id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.285 Rolnummer: A. 193854/VII-37409 Zaak: Arrest 199285 - Milieuvergunningen - 29/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-30 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-30 04:06 Fiche Arrest nr 199.285 van 29 december 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 199.285 van 29 december 2009 in de zaak A. 193.854/VII-37.409. In zake: 1. de VZW NATUURPUNT OOST-BRABANT 2. Peter HAEGEMAN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter De Smedt en Hendrik Schoukens kantoor houdend te Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te Oostende Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Ronny BEULLEKENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Van Wynsberge kantoor houdend te Leuven Diestsevest 113 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 4 september 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 2 juli 2009 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 22 januari 2009, houdende het verlenen aan Ronny Beullekens van de vergunning voor het exploiteren van een varkenshouderij, gelegen aan de Overhemstraat te Hoegaarden, ongegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. VII-37.409-1/22 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Peter Sourbron heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 december 2009. Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hendrik Schoukens, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Clive Rommelaere, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Koen Van Wynsberge, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Peter Sourbron heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 23 september 2008 dient Ronny Beullekens, de tussenkomen- de partij, bij de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant een vergunningsaan- vraag in voor het exploiteren van een stal voor 1.056 vleesvarkens met aanhorighe- den (mestopslag en grondwaterwinning) op percelen gelegen aan de Overhemstraat te Hoegaarden, kadastraal bekend 2de afdeling, sectie B, nrs. 93 en 94 a. Volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Tienen- Landen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 24 maart 1978, zijn de kwestieuze percelen gelegen in agrarisch gebied. 3.2. Tijdens het openbaar onderzoek van de aanvraag worden 32 bezwaarschriften ingediend. VII-37.409-2/22 3.3. Bij besluit van 22 januari 2009 verleent de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant de gevraagde vergunning, met dien verstande dat het vergunde debiet van de grondwaterwinning beperkt wordt tot 2.500 m3/jaar. 3.4. Tegen dit besluit van de deputatie stelt de eerste verzoekende partij op 10 maart 2009 beroep in bij de Vlaamse minister van Leefmilieu; op 11 maart 2009 dient de tweede verzoeker een inhoudelijk gelijklopend beroepschrift in. Beide beroepen worden ontvankelijk verklaard. 3.5. In het kader van de beroepsprocedure worden verschillende adviezen uitgebracht :
- a)de Vlaamse Milieumaatschappij bevestigt op 17 april 2009 haar in eerste aanleg verleende gunstige advies voor het onderdeel "grondwaterwinning";
- b)de afdeling Onroerend Erfgoed Vlaams-Brabant deelt op 5 mei 2009 mee niet te kunnen instemmen met de in eerste aanleg verleende milieuvergunning. Daarvoor worden de volgende redenen opgegeven : "Onze dienst vreest dat de varkensstal een grote negatieve impact zal hebben op de erfgoedwaarde van het omliggende landschap. Het is immers kenmerkend voor de landschappen van Droog Haspengouw dat de bebouwing geconcen- treerd is en dat de akkergebieden bouwvrij zijn. Bovendien is er geen rekening gehouden met de monumentale Winterlinde in de onmiddellijke omgeving. Deze boom behoort tot de absolute top van het houtig erfgoed in Vlaanderen. Op dit ogenblik wordt een beschermingsdossier afgerond dat binnenkort ter ondertekening wordt voorgelegd aan de minister. Wij vrezen ook dat de aanwezige kasseibestrating zal lijden onder het bijkomende verkeer dat de varkensstal met zich zal meebrengen. Wij vermelden tot slot dat de stal gelegen is in de relictzone 'Holle- wegenlandschap van Hoegaarden, Opvelp, Willebringen, Vertrijk, Vissenaken' (R20081)";
