id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.211 Rolnummer: A. 76527/IX-827 Zaak: Arrest 199211 - Tucht (openbaar ambt) - 23/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-06 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 04:06 Fiche Arrest nr 199.211 van 23 december 2009 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 199.211 van 23 december 2009 in de zaak A. 76.527/IX-827 In zake : Theofiel MAHO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Decat kantoor houdend te Diest Engelandstraat 61 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 27 november 1997, strekt tot de nietigverklaring van het ministerieel besluit van 3 september 1997 waarbij Theofiel MAHO de tuchtsanctie van de blaam wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 december 2009, nadat de zaak opnieuw werd vastgesteld bij tussenarrest nr. 197.677 van 9 november 2009, waardoor de debatten werden heropend op voornoemde datum. Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Advocaat Marc Decat, die verschijnt voor de verzoeker, en inspecteur Jan De Vleeschouwer, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. IX-827-1/7 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoeker was ten tijde van het bestreden besluit bestuurs- assistent bij de administratie der Douane en Accijnzen. 3.
- Op 15 juni 1994 richt de hoofdcontroleur te Tienen een vraag tot verantwoording aan de verzoeker die op dat ogenblik tewerkgesteld is bij de motorbrigade Tienen en als dusdanig belast is met controles op de weg. Met name dient de verzoeker zich te verantwoorden omdat hij op 1 juni 1994, ondanks een op 11 mei 1994 gegeven richtlijn, ten onrechte een vaststelling inzake verkeersbelasting heeft opgesteld, omdat hij ook op 31 mei 1994 ten onrechte een vaststelling inzake verkeersbelasting heeft opgesteld en omdat “Door een onvoldoende kennis van (zijn) instructies en door het pertinent negeren van duidelijk gegeven richtlijnen (...) situaties (ontstaan) die niet alleen nutteloos tijdsverlies voor ambtenaren van diverse fiscale besturen, meebrengen doch die bovendien niet te verantwoorden kosten (...) voor de gecontroleerde personen of firma’s voor gevolg hebben”. Nog dezelfde dag antwoordt de verzoeker dat geen van de drie aangehaalde tenlasteleggingen correct is, vermits de door hem gedane vaststellingen correct en volledig in overeenstemming met de geldende onderrichtingen werden opgemaakt. 3.
- Met een brief van 30 juni 1994 stelt de waarnemend gewestelijke directeur de verzoeker in kennis van zijn voorlopig voorstel om hem de over- plaatsing bij tuchtmaatregel op te leggen, naar aanleiding van de feiten van 31 mei en 1 juni 1994 en ingevolge het in het gedrang brengen van de faam van de administratie door het pertinent negeren van richtlijnen. 3.
- Met een brief van 8 juli 1994 dient de verzoeker een bezwaarschrift in tegen het voorlopig tuchtvoorstel, waarin hij stelt dat de hem ten laste gelegde feiten niet gegrond en zelfs onbestaande zijn. IX-827-2/7 3.
- Op 16 juni 1995 stelt het college van dienstchefs definitief voor om de verzoeker de tuchtsanctie van de blaam op te leggen en hem te behouden op de standplaats Tienen doch in een andere dienst dan deze waar hij is tewerkgesteld. 3.
- Op 1 september 1995 tekent de verzoeker beroep aan tegen dat voorstel. 3.
- Op 27 november 1995 maakt de directeur-generaal het dossier over aan de departementale raad van beroep. 3.
- Op 13 mei 1996 beslist de directeur-generaal om de verzoeker met ingang van 20 mei 1996 bij ordemaatregel te verplaatsen naar de standplaats Brussel. Als reden vermeldt de directeur-generaal dat de verzoeker “in de loop van zijn tewerkstelling bij de motorbrigade Tienen, naar aanleiding van ettelijke kleinere tekortkomingen die elk op zich moeilijk aanleiding kunnen geven tot toepassing van de tuchtregeling, maar toch wegens het steeds weerkerend karakter ervan de diensten ernstig verstoren, blijk heeft gegeven van een totaal onbegrip van de doelstellingen van zijn ambt, van ongeschiktheid tot het leiden van een ploeg door zijn demagogisch en agressief optreden, van ongeschiktheid tot communicatie door zijn voortdurende negatie van de hem gegeven opdrachten, van een arrogante houding en optreden zowel ten overstaan van zijn hiërarchische meerderen als tegenover derden, van een gebrek aan bezorgdheid om de dienst aan de kliënt door zijn denigrerende ingesteldheid en zijn weinig respectvolle houding ten opzichte van door hem in overtreding gestelde personen en bedrijven”. Op 6 juli 1996 stelt de verzoeker een annulatieberoep in tegen deze maatregel (de zaak A. 69.477/IX-1726). De afstand van het geding in deze procedure werd vastgesteld bij arrest nr. 82.729, van 7 oktober
- 3.
- Op 7 april 1997 beslist de directeur-generaal om de overplaatsing van de verzoeker naar de standplaats Brussel niet langer te handhaven. 3.10 Op 19 juni 1997 adviseert de departementale raad van beroep dat het beroep van de verzoeker tegen het definitieve tuchtvoorstel tot het opleggen van de blaam ongegrond is. IX-827-3/7 De raad is van oordeel dat de aan de verzoeker ten laste gelegde feiten blijk geven van het verzuim om het gepaste gevolg te geven aan de herhaalde instructies van de directe overste en zodoende de goede werking van de dienst in gevaar brachten, dat de verzoeker niet op afdoende wijze heeft aangetoond dat de hem gegeven instructies strijdig waren met de wet of klaarblijkelijk onredelijk of onuitvoerbaar waren en dat de voorgestelde strafmaat gepast lijkt, rekening houdend met de verstoring van de dienst veroorzaakt door de verzoeker. 3.
