id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.226 Rolnummer: A. 161366/IX-4841 Zaak: Arrest 199226 - Tucht (openbaar ambt) - 23/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-05 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 04:06 Fiche Arrest nr 199.226 van 23 december 2009 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 199.226 van 23 december 2009 in de zaak A. 161.366/IX-4841 In zake : Koenraad DEPREYTERE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean-Baptiste Petitat kantoor houdend te Sint-Kruis-Brugge Sportstraat 49 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de Politiezone VLAS (Kortrijk-Kuurne-Lendelede) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 31 mei 2005, strekt tot de nietigverkla- ring van de beslissing van 28 januari 2005 van het politiecollege van de politiezone VLAS waarbij Koenraad DEPREYTERE met ingang van 1 februari 2005 bij tuchtmaatregel ambtshalve ontslagen wordt. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 149.381 van 26 september 2005 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-4841-1/33 Auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 december
- Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Jean-Baptist Petitat, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De feitelijke gegevens van de zaak zijn uiteengezet in het arrest nr. 137.414 van 22 november 2004 waarbij een eerste ontslagbesluit van de verzoeker, genomen op 23 april 2004, geschorst wordt en voorts in het arrest nr. 149.381 van 26 september 2005 waarbij de vordering tot schorsing van de hier bestreden beslissing van 28 januari 2005 verworpen wordt. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker voert de schending aan van een aantal substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen met betrekking tot het besluitvormingsproces binnen het politiecollege. Overeenkomstig artikel 23 van de IX-4841-2/33 wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (hierna: WGP) wordt het politiecollege gevormd door de burgemeesters van de verschillende gemeenten die de meergemeentezone vormen; dit artikel bepaalt ook dat het lid van het politiecollege dat afwezig is of verhinderd, wordt vervangen overeenkomstig artikel 14 van de nieuwe gemeente- wet. In casu bestaat de meergemeentezone VLAS uit de gemeenten Kortrijk, Kuurne en Lendelede, maar de bestreden beslissing van het politiecollege van 28 januari 2005 werd niet ondertekend door de burgemeester van de gemeente Lendelede, die blijkbaar ook afwezig was bij het nemen van de beslissing; in het uittreksel van de notulen van de zitting van het politiecollege van 28 januari 2005 wordt ook niet vermeld dat de burgemeester van Lendelede afwezig of verhinderd was. Voor zover de verwerende partij zou wijzen op de eenheid tussen de samenstelling van het politiecollege bij de kennisname van het geschil en de samenstelling van het politiecollege bij het nemen van de beslissing, dient opgemerkt dat de beslissing van het politiecollege van 13 oktober 2003 -de beslissing waarbij het politiecollege voor het eerst het voorstel formuleerde om de verzoeker te ontslaan- evenmin aan voormelde bepaling voldoet; bij deze kennisgeving is wel een uittreksel van de notulen van de zitting van het politiecollege van 10 oktober 2003 gevoegd, maar daaruit blijkt dat de burgemeester van Lendelede niet als afwezig of verhinderd werd opgegeven, zodat diens aanwezigheid overeenkomstig artikel 23 WGP vereist was om een correcte en wettelijke beslissing te kunnen nemen; er werd evenmin in zijn vervanging voorzien overeenkomstig artikel 14 van de nieuwe gemeentewet, en dit zowel wat betreft de beslissing van 10 oktober 2003 als de beslissingen van 23 april 2004 en de (thans bestreden) beslissing van 28 januari
- De eventuele stemmenweging binnen het politiecollege doet niets af aan de voormelde wettelijke bepalingen. Het komt niet toe aan het lid van de politie, dat het voorwerp uitmaakt van een tuchtmaatregel, om zelf de stemmenweging van de leden van het betrokken politiecollege na te gaan; de beslissing zelf dient formeel aan te geven dat het betrokken lid van het politiecollege wettig verhinderd is en niet in zijn vervanging overeenkomstig artikel 14 van de nieuwe gemeentewet kan voorzien worden. Bij gebrek aan dergelijke vermelding in de beslissing dient de beslissing als vormelijk gebrekkig te worden beschouwd en derhalve als nietig te worden aangemerkt.
- De verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat het politiecollege samengesteld is door de burgemeesters van de betrokken gemeenten, die zich kunnen laten vervangen. De burgemeester van Lendelede was niet aanwezig bij het treffen van het bestreden besluit en hij werd ook niet vervangen, maar dit IX-4841-3/33 belette het politiecollege niet om een beslissing te nemen, rekening houdend met de stemmenverdeling onder de leden: de burgemeester van Kortrijk beschikt over 89 stemmen, de burgemeester van Kuurne over 9 stemmen en de burgemeester van Lendelede 2 stemmen. Voorts was er een goede reden waarom de burgemeester van Lendelede niet aan de beraadslaging deelgenomen heeft: artikel 30 van de tuchtwet schrijft immers voor dat de leden van het politiecollege die niet permanent tijdens het geheel van de hoorzittingen aanwezig waren, niet mogen deelnemen aan de beraadslaging en de stemming over de op te leggen tuchtstraf. Aangezien de burgemeester van Lendelede afwezig was bij de beslissing van 6 juni 2003 houdende de bekrachtiging van de voorlopige schorsing, heeft hij zich nadien consequent bij elke verdere stap onthouden van deelname aan het dossier; de verzoeker poneert ten onrechte dat er ook nog eens zou moeten gemotiveerd worden waarom de burgemeester van Lendelede niet aanwezig was; hij meent eveneens ten onrechte dat het noodzakelijk zou zijn dat een afwezige burgemeester zou vervangen worden, vermits er enkel een vervangingsmogelijkheid bestaat.
- De verzoeker stelt in zijn memorie van wederantwoord nog dat het bestreden besluit niet formeel aangeeft dat de burgemeester van Lendelede wettig verhinderd was en dat niet in zijn vervanging werd voorzien, zodat het ontslagbe- sluit een vormelijk gebrek vertoont. Hij wijst er ook op dat de overwegingen van het arrest over de vordering tot schorsing niet automatisch getransponeerd kunnen worden naar de beoordeling van de zaak ten gronde. In zijn laatste memorie voegt hij daar aan toe dat het politiecollege een collegiaal orgaan is, waarvan het collegiaal karakter verloren gaat wanneer een van de burgemeesters-leden bij een beraadslaging afwezig is en zich ook niet laat vervangen, aangezien dan de zone bestuurd wordt door een of enkele leden van de politiezone en niet meer door het collegiaal orgaan. De burgemeester van Lendelede had zich op de hoorzitting van 30 oktober 2003 moeten laten vervangen en dan kon zijn vervanger ook deelnemen aan de beraadslaging over het bestreden besluit. De regels inzake de samenstelling van het politiecollege raken de openbare orde, zodat hij zelfs geen belang moet aantonen bij het inroepen van een middel daaromtrent, maar te dezen is dat belang pertinent aanwezig omdat de aanwezigheid van de burgemeester van Lendelede, hoe gering zijn stemmengewicht ook was, toch kon verhinderd hebben dat de twee andere burgemeesters hun standpunt dat de verzoeker de zwaarste tuchtsanctie verdiende, doordrukten. IX-4841-4/33 IX-4841-5/33 Beoordeling
- De omstandigheid dat de Raad van State in de schorsingsprocedu- re de ernst van een middel niet aanvaard heeft, leidt niet automatisch tot het niet- gegrond bevinden van het middel bij de beoordeling van de zaak ten gronde. Het betekent wel dat de Raad van State, na onderzoek, de beoordeling van het ernstig karakter van het middel kan bevestigen en vervolgens de gegrondheid van het middel beoordelen in functie van de argumenten die de verzoeker bijkomend heeft doen gelden.
- De verzoeker is van oordeel dat de afwezigheid van de burge- meester van Lendelede of zijn wettelijke vervanger bij het treffen van het bestreden ontslagbesluit, en de omstandigheid dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat het politiecollege regelmatig samengesteld was en rechtsgeldig het tuchtstrafbesluit heeft kunnen treffen, dat besluit vitiëren. Overeenkomstig artikel 23 WGP bestaat het politiecollege van een meergemeentezone uit de burgemeesters van de verschillende gemeenten die van de zone deel uitmaken en worden de leden in geval van afwezigheid of verhindering, vervangen overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 van de nieuwe gemeentewet, dit wil zeggen door de bijzondere lasthebber aangewezen door de burgemeester of bij ontstentenis daarvan door de eerste schepen. De wettelijk geregelde vervanging betekent niet dat een burgemeester zich bij elke verhindering moet laten vervangen. Er bestaat geen vervangingsplicht of, met andere woorden, uit de wet blijkt niet dat het politiecollege als collegiaal orgaan geen beslissing zou kunnen nemen wanneer een van de leden niet op de vergadering aanwezig is, aangezien het collegiaal karakter van de vergadering niet teloorgaat door de afwezigheid van een lid. Krachtens artikel 28 WGP kan het college immers vergaderen en beraadslagen wanneer de meerderheid van de stemmen, bedoeld in artikel 24, vertegenwoordigd is en worden de beslissingen genomen bij meerderheid van de stemmen. Te dezen betekent zulks dat de afwezigheid van de burgemeester van Lendelede -die in het college over twee stemmen beschikt- niet verhinderde dat het politiecollege rechtsgeldig kon vergaderen bij aanwezigheid van de burgemeester van Kortrijk -die over 89 stemmen beschikt- en de burgemeester van Kuurne -die over 9 stemmen beschikt-, welke cijfers de verzoeker niet betwist. Overeenkomstig artikel 30 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de tuchtwet) IX-4841-6/33 mag een lid van het politiecollege, dat de hoorzittingen in de tuchtzaak niet integraal bijgewoond heeft, niet deelnemen aan de beraadslaging en de stemming over de tuchtstraf. De verzoeker betwist niet dat de burgemeester van Lendelede, omdat hij niet aanwezig was op de hoorzitting van 10 oktober 2003 toen de verzoeker gehoord werd over zijn verweer tegen het inleidend verslag, zich diende te onthouden van deelname aan de latere beslissingen in de tuchtzaak tegen de verzoeker. Aangezien de burgemeester van Lendelede niet verplicht was om zich te laten vervangen op de vergadering waarop de verzoeker voor het eerst gehoord werd in zijn tuchtzaak en hij toen ook niet vervangen werd, diende de tuchtzaak tegen de verzoeker noodzakelijk verder afgehandeld te worden in de afwezigheid van de burgemeester van Lendelede of zijn vervanger, hetgeen, gelet op de vereiste quora, perfect mogelijk was.