- c)het Agentschap voor Natuur en Bos maant in zijn advies van 7 mei 2009 aan tot "omzichtigheid en het hanteren van het voorzichtigheidsbeginsel" bij het verlenen van de gevraagde milieuvergunning en zegt voorts te vertrouwen op het advies van de afdeling Milieuvergunningen;
- d)de afdeling Milieuvergunningen brengt op 7 mei 2009 een ongunstig advies uit over de vergunningsaanvraag. In essentie is de afdeling Milieuvergunningen van oordeel dat de geplande exploitatie onaanvaardbare visuele hinder zal teweegbren- gen en "in mindere mate" geur- en geluidshinder; VII-37.409-3/22
- e)het advies van 8 mei 2009 van de afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid is ongunstig. Zij wijst op het volgende : "De grond is volgens het gewestplan Tienen-Landen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 24 maart 1978, gelegen in het agrarisch gebied. Zulk gebied is, overeenkomstig artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, bestemd voor de landbouw in de ruime zin en mag behoudens bijzondere bepalingen enkel de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen alsmede de woning van de exploitanten bevatten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt en ook de para-agrarische bedrijven. Uit het stedenbouwkundig-technisch onderzoek blijkt dat het dichtstbij gelegen woongebied met landelijk karakter gesitueerd is op circa 300 m van betrokken perceel. De aanvraag bevindt zich in de nabijheid van een lindeboom en een kapelletje dat traditioneel op een hoogtepunt in het landschap en de kruising van veldwegen werd geplaatst. Deze plaats maakt deel uit van een homogeen en uitgestrekt akkerlandschap dat zich over vele kilometers uitstrekt en slechts wordt doorsneden door de gehuchtjes Honsem, Babelom, Overhem, langs de kleine bovenlopen van de Mene. Dit landbouwblok maakt deel uit van de ruilverkaveling Willebringen. Dit akkerlandschap op de licht glooiende plateaus wordt gekenmerkt door een zeer grote openheid met ruilverkavelingswegen en historische holle wegen aan de randen van de plateaus. De plaats betreft het traditioneel landschap 'Holle wegenland van Hoegaarden' dat gekenmerkt wordt door open plateaus en verzonken wegenis en bebouwing. Op de plateaus komt nagenoeg geen (verspreide) bebouwing voor of er is geen verlinting. Evenmin wordt het landschap door bomenrijen of bosjes gecompartimenteerd. Slechts lokaal komen er groepjes streekeigen bomen voor die de bermen van holle wegen markeren en beperkt boven de plateaus uitkomen. Kleine landschapsele- menten zoals de solitaire lindeboom zijn hier eveneens uitzonderlijk. De gevraagde stal zal bovenop dit landbouwplateau ingeplant worden en ontsloten worden via een kasseiweg met een deels hol karakter vanaf het gehucht Overhem. Hierdoor zal de loods zichtbaar zijn van op een grote afstand. Na het aanplanten van een groenscherm zal een kunstmatig rechthoekig bosje met bebouwing er middenin bovenop een heuvel gecreëerd worden, wat een vreemd element in dit landschap zal zijn. De groenbuffering zal het geheel des te meer doen opvallen en zal dus niet verhelpen aan de visuele verstoring van het gebied. De voorgestelde inplanting van de varkensstal is vanuit de verhouding ten opzichte van de woonweefsels aanvaardbaar, doch niet vanuit landschappelijk oogpunt. Ondanks dat het niet gaat om een op het gewestplan aangeduid landschappelijk waardevol gebied is uit de hoger aangehaalde waarden duidelijk dat de aanvraag een goede plaatselijke aanleg onaanvaard- baar bedreigt. De aanvrager is in beroep gegaan bij de deputatie wegens het uitblijven van de beslissing van het college betreffende de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning voor de varkensstal. De deputatie heeft op 20 januari 2009 een vergunning verleend onder de volgende voorwaarde: er dient een voorstel tot landschapsintegratie te worden gedaan, waarbij een kwalitatief ontwerp van inkleding van de stal aan het dossier wordt toegevoegd. In het besluit wordt ondermeer gesteld dat een inplanting van de stal bij de bestaande bedrijfszetel om milieuredenen onmogelijk is en er geen ruimte meer in de bestaande valleitjes resteert om met een afdoend respect voor de omliggende woonfunctie een dergelijk gebouw in te planten. De beslissing werd door omstandigheden pas op 16 april 2009 genotificeerd en kenbaar gemaakt aan de betrokken VII-37.409-4/22 partijen. De gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar van het Agentschap R-O Vlaanderen is in hoger beroep gegaan tegen deze beslissing omwille van de inplanting van de stal in een open landbouwgebied, wat vanuit ruimtelijk ordenend oogpunt op die plaats hem onaanvaardbaar lijkt";
