwgarage worden akkoord gegaan binnen de normen van de geldende decreten.’; Overwegende dat uit het technisch-stedenbouwkundig onderzoek van onderhavige aanvraag blijkt dat de voorgestelde werken voorzien in een uitbreiding van de woning waardoor het totaalvolume circa 770m³ bedraagt ; dat het niet om een verbouwing binnen het eerdere bestaande bouwvolume gaat aangezien de garage, ten opzichte van de eerdere toestand fors wordt vergroot; dat het totale gerealiseerde volume de 700m³ overstijgt en derhalve het in het bovenvermeld artikel 43 voorziene maximum wordt overschreden; dat het bewuste afwijkingsartikel bijgevolg niet kan toepasselijk gesteld worden; Overwegende dat om voormelde redenen het ontwerp de goede plaatselijke aanleg in het gedrang brengt en niet voor regularisatie in aanmerking komt; dat het beroep van de particulier wordt verworpen”. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 9. De verzoekende partij roept in een eerste middel de schending in van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet) en van “het algemeen rechtsbeginsel van de formele motiveringsplicht”, X-7578-5/11 “doordat de Vlaamse Minister zich ertoe beperkt onduidelijke, onnauwkeurige, vage, duistere of niet terzake dienende uitleg te verschaffen, stellende ‘dat wegens het ontbreken van enig gedetailleerd ordeningsplan de vergunningsverlenende overheid de voorliggende vraag dient te evalueren aan de hand van de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede aanleg der plaats’ ‘dat de opgerichte constructie louter in functie staat van een residentiële woonbestemming en derhalve strijdt met de planologische voorzieningen van het gewestplan’ ‘overwegende dat uit het technisch-stedebouwkundig onderzoek blijkt dat de voorgestelde werken voorzien in een uitbreiding van de woning’ ‘overwegende dat om voormelde redenen het ontwerp de goede plaatselijke aanleg in het gedrang brengt’ dat de genomen beslissing tot verwerping van het beroep van verzoekende partij onvoldoende door de motivering wordt gedragen ; dat er eveneens onvoldoende rekening wordt gehouden met de argumenten van de verzoekende partij ; dat de Vlaamse Minister uitgaat van een uitbreiding van de woning en stelt dat de uitbreiding niet te vatten is binnen het artikel 43 § 2, zesde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996; dat men stelt dat de grond volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, gelegen is in het agrarisch gebied dat de Vlaamse Minister voorbijgaat aan het feit dat de vroegere gebouwen volledig verkrot waren. terwijl artikel 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 op de Uitdrukkelijke Motivering van Bestuurshandelingen stelt dat enerzijds de bestuurshandelingen uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd en anderzijds dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en afdoende moet zijn ; dat de Vlaamse Minister wel voldaan heeft aan de verplichting van artikel 2, namelijk dat de gronden waarop de motivering is gesteund, veruitwendigd moeten worden in de beslissing zelf ; doch dat de wet daarenboven ook de verplichting oplegt dat de juridische en feitelijke overwegingen ‘afdoende’ moeten zijn, met andere woorden er dient evenredigheid te bestaan tussen het gewicht van de beslissing en de motivering. ‘afdoende’ betekent eveneens dat de aangevoerde motieven moeten pertinent zijn en de beslissing dienen te verantwoorden. dat het besluit niet voldoet aan de vereisten van artikel 3; dat de oorspronkelijke bebouwing vóór de werken een totaal volume omvat veel groter dan het (...) totale volume na de uitgevoerde afbraak- en heroprichtingswerken, een vermindering in plaats van een vermeerdering ; dat het dus niet gaat om een uitbreiding maar om het verbouwen van bestaand vergund gebouw binnen het bestaande bouwvolume. dat de grond al sinds jaren niet meer naar zijn bestemming wordt gebruikt, zelfs niet door de vorige eigenaar ; dat de heropgerichte garage goed geïntegreerd is en (...) ook geen enkel nadelig effect veroorzaakt aan de bestemming van het agrarisch gebied ; dat het omgevingsuitzicht in het algemeen zodanig positief werd verfraaid ten opzichte van de oorspronkelijke toestand ; dat geen enkele van de eigenaars in (een) straal van 50 km rond het goed en naar aanleiding van het openbaar onderzoek dat heeft plaatsgevonden