← België

Arrest 199198 - Cultuur en schone kunsten - 23/12/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.198 Rolnummer: A. 193272/XII-5883 Zaak: Arrest 199198 - Cultuur en schone kunsten - 23/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-30 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 04:05 Fiche Arrest nr 199.198 van 23 december 2009 Onderwijs en cultuur - Cultuur en schone kunsten Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 199.198 van 23 december 2009 in de zaak A. 193.272/XII-5883 In zake: VZW STICHTING VOOR HEDENDAAGSE MUSICAL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Vandeschoor kantoor houdend te Gent Lange Kruisstraat 6 F bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij de VZW MUSICAL VAN VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Ciska Servais en Marc Van Looveren kantoor houdend te Antwerpen Roderveldlaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 6 juli 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 24 april 2009 van de Vlaamse regering houdende de subsidiëring van kunstenorganisaties, organisaties voor kunsteducatie, organisaties voor sociaal-artistieke werking, periodieke publicaties en steunpunten in de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2012, “beperkt tot het onderdeel [waarbij] subsidies [worden verleend] aan organisaties voor muziektheater, en meer in het bijzonder [de] subsidie toegekend aan de vzw Musical van Vlaanderen”. XII-5883-1\6 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Met een verzoekschrift van 27 juli 2009 heeft de vzw Musical van Vlaanderen gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Eerste auditeur Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 november
  3. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Isabelle Vandeschoor, die verschijnt voor verzoekster, advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Philippe Van Wesemael, die loco advocaat Ciska Servais verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Luidens het verzoekschrift heeft verzoekster statutair als doel het stimuleren van kunst en cultuur in de ruime zin en in het bijzonder de bevordering van het genre “musical”. Zij bestempelt zichzelf als “een kleinere speler op de markt van de musicals”, in tegenstelling tot de grote musicalproducties waarvoor “twee grote spelers gekend zijn”, te weten Studio 100 en Music Hall. 3.
  6. Bij artikel 22 van het bestreden besluit verleent de Vlaamse regering aan negen organisaties voor muziektheater subsidies voor het geheel van XII-5883-2\6 hun werking voor de periode van 1 januari 2010 tot 31 december
  7. Het minimumbedrag dat per werkingsjaar aan de vzw Musical van Vlaanderen wordt toegekend, wordt bepaald op 2.450.000 euro. IV. Tussenkomst
  8. Specifiek de aan vzw Musical van Vlaanderen toegekende subsidie vormt het voorwerp van de vordering, zodat er reden is het verzoek tot tussenkomst in te willigen. V. Ontvankelijkheid van het beroep
  9. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij en de tussenkomende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. VI. De schorsingsvoorwaarden
  10. Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. VII. De voorwaarde van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel Standpunt van verzoekster
  11. Verzoekster doet als nadeel gelden dat zij voor haar werking volledig afhankelijk is van overheidssubsidies. De structurele subsidiëring van tussenkomende partij betekent dat er voor verzoekster geen extra structurele subsidies meer beschikbaar zijn en zij haar activiteiten niet zal kunnen ontplooien. Dit nadeel bedreigt haar voortbestaan. Zij kan niet jarenlang toekijken, bij gebreke XII-5883-3\6 van schorsing, hoe één partij de subsidiegelden opsoupeert en daarmee alle artistiek talent kan aanzuigen. Krachtdadig moet worden opgetreden tegen wanpraktijken zoals de belangenvermenging tussen de begunstigde vzw en de handelsondernemingen van de Music Hall groep. Beoordeling
  12. Artikel 8, eerste lid, 3/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, bepaalt dat het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten die van aard zijn aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, waarbij alle stukken worden gevoegd die het risico op dergelijk nadeel aantonen”, dient te bevatten. Een verzoekende partij mag zich ter zake niet beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar dient concrete en precieze gegevens aan te brengen waaruit enerzijds de ernst van het nadeel blijkt dat zij ondergaat of dreigt te ondergaan, hetgeen inhoudt dat zij concrete en precieze aanduidingen moet verschaffen omtrent de aard en omvang van het nadeel dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging kan berokkenen, en waaruit anderzijds het moeilijk te herstellen karakter blijkt.