- De verzoeker stelt dat de regelmatigheid van de samenstelling van het politiecollege en de regelmatige besluitvorming niet uit het bestreden besluit blijkt. Het bestaan van een besluit van een politiecollege en het vervullen van de wettelijk vereiste vormvoorschriften moeten blijken uit de notulen van de vergadering. De notulen van de vergadering van 28 januari 2008 vermelden, voor het treffen van de eindbeslissing in het tuchtdossier van de verzoeker, de aanwezigheid van de burgemeester van Kortrijk en van de burgemeester van Kuurne en van de secretaris. Die vermelding laat de verzoeker toe op onbetwistbare wijze uit te maken of het college wel reglementair samengesteld was en met name of voldoende stemmen, vereist om rechtsgeldig te vergaderen, aanwezig waren en of de beslissing de vereiste meerderheid heeft kunnen krijgen. Gewis maken de notulen geen gewag van de precieze stemmenverdeling onder de verschillende leden van het politiecollege, maar aangezien dit om een objectief en vast gegeven gaat dat in het kader van een individueel besluit niet meer betwist kan worden en waarvan de vermelding ook niet wettelijk vereist is, ziet de Raad van State niet in waarom de vermelding van de stemmenverdeling als een substantieel vormvoorschrift zou moeten gelden.
- Het eerste middel is niet gegrond. IX-4841-7/33 B. Tweede middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker richt zich in essentie tegen de beslissing van de korpschef om zijn bevoegdheid in het tuchtdossier te delegeren aan zijn directeur- personeel. Hij catalogeert zijn grieven onder de noemer “bevoegdheidsoverschrij- ding” en wijst dienaangaande op de volgende elementen: - Op 4 juni 2003 heeft hoofdcommissaris van politie DEFOOR (hierna: de directeur-personeel) de verzoeker overeenkomstig artikel 63 van de tuchtwet bij dringende noodzakelijkheid geschorst en het politiecollege heeft die beslissing op 6 juni 2003 bekrachtigd. Dit gebeurde met miskenning van het voornoemd wetsartikel, aangezien hij een eerste maal werd verhoord vóór de beslissing tot voorlopige schorsing, zodat het geen verhoor inzake de tuchtprocedure betrof, en aangezien het latere verhoor pas op 31 juli 2003 plaatsvond, terwijl de wet vereist dat dit onverwijld moet gebeuren. - Krachtens artikel 19 van de tuchtwet, is de korpschef zijn gewone tuchtoverheid. Op 4 juni 2003 heeft de korpschef zijn bevoegdheid gedelegeerd aan de directeur- personeel, maar dit is niet voorzien in de tuchtwet. De tuchtwet voorziet ook niet in een delegatie op grond van artikel 831 van het Gerechtelijk Wetboek, zodat de beslissing van 4 juni 2003 van de korpschef onwettig is, evenals de daaruit voortvloeiende onderzoekshandelingen en de daarop steunende stukken en documenten die nietig zijn. Krachtens artikel 33 van de Grondwet kan enkel een overheid die een bevoegdheid heeft de delegatie ervan toestaan; de gewone tuchtoverheid beschikt niet over de bevoegdheid om haar wettelijke tuchtbevoegd- heid te delegeren aan één van zijn personeelsleden; derhalve is ook dat grondwets- artikel miskend. De korpschef verwijst naar artikel 831 van het Gerechtelijk Wetboek. In dit geval geeft de verwerende partij expliciet toe dat voornoemd artikel niet van toepassing is, maar wel het principe opgenomen in dat artikel. Vermits de tuchtwetgeving als uitzonderingsrecht strikt moet geïnterpreteerd worden, mogen evenwel geen principes gehanteerd worden die in een jurisdictio- nele context van toepassing zijn. - De reden voor de bevoegdheidsdelegatie kan niet worden aanvaard. De korpschef verwijst naar problemen in het verleden met inspecteur De Jonghe, maar daar heeft de verzoeker geen uitstaans mee. De korpschef had ten overstaan van de verzoeker dan ook geen reden tot wraking, noch tot delegatie van zijn bevoegd- heid. De uitleg in de bestreden beslissing dat het de korpschef onmogelijk was om in structurele onpartijdigheid op te treden met betrekking tot De Jonghe en IX-4841-8/33 bijaldien ook in het dossier ten aanzien van de verzoeker, gaat niet op vermits het niet is omdat er een onpartijdigheidsprobleem zou kunnen hebben bestaan ten aanzien van De Jonghe dat de korpschef zich diende te wraken voor wat de verzoeker betreft. In zoverre in de bestreden beslissing wordt gesteld dat het buiten kijf staat dat er ten aanzien van de feiten onmogelijk met twee gewone tuchtoverheden kon opgetreden worden, ziet de verzoeker niet in waarin die onmogelijkheid zou kunnen bestaan, vermits er zich weliswaar feitelijkheden samen hebben voorgedaan maar er aparte tuchtdossiers dienden te bestaan. - De verwerende partij gaat voorbij aan het feit dat de delegatie van de tuchtbevoegdheid losstaat van de aanstelling van de onderzoekers. Dat de gewone tuchtoverheid verschillend zou zijn, doet daar niets aan af. Bovendien
(1)was de gewone tuchtoverheid niet verplicht bij hoogdringendheid een beslissing te nemen maar heeft zij daar zelf voor gekozen, zodat de miskenning van de regels die zij daar noodzakelijkerwijze uit afleidt niet aan de verzoeker ten kwade kan worden geduid,
(2)moet die voorgewende hoogdringendheid in vraag worden gesteld omdat de beweerde feiten reeds dateerden van 17 mei 2003,
(3)verwijst de verwerende partij ten onrechte naar de hoogdringendheid van de beslissing tot voorlopige schorsing om aan te geven dat de delegatie noodzakelijk was, vermits de gewone weg van de schorsing had kunnen bewandeld worden,
(4)bestond de hoogdringendheid er enkel in om de beslissing van de voorlopige schorsing bij ordemaatregel regelmatig te kunnen nemen, en is het niet omdat de mogelijkheid werd gecreëerd om bij hoogdringendheid een ordemaatregel te nemen naar aanleiding van een tuchtvervolging dat er eveneens een mogelijkheid werd gecreëerd om deze tuchtvervolging eveneens bij hoogdringendheid en met miskenning van de regels terzake in te stellen,
(5)kan de voorgewende onmoge- lijkheid om het politiecollege snel bijeen te roepen in de huidige maatschappelijke context niet aanvaard worden, en doet die weinig geloofwaardige stelling niets af aan het feit dat de delegatie on(grond)wettelijk is en was. - Zo de korpschef meende dat de sereniteit van het onderzoek in het gedrang zou kunnen komen, dan had de korpschef toepassing moeten maken van artikel 27 van de tuchtwet. Het is pas naar aanleiding van het advies van de tuchtraad (waarin wordt gesteld dat er een onwettige delegatie was en dat in het tuchtdossier weinig gegevens worden aangereikt ter ondersteuning van die beslissing) dat de verwerende partij de delegatie toegelicht heeft. Achteraf een dossier samenstellen en gegevens meedelen schendt het beginsel van behoorlijk bestuur, vormt een miskenning van de rechten van verdediging en toont bovendien de vermenging van de machten en de bevoegdheidsoverschrijding aan, vermits het politiecollege IX-4841-9/33 zich uitput om de handelingen en beslissingen van de korpschef te verantwoorden, toe te lichten en te interpreteren. - Er is een duidelijke symbiose en verstrengeling geweest tussen de verschillende overheden, hetgeen de onpartijdigheid en onafhankelijkheid in het gedrang heeft gebracht. - De stelling dat de directeur-personeel de enige persoon was die nuttig als plaatsvervanger had kunnen aangewezen worden faalt in feite, vermits uit de door de verzoeker neergelegde stukken blijkt dat zowel commissaris VINCKE als commissaris MAES als waarnemend korpschef konden optreden en opgetreden zijn; De verzoeker stelt ten slotte in het kader van dit middel ook nog de oorspronkelijke ordemaatregel van zijn schorsing bij hoogdringendheid in vraag, aangezien het politiecollege deze maatregel nu aangrijpt om de delegatie met miskenning van de wet en de Grondwet te verantwoorden. Die ordemaatregel is evenwel onwettig, onder meer omdat de directeur-personeel pas op 5 juni 2003 de voorafgaande onderzoekers aanstelde en er pas vanaf dan sprake kon zijn van enig tuchtonderzoek.