tussen 9 december en 25 december 1995 een bezwaarschrift heeft ingediend; dat niemand dan ook hinder kan ondervinden van de afbraak van een totaal verkrotte garage en bijgebouwen en het heroprichten van een nieuwe garage. X-7578-6/11 dat de beslissing voldoende door de motivering moet worden gedragen en dat hierboven werd aangetoond dat dit niet het geval is in het besluit van de Vlaamse Minister van 03/06/1997”. Beoordeling 10. De artikelen 2 en 3 van de motiveringswet bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd. In de akte moeten de juridische en feitelijke overwegingen worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen en deze moeten afdoende zijn. Artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze wet “slechts van toepassing (
- is)op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen”. Uit deze bepaling volgt dan ook dat op het stuk van de motiveringsverplichting, de motiveringswet een wet van suppletoire aard is. Rekening houdend met het bepaalde in het toentertijd geldende artikel 53, § 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : het gecoördineerde decreet), dat aan de deputatie en aan de Vlaamse regering, wanneer zij in beroep uitspraak doen over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting oplegt die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de motiveringswet, dient te worden vastgesteld dat het bestreden besluit niet onder de toepassing van de laatstgenoemde wet valt. De ingeroepen schending van de motiveringsverplichting moet in de gegeven omstandigheden dan ook geacht worden te zijn afgeleid uit de schending van artikel 53, § 3 van het voornoemde decreet. 11. Door de verzoekende partij wordt niet betwist dat de kwestieuze percelen in agrarisch gebied gelegen zijn. Artikel 11.4.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen bepaalt : “De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel X-7578-7/11 karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 en 100 m geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. De overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden”. In het bestreden besluit wordt terecht overwogen “dat de oprichting van een garage in functie van een residentiële bestemming met deze bepaling niet in overeenstemming is”. De verzoekende partij betwist dit niet. Integendeel, ze stelt uitdrukkelijk in haar eerste middel “dat de grond al sinds jaren niet meer naar zijn bestemming wordt gebruikt, zelfs niet door de vorige eigenaar”. 12. Artikel 43, §2, zesde tot tiende lid van het gecoördineerde decreet luidde op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit als volgt : “Bij het verlenen van een gunstig advies mag de gemachtigde ambtenaar afwijken van de voorschriften van een ontwerp-gewestplan of gewestplan indien de aanvraag betrekking heeft op :
- a)hetzij het verbouwen van een bestaand vergund gebouw binnen het bestaande bouwvolume en niet betrekking hebbend op het volledig herbouwen;
- b)hetzij het uitbreiden van een bestaand vergund gebouw met uitzondering van woningbouw met een gebouw of een vaste inrichting op voorwaarde dat de uitbreiding het noodzakelijk gevolg is van overeenkomstig het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning voorgeschreven algemene, sectoriële of bijzondere voorwaarden, strekkende tot het bevorderen van de kwaliteit van het leefmilieu;
- c)hetzij het uitbreiden van een vergunde woning. De uitbreiding van een bestaand vergund gebouw, met uitzondering van woningbouw, kan slechts de vermeerdering tot gevolg hebben die het noodzakelijk gevolg is van in het kader van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning voorgeschreven algemene, sectoriële of bijzondere voorwaarden, strekkende tot het bevorderen van de kwaliteit van het leefmilieu. De uitbreiding van een vergunde woning kan met inbegrip van de bijgebouwen slechts leiden tot een maximale vermeerdering van het bouwvolume met 20 %. Het totale bouwvolume mag na uitbreiding maximum 700 m³ bedragen. De afwijking kan slechts verleend worden op voorwaarde dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad. Dit betekent onder meer dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort. Het naleven van bovenvermelde voorwaarden moet blijken uit de motivering van de gemachtigde ambtenaar”. X-7578-8/11 13. De bouwaanvraag die tot het