← België

Arrest 199212 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 23/12/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.212 Rolnummer: A. 115097/IX-3171 Zaak: Arrest 199212 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 23/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-06 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 04:06 Fiche Arrest nr 199.212 van 23 december 2009 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Verwerping dwangsom Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 199.212 van 23 december 2009 in de zaak A. 115.097/IX-3171 In zake : XXXX tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 13 januari 2002, strekt tot de nietig- verklaring van het besluit van 12 oktober 2001 van de directeur-generaal van de invordering van het ministerie van Financiën waarbij D.V.G. op 1 december 1999 wordt gemuteerd naar het ambt van eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd bij een fiscaal bestuur in de standplaats Aalst, met inneming van rang op 1 augustus 1997, alsook tot het opleggen van een dwangsom wegens de impliciete weigering om die betrekking toe te wijzen aan de verzoeker. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 174.320 van 10 september 2007 worden de debatten heropend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De verwerende partij heeft een verzoek tot voorzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 november
  3. IX-3171-1/15 Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. De verzoeker en inspecteur Jan De Vleeschouwer, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Bij dienstorder nr. 17/1996 van 24 december 1996 wordt, onder meer, een betrekking van comptabiliteitsinspecteur te Aalst vacant verklaard. Die betrekking kan worden begeven bij wege van bevordering of bij wege van mutatie. De verzoeker, die eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd (weddeschaal 10S3) is op de comptabiliteitsinspectie te Woluwe, kandideert voor die betrekking bij wege van mutatie. D.V.G., die de graad van eerstaanwezend inspecteur (weddeschaal 10S2) heeft, is kandidaat bij wege van bevordering. Bij koninklijk besluit van 8 augustus 1997 wordt D.V.G. bevorderd tot comptabiliteits- inspecteur met standplaats te Aalst, met ingang van 1 april
  6. Dit besluit wordt door de Raad van State vernietigd bij arrest nr. 73.618 van 13 mei 1998, op grond dat ten onrechte rekening is gehouden met een aan de verzoeker toegekende maar nog niet definitieve beoordeling “goed”. Ondertussen is op 12 december 1997 aan de verzoeker de beoordeling “zeer goed” toegekend. 3.
  7. Op 26 januari 1999 stelt het college van dienstchefs van de Administratie van de directe belastingen vast dat aangezien de Raad van State heeft geoordeeld dat de benoemende overheid een procedurefout heeft gemaakt door het niet in beraad houden van het benoemingsvoorstel, het benoemingsdossier heropend moet worden vanaf het stadium waarin de procedurefout werd gemaakt. Het college IX-3171-2/15 stelt verder dat dit impliceert dat er voor de nieuwe toewijzing teruggegaan wordt naar het ogenblik van de ingediende kandidaturen en dat er bijgevolg geen aanleiding bestaat om de bedoelde betrekking opnieuw in competitie te stellen. Vervolgens worden de kandidaten op grond van anciënniteit en beoordeling gerangschikt. De verzoeker wordt aldus vóór D.V.G. gerangschikt. Het college stelt evenwel vast dat tegen de verzoeker een tuchtprocedure loopt. Om die reden beslist het de mutatie van verzoeker voorlopig in beraad te houden, in afwachting van de definitieve afhandeling van de lopende tuchtprocedure. In het kader van die tuchtprocedure zal het college van dienstchefs op 13 april 1999 de terugzetting in graad tot eerstaanwezend inspecteur in de weddeschaal 10S2 voorstellen; tegen dat voorstel dient de verzoeker beroep in bij de Interdepartementale Raad van Beroep. 3.