- De verwerende partij beantwoordt het middel met een verwijzing naar haar uiteenzetting in het geding waarin de collega van de verzoeker, die met hem het voorwerp van het tuchtonderzoek is geweest en naar de overwegingen van het arrest nr. 134.164 van 18 oktober 2004 daarover. Zij expliciteert nog dat de directeur-personeel, naast de korpschef, de enige hoofdcommissaris is terwijl de door de verzoeker genoemde personen slechts de graad van commissaris bezitten en dat een eventueel optreden van de korpschef evenzeer op kritiek van de verzoeker met betrekking tot de structurele partijdigheid gestoten zou zijn, aangezien het quasi ondenkbaar is dat een tuchtonderzoek tegen twee inspecteurs door aparte tuchtover- heden gevoerd wordt.
- In de memorie van wederantwoord levert de verzoeker nog volgende punctuele kritiek: - de zogenaamde onmogelijkheid van het politiecollege om in juni 2003 bijeen te komen voor de aanstelling van een onderzoeker in de plaats van de korpschef steekt schril af tegen de mogelijkheid van hetzelfde college om op 30 december 2004 te vergaderen over een op te leggen ordemaatregel. Overigens is een voorafgaande aanstelling niet hetzelfde als een bekrachtiging achteraf, omdat zulks een vrijgeleide biedt aan de tuchtoverheid om haar verzuim goed te maken. IX-4841-10/33 - de kritiek aangaande de ontoelaatbare verstrengeling tussen de gewone en de hogere tuchtoverheid wordt op geen enkele wijze beantwoord. Hij vestigt dan de aandacht op diverse keren dat het dossier van de zaak blijk geeft van het verrichten van onderzoeksopdrachten zonder dat daarvoor een opdracht gegeven is en naar verrichtingen van de directeur-personeel zonder dat die ter zake bevoegdheid had. - enkel de tuchtoverheid die een bepaalde bevoegdheid bezit kan deze delegeren en zij moet dat doen aan een andere overheid en niet aan haar ondergeschikten. In ieder geval laat de wet geen delegatie van de tuchtbevoegdheid toe en was de mogelijkheid om de tuchtbevoegdheid te delegeren niet beperkt tot de directeur- personeel. In zijn laatste memorie herhaalt de verzoeker dat de omstandig- heid dat er animositeit bestond tussen de korpschef en de collega die met hem in de tuchtvervolging betrokken werd, voor de korpschef geen reden mocht zijn om zich ook te zijnen aanzien van zijn bevoegdheden te ontdoen. Ook de feitelijke verwevenheid van de twee zaken verantwoordt de bevoegdheidsdelegatie aan de directeur-personeel niet. Integendeel, het was precies voor de objectiviteit dat er een onderscheid moest gemaakt worden tussen zijn zaak en die van zijn collega en niets belette de aangeduide personen in de twee zaken te rapporteren aan verschillende overheden. In ieder geval waren er andere personeelsleden dan de directeur- personeel voorhanden aan wie de korpschef zijn bevoegdheid kon delegeren. Beoordeling
- Overeenkomstig artikel 19, 1/, a, van de tuchtwet is de korpschef de gewone tuchtoverheid voor de verzoeker. Krachtens artikel 32, eerste lid, van de tuchtwet heeft de gewone tuchtoverheid tot taak om, desgevallend na een voorafgaand onderzoek, een inleidend tuchtverslag op te stellen wanneer zij feiten die mogelijk een tuchtvergrijp uitmaken, vaststelt of er kennis van krijgt. Krachtens artikel 63 van de tuchtwet kan de gewone tuchtoverheid een personeelslid in geval van dringende noodzakelijkheid bij ordemaatregel voorlopig schorsen. In dit geval heeft de korpschef al deze toegewezen bevoegdheden gedelegeerd aan de directeur- personeel omdat zich een probleem van onpartijdigheid stelde ten overstaan van de collega van de verzoeker die met hem de tuchtrechtelijk vervolgde feiten gepleegd heeft. IX-4841-11/33
- Geen bepaling van de tuchtwet voorziet in de mogelijkheid dat een tuchtoverheid de wettelijke opdrachten, waarmee zij belast is, delegeert. Dit betekent evenwel niet dat een delegatie van deze bevoegdheden absoluut onmogelijk is. Het onpartijdigheidsbeginsel, dat voor de rechter neergelegd is in artikel 831 van het Gerechtelijk Wetboek, geldt immers ook in tuchtzaken, voor zover de toepassing ervan de uitoefening van de tuchtbevoegdheid niet onmogelijk maakt. De ontstentenis van een wettelijke bepaling omtrent de mogelijkheid tot delegatie van de bevoegdheden van de tuchtoverheid betekent derhalve nog niet dat de verleende delegatie onregelmatig is.
- De delegatie van bevoegdheden, waartoe de korpschef op 4 juni 2003 besloten heeft, steunt op “de moeilijkheden uit het verleden tussen (de korpschef) en INP De Jonghe Herman, meer bepaald een klacht aanhangig gemaakt door laatstgenoemde bij het comité P” en de “noodzakelijke sereniteit” die in het onderhavig dossier moet verzekerd worden. De verzoeker betwist niet dat de korpschef goede redenen had om zich buiten de tuchtzaak tegen zijn collega- inspecteur te houden. De onmiskenbaar algehele verwevenheid van de tuchtzaak -de verzoeker vormde met inspecteur De Jonghe één patrouille en zij hebben samen de ten laste gelegde feiten gepleegd- en de evidentie om het onderzoek van de feitelijke gegevens als één geheel te voeren, rechtvaardigt dat de verzoeker de gevolgen daarvan moet ondergaan. De verzoeker toont overigens niet aan op welke wijze de delegatie van de bevoegdheden door de korpschef hem geschaad heeft.
- In het kader van het aangevoerde middel moet de Raad van State wel onderzoeken of de oplossing, die de korpschef aan de zaak gegeven heeft om te beletten dat hem een schijn van partijdigheid zou kunnen tegengeworpen worden, verenigbaar is met de door de tuchtwet en de WGP vastgelegde bevoegdheden van de onderscheiden organen die in een tuchtzaak een bepaalde beslissingsbevoegdheid bezitten. De verzoeker brengt in dat verband artikel 27 van de tuchtwet ter sprake en er dient ook rekening gehouden te worden met artikel 46 WGP. Volgens artikel 46 WGP is de vervanging van de korpschef afhankelijk van een beslissing van het politiecollege. Volgens artikel 27 van de tuchtwet kan het onderzoek dat aan een tuchtprocedure voorafgaat, toevertrouwd worden aan de Algemene Inspectie wanneer gevreesd kan worden dat de nodige sereniteit niet behouden zal kunnen worden.
- In het arrest nr. 185.277 van 9 juli 2008 inzake De Jonghe (overweging 13) heeft de Raad van State uiteengezet dat artikel 46 WGP slechts van IX-4841-12/33 toepassing is wanneer de korpschef verhinderd is de totaliteit van zijn bevoegdheden uit te oefenen en niet wanneer het hem in een bepaald geval onmogelijk is om te handelen. Die redenering wordt voor de onderhavige zaak overgenomen. De korpschef zag zich geplaatst voor een probleem van schijn van vooringenomenheid tegen de collega die met de verzoeker de tuchtfeiten gepleegd heeft. Om dat probleem een oplossing te geven moest geen rekening gehouden worden met artikel 46 WGP.
- De verzoeker betrekt ook artikel 27 van de tuchtwet bij de aangelegenheid. Hij vindt dat de toepassing van die bepaling “de enig mogelijke wettelijke stap” was die het bestuur kon zetten. Artikel 27 van de tuchtwet heeft evenwel betrekking op het uitvoeren van het voorafgaand onderzoek en heeft aldus geen weerslag op de regelmatigheid van de delegatie verleend door de korpschef.
- De verzoeker verwijt aan de korpschef dat hij zijn tuchtbevoegd- heid gedelegeerd heeft aan de directeur-personeel en niet aan een ander personeels- lid binnen de dienst. Dit verwijt kan evenwel niet als een onwettigheid aan de delegatiebeslissing van de korpschef tegengeworpen worden, aangezien de verzoeker niet aantoont en uit de gegevens van het dossier niet blijkt dat er in hoofde van de directeur-personeel een juridisch of feitelijk beletsel bestond om de opgedragen taak met de vereiste objectiviteit te vervullen. Het is in die omstandig- heden niet kennelijk onredelijk dat de korpschef de directeur-personeel van het korps, de tweede in bevel binnen het korps, tegen wie geen tegenindicaties bestaan, die vertrouwd is met de personeelsproblematiek en die overigens bekleed is met de graad van hoofdcommissaris, met de opdracht belast.
- Een en ander leidt tot het besluit dat het middel, gericht tegen de delegatie van de korpschef aan de directeur-personeel, niet gegrond is.
