id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.229 Rolnummer: A. 147937/IX-4075 Zaak: Arrest 199229 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 23/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-05 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 04:06 Fiche Arrest nr 199.229 van 23 december 2009 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 199.229 van 23 december 2009 in de zaak A. 147.937/IX-4075 In zake: Albert BULTERIJS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Devers kantoor houdend te Gent Kouter 71-72 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE MILIEUMAATSCHAPPIJ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rudi Lecoutre kantoor houdend te Antwerpen De Damhouderestraat 13 Tussenkomende partijen:
- Leslie MATHYS wonend te Oudenaarde Schapendries 32
- Martine VAN CAUTER wonend te Nieuwerkerken Hazelaarstraat 12 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 23 februari 2004, strekt tot de nietigver- klaring van: “
- het besluit van een [...] onbekend orgaan van de Vlaamse Milieumaat- schappij van een [...] onbekende datum, waarvan het bestaan [...] werd medegedeeld bij brief van 20 oktober 2003, en waarbij de verzoeker niet geslaagd wordt verklaard in het vergelijkend examen naar de graad van medewerker/technicus (niveau C), alsmede
- het besluit van een [...] onbekend orgaan van de Vlaamse Milieumaat- schappij van onbekende datum waarbij de basiswervingsreserve wordt vastgesteld, gevolg van de uitslag van het vergelijkend examen voor overgang naar de graad van medewerker/technicus (rang C1) voor de Vlaamse Milieu- maatschappij en waarin 13 geslaagde kandidaten zouden zijn opgenomen”. IX-4075-1/8 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partijen hebben elk een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikking van 7 juni
- De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Auditeur Diane Mareen heeft een verslag opgesteld. De verzoeker en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 december
- Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Patrick Devers, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Katrien Peeters, die loco advocaat Rudi Lecoutre verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een met dit arrest een andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoeker is “ambtenaar van niveau D” bij de Vlaamse Milieumaatschappij. IX-4075-2/8 3.
- In 2003 neemt hij deel aan een vergelijkend examen dat door de Vlaamse Milieumaatschappij wordt georganiseerd voor overgang naar de graad van medewerker of technicus (rang C1). Luidens het examenreglement bestaat dit examen uit een algemeen en een bijzonder gedeelte. Het algemeen gedeelte betreft “het samenvatten en commentariëren van een tekst, of het opstellen van een verslag over een aangelegenheid die verband houdt met de functie”. De kandidaten die 60/100 punten behalen, zijn geslaagd en worden toegelaten tot het bijzonder gedeelte. Het bijzonder gedeelte is in het examenreglement als volgt beschreven: “Via een interview zal de algemene vorming van een kandidaat, hetzij zijn kennis van bepaalde vakken, hetzij de vaardigheden vereist voor het uitoefenen van de functie, hetzij verschillende elementen van deze samen getoetst worden.” De kandidaten die 60/100 punten behalen, zijn geslaagd. Het examenreglement vermeldt voorts dat een bijkomende selectietest kan worden georganiseerd “voor functies waar speciale kennis en vaardigheden gewenst zijn”. De geslaagde kandidaten worden gerangschikt in de “basiswervingsreserve” volgens het totaal aantal punten behaald op het bijzonder gedeelte van het examen. Bij gelijkheid van punten wordt voorrang verleend aan de oudste geslaagde kandidaat. Met verwijzing naar de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur wordt ten slotte gesteld dat “de kandidaten om inzage, uitleg of mededeling in afschrift [kunnen] vragen omtrent hun examen”. Er wordt aan toegevoegd dat “uitsluitend [zal] ingegaan worden op aanvragen die schriftelijk worden ingediend binnen een termijn van 3 maanden na de schriftelijke mededeling van het resultaat”. IX-4075-3/8 3.
- De verzoeker behaalt 68/100 punten op het algemeen gedeelte en wordt dus toegelaten tot het bijzonder gedeelte. 3.
- Het verslag van het vergelijkend examen vermeldt met betrekking tot het bijzonder gedeelte: “Het examen bestond uit een interview met de examencommissie waarbij werd nagegaan of de kandidaat voldeed aan de gestelde functievereisten. Voor de aanvang van het interview werd door de juryleden afgesproken welke criteria zouden getoetst worden. De criteria werden gebaseerd op de belangrijkste functie-eisen. Aan elk criterium werd een gewicht toegekend. De kandidaat kreeg per criterium een ruwe score op een 10 puntenschaal. De totaalscore was op 100 punten. Uiteindelijk werd een conclusie getrokken over de geschiktheid van de kandidaat. De verschillende selectiecriteria waren: functiespecifieke kennis, persoonlijke vaardigheden, attitudes en waarden.” De functiespecifieke kennis werd beoordeeld op grond van de criteria “zelfkennis”, “gespecialiseerde kennis” en “kennis informatica”, de persoonlijke vaardigheden op grond van de criteria “resultaatgerichtheid”, “planningsvaardigheid”, “communicatieve vaardigheden” en “probleemoplossend gedrag”, en de attitudes en waarden op grond van de criteria “motivatie”, “klantvriendelijkheid” en “samenwerking”. 3.
- Met een brief van 20 oktober 2003 deelt de selectiedeskundige aan de verzoeker mee dat hij niet geslaagd is voor het vergelijkend examen voor overgang naar de graad van medewerker/technicus, aangezien hij “een score van 55% [behaalde] waar een minimum van 60% vereist is”. Dit betreft de eerste bestreden beslissing. 3.
- In een brief van 26 november 2003 aan de administrateur-generaal van de Vlaamse Milieumaatschappij wijst de verzoeker erop dat de kandidaten bij het algemeen gedeelte van het examen 10% meer punten hebben gekregen, maar dat dit voor hem overbodig was omdat hij toch reeds geslaagd was. Hij vraagt om hem nu “dezelfde voordelen toe te kennen als de kandidaten die oorspronkelijk niet slaagden voor het eerste deel”. 3.