- Bij ministerieel besluit van 3 september 1997 wordt aan de verzoeker de tuchtstaf van de blaam opgelegd. Dit is het bestreden besluit, waarvan de verzoeker kennis neemt op 1 oktober
- Het is gesteund op het feit dat de verzoeker op 1 juni 1994, ondanks andersluidende opdracht en uitleg, ten onrechte een vaststelling inzake verkeersbelasting heeft opgesteld, dat hij op 31 mei 1994 een foutieve vaststelling inzake verkeersbelasting heeft gedaan en dat hij door het pertinent negeren van richtlijnen de faam van de administratie in het gedrang heeft gebracht. In het besluit wordt overwogen dat de door de verzoeker verstrekte uitleg niet van aard werd geacht om zijn houding te rechtvaardigen en worden voorts de overwegingen overgenomen van het advies van de departementale raad van beroep. IV. Onderzoek van de middelen Vijfde middel Uiteenzetting van het middel en standpunt van de verwerende partij 4.
- In een vijfde middel voert de verzoeker de schending aan van het rechtszekerheidsbeginsel, doordat hij zich reeds op 15 juni 1994 moest verantwoor- den voor de feiten van 31 mei en 1 juni 1994 en hiervoor reeds op 30 juni 1994 een voorlopig strafvoorstel werd geformuleerd, terwijl de tuchtzaak in graad van beroep slechts behandeld werd op 19 juni 1997, zijnde meer dan drie jaar later. IX-827-4/7 4.
- De verwerende partij antwoordt dat de verzoeker zelf niet geheel vreemd is aan de vertraging die is opgetreden bij de afhandeling van de tuchtproce- dure. Voorts wijst zij erop dat hij gebruik heeft gemaakt van alle voorziene beroepsmogelijkheden, waarbij de betrokken overheden zijn bezwaren grondig hebben onderzocht teneinde hem alle waarborgen op een objectieve behandeling van zijn dossier te garanderen. Dit heeft volgens haar uitsluitend zijn belang gediend, zoals blijkt uit het feit dat het voorlopig tuchtvoorstel van de overplaatsing werd teruggebracht tot een blaam. Beoordeling 4.3.
- Het is een beginsel van behoorlijk bestuur dat de tuchtoverheid, ook wanneer geen bepaling zulks uitdrukkelijk voorschrijft, binnen een redelijke termijn over de tuchtvordering uitspraak moet doen. Het redelijk karakter van de termijn moet telkens getoetst worden aan de concrete omstandigheden van de zaak, zoals de complexiteit van de zaak, het gedrag van de betrokkene, het gedrag van de overheid en de totale duurtijd van de tuchtprocedure. 4.3.
- Te dezen is de verzoeker op 15 juni 1994 om verantwoording gevraagd met betrekking tot de hem ten laste gelegde feiten en is hij met een brief van 30 juni 1994 in kennis gesteld van het voorlopig tuchtvoorstel. Slechts negenendertig maanden later, op 1 oktober 1997, heeft de verzoeker kennis genomen van het bestreden besluit en werd de tuchtprocedure beëindigd. In de loop van de tuchtprocedure werd het tuchtdossier op 27 november 1995 overgemaakt aan de departementale raad van beroep, die slechts meer dan achttien maanden later, op 19 juni 1997, zijn advies heeft uitgebracht. Het blijkt niet dat deze termijn van achttien maanden die de raad van beroep nodig had om tot een advies te komen, op enigerlei wijze te wijten is aan het gedrag van de verzoeker dat de behandeling van zijn zaak heeft vertraagd. Evenmin kan de verzoeker ten kwade worden geduid dat hij gebruik heeft gemaakt van de bestaande beroepsmogelijkheid bij de raad van beroep. Wat de complexiteit van de zaak betreft, ging het niet om een omvangrijk dossier en blijkt niet dat de raad van beroep tot bijkomende onderzoeksmaatregelen is overgegaan. Evenmin blijkt dat voor die raad omstandige of nieuwe argumenten werden aangevoerd, nu het verweerschrift van de verzoeker, zoals wordt bevestigd door de verwerende IX-827-5/7 partij in haar memorie van antwoord, zich beperkte tot een verwijzing naar eerder geformuleerde opmerkingen in een schrijven van 29 maart 1995, die dan nog betrekking hadden op feiten die zich hadden voorgedaan in maart 1995 en dus geen uitstaans hadden met het tuchtdossier dat aanhangig was bij de raad van beroep. Aldus beschikte de raad reeds van bij de aanvang van de procedure over alle nodige gegevens om met kennis van zaken te kunnen beslissen. Voorts kan de vertraging die de tuchtprocedure heeft opgelopen op het niveau van de raad van beroep niet worden toegeschreven aan de verplaatsing bij ordemaatregel die op 13 mei 1996 aan de verzoeker werd opgelegd noch aan het annulatieberoep dat de verzoeker hiertegen heeft ingesteld, vermits die maatregel geen verband hield met het tuchtdossier dat aanhangig was bij de raad van beroep. Uit het voorgaande volgt dat geen aanwijsbare reden voorhanden is voor de meer dan achttien maanden die de raad van beroep nodig had om de zaak te behandelen en tot een advies te komen. De duur van deze periode is dan ook kennelijk onredelijk. Dit volstaat om te doen besluiten dat de tuchtprocedure de redelijke termijnvereiste schendt. 4.3.
- Het middel is gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het ministerieel besluit van 3 september 1997 waarbij Theofiel MAHO de tuchtsanctie van de blaam wordt opgelegd.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 173,53 euro. IX-827-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 23 december 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, met bijstand van Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-827-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.211 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.677 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div