← België

Arrest 199259 - Naamsveranderingen - 23/12/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.259 Rolnummer: A. 187641/IX-5883 Zaak: Arrest 199259 - Naamsveranderingen - 23/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-05 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 04:06 Fiche Arrest nr 199.259 van 23 december 2009 Justitie - Naamsveranderingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. IXe KAMER nr. 199.259 van 23 december 2009 in de zaak A. 187.641/IX-5883 In zake : Fabienne DRAGONETTI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat L.J. Martens kantoor houdend te Gent-Sint-Amandsberg Antwerpsesteenweg 360 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Yannick De Smet en Jo De Coninck kantoor houdend te Aalst Stationsstraat 10, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 19 maart 2008, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 18 februari 2008 van de minister van Justitie houdende de weigering van verzoeksters vraag tot naamsverandering van Dragonetti naar Dragonetti Bakeeff. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. IX-5883-1/15 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 oktober
  3. Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dirk Martens, die loco advocaat L.J. Martens verschijnt voor de verzoekster, is gehoord. Adjunct-auditeur Alexander Van Steenberge, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Op 10 maart 1977 werd de verzoekster te Gent geboren als Fabienne Dragonetti uit het huwelijk van Jean Dragonetti en Marie Bakeeff. Uit dit huwelijk werd nog een zoon geboren, zijnde Alexis Dragonetti. Op 25 december 1997 is de moeder van de verzoekster overleden. 3.
  6. De verzoekster dient bij brief van 26 september 2005 een aanvraag tot naamswijziging in om haar naam Dragonetti te wijzigen in de naam Dragonetti-Bakeeff. Zij wenst de naam van haar moeder aan haar bestaande achternaam toe te voegen. Uit documenten opgesteld door de Russische genaelogische vereniging blijkt dat de moeder en de oom van de verzoekster afstammen van een gemeenschappelijke stamvader Aleksei Petrovitsj Bakeeff, zoon van Pjotr Andreevitsj Bakeeff. Zij zijn als Russische adel erkend door de “Association de la Noblesse d’Origine Russe Résidant en Belgique”. IX-5883-2/15 De verzoekster wenst de toevoeging opdat zij en haar eventuele afstammelingen daarmee de eerzame Russische herkomst van de voorouders zouden bewaren. 3.
  7. Het dossier wordt voor advies overgemaakt aan de dienst van de Adel. Op 10 juli 2007 antwoordt de dienst van de Adel als volgt: “In antwoord op uw schrijven van 18 oktober 2006 betreffende het verzoek tot toevoeging van de naam ‘BAKEEFF’, ingediend door mevrouw Fabienne DRAGONETTI, heb ik de eer U mijn advies over te maken. Uit de overgelegde documenten blijkt m.i. dat verzoekster de naamstoevoeging niet zozeer wil uit piëteit voor haar overleden moeder, maar dat ze in de eerste plaats wil aanknopen bij een Russische familie die adellijke roots blijkt te hebben. Zelf behoort verzoekster evenwel niet tot de Belgische adel en het lijkt dan ook niet aangewezen om enige adellijke schijn te verlenen aan haar naam. Uit de zinsnede dat ‘zij en haar eventuele afstammelingen daarmede de eerzame herkomst van de voorouders zouden bewaren’, blijkt bovendien dat verzoekster voorbijgaat aan de gangbare regels inzake de overdracht van naam. In de huidige stand van zaken zal zij haar naam immers slechts aan haar afstammelingen kunnen overdragen in uitzonderlijke omstandigheden. Het lijkt me niet aangewezen om [dit] via deze weg aan te moedigen. Om deze redenen lijkt het me weinig opportuun om de gevraagde naamstoevoeging toe te kennen.” 3.