- f)door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie wordt op 12 mei 2009 voorgesteld om de beroepen gegrond te verklaren, de beroepen beslissing op te heffen en te vervangen door een beslissing waarbij de milieuvergunning wordt geweigerd. 3.6. Met een besluit van 2 juli 2009 verklaart de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur de ingediende beroepen ongegrond en bevestigt zij de in eerste aanleg verleende milieuvergunning. Dit is het bestreden besluit, dat luidt als volgt : "Gelet op het feit dat voormelde beroepsindieners volgende bezwaren doen gelden: - de betreffende milieuvergunningsaanvraag van Ronny Beullekens is onvoldoende gedateerd waardoor aan een belangrijke bepaling van de Vlarem-wetgeving niet voldaan is; evenmin is de aanmeldingsbrief, gericht aan de heer gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant, gedateerd; hiermee is de volledigheid en ontvankelijkheid van de milieuvergunnings- aanvraag gecontesteerd; - een afschrift van het collegebesluit van 1 december 2008 van de gemeente Hoegaarden werd in februari 2009 door Natuurpunt Oost-Brabant zowel opgevraagd bij de Vlarem-afdeling van de Dienst Leefmilieu van de provincie Vlaams-Brabant als bij de gemeente Hoegaarden; beide werden door de burgemeester en secretaris eensluidend verklaard op 2 december 2008; deze afschriften uit het schepencollege van 1 december dienen met andere woorden identiek te zijn; ze zijn dit echter duidelijk niet; het advies in het collegebesluit dat de gemeente Hoegaarden in februari afleverde bevat aanvullingen in de argumentatie en aanpassingen van afstandgegevens; deze aanpassingen en aanvullingen zijn niet aanwezig in het collegebesluit dat bij de provincie werd opgevraagd en dat tevens als advies werd gebruikt hij de behandeling van de aanvraag ter voorbereiding van de Provinciale Milieu- vergunningscommissie van 17 december 2008 en bij het verlenen van een milieuvergunning door de deputatie bij besluit van 22 januari 2009; dat de gemeente nadien, op officieel verzoek van Natuurpunt Oost-Brabant een verschillende versie van een op zelfde datum eensluidend verklaard collegebesluit aflevert, getuigt op zijn minst van misleidende bestuurlijke handelingen en is voor Natuurpunt Oost-Brabant een sterkend argument om de betreffende milieuvergunning zo nodig in procedure te brengen bij de Raad van State; - Natuurpunt Oost-Brabant wil met betrekking tot het advies dat opgesteld is bij collegebesluit van 1 december 2008 en dat werd gebruikt bij de behandeling van de aanvraag ter voorbereiding van de Provinciale Milieu- vergunningscommissie van 17 december 2008 en bij het verlenen van een milieuvergunning door de deputatie bij besluit van 22 januari 2009 een aantal zaken contesteren en weerleggen; hiermee wil Natuurpunt Oost-Brabant vzw illustreren dat het advies van het schepencollege van 1 december 2008 ontoereikend is om de geuitte bezwaren te weerleggen en VII-37.409-5/22 om de vergunningverlener op afdoende wijze te kunnen adviseren; bovendien bevat betreffend advies ook incorrecte informatie die de vergunningverleners kunnen misleiden; onderstaande weerleggingen en bijkomende inhoudelijke argumentatie wordt tevens expliciet als bezwarend ingebracht in onderhavig beroep; in hetgeen volgt worden de belangrijkste argumenten weergegeven: • er wordt verkeerdelijk gesteld dat de inrichting gepland is in biologisch minder waardevol gebied; het perceel waarop de stal zou worden gebouwd, grenst echter aan een talud van een ondiepe holle weg die in de kartering