- In het middel wordt ook de regelmatigheid van de onderzoeksop- dracht aan eigen personeel van de politiezone, in het licht van artikel 27 van de tuchtwet, in vraag gesteld. Volgens de verzoeker was een opdracht aan de Algemene Inspectie de enig mogelijke weg om de tuchtzaak te laten onderzoeken. Dat standpunt faalt, aangezien de tuchtwet het onderzoek door de Algemene Inspectie ingevoerd heeft als een mogelijkheid waarover de bevoegde tuchtoverheid -in dit geval de directeur-personeel op grond van de verkregen delegatie- discretionair beslist. De verzoeker blijkt nooit aan het bestuur gevraagd IX-4841-13/33 te hebben om het onderzoek te laten voeren door de Algemene Inspectie; integen- deel, tijdens zijn verhoor van 31 juli 2003 heeft hij zonder enig voorbehoud kennis genomen van de aanstelling van de voorafgaande onderzoekers, gekozen onder de personeelsleden van de eigen politiezone.
- De verzoeker voert ook aan dat het opleggen van een preventieve schorsing op grond van artikel 63 van de tuchtwet beperkt is tot de gevallen waarin een tuchtonderzoek wordt gevoerd en dat er bij het verhoor dat de directeur- personeel van hem op 4 juni 2003 afgenomen heeft, nog geen tuchtonderzoek was opgestart. Volgens hem spiegelt die onregelmatigheid af op het gehele tuchtdossier. Artikel 59 van de tuchtwet regelt de preventieve schorsing in het kader van een tuchtprocedure, van een opsporingsonderzoek of een strafvervolging. Artikel 63 van de tuchtwet biedt het bestuur de mogelijkheid om dergelijke preventieve schorsing voorlopig op te leggen in geval van dringende noodzaak. Op gevaar af de artikelen 59 en 63 van de tuchtwet elke zin te ontnemen -de bepalingen strekken er immers toe om politieambtenaren die van onregelmatigheden verdacht worden zonder verwijl buiten de dienst te kunnen stellen- moeten die bepalingen aldus gelezen worden dat een preventieve schorsing opgelegd kan worden wanneer er tegen de ambtenaar gerechtvaardigde verdenkingen bestaan die, desgevallend na onderzoek, tot een strafvordering of een tuchtvordering aanleiding zullen geven. Met andere woorden, zo een preventieve schorsing die niet gevolgd wordt door een tuchtvervolging of een strafvervolging, met inbegrip van een opsporingsonderzoek, de toetsing aan artikelen 59 en 63 van de tuchtwet niet kan doorstaan, dan is dat niet het geval wanneer, als te dezen, de schorsing wel degelijk gevolgd wordt door een tuchtvervolging. De tuchtoverheid heeft vastgesteld dat de feiten waarvan zij in kennis gesteld werd tuchtrechtelijk bestraft konden worden en zij kon de verzoeker op die grond uit de dienst verwijderen.
- In de mate tenslotte de verzoeker, buiten de aspecten die hiervoor behandeld zijn, ook nog gewag maakt van de schending van “het beginsel van behoorlijk bestuur”, van de miskenning van zijn rechten van de verdediging, van de vermenging van de machten en van het in het gedrang komen van het onpartijdigheids- en onafhankelijkheidsbeginsel, stelt de Raad van State vast dat niet blijkt tegen welke precieze aspecten van de bestreden beslissing die wettigheidsbe- zwaren gericht zijn.
- Het middel is niet gegrond. IX-4841-14/33 IX-4841-15/33 C. Derde middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker voert de schending aan van het onpartijdigheids- en het onafhankelijkheidsbeginsel op het vlak van de uitvoering van het vooronder- zoek. Hij ontwikkelt het middel als volgt: - Commissaris Billiouw is opgetreden in de procedure van de voorlopige schorsing, in het voorafgaand onderzoek en als algemeen dossierbeheerder. De vermelding van zijn naam of initialen op ieder document van het dossier wijst op zijn betrokkenheid bij iedere handeling gesteld door de korpschef, door de gedelegeer- de gewone tuchtoverheid en zelfs door het politiecollege; het is dan ook duidelijk dat het dossier van in het begin werd gestuurd door commissaris Billiouw. Dat het voorafgaand onderzoek niet op een objectieve wijze werd gevoerd, blijkt ook uit de vaststelling dat, niettegenstaande er twee vooronderzoekers werden aan- gewezen, het verslag van het voorafgaand onderzoek enkel door commissaris Billiouw werd ondertekend. Het is duidelijk dat commissaris Billiouw op eigen houtje heeft gehandeld en dat er erg onzorgvuldig te werk is gegaan. Bovendien heeft commissaris Billiouw, na afloop van zijn verrichtingen, in zijn verslag uiting gegeven van zijn persoonlijke visie omtrent de dossiergegevens en omtrent de gewenste afloop van de procedure. - Het inleidend verslag uitgaande van de hogere tuchtoverheid vermeldt de directeur-personeel als correspondent, terwijl die op dat ogenblik toch reeds ontlast was; het dossier moest ook steeds in het kantoor van de gewone tuchtover- heid geraadpleegd worden. De gewone tuchtoverheid en de hogere tuchtoverheid hebben in deze de facto als één geheel gehandeld bij monde van de directeur- personeel. Deze weet zich heer en meester nu zijn beslissingen door de hogere tuchtoverheid worden bevestigd en hij zelf de documenten kan opstellen die dienen uit te gaan van het politiecollege; hij was trouwens ook aanwezig op de hoorzitting voor de tuchtraad. - De verwerende partij motiveert de thans bestreden beslissing door te verwijzen naar de motivering van de beslissing tot voorlopige schorsing bij hoogdringend- heid, waarin zij onmiddellijk duidelijk heeft gemaakt dat er geen plaats meer was voor de verzoeker binnen het politiewezen van de politiezone. Die stelling is het beste bewijs dat de verzoeker geen schijn van kans had en dat de ganse tucht- procedure een schertsvertoning was, nu de beslissing reeds vaststond op het ogenblik dat de verzoeker bij ordemaatregel voorlopig werd geschorst. IX-4841-16/33
- De verwerende partij antwoordt daarop wat volgt: In casu moet worden nagegaan of er in rechte naar behoren is gehandeld; de omstandige feitenvinding tijdens het voorafgaand onderzoek heeft ertoe geleid dat de betrokken personeelsleden in de loop van het onderzoek geen enkele bijkomende onderzoeks- verrichting hebben gevraagd; de onpartijdigheid van het gevoerde onderzoek werd zelfs ten zeerste geapprecieerd door de raadsman van de verzoeker en formeel geacteerd; in het advies van de tuchtraad wordt het bestaan van de feiten, de toerekening ervan aan de verzoeker en de omschrijving ervan integraal bevestigd; er valt niet in te zien hoe de verwijzing naar allerlei praktische regelingen als een schending van de door de verzoeker ingeroepen beginselen zou kunnen aanzien worden; alle feitelijkheden en detailkritiek die er gegeven worden zijn als dusdanig irrelevant; dat er ten onrechte gewag wordt gemaakt van een gemis aan onpartijdig- heid in hoofde van onderzoeker Billiouw blijkt uit ‘s Raads arrest nr. 136.164 van 18 oktober 2004; de motivering van het bestreden besluit waaruit partijdigheid zou blijken wordt uit haar context gerukt, met name de motivering met betrekking tot de strafmaat; het feit dat er, naast talloze andere argumenten, werd aangegeven dat er gereageerd werd met een voorlopige schorsing bij hoogdringendheid, impliceert niet dat daarmee het oordeel reeds gedetermineerd zou zijn, met andere woorden, dat onpartijdig onderzoek met betrekking tot de feiten niet meer mogelijk was en/of dat argumenten op elk gebied, ook op het gebied van de strafmaat, niet meer in onbevangenheid konden beoordeeld worden.
- De repliek van de verzoeker bevat slechts enkele randbemerkin- gen. Zo betwist hij dat hij detailkritiek zou geven, stelt hij dat het antwoord van de verwerende partij slechts algemeenheden bevat en dat hij in de loop van de procedure wel degelijk gewezen heeft op het niet correcte verloop van de procedure. In zijn laatste memorie benadrukt de verzoeker nog dat onderzoeker Billiouw in zijn verslag van het vooronderzoek wel stelde dat de feiten bewezen waren, dat zij tuchtvergrijpen vormden en dat een zware tuchtstraf verantwoord was -waarmee hij uiting gegeven heeft aan een mening waarop hij niet zonder gezichtsverlies kon terugkomen- en dat het politiecollege van in den beginne gesteld heeft dat er in de zone geen plaats meer was voor de verzoeker. Beoordeling
- In het arrest nr. 149.381 van 26 september 2005 is het middel om de volgende redenen niet ernstig bevonden: IX-4841-17/33 “5.3.
- Overwegende dat uit geen van de door onderzoeker Billiouw in het kader van dit dossier gestelde handelingen opgemaakt kan worden dat hij zich ooit vooringenomen tegen verzoeker gedragen zou hebben of dat hij zijn opdrachten gedurende het onderzoek partijdig zou hebben uitgevoerd; dat het feit dat hij op verschillende plaatsen doorheen de gevoerde tuchtprocedure een opdracht vervuld heeft -hij is opgetreden in de procedure van voorlopige schorsing, in het voorafgaand onderzoek; hij heeft als algemeen dossierbeheer- der gefunctioneerd; zijn naam of initialen worden vermeld op documenten van de bevoegde administratieve overheden; het verslag van het voorafgaand onderzoek is door hem alleen ondertekend- niet betekent dat hij het dossier “gestuurd” heeft; dat uit geen van de door hem opgestelde documenten opgemaakt kan worden dat hij bij het uitvoeren van zijn opdracht blijk gegeven zou hebben van een partijdige opstelling tegen verzoeker; dat integendeel blijkt dat hij zelfs onderzocht heeft of het niet mogelijk was dat leden van een ander politiekorps de patrouille waartoe verzoeker behoorde in een slecht daglicht wou stellen en of er een conflict bestond tussen de uitbaters van de herberg Bora Bora en de politiezone Gavers; dat gewis hij niet de bevoegdheid had om zich, na afloop van zijn opdracht als aangestelde onderzoeker, uit te spreken over de gepleegde tuchtvergrijpen en over de straf die de betrokkenen verdienden, maar dat ook dat op zich het bewijs niet bevat van partijdigheid of gebrek aan onafhankelijkheid; 5.3.