  8. De vader van de verzoekster, de heer Jean Dragonetti deelt bij brief van 12 september 2007 mee dat hij zijn instemming verleent aan het verzoek tot het wijzigen van de naam van zijn dochter. De broer van de verzoekster, de heer Alexis Dragonetti maakt bij brief van 18 september 2007 kenbaar dat hij geen bezwaar heeft tegen de aanvraag tot naamswijziging van zijn zus. 3.
  9. Met een nota van 11 februari 2008 stelt de dienst naamsveranderingen van de FOD Justitie aan de minister voor om de gevraagde naamsverandering te weigeren. IX-5883-3/15 3.
  10. Op 18 februari 2008 wordt de thans bestreden beslissing genomen. Zij luidt als volgt: “Onder verwijzing naar de in rubriek vermelde zaak heb ik de eer U mede te delen dat het toekennen van een naamsverandering krachtens de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen, onderworpen is aan strikte voorwaarden. Gelet op het principe van de vastheid van naam kan de naamsverandering slechts uitzonderlijk door Z.M. de Koning worden toegestaan en op voorwaarde dat het verzoek gesteund is op behoorlijk bewezen ernstige redenen; bovendien mag de gevraagde naam geen aanleiding geven tot verwarring en de verzoeker of derden niet kunnen schaden (artikel 3, lid 2, van vermelde wet). Tot slot wens ik te preciseren dat de toelating om van naam te veranderen wettelijk beschouwd wordt als een gunst verleend aan betrokkene en niet als een recht voor deze laatste. Na een grondig onderzoek van uw dossier moet ik U tot mijn spijt meedelen dat er in uw geval geen afdoende ernstige motieven in de zin van bovenvermelde wet voorhanden bevonden zijn om aan Z.M. de Koning voor te stellen U toelating te verlenen uw naam te veranderen in die van ‘Dragonetti Bakeeff’, mede in acht genomen het principe van de vastheid van naam, waarvan slechts om gewichtige redenen kan afgeweken worden. De naam wordt verkregen op de bij de wet opgelegde wijze (dit is in regel op grond van de afstamming), hij kan niet vrij gekozen worden. Artikel 335, § 1 van het Burgerlijk Wetboek, bepaalt dat het kind wiens afstamming van vaderszijde en moederszijde tegelijk komt vast te staan, de naam van de vader draagt. Een procedure tot naamsverandering kan niet aangewend worden om van de toepasselijke regels inzake de naamgeving in België af te wijken. Het behoort aan de wetgever om deze regels te wijzigen. Bovendien wil ik er U op wijzen dat indien de gevraagde gunst U zou verleend worden er een toestand van verwarring gecreëerd kan worden, gezien het dragen van een dubbele naam in België meestal het gevolg is van een adoptie. (...).” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 4.1.
  11. De verzoekster voert in een eerste middel aan, dat waar in de bestreden beslissing louter wordt verwezen naar artikel 335, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, en tevens wordt vermeld dat de (achter)naam niet vrij kan gekozen IX-5883-4/15 worden, dit op zich geen motivering tot afwijzing, maar een louter aanhalen van het bestaan van een niet-betwiste wet uitmaakt. Het kan niet als wettig motief tot afwijzing van de gunst gelden. 4.1.
  12. De verwerende partij antwoordt dat het middel onontvankelijk is. Uit het middel valt niet op te maken welke wet dan wel substantiële vormvereiste geschonden werd. De verwerende partij kan enkel raden dat dit mogelijkerwijze te maken zou hebben met een schending van de motiveringsvereiste. De verzoekster laat na aan te duiden hoe door de bestreden beslissing aan de geschonden geachte bepalingen afbreuk wordt gedaan. Er is niet voldaan aan artikel 2, § 1, 2/, van het algemeen procedurereglement, aldus de verwerende partij. 4.1.