van de Biologische Waarderingskaart aangeduid is als biologisch zeer waardevol (KW, Kh-, Sp-, Hu in BWK 2.0); bovendien dient deze talud - volgens het bouwplan in de milieuvergunningsaanvraag - deels te worden vergraven wil men de ontsluiting van deze stal realiseren; bovendien ligt in de onmiddellijke omgeving van het perceel (minder dan 100 meter) een biologisch zeer waardevolle holle weg die eenzelfde markering krijgt op de BWK; de geplande varkensstal zou de onmiddellijke omgeving van deze kleine landschapselemen- ten ernstig en onvermijdelijk verstoren en zou door het toegenomen transport bovendien de holle weg en zijn bijzonderheden zeker fysisch en biologisch beschadigen, wat onaanvaardbaar is; tijdens een hamsterinventarisatie 1998-2002 in opdracht van AMINAL afdeling Natuur werden in de onmiddel- lijke omgeving 2 hamsterburchten gevonden (één op minder dan 1000 meter en één op minder dan 200 meter); deze soort is een annex 2 habitatsoort in het kader van de Europese Habitatrichtlijn waarvoor de Vlaamse Overheid de bindende verplichting heeft om bij haar beleid te zorgen voor het behoud van deze soorten; tot slot maakt het perceel en zijn omgeving deel uit van een kerngebied voor akkervogels, waarin de nieuwe beheersovereenkomst voor akkervogels dient te worden afgesloten; deze aanduiding is gebeurd voor soorten als Grauwe- en Geelgors die hier een belangrijke broedpopulatie hebben; (cfr Broedvogelatlas, INBO 2003); voor wat betreft de grauwe gors, de broedvogeltelling in Vlaams-Brabant in 2008 (door de provincie gesubsidieerd) kwam tot ca 125 zangposten in de provincie (bij een Vlaams totaal van circa 250 zangposten), waarvan 8 op het plateau van Honsem, de meest westelijk gelegen populatie in Vlaanderen; de aansnijding van de open ruimte is nefast voor deze bedreigde soort die gebonden is aan open plateaus; • in het advies van het college van burgemeester en schepenen wordt terecht gesteld dat 'de stal een duidelijk visueel merkpunt zal worden in het open landschap'; er wordt voorgesteld om een aangepast en voldoende breed groenscherm aan te planten; de beroepsindieners vinden de motivatie van dit groenscherm zwaar ontoereikend en ongeloofwaardig om de hinder van een varkensstal tot een 'aanvaardbaar minimum' te herleiden; • in het advies van het college van burgemeester en schepenen werd enkel de impact van voorliggende vergunningsaanvraag op het landschap en de omliggende natuur geëvalueerd, terwijl er expliciet en impliciet mogelijkheden worden voorzien voor uitbreiding van de activiteiten; deze uitbreidingsmoge- lijkheden worden, volgens het advies van 13 maart 2008 van de afdeling Duurzame landbouwontwikkeling van het departement Landbouw en Visserij, opgemaakt in het kader van de aanvraag voor een stede(n)bouwkundige vergunning, zelfs expliciet als voorwaarden gesteld, net als de mogelijkheid tot het bouwen van een bedrijfswoning; er wordt in dit advies zelfs duidelijk gesteld dat toekomstige uitbreidingen op de betreffende locatie moeten kunnen plaatsvinden; de context binnen de huidige milieuvergunningsaanvraag laat dit niet toe: noch de ruimte voor een bedrijfswoning, noch de voldoende grootte van het perceel van de aanvrager zijn aanwezig om aan deze voorwaarden te kunnen voldoen, daarom dient er vanuit een algemene zorgplicht - en zeker bij actueel ontbreken van een goedgekeurd gemeentelijk ruimtelijk structuurplan - een onderzoek opgestart te worden naar de draagkracht van voorgestelde site VII-37.409-6/22 voor zowel in deze milieuvergunningsaanvraag voorgestelde bedrijfsvoering als de toekomstige uitbreidingen die noodzakelijk zijn om op betreffende locatie een leefbaar varkensbedrijf te houden; het nalaten van dergelijk onderzoek impliceert immers dat een milieuvergunning zou worden uitgereikt voor een eerste en enige stal zonder de locatie te toetsen op garanties voor een leefbaar varkensbedrijf waarin uitbreidingsmogelijkheden intrinsiek een vereiste zijn; de milieu-impact van een dergelijk plan is te beoordelen als een veelvoud van de impact van deze particuliere aanvraag en dient op niveau van structuurplanning of ruilverkaveling te worden