  13. Verzoekster voert een financieel nadeel aan. Zoals zij het echter zelf erkent in haar inleidend verzoekschrift, “wordt een louter pecuniair nadeel niet voldoende geacht”. Om de Raad van State er van te overtuigen dat in het voorliggend geval er meer aan de hand is, volstaat het echter niet om gewoon op papier te stellen dat zonder inwilliging van de vordering verzoekster in haar voortbestaan bedreigd wordt. Dit stellen is één zaak, die stelling met een minimum aan concrete gegevens onderbouwen en geloofwaardig maken is er een andere. Welnu, in haar verzoekschrift heeft verzoekster hiervoor geen enkele inspanning geleverd en waagt zij zich op dit vlak zelfs niet tot een benaderende becijfering van de mogelijke impact. Er wordt in het geheel geen cijfer gegeven -noch stukken bijgevoegd- betreffende haar financiële toestand. Er wordt XII-5883-4\6 enkel geponeerd volledig afhankelijk te zijn van subsidies. Van de Raad van State mag verzoekster niet verwachten dat hij dit voetstoots aanneemt, en dit des te minder nu, eensdeels, verzoekster in het verleden een vordering tot schorsing heeft ingediend waarin blijkens het arrest nr. 153.326 van 9 januari 2006 aan de orde kwam dat “dat verzoeksters inkomsten voor het jaar 2006 voor meer dan 50% eigen inkomsten zullen zijn, terwijl de subsidies zelf worden geraamd op ongeveer 47,21%” en, anderdeels, verzoekster voor de huidige subsidieronde zelfs heeft nagelaten om een aanvraagdossier in te dienen. Of verzoekster nu, zoals zij betoogt, terecht uitging van de veronderstelling dat dergelijke aanvraag zinloos zou zijn, dan doen die beide vaststellingen toch ernstige vragen rijzen hoe ondertussen de situatie is geëvolueerd en in welke mate verzoekster nog steeds afhankelijk is van overheidssubsidies en zonder die subsidies niet kan overleven of zelfs geen ernstige werking kan ontplooien. Dat er voor verzoekster geen structurele subsidies ter beschikking staan, heeft op de allereerste plaats niet er mee te maken dat aan tussenkomende partij subsidies zijn toegekend, maar wel dat verzoekster er geen gevraagd heeft.
  14. Ten overvloede overtuigt de uitleg van verzoekster, waarom zij geen aanvraag heeft ingediend, niet. Zij stelt zich er zeer goed van bewust te zijn dat zij zelf geen aanvraagdossier heeft ingediend “eenvoudig omdat dit een onmogelijke en derhalve nutteloze oefening was”. Maar het was precies verzoekster die, met succes, een eerdere weigering tot subsidiëring bij de Raad van State heeft aan- gevochten blijkens, eerst, het reeds vermeld schorsingsarrest en, vervolgens, de nietigverklaring bij arrest nr. 163.637 van 16 oktober
  15. Verwerende partij heeft daarna aan verzoekster een subsidie toegekend van 250.000 euro per jaar voor experimentele musical en daarbij opgemerkt, zo schrijft verzoekster het zélf in haar verzoekschrift, “dat de tweejarige periode bovendien alle mogelijkheden open houdt voor [verzoekster] om eventueel een nieuwe aanvraag tot structurele ondersteuning te doen binnen het kunstendecreet vanaf 2008”. De Raad van State ziet in die context niet wat verzoekster mocht tegenhouden om, zoals in het verleden, opnieuw een aanvraag voor structurele subsidiëring in te dienen voor de periode 2010-2012 en bij een eventuele nieuwe weigering de wettigheid van de motieven daartoe aan de beoordeling van de rechter voor te leggen. Verzoekster diende zich terdege bewust te zijn van haar beslissing om ditmaal geen subsidiedossier in te dienen, wetende welk gevolg dit voor haar meebrengt of kan meebrengen. In die zin heeft zij het beweerde, maar niet bewezen nadeel aan haar eigen toedoen te wijten. XII-5883-5\6
  16. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING
  17. Het verzoek van de vzw Musical van Vlaanderen tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
  18. De Raad van State verwerpt de vordering.
  19. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 23 december 2009, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, staatsraad, waarnemend voorzitter, met bijstand van Frank Bontinck, griffier. De griffier, De voorzitter, Frank BONTINCK Geert VAN HAEGENDOREN XII-5883-6\6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.198 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.218.731 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.