  13. De verzoekster stelt in haar repliek dat een loutere verwijzing naar een wetsartikel zonder uitleg waarom dit artikel aangewend wordt om een verzoek af te wijzen, een schending van de motiveringsplicht uitmaakt. Het niet gemotiveerd toepassen van dit artikel om het verzoek tot naamsverandering af te wijzen, ontneemt de verzoekster de bescherming niet van de “Verdragsrechtelijke Openbare Orde” waaraan België zich onderworpen heeft met het ratificeren van de UNO-conventie genoemd “Het verdrag inzake de verbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen”, aangenomen door de Algemene Vergadering van de UNO bij Resolutie nummer 34/180 van 18 december 1979, geratificeerd door België op 10 juli
  14. Meer bepaald is artikel 16, § 1, lit., g, van belang dat als volgt luidt: “Dezelfde rechten komen toe aan de echtgenoot en aan de echtgenote, met inbegrip van de keuze van de familienaam, van de beroepsactiviteit (...).” In haar memorie van wederantwoord zet de verzoekster uiteen dat op basis van voornoemde UNO-conventie de Belgische Staat zijn wetgeving moet aanpassen aan wat inzonderheid door artikel 16, § 1, lit., g, wordt beoogd. De verzoekster voegt daaraan toe dat zo de verwerende partij zonder motivering artikel 335, § 1, van het Burgerlijk Wetboek inroept tot IX-5883-5/15 verantwoording van de afwijzing van het verzoek tot naamswijziging dit een schending uitmaakt van voormelde UNO-conventie, omdat enerzijds aan de verzoekster van het vrouwelijk geslacht, het recht wordt ontzegd om de familienaam van moederszijde te verwerven, respectievelijk te behouden, en anderzijds een mannelijke afstammeling van rechtswege de naam van vaderszijde verwerft, omdat hij een mannelijke afstammeling is zoals door artikel 335, § 1, van het Burgerlijk Wetboek is bepaald. In haar memorie van wederantwoord voert de verzoekster bijkomend de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De verzoekster betoogt dat haar aanvraag tot naamswijziging gegrond is, omdat elke Belgische burger van het vrouwelijk geslacht gerechtigd is op het behoud van haar verworven of te verwerven familienaam, langs moederszijde. Zij stelt dat de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en de voornamen dateert van na de ratificatie op 10 juli 1985 van voornoemde UNO- conventie van 18 december 1979 en dat voormelde wet in stijd is met deze conventie, die tot de internationale Belgische Openbare Orde behoort. 4.1.
  15. In de laatste memorie betoogt de verzoekster in essentie dat een verwijzing in de bestreden beslissing naar artikel 335, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, zonder verdere uitleg niet volstaat om het verzoek tot naamswijziging af te wijzen, dat aldus de motiveringsplicht wordt geschonden en de UNO-conventie van 18 december 1979, geratificeerd door België op 10 juli
  16. De verzoekster voegt daaraan toe dat het eerste middel ontvankelijk is en dat zij een beroep mag doen in haar memorie van wederantwoord op voornoemde UNO-conventie, die door de ratificatie op 10 juli 1985 door België tot de Internationale Openbare Orde van België behoort. In de laatste memorie verwijst de verzoekster nog naar artikel 7 van het Protocol nr. 7 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens, dat onder de titel “Gelijkheid tussen de echtgenoten”, bepaalt dat beiden gelijke rechten hebben en de staten in het belang van hun kinderen maatregelen kunnen nemen die het “naamverwerven” van hun kinderen niet beperkt. IX-5883-6/15 Beoordeling 5.
  17. De verzoekster laat in het verzoekschrift na om aan te tonen waarom artikel 335, § 1, van het Burgerlijk Wetboek niet kan worden vermeld in de weigeringsbeslissing om een naam te wijzigen. Dit artikel bepaalt op welke wijze een kind een naam krijgt wanneer tegelijk de afstamming van vaderszijde en moederszijde komt vast te staan, wat in voorliggend geval niet wordt betwist, en is bij de behandeling van een verzoek tot naamswijziging relevant. Het middel zoals het werd geformuleerd in het verzoekschrift is niet gegrond. 5.2.