- Overwegende, in zoverre verzoeker aan de tuchtoverheid een partijdige opstelling verwijt, dat het feit dat het inleidend verslag van de hogere tuchtoverheid als correspondent de lagere tuchtoverheid vermeldt en dat het dossier steeds in het bureau van de directeur-personeel gebleven is, geen gebrek aan onafhankelijkheid aantoont; dat ook de verwijzing naar de motivering betreffende de strafmaat opgenomen in het besluit waarbij verzoeker preventief geschorst wordt dat bewijs niet bevat; dat verzoeker te dien aanzien uit het oog verliest dat die motivering duidelijk verwijst naar de informatie die op dat ogenblik beschikbaar was en dat er voorbehoud gemaakt wordt ten aanzien van de correcte vaststelling van de feiten.”
- Vastgesteld wordt dat de verzoeker noch in zijn memorie van wederantwoord noch in zijn laatste memorie argumenten aanvoert die de Raad van State dwingen tot een bijkomend onderzoek met betrekking tot de rechtspunten die in het arrest over de schorsingsvordering behandeld zijn. De Raad bevestigt voor de onderhavige zaak de overwegingen van dat arrest.
- Het middel is niet gegrond. IX-4841-18/33 D. Vierde middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker beroept zich op machtsafwending. Hij vindt het bewijs daarvan in de volgende gegevens: - tijdens zijn verhoor op 4 juni 2003 is hem niet gewezen op de artikelen 25 en 27 van de tuchtwet, zodat zijn verklaringen op niet loyale en listige wijze werden verkregen; - de gedelegeerde tuchtoverheid diende een bepaalde reputatie hoog te houden; om geen gezichtsverlies te lijden kan deze deskundige niet zomaar fouten toegeven en vooral niet erkennen dat een andere reden dan de loutere sanctionering van een tuchtvergrijp aan het ontslag ten grondslag ligt; - vermits de verzoeker onder meer wegens zijn syndicale achtergrond niet erg geliefd was, stond de overheid te springen om hem uit te rangeren onder het mom van het niet functioneren binnen het korps, terwijl geen enkel concreet element zulks aantoont; - bovendien werd de verzoeker geslachtofferd teneinde zijn collega De Jonghe te kunnen aanpakken, die reeds verschillende verzoekschriften bij de Raad van State had ingediend. Dit tuchtdossier vormde daartoe de ideale gelegenheid en hij deelt daarbij in de klappen. De tuchtoverheid heeft lastens De Jonghe en noodzakelijk ook lastens hemzelf een tuchtdossier opgebouwd met maar één finaliteit voor ogen, met name het dossier zodanig sturen dat De Jonghe uit het korps kon worden gezet.
- De verwerende partij antwoordt, samengevat, het volgende: Zij had bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid oog voor het behoorlijk functio- neren van het korps. Dat is een legitiem - en zelfs prioritair - doel van het tuchtrecht. De diverse feitelijkheden die worden aangevoerd worden weerlegd bij de bespreking van de andere middelen en zijn in elk geval volstrekt irrelevant om op grond daarvan gewag te maken van machtsafwending. In zoverre de verzoeker verwijst naar de tuchtsanctie van H. De Jonghe, wijst zij op de specifieke situatie dat een grote inspanning moest worden gedaan om een objectief waarneembare structurele partijdigheid te vermijden (hetgeen ook is gebeurd), en dat bij alle beweringen dat er een dossier zou opgebouwd zijn, nooit wordt aangehaald welk feit er dan wel uit de lucht zou gegrepen zijn, terwijl die feiten duidelijk voor zichzelf spreken.
- In zijn repliek voert de verzoeker geen nieuwe gegevens aan. IX-4841-19/33 In zijn laatste memorie herhaalt hij dat er wel degelijk overeen- stemmende vermoedens bestaan die erop wijzen dat de verwerende partij “een gekunsteld vehikel”, inclusief ensceneringen, heeft opgezet om hem uit de dienst te kunnen verwijderen zonder hem in de mogelijkheid te stellen om à décharge te werken. Beoordeling
- In het arrest nr. 149.381 van 26 september 2005 is het middel om de volgende redenen niet ernstig bevonden: “6.3.
- Overwegende dat verzoeker de frauduleuze bedoeling van de verwerende partij afleidt uit het feit dat hij tijdens het verhoor van 4 juni 2003 niet gewezen werd op de artikelen 25 en 29 van de tuchtwet; dat evenwel te dien aanzien opgemerkt moet worden dat artikel 25 van de tuchtwet slechts geldt voor personeelsleden die niet het voorwerp uitmaken van tuchtrechtelijke onderzoeksdaden waarbij zij betrokken worden -wat voor verzoeker niet het geval was- en dat het verhoor waaraan verzoeker refereert niet kaderde in een tuchtprocedure waarop artikel 29 van de tuchtwet van toepassing is, maar dat het verband hield met de preventieve schorsing die tegen verzoeker overwogen werd en die geregeld is door een afzonderlijk hoofdstuk VI van de tuchtwet; dat derhalve, aangezien verzoeker ten onrechte aan het bestuur de miskenning van de genoemde wetsbepalingen verwijt, er ook geen argument in kan gevonden worden om machtsafwending te bewijzen; 6.3.
- Overwegende dat het argument dat de verwerende partij niet concreet aantoont dat verzoeker niet meer kan functioneren binnen het politiekorps, evenmin het bewijs van machtsafwending bevat; dat er hoogstens mee bewezen wordt dat de verwerende partij haar tuchtbevoegdheid op onregelmatige wijze uitgeoefend heeft; dat de overige ‘gegevens en vaststellingen’ die door verzoeker worden aangehaald, en die met name teruggaan op de partijdigheid die een aantal politieambtenaren bij de besluitvorming in zijn zaak ten toon gespreid zouden hebben, evenmin de nauwkeurige en overeenstemmende gegevens vormen waaruit in redelijkheid kan opgemaakt worden dat het de uitsluitende bedoeling was hetzij verzoeker, hetzij zijn collega De Jonghe om andere dan tuchtredenen uit de dienst te verwijderen.” De argumenten die de verzoeker in zijn memorie van wederant- woord en in zijn laatste memorie nog uiteenzet zijn niet van aard om aan deze beoordeling te gaan twijfelen. De Raad van State valt de redenering uit het arrest over de schorsing bij.
- Het middel is niet gegrond. IX-4841-20/33 E. Vijfde middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker verwijst naar de “schending van de wet” en verwijst daarvoor naar de overige middelen uit het verzoekschrift.
- De verwerende partij zet uiteen dat het middel niet ontvankelijk is.
- In zijn memorie van wederantwoord brengt de verzoeker geen tegenargumenten aan. In zijn laatste memorie herhaalt de verzoeker dat onderzoeker Billiouw onregelmatig gehandeld heeft en dat de beslissing onwettig is in de mate zij steunt op diens onregelmatige bevindingen. Beoordeling
- Nadat de Raad van State in het arrest nr. 149.381 van 26 september 2005 het middel als niet ontvankelijk wegens onduidelijkheid verworpen heeft en de verwerende partij in haar memorie van antwoord bepleit heeft dat het middel ook in deze procedure onontvankelijk is, heeft de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord alleen maar zijn uiteenzetting uit het verzoekschrift hernomen. Het kwam de verzoeker toe om te gelegener tijd zijn argumenten aan de Raad van State ter kennis te brengen. De Raad van State kan er in die omstandigheden ook nu mee volstaan vast te stellen dat het middel niet ontvankelijk is. De repliek van de verzoeker in zijn laatste memorie is geen antwoord op de geformuleerde exceptie. De conclusie van het arrest in de schorsingszaak wordt bijgevallen.