  8. Bij dienstorder nr. 6/1999 van 27 mei 1999 wordt, onder meer, de betrekking van eerstaanwezend inspecteur-dienstchef te Aalst opnieuw in competitie gesteld, met het oog op een mutatie of een bevordering. De verzoeker en D.V.G. dienen opnieuw hun kandidatuur in. De kandidatuur van de verzoeker wordt gunstig geadviseerd door zijn directeur, gelet op de evaluatie van de verzoeker en op het feit dat hij beschikt over de nodige technische kennis om zijn taken naar behoren uit te voeren. De gewestelijk directeur vestigt de aandacht op het feit dat de verzoeker weliswaar gunstig werd geëvalueerd, maar dat er sinds de toekenning van die evaluatie een tuchtprocedure tegen hem is opgestart die nog niet is afgelopen. Ook D.V.G. krijgt een gunstig advies, zowel van zijn directeur als van de gewestelijk directeur. Deze laatste merkt onder meer op dat de kandidaat de functie van comptabiliteitsinspecteur te Aalst heeft uitgeoefend sinds 1 april 1997, eerst als interimaris, later op grond van de door de Raad van State vernietigde benoeming, en nadien opnieuw als interimaris, steeds tot algemene voldoening van zijn chefs. IX-3171-3/15 Op 14 september 1999 onderzoekt het college van dienstchefs de ingediende kandidaturen, en met name die van de verzoeker : “De Hr. XXXX, e.a. inspecteur (10S3) te Woluwe, is op grond van anciënniteit en evaluatie de eerst gerangschikte kandidaat voor de betrekking te Aalst. Aan de Hr. XXXX werd als voorlopig strafvoorstel een terugzetting in graad betekend naar aanleiding van een tuchtdossier waarin hem de volgende feiten ten laste worden gelegd: / drankmisbruik; / niet naleven van de variabele arbeidstijd; / niet controleren van de prikkaarten van zijn ondergeschikten en zelfs aanzetten tot misbruik van het systeem van de variabele arbeidstijd; / ongewenst seksueel gedrag; / aanzetten tot het afleggen van valse verklaringen; / intimidatiepoging. De Hr. XXXX heeft tegen voormeld strafvoorstel beroep aangetekend. Hierbij dient nog opgemerkt dat reeds voorheen tegen de Hr. XXXX een tuchtdossier werd geopend wegens ongewenst seksueel gedrag. De Raad van Beroep heeft toen evenwel geoordeeld dat de ten laste gelegde feiten geen aanleiding gaven tot een tuchtstraf, advies dat door de Heer Minister onderschreven werd. Het gedrag van de toezicht houdend en leidinggevend ambtenaar, die de Hr. XXXX toch is, zou een voorbeeld moeten zijn voor zijn ondergeschikten en voor andere ambtenaren. De onbesproken houding van een dienstchef is trouwens één van de meest fundamentele vereisten voor de goede werking van de dienst. Het gedrag van betrokkene laat vermoeden dat de goede werksfeer wordt verstoord en dat zijn geschiktheid als dienstchef in vraag kan worden gesteld. De handelwijze van de Hr. XXXX is duidelijk in strijd met de artikels 10 en 11 van het Statuut van het Rijkspersoneel. Gelet op wat voorafgaat oordeelt voornoemd College met eenparigheid van stemmen dat de Hr. XXXX niet in voldoende mate over de nodige geschiktheid en verdiensten beschikt om een mutatie naar de inspectie Aalst te rechtvaardigen (toepassing art. 14 Organiek Reglement - D.I. 220.11) en stelt (het) voor om de eerstvolgende kandidaat, i.c. de hr. V.G., D.I.B., te benoemen in de betrekking te Aalst.” De verzoeker tekent tegen dit voorstel bezwaar aan. Hij voert aan dat zowel D.V.G. als hijzelf de evaluatie “zeer goed” hebben, maar dat hijzelf daarenboven volgens de graadanciënniteit beter gerangschikt is. Hij is ook van oordeel dat vacante betrekkingen bij voorrang bij mutatie toegekend worden. IX-3171-4/15 Na de verzoeker te hebben gehoord, geeft het college van dienstchefs op 9 november 1999 het volgend advies : “In tegenstelling met wat de Hr. XXXX in zijn bezwaarschrift beweert, wordt er bij de toekenning van de betrekkingen van eerstaanwezend inspecteur- diensthoofd, geen enkele voorrang verleend aan de kandidaten voor mutatie. Desondanks is reclamant op grond van