  18. Pas in de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie verwijst de verzoekster naar “Het verdrag inzake de verbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, aangenomen door de Algemene Vergadering van de UNO bij Resolutie 34/180 van 18 december 1979, geratificeerd door België op 10 juli 1985”. De verzoekster houdt voor dat artikel 16, § 1, lit. g, van voornoemde conventie zou zijn geschonden. Dit artikel bepaalt dat “Dezelfde rechten toekomen aan de echtgenoot en aan de echtgenote, met inbegrip van de keuze van de familienaam, van de beroepsactiviteit, (...).” De verzoekster voegt daaraan toe dat voormeld artikel behoort tot de “Belgische internationale Openbare Orde” en dat artikel 335, § 1, van het Burgerlijk Wetboek in strijd is met dit artikel. Volgens vaste rechtspraak van de Raad van State is de verzoekster verplicht om in haar verzoekschrift al haar middelen uiteen te zetten. De middelen die voor het eerst in latere procedurestukken worden uiteengezet zijn niet ontvankelijk, behalve wanneer een middel van openbare orde wordt ingeroepen, dat ontvankelijk kan worden aangevoerd, omdat een dergelijk middel ambtshalve door de Raad van State wordt opgeworpen. IX-5883-7/15 Het begrip nieuw middel geldt ook voor de nieuwe uiteenzetting van het middel, waardoor de verzoekster een nieuwe grondslag verleent aan het middel, zoals in voorliggend geval. Voornoemd artikel 16, § 1, lit. g, van voormeld verdrag heeft geen rechtstreekse werking in de Belgische rechtsorde en behoort zelfs niet tot de Belgische Internationale Openbare Orde. Het eerste blijkt uit de samenlezing van de artikelen 2 en 11 van voornoemd verdrag, waarin te lezen staat : - Artikel 2: “De staten ... komen overeen met alle passende middelen een beleid te volgen, gericht op de uitbanning van discriminatie van vrouwen (...)”. - Artikel 11: “De staten die partij zijn bij dit Verdrag, nemen alle passende maatregelen om discriminatie van vrouwen (...) uit te bannen (...)”. Het tweede volgt uit de definitie van wat onder de Belgische Internationale Openbare Orde moet worden begrepen. De Belgische Internationale Openbare Orde is alleen betrokken in zoverre de rechtsregels die normaal van toepassing zijn, strijdig zouden zijn met een beginsel dat van wezenlijk belang moet worden geacht voor de morele, politieke of economische orde zoals die thans in België bestaat. Er kan niet worden ingezien dat het verbod van discriminatie betreffende het dragen van de familienaam langs moederszijde door de vrouwelijke afstammelingen ressorteert onder voornoemde definitie. 5.2.
  19. In de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie voert de verzoekster de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Ook dit middel kon de verzoekster inroepen in haar verzoekschrift, wat zij niet deed en dit middel is evenmin van openbare orde, zodat het niet ontvankelijk is. IX-5883-8/15 5.2.
  20. Wat voorafgaat geldt eveneens voor de verwijzing in de laatste memorie door de verzoekster naar artikel 7 van het Protocol nr. 7 van het EVRM, dat onder de titel “Gelijkheid tussen de Echtgenoten” bepaalt dat beide gelijke rechten hebben en de staten in het belang van hun kinderen maatregelen kunnen nemen die het naamverwerven van hun kinderen niet beperkt. Bijgevolg kon de verzoekster de middelen die zij aanvoert in haar memorie van wederantwoord en in haar laatste memorie, inroepen in haar verzoekschrift. Door te wachten met deze uiteenzetting tot het indienen van de memorie van wederantwoord en van de laatste memorie schendt de verzoekster de rechten van verdediging van de verwerende partij. Zoals gezegd, kan de verzoekster geen nieuwe grondslag geven aan het eerste middel in voornoemde memories. Het eerste middel zoals het verder werd uitgewerkt in de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie is niet ontvankelijk. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  21. De verzoekster voert in een tweede middel de schending aan van de formele motiveringsplicht, zoals bepaald door de wet van 29 juli 1991 en van het beginsel van behoorlijk bestuur. De verzoekster voegt daaraan toe dat een abstracte motivering niet kan volstaan, dat een concrete motivering ontbreekt en dat het niet volstaat om te verwijzen naar de wil van de wetgever.