- Het middel is niet gegrond. IX-4841-21/33 F. Zesde middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker voert de schending aan van de motiveringsverplich- ting. Hij zet dienaangaande uiteen wat volgt: - Het bewijs van de laakbare feiten gepleegd door de verzoeker ligt niet voor. - De verwijzing, in nogal vage en algemene bewoordingen, naar het “belang van de dienst” is geen afdoende motivering. - Ondanks de door de Inspecteur-generaal en de tuchtraad vastgestelde afwezigheid van afdoende en pertinente motieven om te spreken van een definitieve vertrou- wensbreuk beslist de verwerende partij toch het ontslag van ambtswege op te leggen omdat de feiten aanleiding hebben gegeven tot een definitieve vertrou- wensbreuk, terwijl geen concrete, objectieve, bewezen en relevante gegevens worden aangereikt die deze vertrouwensbreuk kunnen motiveren. Uit de bestreden beslissing blijkt niet onomstotelijk dat de verzoeker op basis van de tenlasteleg- gingen geen taak als politieagent meer zou kunnen uitoefenen en om welke redenen een andere zware tuchtsanctie geen voldoende signaal zou kunnen zijn. Daarenboven heeft de verzoeker tussen het tijdstip van de ten laste gelegde feiten en de datum waarop hij voorlopig werd geschorst nog drie weken perfect ge- functioneerd, terwijl “de tam-tam nochtans reeds zijn werk had gedaan”. - De verwerende partij neemt gewoon de motivering over van de beslissing tot voorlopige schorsing, die evenwel genomen was zonder kennis van alle gegevens van het dossier. Daarenboven geeft de verwerende partij met haar motivering te kennen dat er voor de verzoeker geen plaats meer is binnen het korps en dat de ganse tuchtprocedure een schertsvertoning was. - De verwerende partij motiveert de huidige strafmaat op dezelfde wijze als in haar beslissing van 22 april 2004, terwijl verwacht had mogen dat zij voor dezelfde feiten, maar zonder dat zij rekening kan en mag houden met het uitgewist tuchtverleden van de verzoeker, een specifieke motivering geeft waarom zij van oordeel is dat de tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege moet worden opgelegd. - Het is nog steeds de uitgewiste tuchtstraf welke, minstens impliciet, aan de basis ligt van de thans bestreden beslissing, vermits daarin verwezen wordt naar de motieven opgenomen in de verschillende stukken van het dossier zoals het verslag van het voorafgaand onderzoek en het voorstel van zware tuchtstraf. - In de bestreden beslissing wordt ten onrechte overwogen dat de verzoeker nooit iets heeft gezegd met betrekking tot het horen van getuigen. De verzoeker verwijst IX-4841-22/33 in dat verband naar (en citeert uitgebreid uit) zijn verweerschrift van 10 oktober 2003 en naar zijn memorie voor de tuchtraad, waarin hij de in zijn verweerschrift aangevoerde argumenten heeft herhaald; het is dan ook erg ongeloofwaardig en weinig ernstig om thans voor te houden dat de verzoeker nooit zou hebben aangegeven dat er getuigen dienden te worden gehoord en waarom deze getuigen belangrijk waren voor de waarheidsvinding in en de beoordeling van zijn tuchtzaak.
- De verwerende partij antwoordt daarop wat volgt: - De verzoeker duidt als de geschonden rechtsregel artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 aan, maar bij de toelichting van zijn middel wordt niets teruggevonden over de formele motivering; het middel is dan ook niet ontvankelijk. - In zoverre de verzoeker verwijst naar het advies van de tuchtraad, kwam het de verwerende partij uiteraard toe om, na ontvangst van dat advies, desgevallend uitvoeriger formeel te motiveren. - De verwijzing naar het motief dat reeds werd ingeroepen om bij hoogdringend- heid een beslissing te nemen wordt uit zijn context gerukt; het is perfect mogelijk dat een bevinding die aanvankelijk is gemaakt, op het einde van het in objectivi- teit gevoerde onderzoek en na uitputting van de procedure aangehouden wordt; de verzoeker kan onmogelijk de andere geformaliseerde motieven met betrekking tot de sanctiemaat ongelezen laten. - Er is in het besluit effectief verwezen naar vroegere procedurele stappen, maar er is al evenzeer aangegeven dat de stukken die van aard zouden zijn om de procedure te vitiëren, uit het dossier werden verwijderd. - Wat verzoekers kritiek betreft op de formele motivering in verband met het niet ingaan op de vraag tot bijkomende getuigenverhoren, verliest hij de essentie van het motief uit het oog: er is aangegeven dat het verzamelde feitenmateriaal voldoende was om een oordeel te vellen, dat de verzoeker niet heeft aangegeven krachtens welk getuigenverhoor er desgevallend een feit (of een toerekenbaarheid, of een omschrijving van de feiten) in twijfel zou kunnen worden getrokken en dat uit geen enkel element blijkt dat bijkomende getuigenverhoren een meerwaarde aan het onderzoek zouden kunnen verlenen; de verzoeker weerlegt zulks niet, maar blijft allerlei veronderstellingen maken en vragen stellen die voorbijgaan aan datgene waarover het gaat, namelijk de feitenvinding die oordeelsvorming mogelijk moet maken.
- De memorie van wederantwoord is beperkt tot het hernemen van de uiteenzetting uit het verzoekschrift. IX-4841-23/33 In zijn laatste memorie betoogt de verzoeker wel nog dat de bestreden beslissing, in weerwil van het advies van de tuchtraad, hem “de allerzwaarste straf” opgelegd heeft zonder rekening te houden met zijn blanco- strafregister en zijn lange loopbaan en op grond van de stelling dat hij in geen enkele zone meer zou kunnen werken en een voorbeeldfunctie heeft. Dergelijke motivering verantwoordt de zwaarste tuchtstraf niet en treft hem op een onevenredig zware wijze. De verwerende partij onderzoekt niet of er geen minder zware straf opgelegd had kunnen worden en waarom hij absoluut uit de politiediensten verwijderd moest worden, terwijl er nochtans weinig ruchtbaarheid aan de feiten gegeven is. Een minder zware tuchtstraf, gekoppeld aan een overplaatsing, zou hetzelfde effect gehad hebben. In ieder geval steunt het bestreden besluit nog altijd op stukken waarin aan het tuchtverleden van de verzoeker gerefereerd wordt. Beoordeling
- In het arrest nr 149.381 van 26 september 2005 is het middel om volgende redenen niet ernstig bevonden: “8.3.
- Overwegende dat verzoeker in het middel de formele motivering van het bestreden besluit in vraag stelt en daarnaast ook opmerkingen formuleert ten aanzien van de draagkracht van de in het besluit opgenomen motieven; 8.3.
- Overwegende dat in het bestreden besluit wordt uiteengezet dat het advies van de tuchtraad wordt gevolgd wat het bestaan betreft van de feiten, de toerekening ervan aan verzoeker en de omschrijving ervan als tuchtvergrijp; dat in die zin verzoeker verantwoordelijk bevonden is voor het feit dat hij, in de nacht van 16 mei 2003 : - zich gedurende ongeveer 4 uur 30 minuten heeft onttrokken aan de verplichting tot het uitvoeren van politionele activiteiten; - tijdens de dienst, drager van het uniform en dienstwapen, alcoholische dranken heeft verbruikt, welke hoofdzakelijk aangeboden werden; - tijdens de dienst, drager van het uniform en dienstwapen, in een openbare gelegenheid geparticipeerd heeft aan activiteiten in een losgeslagen sfeer en in het bijzonder gedanst heeft met zowel vrouwen met ontbloot bovenlichaam als met mannen; - een dienstvoertuig heeft bestuurd na het gebruik van alcoholische dranken; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de feiten niet behoorlijk bewezen zijn, maar dat hij niet aantoont op welke gronden de Raad van State -binnen de grenzen van de toetsingsbevoegdheid waaraan hij zich terzake dient te houden- zijn opvatting terzake zou kunnen bijvallen; dat, in de mate hij daarvoor verwijst naar een gebrekkig onderzoek doordat niet alle getuigen gehoord zouden zijn, niet anders dan vastgesteld kan worden dat verzoeker niet aanduidt welke getuigenissen de verwerende partij, met betrekking tot het bewijs van de feiten, tot nieuwe inzichten hadden kunnen brengen; dat de in het dossier berustende stukken voldoende gegevens bevatten op grond waarvan de verwerende partij de gepleegde feiten voor bewezen mocht houden; IX-4841-24/33 8.3.
- Overwegende, wat de motivering van de strafmaat betreft, dat in tegenstelling tot wat verzoeker betoogt die motivering niet beperkt is tot een vage verwijzing naar het belang van de dienst, maar dat er wel degelijk concreet in wordt uiteengezet waarom het bestuur niet kan instemmen met het advies van de tuchtraad en waarom, volgens de verwerende partij, verzoeker geen politieambtenaar meer kan zijn; dat er met name overwogen wordt dat het politiepersoneel onvoorwaardelijk respect moet kunnen afdwingen bij de bevolking, dat de politiediensten het vertrouwen van de burger moeten behouden en dat een politieman, die in dienst en in uniform, ernstige handelin- gen stelt, niet meer geloofwaardig kan optreden ten aanzien van de burgers; dat die uiteenzetting formeel de getroffen maatregel verantwoordt; dat zij ook inhoudelijk op afdoende wijze uiteenzet waarom verzoeker geen politieambte- naar meer kan zijn; dat de omstandigheid dat hij na het plegen van de feiten nog drie weken normaal verder gewerkt heeft, de draagkracht van die motivering niet vermindert; Overwegende dat verzoeker de motivering ook hierom gebrekkig vindt dat zij eenvoudigweg de overname zou zijn van de motivering die reeds vermeld is in de beslissing waarbij hij preventief geschorst werd; dat evenwel de omstandigheid dat het bestuur zich bij het treffen van de preventieve schorsingsmaatregel voorlopig heeft uitgesproken over de verdere aanwezig- heid in de dienst, niet belet dat op het einde van het onderzoek eenzelfde besluit wordt getroffen, wanneer het bestuur op grond van een onderzoek van de op dat ogenblik beschikbare gegevens tot het besluit komt -of bij het besluit blijft- dat er niet langer met de betrokkene samengewerkt kan worden; dat de omstandig- heid dat reeds bij de preventieve schorsing standpunt was ingenomen over de nefaste gevolgen van de aanwezigheid van verzoeker in de dienst dan ook niet betekent dat de verwerende partij bij het treffen van haar eindbesluit zich niet meer deugdelijk op dat motief zou kunnen steunen; Overwegende dat verzoeker ook betoogt dat het bestreden besluit de strafmaat op dezelfde wijze verantwoordt als reeds gebeurd was in het besluit van 22 april 2004 waarmee hij een eerste keer ontslagen werd, en dat terwijl het schorsingarrest nr. 137.414 voor het bestuur een reden had moeten zijn om een nieuwe motivering op te stellen waarbij geen rekening gehouden zou worden met zijn tuchtrechtelijk verleden; dat te dien aanzien opgemerkt wordt dat het schorsingsarrest de vraag naar de regelmatigheid van een ontslagbesluit waarbij het tuchtverleden van verzoeker niet in rekening zou worden gebracht onbeantwoord gelaten heeft en dat het bestreden besluit overweegt dat de feiten van 17 mei 2003 op zichzelf volstaan om de onverenigbaarheid met de hoedanigheid van personeelslid van de politiediensten vast te stellen; dat aldus bekeken, het bestreden besluit wel degelijk een eigen motivering bevat die niet ingaat tegen het gezag van het schorsingsarrest; dat, waar verzoeker betoogt dat de verwerende partij zo al niet expliciet, dan toch zeker impliciet opnieuw zijn tuchtverleden bij haar beslissing over de strafmaat betrokken heeft, vastgesteld wordt dat het bestuur na het schorsingsarrest de stukken betreffende de uitgewiste tuchtsanctie uit het dossier verwijderd heeft en dat het uitdrukkelijk overweegt dat de feiten van 17 mei 2003 op zich volstaan om verzoeker buiten de politiedienst te plaatsen; dat verzoeker geen gegeven aanbrengt dat toelaat te twijfelen aan de oprechtheid van het bestuur te dien aanzien en dat zou kunnen doen vermoeden dat de leden van het politiecollege, om niet in te hoeven gaan tegen het gezag van het schorsingarrest, een redenering hebben opgezet die niet strookt met hun eigenlijke bedoeling; 8.