bepaald; • er wordt verkeerdelijk gesteld dat er inzake geurhinder geen klachten van omwonenden zijn; • in het advies van college van burgemeester en schepenen wordt onder het hoofdstuk 'lichthinder' gesteld dat er geen mogelijke bronnen van lichthinder zullen zijn; nochtans dient verwacht dat met betrekking tot de locatie in een totaal gaaf landschap en een onontsloten gebied elke permanente vorm van licht als hinder kan worden beschouwd; • inzake geluidshinder wordt foutief gesteld dat het transport zoveel mogelijk zal gebeuren langs lokale ontsluitingswegen, terwijl het overduidelijk woonstraten betreft; - nergens in het advies van het college van burgemeester en schepenen wordt verwezen naar het openbaar onderzoek dat zij organiseerde, evenmin werden de 32 geuitte bezwaren expliciet weerlegd of gemotiveerd; ook in het besluit van de deputatie werd hier nauwelijks aandacht aan besteed; deze bezwaren worden in hetgeen volgt aangehaald: • de draagkracht van het landschap wordt overschreden: verminking van het landschap; in deze context werden hierboven reeds de biologisch zeer waardevolle natuurwaarden aangehaald; verder van belang hierbij zijn de visuele hinder ten opzichte van de gave open ruimte, de monumentale lindeboom ter hoogte van de vijfster van kasseiwegen en de visuele impact ten gevolge van een noodzakelijke aanpassing van de ontslui- tingsweg in kassei en van de aanleg van nutsvoorzieningen; • het gebied is onvoldoende ontsloten voor transport; de actuele staat van de wegen laat zelfs transport met beperkte frequentie niet toe, de kasseiweg van de lindeboom naar het betreffend perceel is te smal (maximaal 2,5 meter breed) voor zwaar transport en eventuele manoeuvres; bovendien zijn deze wegen in het kader van het structuurplan van de ruilverkaveling Willebringen en in bijhorend MER-rapport opgenomen als te bewaren kasseiwegen; er zijn momenteel geen nutsvoorzieningen aanwezig langsheen de veldweg die naar de site leidt, deze zijn echter noodzakelijk voor exploitatie; de exploitatie bevindt zich op een grote afstand van de dichtstbijzijnde hoofdweg; het transport en de noodzakelijke wijzigingen van de wegen zullen een negatieve impact hebben op de belevingswaarde van de site voor recreanten; • de aanvraag is in strijd met de ruilverkaveling Willebringen en het bijhorend MER-rapport; betreffend MER-rapport leert immers dat bijzondere aandacht besteed werd aan de omgeving van de site van de vijfster en de historische lindeboom en bewust gekozen is voor het behoud van de kasseiwe- gen; in het MER-rapport is ook duidelijk gesteld dat de wegen niet homogeen verhard mogen worden en dat de waarde van het unieke open en gave landschap zeer sterk onderkend wordt en dat ook de waarde voor de akkerna- tuur onderschreven wordt, ondermeer door het voorzien van stroken voor de instandhouding van de akkersoorten; • geuroverlast; geuroverlast zal significant toenemen doordat de bedrijfsvoe- ring op 2 plaatsen zal plaatsvinden en er spreiding van geurhinder optreedt voor omwonenden; de varkensstal bevindt zich op een hooggelegen gebied ten westen van de nabijgelegen bewoning, de overheersende wind met westelijke component zal geurhinder naar de bewoning blazen; VII-37.409-7/22 • permanente geluidsproductie; zowel voor omwonenden uit het omliggende agrarische gebied als in de wijdere omgeving door het transport; bovendien is de geplande locatie gelegen in een feitelijk stiltegebied, dit geldt niet voor alternatieve locaties langs de hoofdwegen binnen de ruilverkaveling Willebringen; - de exploitant kreeg de mogelijkheid om nog voor de Provinciale Milieuvergunningscommissie de bezwaarschriften te bekijken en een eigen weerlegging op te stellen; bovendien werd deze weerlegging integraal opgenomen in het deputatiebesluit van 22 januari 2009, terwijl aan de vele bezwaarschriften nauwelijks aandacht werd besteed; dit getuigt allerminst van een gelijke behandeling en is geen voorbeeld van een goed en neutraal bestuur; - onderhavige milieuvergunningsaanvraag gaat in tegen provinciale, gemeentelijke, Vlaamse en Europese beleidsopties; Gelet op het horen op 12 mei 2009 