  22. De verwerende partij antwoordt dat in de mate het middel de schending aanvoert van “het beginsel van behoorlijk bestuur”, het niet ontvankelijk is, vermits dit onderdeel niet wordt uitgewerkt. IX-5883-9/15 Voor wat de schending van de formele motiveringsplicht betreft antwoordt de verwerende partij in essentie dat de bestreden beslissing duidelijk en afdoende gemotiveerd is, op zorgvuldige wijze is genomen en geen wetsbepalingen schendt.
  23. De verzoekster repliceert dat in de motivering geen enkele feitelijke overweging aan bod komt en het verweer van de Belgische Staat strijdig is met de inhoud van de bestreden beslissing die niet concreet aangeeft waarom de aanvraag wordt geweigerd. De beweerde schending van de formele motiveringsplicht, wordt geanalyseerd tezamen met het derde middel. C. Derde middel Standpunt van de partijen
  24. In een derde middel voert de verzoekster de schending aan van artikel 3, tweede lid, van de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en de voornamen. De verzoekster leest in de bestreden beslissing dat de gevraagde naamswijziging “een toestand van verwarring kan creëren”. Dit beantwoordt niet aan de toepasselijke wet, aldus de verzoekster. De verzoekster voegt daaraan toe dat de term “verwarring”, zoals toegepast in de bestreden beslissing neerkomt op een automatische verwerping van elke gevraagde naamsverandering door toevoeging van een tweede achternaam, ook indien het verzoek op ernstige redenen steunt. Hierdoor, aldus de verzoekster, wordt de toepassing van de wet van 15 mei 1987 onmogelijk gemaakt.
  25. De verwerende partij antwoordt dat de gevraagde naamswijziging geen aanleiding mag geven tot verwarring en verwijst desbetreffend naar artikel 3 van voornoemde wet. Het volstaat derhalve dat verwarring kan ontstaan om de IX-5883-10/15 naamsverandering te weigeren. De mogelijkheid tot verwarring is hier wel degelijk aanwezig. Het dragen van een dubbele naam is meestal het gevolg van een adoptie. Beoordeling van het tweede en derde middel 11.
  26. Luidens artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen moeten de individuele bestuurshandelingen uitdrukkelijk worden gemotiveerd. De beslissing die aan de betrokkene wordt meegedeeld, moet niet enkel het dictum bevatten, maar eveneens de redenen op grond waarvan de beslissing werd genomen. Deze verplichting heeft evenwel een meer beperkte draagwijdte dan de motiveringsverplichting die geldt voor jurisdictionele beslissingen, zoals bepaald in artikel 149 van de Grondwet. In de beslissing moet niet op elk argument dat door de betrokkene wordt aangevoerd, afzonderlijk worden geantwoord. Het volstaat dat de beslissing duidelijk de redenen doet kennen die haar verantwoorden. Artikel 3 van de genoemde wet bepaalt dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Deze motivering moet afdoende zijn. Dit laatste betekent dat de motivering pertinent moet zijn, wat inhoudt dat de motivering duidelijk met de bestreden beslissing moet te maken hebben, en dat zij draagkrachtig moet zijn, wat betekent dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De betrokkene moet in de hem aanbelangende beslissing de motieven kunnen lezen op grond waarvan ze werd genomen, zodat zij kan nagaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen. De motivering moet de betrokkene in staat stellen om met kennis van zaken te oordelen of het zinvol is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. 11.