- Met een brief van 3 december 2003 informeert de raadsman van de verzoeker bij de Vlaamse Milieumaatschappij naar de motieven van het niet- slagen van zijn cliënt voor het bijzonder gedeelte van het examen. IX-4075-4/8 3.
- Met een brief van 22 december 2003 verschaft de administrateur- generaal van de Vlaamse Milieumaatschappij toelichting aan de raadsman. Hij stelt dat voor het algemeen gedeelte van het examen een herberekening van de resultaten is gebeurd “omwille van een combinatie van de moeilijkheidsgraad van de oefening en de tijdsfactor”, dat de verzoeker eerst 61,95/100 punten behaalde en na herberekening 68/100 punten, maar dat de verzoeker in de beide gevallen de achtste plaats bekleedde, dat de verzoeker daarover een mondelinge toelichting heeft gekregen van het selectiebureau en dat geen enkele kandidaat klacht heeft ingediend tegen de gevolgde procedure. Met betrekking tot het bijzonder gedeelte van het examen zet de administrateur-generaal in het algemeen de inhoud daarvan uiteen, evenals de wijze waarop de verschillende onderdelen werden beoordeeld. Hij vermeldt dat de verzoeker 18/30 punten behaalde voor de functiespecifieke kennis, 22/40 punten voor de persoonlijke vaardigheden en 15/30 punten voor de attitudes en waarden, wat resulteert in een totaalscore van 55/100 punten. Volgens de administrateur-generaal kreeg de verzoeker reeds “een mondelinge toelichting over dit resultaat”. 3.
- Blijkens het proces-verbaal van het vergelijkend examen dat op 17 oktober 2003 werd ondertekend, zijn dertien kandidaten geslaagd en opgenomen in de wervingsreserve. De vaststelling van deze wervingsreserve betreft de tweede bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op. Zij laat gelden dat de verzoeker met een brief van 20 oktober 2003 ervan in kennis werd gesteld dat hij niet geslaagd was voor het bijzonder gedeelte van het examen en dat de examenresultaten op 21 november 2003 werden besproken, zodat de verzoeker vanaf dan op de hoogte was van de motivering van de resultaten. Zij besluit daaruit dat het voorliggende beroep op 24 februari 2004 (lees: 23 februari 2004) laattijdig werd ingesteld. IX-4075-5/8
- In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker dat “het verzoek [...] tijdig werd ingediend binnen de zestig dagen na de ontvangst der motieven (of het gebrek daaraan) waarop de eerste bestreden beslissing steunt”. Beoordeling
- Krachtens artikel 4, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie (thans: de afdeling bestuursrechtspraak) van de Raad van State verjaren de beroepen tot nietigverklaring zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt, noch betekend dienen te worden, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoeker er kennis van heeft gehad. Te dezen heeft de selectiedeskundige, die lid was van de examenjury van het vergelijkend examen voor de overgang naar de graad van medewerker/technicus (rang C1), met een brief van 20 oktober 2003 aan de verzoeker meegedeeld dat hij niet geslaagd is voor het vergelijkend examen voor overgang naar de graad van medewerker/technicus, aangezien hij “een score van 55% [behaalde] waar een minimum van 60% vereist is”. Aldus werd de eerste bestreden beslissing betreffende het niet- slagen van de verzoeker voor het vergelijkend examen aan de verzoeker betekend. Deze betekening omvat alle relevante elementen van de beslissing: ze maakt zowel melding van verzoekers niet-slagen als van het motief daarvan, namelijk het behalen van een score van 55%, terwijl minimum 60% vereist is. Of het vermelde motief een afdoende motief is in de zin van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, betreft de grond van de zaak, maar doet geen afbreuk aan het feit dat de betekening van de beslissing aan de verzoeker de beroepstermijn bij de Raad van State heeft doen ingaan. Blijkens de stukken gevoegd bij het verzoekschrift tot nietigverklaring was bovendien bij de voormelde brief van 20 oktober 2003 een bijlage gevoegd die, overeenkomstig artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, melding maakte van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State en van de daarbij in acht te nemen beroepstermijn en vormvoorschriften, zodat er geen beletsel was voor het ingaan van de beroepstermijn. IX-4075-6/8 De verzoeker voert niet aan dat er zich een abnormale vertraging zou hebben voorgedaan bij de ontvangst van die brief, zodat moet worden besloten dat het voorliggende beroep op 23 februari 2004 alleszins laattijdig is ingediend tegen de beslissing waarbij de verzoeker niet-geslaagd wordt verklaard voor het vergelijkend examen voor de overgang naar de graad van medewerker/technicus (rang C1) (de eerste bestreden beslissing). De exceptie is gegrond.
- Vermits de verzoeker geen ontvankelijk beroep heeft ingediend tegen de beslissing waarbij hij niet-geslaagd wordt verklaard voor het voormeld vergelijkend examen, stelt de Raad van State ambtshalve vast dat de verzoeker geen belang heeft bij de nietigverklaring van de vaststelling van de wervingsreserve op basis van de resultaten van dat examen (de tweede bestreden beslissing). Een eventuele nietigverklaring van die vaststelling kan immers op zich niet ertoe leiden dat de verzoeker alsnog geslaagd wordt verklaard voor het desbetreffend examen en in de wervingsreserve wordt opgenomen.
- Uit wat voorafgaat moet worden besloten dat het beroep niet ontvankelijk is. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 250 euro, elk voor de helft. IX-4075-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 23 december 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Bert Thys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, met bijstand van Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-4075-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.229 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.