graadanciënniteit en evaluatie de eerst gerangschikte kandidaat voor de betrekking te Aalst wat trouwens zijn enige voorkeur is. Aan betrokkene werd als voorlopig strafvoorstel een terugzetting in graad betekend naar aanleiding van een tuchtdossier (ten laste gelegde feiten : drankmisbruik, niet naleven van de variabele arbeidstijd, niet controleren van de prikkaarten van zijn ondergeschikten en zelfs aanzetten tot misbruik van het systeem van de variabele arbeidstijd, ongewenst seksueel gedrag, aanzetten tot het afleggen van valse verklaringen, intimidatiepoging). De Hr. XXXX heeft tegen voormeld strafvoorstel beroep aangetekend. Tegen betrokkene werd voorheen reeds een tuchtdossier geopend wegens ongewenst seksueel gedrag. De Raad van Beroep heeft toen evenwel geoordeeld dat de ten laste gelegde feiten geen aanleiding gaven tot een tuchtstraf, advies dat door de Heer Minister onderschreven werd. Het gedrag van de toezicht houdend en leidinggevend ambtenaar, die de Hr. XXXX toch is, zou een voorbeeld moeten zijn voor zijn ondergeschikten en voor andere ambtenaren. De onbesproken houding van een dienstchef is één van de meest fundamentele vereisten voor de goede werking van de dienst. Het gedrag van betrokkene laat vermoeden dat de goede werksfeer wordt verstoord en dat zijn geschiktheid als dienstchef in vraag kan worden gesteld. De handelwijze van de Hr. XXXX is duidelijk in strijd met de artikelen 10 en 11 van het Statuut van het rijkspersoneel. Bijgevolg oordeelt het College, met 6 stemmen tegen 5, dat betrokkene niet in voldoende mate over de nodige geschiktheid en verdiensten beschikt om een mutatie naar de inspectie Aalst te rechtvaardigen (toepassing art. 14 Organiek Reglement - D.I. 220.11) en wordt zijn bezwaarschrift als ongegrond afgewezen omdat het geen elementen bevat die van aard zijn om de uitgebrachte voorstellen te wijzigen.” 3.
  9. Door de verzoeker was ondertussen, zoals gezegd, beroep ingesteld tegen het hiervóór genoemde definitief voorstel van tuchtstraf geformuleerd door het college van dienstchefs op 13 april 1999, met name de terugzetting in graad tot eerstaanwezend inspecteur in de weddeschaal 10S
  10. Op 5 juni 2000 verklaart de Interdepartementale Raad van Beroep het beroep gegrond. Hij is van oordeel dat de feiten bewezen zijn, maar dat de voorgestelde straf van terugzetting in de graad van eerstaanwezend inspecteur in de weddeschaal 10S2 te zwaar is. Hij stelt een tuchtschorsing voor. Op 28 september 2000 doet de Vaste Commissie voor Taaltoezicht uitspraak over een klacht die de verzoeker heeft ingediend tegen het definitief voorstel van het college van dienstchefs van 13 april
  11. De commissie IX-3171-5/15 is van oordeel “dat de betwiste tuchtprocedure gevoerd werd met miskenning van de artikelen 39, § 1, en 17, § 1, van de bij (koninklijk besluit) van 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken en derhalve nietig is krachtens artikel 58, eerste lid, van diezelfde wetten”. Ten gevolge van dit advies zal de minister van Financiën op 19 april 2002 beslissen aan de verzoeker geen tuchtstraf op te leggen. 3.
  12. Bij koninklijk besluit van 17 november 2000 is D.V.G. ondertussen bevorderd, met ingang van 2 juli 1997, tot de weddeschaal 10S
  13. 3.
  14. Op 12 juni 2001 komt het college van dienstchefs terug op de kwestie van de ranginneming van D.V.G. Terwijl het college op 14 september 1999 had voorgesteld om de genoemde kandidaat te benoemen op 1 december 1999, zonder enige vorm van terugwerkende kracht, stelt het thans voor om de ranginneming van D.V.G. als eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd te doen ingaan op 1 augustus
  15. Bij besluit van 12 oktober 2001 van de directeur-generaal van de invordering wordt D.V.G. met ingang van 1 december 1999 gemuteerd naar het ambt van eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd in de standplaats Aalst, met inneming van rang op 1 augustus