  27. Artikel 3, tweede lid, van de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen luidt als volgt : “De Koning kan de naamsverandering uitzonderlijk toestaan indien hij van oordeel is dat het verzoek op ernstige redenen steunt en de gevraagde naam geen aanleiding geeft tot verwarring en de verzoeker of derden niet (kan) schaden.” IX-5883-11/15 Uit die bepaling blijkt dat om een naamsverandering te verkrijgen aan twee voorwaarden moet worden voldaan: enerzijds moet het verzoek tot naamsverandering op ernstige redenen steunen; anderzijds mag de gevraagde naam geen aanleiding geven tot verwarring en de verzoeker of derden niet schaden. De onveranderlijkheid van de familienaam is immers noodzakelijk om personen doeltreffend te kunnen identificeren in hun sociale relaties en is een waarborg voor stabiliteit, die slechts bij wijze van uitzondering mag worden verstoord. Bij de parlementaire voorbereiding van de wet van 15 mei 1987 werd bevestigd dat de onveranderlijkheid van de naam de regel moet blijven en de naamsverandering de uitzondering. In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat tot de wet van 15 mei 1987 heeft geleid, werd immers gesteld : “Daarentegen moet voor de verandering van naam de onveranderlijkheid de regel blijven en de verandering de uitzondering. Derhalve moeten de verzoeken, waarvan na onderzoek blijkt dat zij niet berusten op een ernstige reden, verworpen worden, zelfs als de gevraagde naam niemand schade berokkent” (Parl. St., Kamer, 1983-84, nr. 966/1, pp. 4-5). Bij de bespreking van het ontwerp werd door de vertegenwoordiger van de minister onder meer verklaard : “De verandering van naam moet op een duidelijk omschreven en ernstige reden steunen” (Parl. St., Senaat, 1986-87, nr. 701/2, p. 8). Doordat de naamswijziging een gunst is, kan de Koning het verzoek inwilligen, zonder echter daartoe te zijn verplicht. De Koning beschikt over een discretionaire bevoegdheid. Het komt de Raad van State niet toe om zich in de plaats van de overheid te stellen bij de beoordeling van de motieven op basis waarvan de naamsverandering al dan niet kan worden toegestaan. Hij kan wel nagaan of de beoordeling van de overheid steunt op feitelijk juiste en in rechte aanvaardbare motieven en of die beoordeling binnen de grenzen van de redelijkheid blijft. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de minister heeft geoordeeld dat aan geen van beide, door de wet van 15 mei 1987 gestelde, voorwaarden is voldaan. De verwerende partij oordeelt enerzijds dat de aangevoerde reden niet afdoende ernstig is en anderzijds dat de dubbele naam aanleiding geeft tot verwarring. IX-5883-12/15 De vaststelling dat er geen afdoende ernstige motieven voorhanden zijn in de zin van de wet van 15 mei 1987 en meer bepaald dat een procedure tot naamsverandering niet kan worden aangewend om van de toepassing van de regels inzake de naamgeving in België af te wijken, vormt het hoofdmotief van de bestreden beslissing. De verzoekster wenst de familienaam van haar moeder aan haar bestaande achternaam toe te voegen, opdat zij en haar eventuele afstammelingen daarmee de eerzame Russische herkomst van de voorouders zouden bewaren. Aldus kon de verwerende partij in redelijkheid oordelen dat een dergelijk motief niet ernstig is en in strijd is met artikel 335, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, dat op de verzoekster van toepassing is en waarnaar expliciet verwezen wordt in de bestreden beslissing en dat bepaalt dat het kind wiens afstamming van vaderszijde en moederszijde tegelijk komt vast te staan, de naam van de vader draagt. Het feit dat hieromtrent discussie bestaat in binnen- en buitenland, doet niets af aan de gelding van het voormeld artikel en de relevantie ervan voor de motivering van de beslissing. Het staat vast dat wat de verzoekster beoogt met de naamsverandering afbreuk doet aan deze bepaling en dat de verwerende partij bijgevolg de naamsverandering kon weigeren. 11.