bestreden besluit heeft geleid, betreft de regularisatie van een nieuwe garage, gebouwd in aansluiting bij de woning, na afbraak van een kleinere garage en enkele bijgebouwen die los stonden van de woning. In haar op 24 september 1996 bij de voormelde Vlaamse minister ingestelde beroepschrift heeft de verzoekende partij ondermeer vermeld : “Dat de uitbreiding van de woning met garage pas gebeurd is na afbraak van een zeer oude garage en bijgebouwen die in een zodanige bouwvallige staat waren dat het behouden ervan ondenkbaar was. (...) Dat het totale bouwvolume na uitbreiding 770m³ bedraagt en inderdaad overeenkomstig het decreet van 13 juli 1994 van de Vlaamse Raad houdende wijziging van art. 79 van de wet op de stedebouw mag de totale uitbreiding maximum 700m³ bedragen wanneer het gaat om een afwijking van het gewestplan. In casu heeft men echter te maken met een totaal ander(
- e)situatie, gezien het feit dat eerst de oorspronkelijke bebouwing werd afgebroken en nadien de nie(u)we gebouwen werden opgetrokken en deze bovendien een minder volume omvatten dan hetgeen er oorspronkelijk stond”. 14. De verzoekende partij toont niet aan dat de verwerende partij in het bestreden besluit niet terecht heeft kunnen oordelen “dat het niet om een verbouwing binnen het eerdere bestaande bouwvolume gaat”, dat “de voorgestelde werken voorzien in een uitbreiding van de woning waardoor het totaalvolume circa 770m³ bedraagt” en “dat het totale gerealiseerde volume 700m³ overstijgt en derhalve het in het (...) artikel 43 voorziene maximum wordt overschreden”. Het betoog van de verzoekende partij dat “de oorspronkelijke bebouwing vóór de werken een totaal volume omvat veel groter dan het (...) totale volume na de uitgevoerde afbraak- en heroprichtingswerken, een vermindering in plaats van een vermeerdering”, houdt ten onrechte ook rekening met de afgebroken bijgebouwen die fysiek geen deel uitmaakten van de woning, en toont dit geenszins aan. Bijgevolg heeft de verwerende partij in het bestreden besluit op een afdoende en correct gemotiveerde manier artikel 43, §2 van het gecoördineerde decreet op de bouwaanvraag van de verzoekende partij toegepast. 15. Voor zover het middel nog een kritiek bevat op de deugdelijkheid van de motivering inzake de strijdigheid met de goede plaatselijke ordening, heeft het betrekking op een overtollig motief en kan het niet tot de vernietiging van het bestreden besluit leiden. Het middel is niet gegrond. X-7578-9/11 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 16. De verzoekende partij roept in een tweede middel de schending in van “de redelijkheidsnorm als beginsel van behoorlijk bestuur opgelegd aan administratieve overheden”, “doordat het beroep van verzoekende partij werd verworpen en aldus geweigerd werd tot regularisatie van het afbreken van een bestaande garage en bijgebouwen en het oprichten van een nieuwe garage ; dat dit als gevolg heeft dat de oorspronkelijke toestand moet worden hersteld. terwijl het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur vereist dat de straf in redelijke verhouding moet staan tot de feiten. dat dit allesbehalve het geval is ; dat verzoekende partij foto’s voorlegt die de oorspronkelijke toestand verduidelijken ; dat uit een vergelijking met de huidige toestand er geen enkele twijfel over bestaat dat door de uitgevoerde werken werd bijgedragen tot een bijzondere verfraaïng van het algemeen omgevingsuitzicht ; dat bovendien de vroegere krotten in zodanige bouwvallige toestand waren dat het behouden ervan totaal onmogelijk was ; dat het besluit van de Vlaamse Minister dan ook niet door redelijkheid is gedragen”. Beoordeling 17. Bij de beoordeling van het eerste middel is gebleken dat de verwerende partij het gevraagde terecht op grond van artikel 43, §2 van het gecoördineerde decreet heeft geweigerd. Het redelijkheidsbeginsel kan niet worden ingeroepen tegen de voormelde decretale bepaling. Het middel is niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 173,53 euro. X-7578-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig december 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, met bijstand van Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Roger Stevens X-7578-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.191 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div