  16. Dit is het bestreden besluit. IV. Onderzoek van de middelen Derde middel Standpunt van de partijen 4.
  17. In een derde middel voert de verzoeker aan dat de motivering op grond waarvan het college van dienstchefs zijn kandidatuur niet heeft weerhouden, niet correct is. Hij is van mening dat het college ten onrechte zijn geschiktheid als dienstchef in vraag stelt, vermits zijn hiërarchische oversten een gunstig advies verleenden en zijn onmiddellijke chef uitdrukkelijk vermeldde dat de verzoeker over IX-3171-6/15 de nodige technische kennis beschikt om zijn taken naar behoren uit te voeren. Voorts wijst de verzoeker erop dat hij sinds 1991 steeds dezelfde betrekking is blijven uitoefenen, eerst te Antwerpen en daarna te Brussel, en dat het feit dat een tuchtprocedure tegen hem lopende was er niet toe heeft geleid dat hij uit zijn functie van dienstchef werd verwijderd. Integendeel werd hij nog met een bijkomende taak belast en vervult hij zijn inspectietaak nog steeds zonder in te boeten aan gezag. De verzoeker meent dat de ongunstige beschrijving van zijn handelwijze dan ook in strijd is met de evaluatie “zeer goed” die hij steeds behouden heeft en met de gunstige adviezen van zijn meerderen. Volgens de verzoeker wordt ook niet aangetoond dat zijn handelwijze in strijd zou zijn met de artikelen 10 en 11 van het statuut van het Rijkspersoneel. 4.
  18. De verwerende partij antwoordt dat de overheid nooit betwist heeft dat de verzoeker een gunstig advies van zijn onmiddellijke overste heeft gekregen, noch dat hem een bijkomende opdracht is toevertrouwd, noch dat hem een evaluatie “zeer goed” is toegekend. Wel heeft de overheid volgens haar rekening gehouden met het gedrag van de verzoeker zoals aangegeven in de notulen van de vergadering van 14 september 1999 van het college van dienstchefs. Deze beoordeling is volgens de verwerende partij tot stand gekomen op basis van feiten die het voorwerp waren van een tuchtprocedure, ingesteld begin 1999, en waarmee de overheid rekening kon houden, zeker nadat de feiten bewezen werden geacht door de interdepartementale raad van beroep. 4.
  19. De verzoeker repliceert dat het college van dienstchefs hem noch geschikt, noch ongeschikt beoordeelt, maar er zich toe beperkt voor te houden dat zijn geschikheid als dienstchef in vraag kan worden gesteld. Dit laatste is volgens de verzoeker niet pertinent, nu hij solliciteerde voor een betrekking waarnaar hij vanuit een betrekking van dienstchef kon muteren en nu de Interdepartementale Raad van Beroep op 5 juni 2000 heeft geoordeeld dat verzoekers “geschiktheid tot het verder uitoefenen van zijn taak als e.a. inspecteur-dienstleider kennelijk niet in vraag wordt gesteld.” De verzoeker is van mening dat een ambtenaar die benoemd is in een graad in principe geacht moet worden geschikt te zijn voor alle betrekkingen van die graad. Hij houdt voor dat wanneer de overheid in het kader van een evaluatie nalaat te bewijzen dat de ambtenaar niet geschikt is voor zijn ambt, zij IX-3171-7/15 dit niet zonder opgave van specifieke redenen kan aanvoeren naar aanleiding van een statutair bepaalde mutatie naar een andere betrekking van datzelfde ambt. 4.