- Overwegende dat een en ander de Raad van State doet besluiten dat de bestreden beslissing formeel gemotiveerd is, dat de aangehaalde motieven deugdelijk zijn en steun vinden in het dossier; dat het middel niet ernstig is.” IX-4841-25/33
- De ontstentenis van kritiek of bijkomende argumentatie in de memorie van wederantwoord laat de Raad van State toe het middel, op grond van de voormelde bespreking van de ernst van het middel, thans niet gegrond te bevinden. De argumenten vermeld in de laatste memorie van de verzoeker, in de mate zij nog niet in de voorgaande procedurestukken van de verzoeker opgenomen zijn, worden buiten beschouwing gelaten omdat de verzoeker ze vrijwillig onttrokken heeft aan het onderzoek door de auditeur-verslaggever en de verwerende partij blijkens het procedurereglement niet meer de mogelijkheid heeft om daar in een processtuk op te reageren, hetgeen haar rechten van verdediging beknot.
- Het middel is niet gegrond. G. Zevende middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker acht het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden omdat hij voorafgaandelijk nooit in kennis gesteld is van alle concrete feiten die hem ten laste werden gelegd -met name niet vooraleer hij op 4 juni 2003 preventief geschorst werd en ook niet vooraleer hij in juli 2003 werd gehoord (eerste onderdeel), dat het tuchtonderzoek onvolledig gevoerd werd -het dossier vertoont volgens hem vele hiaten- (tweede onderdeel), dat het tuchtonderzoek niet met bekwame spoed gevoerd is, aangezien de feiten dagtekenen van 17 mei 2003 en hij uiteindelijk slechts op 28 januari 2005 ontslagen is (derde onderdeel), dat de verwerende partij rekening gehouden heeft met elementen die niet in een tuchtdossier thuishoren (vierde onderdeel) en dat de bewijsvoering gebrekkig is (vijfde onderdeel).
- De verwerende partij antwoordt: - wat het eerste onderdeel betreft: artikel 38bis van de tuchtwet werd gerespecteerd. - wat het tweede onderdeel betreft: dit onderdeel wordt ontwikkeld op grond van dezelfde redenering als in het zesde middel. - wat het derde onderdeel betreft: een tuchtprocedure bevat tal van stappen en er valt geen enkele fase in de procedure aan te tonen waarbij zou kunnen geponeerd worden dat niet met bekwame spoed gewerkt werd. - wat het vierde onderdeel betreft werd reeds gerepliceerd bij het zesde middel. - wat het vijfde onderdeel betreft: de feiten zijn niet betwist en staan als een paal boven water. IX-4841-26/33
- De verzoeker herneemt in zijn memorie van wederantwoord de termen van zijn verzoekschrift wat het eerste, derde, vierde en vijfde onderdeel van het middel betreft. Wat het tweede onderdeel betreft (bestaande hiaten in het dossier) voert hij nu aan dat getuigen kunnen bevestigen dat hij geen alcoholische dranken genuttigd heeft en wijst hij op de weinig kritische ingesteldheid waarmee de getuigen verhoord zijn, hetgeen met een aanvullend onderzoek gerepareerd zou kunnen worden. Indien zou blijken dat hij niet gedronken heeft noch gedanst, dan had de tuchtoverheid toch geen reden om hem te ontslaan. In zijn laatste memorie benadrukt de verzoeker nog dat zijn vraag om bijkomende onderzoeksverrichtingen ten onrechte geweigerd is, terwijl zij zijn zaak hadden kunnen dienen. Hij herhaalt dat alle stukken die de vooronderzoekers op grond van het onwettig delegatiebesluit van de korpschef uit het dossier geweerd hadden moeten worden. Beoordeling
- Er wordt voor de weerlegging van het eerste en het derde tot vijfde onderdeel van het middel verwezen naar de volgende overwegingen van het arrest nr. 149.381 van 26 september 2005, die voor deze zaak worden bijgevallen: “9.2.
- Overwegende dat artikel 38bis van de tuchtwet bepaalt dat de hogere tuchtoverheid die oordeelt dat de feiten tot een zware tuchtstraf kunnen leiden, het inleidend verslag ter kennis brengt van de betrokkene; dat dit verslag alle ten laste gelegde feiten moet vermelden; dat in dit geval uit het aan de Raad van State voorgelegd dossier blijkt dat de verwerende partij aan al die verplichtin- gen voldaan heeft; dat, als hoger gezegd, de kritiek die verzoeker uitbrengt ten aanzien van de beslissing waarbij hij preventief geschorst werd, niet relevant bij de onderhavige zaak betrokken kan worden; dat verzoeker met de brief van 18 juli 2003 wel degelijk op de hoogte gesteld is van de feiten waarover het tuchtonderzoek gevoerd werd; 9.2.
- Overwegende dat verzoeker aan de verwerende partij verwijt dat het tuchtonderzoek onvolledig werd gevoerd; dat bij de bespreking van de voorgaande middelen is uiteengezet dat de kritiek van verzoeker te dien aanzien niet opgaat; dat uit die uiteenzetting ook volgt dat verzoeker ten onrechte de gebrekkige bewijsvoering aanklaagt; 9.2.
- Overwegende dat de Raad van State niet inziet op welk punt van de gevoerde tuchtprocedure aan de verwerende partij een nodeloos talmen zou kunnen verweten worden; 9.2.
- Overwegende dat bij de bespreking van het zesde middel uiteengezet is dat er geen reden is om aan te nemen dat de verwerende partij bij het treffen van het bestreden besluit toch opnieuw rekening gehouden zou hebben met de uitgewiste tuchtstraf die zij voordien in haar besluitvorming betrokken had.” IX-4841-27/33
- Wat het tweede onderdeel van het middel betreft zoals het in de memorie van wederantwoord wordt uiteengezet, moet specifiek onderzocht worden of het bestuur voor bewezen kon houden of de verzoeker wel alcoholische dranken verbruikt heeft en of hij gedanst heeft in omstandigheden die hem ten laste gelegd konden worden. Uit het door de auditeur-verslaggever ingesteld onderzoek is gebleken dat de verzoeker gedurende zijn verhoren meer dan eens verklaard heeft dat hij alcoholische dranken geconsumeerd heeft. Wat het dansen betreft is de verklaring van politie-inspecteur Verthé bijzonder duidelijk. Bijaldien kwam het aan de verzoeker toe die getuigenis te ontkrachten, maar het dossier bevat daarvan geen bewijs.
- Het middel is niet gegrond. H. Achtste middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker voert de schending aan van het rechtszekerheidsbe- ginsel. Hij betoogt dat het politiecollege op 22 december 2004 besloten heeft hem terug te plaatsen in de administratieve toestand zoals deze op hem van toepassing was op 12 maart 2004 en bijgevolg te overwegen hem te plaatsen in een toestand van voorlopige schorsing, dat die beslissing en de houding van de verwerende partij die uit deze beslissing volgt, met name het hernemen van de tuchtprocedure vanaf 12 maart 2004 met de thans bestreden beslissing tot gevolg, niet alleen onwettig is maar ook moet beschouwd worden als een manifeste schending van het rechtszeker- heidsbeginsel, aangezien administratieve rechtshandelingen geen terugwerkende kracht mogen hebben, zodat de bestreden beslissing, die het gevolg is van de beslissing om de verzoeker terug te plaatsen in de administratieve toestand die gold meer dan negen maand voorafgaand aan de beslissing tot intrekking, onverzoenbaar is met het beginsel van de niet-terugwerkende kracht van administratieve rechtshan- delingen en meer bepaald het rechtszekerheidsbeginsel.