  28. De motivering van de bestreden beslissing omtrent de verwarring luidt als volgt : “Bovendien wil ik er U op wijzen dat indien de gevraagde gunst U zou verleend worden er een toestand van verwarring gecreëerd kan worden, gezien het dragen van een dubbele naam in België meestal het gevolg is van een adoptie.” De verzoekster schrijft dat de mogelijkheid van verwarring bij elke aanvang tot naamsverandering kan worden ingeroepen, waardoor elke aanvraag tot naamsverandering de facto kansloos wordt. De verzoekster gaat eraan voorbij dat de verwerende partij zich niet in algemene bewoordingen uitdrukt, maar concreet aangeeft waarom de naam die zij voorstelt aanleiding geeft tot verwarring. Een dubbele naam is meestal het gevolg van adoptie, wat in deze zaak verwarring veroorzaakt, nu de verzoekster niet is geadopteerd. De verwerende partij hanteert geen stijlmotivering die tegen elke aanvraag tot naamswijziging kan worden ingebracht. De verzoekster toont niet aan dat het aangevoerde motief in feite onjuist is, noch dat het rechtens niet aanvaardbaar is. Aldus kan de verzoekster in de IX-5883-13/15 bestreden beslissing lezen op grond waarvan ze werd genomen en kan zij nagaan dat de verwerende partij is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn. Het tweede en het derde middel kunnen niet worden aangenomen. 12.
  29. In een vierde middel voert de verzoekster de schending aan van artikel 14 van het EVRM dat bepaalt dat éénieder bij het vaststellen van zijn rechten en verplichtingen in een rechtsgeding recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige bij de wet ingestelde rechterlijke instantie. 12.
  30. In de memorie van wederantwoord schrijft de verzoekster wat volgt: “Verkeerdelijk vermeldt het ‘verzoekschrift tot nietigverklaring’, pag. 5, het ‘art. 14.
  31. EVRM’, waar dient te worden gelezen ‘de art. 6, 13 en 14 EVRM’”. 12.
  32. Het vierde middel, zoals het werd “aangepast” in de memorie van wederantwoord is niet ontvankelijk, omdat het niet voldoende is uitgewerkt in het verzoekschrift tot nietigverklaring en ook omdat de verzoekster de middelen afgeleid uit de schending van de artikelen 6, 13 en 14 van het EVRM kon inroepen in haar verzoekschrift.
  33. Ter zitting verzoekt de raadsman van de verzoekster dat een prejudiciële vraag zou worden gesteld aan het Grondwettelijk Hof, overeenkomstig artikel 2, § 4, eerste lid, van de bijzondere wet van 12 juli 2009 tot wijziging van artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, thans het Grondwettelijk Hof. Deze bepaling luidt als volgt: “§
  34. Wanneer voor een rechtscollege wordt opgeworpen dat een met een decreet of een in artikel 179 van de Grondwet bedoelde regel een grondrecht schendt dat op geheel of gedeeltelijk analoge wijze is gewaarborgd in een bepaling uit titel II van de Grondwet en in een bepaling van Europees of Internationaal recht, stelt het rechtscollege eerst aan het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag over de verenigbaarheid met de bepaling uit titel II van de Grondwet.” IX-5883-14/15 De prejudiciële vraag, die niet schriftelijke wordt geformuleerd door de verzoekster heeft betrekking op de beweerde onverenigbaarheid tussen artikel 16, § 1, lit. g., van voornoemde UNO-conventie en artikel 335, § 1, van het Burgerlijk Wetboek. Vermits voormeld artikel 16, § 1, lit. g, geen rechtstreekse werking heeft in de Belgische rechtsorde is er geen aanleiding om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. BESLISSING
  35. De Raad van State verwerpt het beroep.
  36. De verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 23 december 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, met bijstand van Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5883-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.259 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.