  20. In haar laatste memorie schrijft de verwerende partij dat de overheid een strikt doelgebonden bevoegdheid heeft en dat zij bij een mutatie enkel rekening kan houden met de titels en verdiensten die relevant zijn voor de vacante betrekking. Wanneer de overheid van oordeel is dat de kandidaat geen voorbeeldfunctie kan vervullen, geldt dit volgens de verwerende partij enkel voor de beoordeling van zijn kandidatuur voor de concrete vacante betrekking op het ogenblik dat de overheid zich daarover dient uit te spreken. Het feit dat de overheid daar voordien anders over geoordeeld heeft, in andere omstandigheden, doet volgens de verwerende partij hieraan geen afbreuk, zoals evenmin deze nieuwe beoordeling kan meebrengen dat aan de kandidaat voordien toegekende functies worden ontnomen. Wanneer de overheid ten aanzien van de functie die de verzoeker op het ogenblik van zijn kandidatuur vervulde, nadien een weinig consequente houding aanneemt, meent de verwerende partij dat hieruit nog niet kan worden afgeleid dat de motivering om de verzoeker niet te muteren in de vacante betrekking niet draagkrachtig zou zijn. De overheid kan immers op grond van aanneembare redenen oordelen dat het niet gepast is om de verzoeker te muteren naar een andere dienst omdat hij zijn voorbeeldfunctie daar niet kan waarmaken. Bovendien houdt de verwerende partij voor dat de overheid stappen ondernomen heeft om een einde te stellen aan de functie van eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd die de verzoeker ten tijde van het bestreden besluit uitoefende. Met name werd een tuchtprocedure aangevat lastens de verzoeker waarbij werd voorgesteld om hem terug te zetten in graad. Ook werd hij nadien niet voorgesteld voor benoeming als directeur bij een fiscaal bestuur. Voorts betoogt de verwerende partij dat de overheid onmogelijk op basis van concrete gegevens kan aantonen dat de verzoeker bij zijn aanstelling in een andere dienst de goede werking van die dienst in gevaar kan brengen en dat het college van dienstchefs dan ook terecht een voorzichtige en redelijke houding heeft aangenomen. Die houding was volgens haar allesbehalve onredelijk, nu drankmisbruik en de andere aan de verzoeker verweten gedragingen niet van die aard zijn om plots te verdwijnen. IX-3171-8/15 Beoordeling 4.
  21. Het bestreden besluit verwijst ter motivering uitdrukkelijk naar het proces-verbaal van de zitting van 9 november 1999 van het college van dienstchefs. Dit college was van oordeel dat de verzoeker niet in voldoende mate over de nodige geschiktheid en verdiensten beschikte om een mutatie naar de inspectie Aalst te rechtvaardigen. Met name stelde het de geschiktheid van de verzoeker als dienstchef in vraag, enerzijds, omdat zijn gedrag niet onbesproken was waardoor hij geen voorbeeldfunctie meer kon waarmaken, anderzijds, omdat de gedragingen die hem werden toegeschreven in een lopende tuchtprocedure lieten vermoeden de goede werksfeer te verstoren. Op het ogenblik dat de verzoeker postuleerde voor de betrekking van dienstchef te Aalst, was hij reeds titularis van een leidinggevende functie als dienstchef te Woluwe. Aldus beoogde hij geen bevordering naar een leidinggevende functie, maar enkel een wijziging van standplaats met behoud van de leidinggevende functie. De Interdepartementale Raad van Beroep heeft in zijn vergadering van 5 juni 2000 vastgesteld dat de verzoeker, sedert het definitief voorstel van tuchtstraf op 13 april 1999, zijn taak als eerstaanwezend inspecteur-dienstchef verder heeft uitgeoefend, onder meer in het kantoor te Woluwe, waar de hem ten laste gelegde tuchtfeiten nochtans deels hadden plaatsgevonden, dat de geschiktheid van de verzoeker tot het verder uitoefenen van zijn taak als dienstleider kennelijk niet in vraag werd gesteld en dat de verzoeker in die functie de beoordeling en eindevaluatie “zeer goed” bekwam. Op grond van al deze elementen heeft die Raad geoordeeld dat de definitief voorgestelde tuchtstraf van de terugzetting in graad te zwaar was voor de verzoeker. Aldus was de Raad van Beroep van oordeel dat de verzoeker in elk geval zijn functie van dienstchef kon behouden en stelde die Raad de geschiktheid van de verzoeker als dienstleider niet in vraag. Dit oordeel van de Raad van Beroep en de gegevens waarop dit oordeel is gesteund, staan lijnrecht tegenover voormelde conclusies van het college van dienstchefs. IX-3171-9/15 Bovendien stelt het college van dienstchefs dat het gedrag van de verzoeker “laat vermoeden” dat de goede werksfeer wordt verstoord, wat er op wijst dat deze overweging niet op concrete feiten is gebaseerd. Bijgevolg is het oordeel van het college van dienstchefs, dat de verzoeker niet in voldoende mate over de nodige geschiktheid en verdiensten beschikte om een mutatie naar een gelijkaardige functie van dienstchef te Aalst te rechtvaardigen, niet op deugdelijke wijze onderbouwd. De beoordeling van de titels en verdiensten van de verzoeker is niet gebeurd op grond van voldoende vaststaande feitelijke en pertinente gegevens. Het middel is gegrond. Zevende middel Standpunt van de partijen 5.