- In zijn memorie van wederantwoord beperkt de verzoeker zich tot het hernemen van zijn uiteenzetting in het verzoekschrift. IX-4841-28/33 In zijn laatste memorie gaat hij wel nog nader op het middel in. Hij stelt nu dat de verwerende partij na het schorsingsarrest de tuchtprocedure hernomen heeft. Dergelijk hernemen is volgens hem slechts mogelijk wanneer de tuchtprocedure nog niet verjaard is. Aangezien de schorsing van de bestreden beslissing steunt op het onterecht in aanmerking nemen van eerdere tuchtstraffen en die onregelmatigheid reeds kleefde aan het inleidend verslag dat door het schorsingsarrest uit het rechtsverkeer genomen werd, was de verjaringstermijn bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet verstreken toen de verwerende partij de procedure weer opstartte. Beoordeling
- Uit niets blijkt dat de verzoeker niet in de gelegenheid was om de kritiek die hij in zijn laatste memorie naar voren schuift, in zijn memorie van wederantwoord te doen gelden. Aldus had hij de auditeur-verslaggever in de gelegenheid gesteld die kritiek in zijn onderzoek te betrekken en had de verwerende partij daar in een laatste memorie ook kunnen op antwoorden. In ieder geval formuleert de verzoeker daarmee een geheel nieuw middel dat niet van openbare orde is en dat dus door de Raad van State niet in zijn onderzoek betrokken kan worden.
- Wat het middel zelf betreft, stelt de Raad van State vast dat de bestreden tuchtmaatregel geenszins terugwerkt en dat uit het feit dat het bestuur na een schorsingsarrest de betrokken ambtenaar in afwachting van een nieuwe tuchtstrafbeslissing terugplaatst in de administratieve toestand van de voorlopige schorsing geen besluiten mogen getrokken worden aangaande de terugwerking van deze nieuwe tuchtstrafbeslissing. Voor het overige valt hij, voor zoveel als nodig, de overwegingen bij die in het arrest nr. 149.381 van 26 september 2005 geformu- leerd zijn om de vordering tot schorsing niet ernstig te bevinden. Deze overweging- en luiden: “10.2.
- Overwegende dat de beslissing van 22 december 2004 waarbij overwogen wordt verzoeker opnieuw in de administratieve toestand van de preventieve schorsing in het kader van een tuchtvervolging te plaatsen, een louter voorbereidende beslissing is in het kader van een ordemaatregel die geen uitstaans heeft met de tuchtprocedure die tot het bestreden besluit geleid heeft; dat de eventuele onregelmatigheden waarmee dat besluit aangetast zou kunnen zijn dan ook niet relevant in de onderhavige zaak betrokken kunnen worden; 10.2.
- Overwegende dat het bestreden besluit niet in de tijd terugwerkt; IX-4841-29/33 10.2.
- Overwegende dat, wanneer de Raad van State een tuchtmaatregel vernietigt en de tuchtoverheid vervolgens nog de mogelijkheid heeft om de tuchtvordering te hernemen, zij aan het nieuwe tuchtstrafbesluit terugwerkende kracht kan geven; dat, in dezelfde gedachtegang de tuchtoverheid, ingeval de Raad van State een tuchtstrafbesluit schorst, de nietigverklaring van haar beslissing niet moet afwachten, maar dat zij een geschorst tuchtstrafbesluit op grond van het schorsingsarrest kan intrekken en met terugwerkende kracht een nieuw besluit kan nemen; dat het rechtszekerheidsbeginsel daardoor niet geschonden wordt.”
- Het middel is niet gegrond. I. Negende middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker voert de schending aan van zijn rechten van verdediging. Hij betoogt dat van in den beginne zijn recht op een afdoende en volledig onderzoek miskend is, dat hij verschillende keren gevraagd heeft om stukken voor te leggen, uitleg te geven, onderzoeksdaden te stellen, getuigen te horen en zo meer, dat manifest onwettige stukken niet uit het dossier werden geweerd, dat er geen wetenschappelijke indicatie is dat hij geïntoxiceerd was toen hij het voertuig bestuurde, dat de verwijzing naar de motivering van de beslissing tot voorlopige schorsing duidelijk maakt dat hij geen schijn van kans maakte en dat de gehele tuchtprocedure een schertsvertoning geweest is; dat hij daar aan toevoegt dat ook bij het hernemen van de tuchtprocedure zijn rechten van verdediging geschonden zijn, aangezien die herneming gebeurde op een voor de verwerende partij gunstig ogenblik.
- In zijn memorie van wederantwoord beperkt de verzoeker zich tot het hernemen van de uiteenzetting van zijn verzoekschrift. In zijn laatste memorie herhaalt de verzoeker dat het bestuur geweigerd heeft bepaalde onderzoeksdaden te verrichten, terwijl hij nochtans redenen had om te twijfelen aan de objectiviteit van de vergaarde bewijsgegevens.
- Omdat de verzoeker zijn kritiek op het arrest in de schorsingszaak en op de memorie van antwoord niet te gelegener tijd, met name in de memorie van wederantwoord, en dus onontvankelijk heeft doen gelden, kan de Raad van State ermee volstaan de overweging 11.2 van het arrest in de schorsingszaak tot de zijne te maken. Die overweging luidt: IX-4841-30/33 “Overwegende dat de door verzoeker aangebrachte argumenten reeds beantwoord zijn bij de bespreking van de voorgaande middelen; dat bijkomend, wat het zogenaamd verwijt van de intoxicatie betreft, opgemerkt wordt dat aan verzoeker enkel verweten is dat hij als bestuurder van een voertuig alcoholische dranken verbruikt heeft en dat verzoeker dat verbruik zelf toegegeven heeft; dat dan ook niet wordt ingezien hoe daardoor zijn rechten van verdediging in de verdrukking gekomen zijn; dat voorts verzoeker niet uitlegt waarom de verwerende partij geacht moet worden de heroverweging van haar geschorste tuchtstrafbesluit genomen te hebben op een voor haar ‘gunstig ogenblik’”.
- Het middel is niet gegrond. J. Tiende middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker voert de schending aan van het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel. Hij steunt dit middel in wezen op de stellingname van de inspecteur-generaal en het daarop gevolgd advies van de tuchtraad, daarbij inzonderheid vaststellend dat de voorzitter van de tuchtraad overeenkomstig artikel 41 van de tuchtwet moet waken over de eenheid van de rechtspraak en dat de tuchtraad belast is met het bijhouden van een gegevensbank. Naar zijn oordeel heeft de tuchtraad zich duidelijk op het standpunt geplaatst dat een schorsing van drie maanden verantwoord was en dat hij daarmee te kennen gegeven heeft dat het in redelijkheid ondenkbaar is dat een overheid voor dezelfde fout het ontslag zou opleggen.
- In zijn memorie van wederantwoord beperkt de verzoeker zich tot het hernemen van de uiteenzetting van zijn verzoekschrift. In zijn laatste memorie benadrukt de verzoeker nog dat de verwerende partij, toen zij afweek van het standpunt van de tuchtraad, geen rekening gehouden heeft met zijn blanco verleden en zijn lange loopbaan. Hij had kunnen overgeplaatst worden naar een andere zone en daar belast worden met ander werk, inzonderheid nu de gepleegde feiten toch geen zeer ruime ruchtbaarheid gekregen hebben. In ieder geval moet de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege een uitzondering blijven en geven de hier bewezen feiten -één alcoholische drank gebruikt, heupwiegende bewegingen gemaakt hebben en dienstvoertuig bestuurd hebben onder intoxicatie van één drankje- geen aanleiding tot zulke uitzonderlijke straf. IX-4841-31/33 Beoordeling
- Om de reden vermeld bij de beoordeling van de voorgaande middelen wordt geen rekening gehouden met de bijkomende uiteenzetting in de laatste memorie. In ieder geval dient opgemerkt dat de Raad van State niet inziet hoe de verzoeker, die een personeelslid is van de politiezone Vlas, tewerkgesteld zou kunnen worden in een andere politiezone, zodat de verwerende partij dit gegeven in haar beoordeling niet hoefde te betrekken. Voor het overige bevestigt de Raad van State de overweging 12.2 van het arrest in de schorsingszaak, die luidt: “Overwegende dat de tuchtraad in zijn advies van 20 februari 2004 voorgesteld heeft aan verzoeker een tuchtstraf van drie maand schorsing op te leggen, aangezien niet redelijk voorgehouden kon worden dat de afkeurens- waardige gedraging van verzoeker elke samenwerking met het bestuur onmogelijk maakte en dat de vertrouwensrelatie niet hersteld zou kunnen worden; Overwegende gewis dat het advies van de tuchtraad een belangrijk element is in de besluitvorming over een tuchtstraf; dat zulks evenwel nog niet betekent dat elke beslissing die van dat advies afwijkt onredelijk is, laat staan kennelijk onredelijk; Overwegende dat het bestreden besluit een motivering bevat voor het afwijken van het advies van de tuchtraad; dat die motivering samenhangend en deugdelijk is en dat zij ook overtuigend overkomt, inzonderheid waar verwezen wordt naar de voorbeeldfunctie die een politieambtenaar heeft, zeker wanneer hij in dienst is; dat daarom de Raad van State de opgelegde straf niet kennelijk onredelijk of buiten verhouding tot de gepleegde feiten vindt.”
- Het middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. IX-4841-32/33 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 23 december 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Bert Thys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, met bijstand van Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-4841-33/33 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.226 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.381 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div