  22. In een zevende middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Hij stelt dat uit het proces-verbaal van de zitting van 9 november 1999 van het college van dienstchefs niet blijkt dat dit college heeft geantwoord op zijn bezwaarschrift. Volgens de verzoeker herneemt dit college slechts de argumentatie uit het proces-verbaal van de zitting van 14 september
  23. Evenmin wordt volgens hem in het benoemingsbesluit aangegeven waarom de verwerende partij de voorkeur gaf aan V.G. en dus van mening was, rechtstreeks of onrechtstreeks, de rangschikking naar anciënniteit niet te moeten volgen. 5.
  24. De verwerende partij antwoordt dat er een specifieke bepaling bestaat (artikel 14 van het organiek reglement) die meebrengt dat de titels en verdiensten van de kandidaten dienen te worden afgewogen indien zij meedingen naar een betrekking van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur waaraan de functie van dienstchef is verbonden. Zij voert aan dat die bepaling uitdrukkelijk als rechtsgrond wordt aangewezen in de notulen van de zitting van 9 november 1999 van het college van dienstchefs. IX-3171-10/15 Beoordeling 5.3.
  25. De verzoeker roept de schending in van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De artikelen 2 en 3 van die wet verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. 5.3.
  26. Het bestreden besluit verwijst, ter motivering ervan, naar het proces-verbaal van de zitting van 9 november 1999 van het college van dienstchefs. Dit proces-verbaal is samen met het bestreden besluit aan de verzoeker betekend met een brief van 28 november
  27. De verzoeker is van mening dat dit proces- verbaal niet op afdoende wijze gemotiveerd is, omdat het geen antwoord bevat op zijn bezwaren, aangevoerd naar aanleiding van het benoemingsvoorstel van 14 september 1999 van het college van dienstchefs. De formele motiveringsplicht, opgenomen in de wet van 29 juli 1991, verplicht de verwerende partij er niet toe een antwoord te geven op alle argumenten die de verzoeker in de loop van het besluitvormingsproces naar voren heeft gebracht. Het volstaat dat de verzoeker uit de motieven kan afleiden waarom zijn argumenten in hun geheel niet werden aanvaard. Uit het dossier blijkt dat de verzoeker zijn verweermiddelen met het oog op de zitting van 9 november 1999 van het college van dienstchefs op schrift IX-3171-11/15 heeft gesteld teneinde dit document af te geven op die zitting en te laten opnemen in de notulen ervan. Het proces-verbaal van die zitting vermeldt dat de uiteenzetting van de verzoeker schriftelijk is weergegeven in een bijlage bij dit proces-verbaal. In voormeld document houdende zijn verweermiddelen, zet de verzoeker onder meer uiteen dat met de feiten die in de motivering van het proces-verbaal van 14 september 1999 van het college werden weerhouden, geen rekening mocht worden gehouden omwille van het vermoeden van onschuld en omdat men zich terug diende te plaatsen op het ogenblik van het vernietigde besluit. Hoewel uit het proces-verbaal van 9 november 1999 wel blijkt waarom het college de verzoeker niet geschikt achtte voor de te begeven betrekking, heeft het college in dit proces- verbaal, op één element na, woordelijk de vroegere motivering van het proces- verbaal van 14 september 1999 hernomen. Aldus heeft het college te dezen op geen enkele, zelfs impliciete wijze aangegeven waarom voormelde argumenten van de verzoeker niet konden worden aangenomen. De motivering van het bestreden besluit is dan ook niet “afdoende” in de zin van de wet van 29 juli
  28. 5.3.
  29. Het middel is gegrond. V. Verzoek tot het opleggen van een dwangsom A. Ontvankelijkheid
  30. De verzoeker vraagt om een dwangsom op te leggen om de naleving te verzekeren van het arrest nr. 73.618 van 13 mei 1998 of van het nog uit te spreken vernietigingsarrest. In zoverre hij vraagt om een dwangsom op te leggen ter naleving van een arrest dat nog moet worden uitgesproken, is de vordering onontvankelijk, daar uit artikel 36 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State volgt dat aan de Raad slechts een dwangsom kan worden gevraagd ter uitvoering van een reeds uitgesproken arrest. IX-3171-12/15 B. Ten gronde Standpunt van de partijen 7.
  31. De verzoeker vraagt om een dwangsom op te leggen ter uitvoering van het arrest nr. 73.618 van 13 mei
  32. Hij betoogt dat het gezag van gewijsde van dat arrest geschonden is, nu de verwerende partij nog steeds zijn mutatie niet heeft toegestaan, noch de vernietigde benoeming heeft ingetrokken en zij V.G. de functie van comptabiliteitsinspecteur verder heeft laten uitoefenen als titularis vermits deze nooit a.i. heeft getekend. 7.
  33. De verwerende partij antwoordt dat uit het genoemde arrest nr. 73.618 niet volgt dat de verzoeker moest worden benoemd in de kwestieuze betrekking. Zij houdt voor het gezag van gewijsde van dat arrest te hebben gerespecteerd, nu zij na de vernietiging, de benoemingsprocedure heeft hernomen en dit met inachtneming van de definitieve beoordeling van de verzoeker. 7.
  34. De verzoeker repliceert dat hij niet vraagt om te worden benoemd doch om zijn mutatie toe te staan en dat de benoemingsprocedure niet op een deugdelijke manier is hernomen. Beoordeling 7.
  35. Uit het gezag van gewijsde van het arrest nr. 73.618 van 13 mei 1998 volgt dat de benoeming van V.G. met ingang van 1 april 1997 tot comptabiliteitsinspecteur te Aalst geacht moet worden nooit te hebben bestaan en dat de verwerende partij een nieuwe beslissing moet nemen inzake het begeven van die vacante betrekking te Aalst en dit op grond van een vergelijking van de kandidaten met inachtneming van hun definitieve beoordelingen. Bij dienstorder nr. 6/1999 van 27 mei 1999 is onder meer de betrekking van eerstaanwezend inspecteur-dienstchef (voorheen: comptabiliteitsinspecteur) te Aalst opnieuw in competitie gesteld, met het oog op een mutatie of een bevordering. Op grond van een vergelijking van de kandidaten met inachtneming van hun definitieve beoordelingen heeft die procedure geleid tot het bestreden besluit. IX-3171-13/15 Aldus heeft de verwerende partij het gezag van gewijsde van het arrest nr. 73.618 nageleefd en is er geen reden om ter uitvoering van dat arrest een dwangsom op te leggen. VI. Anonimisering
  36. De verzoeker vraagt de anonimisering van het arrest, bij de publicatie ervan. Luidens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet- toelaatbaarheid van de Raad van State kan iedere partij bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig wordt gemaakt op elk moment van de rechtspleging en totdat de debatten gesloten zijn, eisen dat bij de publicatie van het arrest of de beschikking de identiteit van de natuurlijke personen niet zou worden bekendgemaakt. De vraag wordt ingewilligd. BESLISSING
  37. De Raad van State vernietigt het besluit van 12 oktober 2001 van de directeur-generaal van de invordering van het ministerie van Financiën waarbij D.V.G. op 1 december 1999 wordt gemuteerd naar het ambt van eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd bij een fiscaal bestuur in de standplaats Aalst, met inneming van rang op 1 augustus
  38. De Raad van State verwerpt de vordering betreffende de gevorderde dwangsommen.
  39. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro.
  40. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoeker niet bekendgemaakt. IX-3171-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 23 december 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, met bijstand van Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-3171-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.212 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.320 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.