door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie van de aanvrager, die bij dit horen een nota voorlegt waarin inzonderheid het volgende uiteengezet wordt: - de aanvraag is bestaanbaar met de gewestplanbestemming; het ligt immers in agrarisch gebied; - de aanvraag is verenigbaar met de goede plaatselijke ordening; alle afstandsregels worden gerespecteerd; het betreft geen landschappelijk waardevol agrarisch gebied; het voorwerp van de aanvraag is niet gelegen binnen de onmiddellijke omgeving van een Vogelrichtlijn- of Habitatrichtlijngebied, evenmin is het gelegen in de onmiddellijke omgeving van een gebied binnen het VEN of IVON; de aanwezige vegetatie is volgens de Biologische Waarderingskaart weinig biologisch waardevol; dit alles maakt dat de stal in principe vergunbaar is in het agrarisch gebied; - de geplande stal zal ingeplant worden op de uiterste rand van een zeer uitgestrekte open ruimte waardoor de aantasting van de open ruimte slechts minimaal is; bovendien werden in het recente verleden 6 gelijkaardige bouwprojecten vergund door de gemeente Hoegaarden binnen het agrarisch gebied; dus ook vanuit dit oogpunt is de stal verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening; - op basis van artikel 24 van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg kan de milieuvergunning niet geweigerd worden louter op basis van de ligging binnen een relictzone of ankerplaats; de beweerde afbakeningen hebben immers geen enkele bindende kracht; - uit de vergunningsaanvraag blijkt dat de tenuitvoerlegging van de stedenbouwkundige vergunning en van de milieuvergunning op zich geen aantasting van de lindeboom of het kapelletje tot gevolg zal hebben; - het transport dat met de exploitatie gepaard gaat, is beperkt en vergelijkbaar van aard met landbouwtransport dat heden reeds in het gebied plaatsvindt; dit transport is niet van aard om de weg te beschadigen; - de stelling in het beroepschrift en in de adviezen dat een groenscherm een bijkomende schending zou inhouden van de landschapswaarde van het gebied is onjuist; er werd immers een landschapsintegratieplan opgemaakt waardoor de stal niet zal worden verstopt maar integendeel zal worden geïntegreerd in het landschap; - besluitend kan worden gesteld dat de aanvraag vanuit het oogpunt van haar impact op de open ruimte en het landschap aanvaardbaar is; - de geur-, geluid(s)- en lichthinder kunnen tot een aanvaardbaar niveau beperkt worden; - de verkeerstoename die met de exploitatie van het bedrijf gepaard gaat, blijft binnen de grenzen van hetgeen in een actief uitgebaat agrarisch gebied aanvaardbaar is; VII-37.409-8/22 - het gebied is niet afgebakend als VEN-gebied en/of als Habitat- of Vogelrichtlijngebied en kent dus geen enkele juridische bescherming; - bij de adviezen werd gebruik gemaakt van de biologische waarderingskaart om aan te tonen dat er biologisch waardevolle natuur aanwezig is in het gebied; deze kaart kan echter niet gebruikt worden als rechtsgeldig motief om een milieuvergunning te weigeren; Gelet op het gunstige advies van 17 april 2009 van de afdeling Water van de Vlaamse Milieumaatschappij; Gelet op het ongunstige advies van 5 mei 2009 van de afdeling Onroerend Erfgoed Vlaams-Brabant van het Agentschap Ruimtelijke Ordening Oost-Vlaanderen; Gelet op het ongunstige advies van 7 mei 2009 van de afdeling Milieuvergunningen van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie; Gelet op het advies van 7 mei 2009 van het Agentschap voor Natuur en Bos; Gelet op het ongunstige advies van 8 mei 2009 van de afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid van het departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed; Gelet op het ongunstige advies van 12 mei 2009 van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie; Gelet op de ligging van de inrichting in een agrarisch gebied volgens het gewestplan Tienen-Landen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 24 maart 1978; Overwegende dat het agrarisch gebied bestemd is voor de landbouw in ruime zin; dat het landbouwkarakter van de stal niet betwist wordt en dat de exploitant duidelijk landbouwer is wiens activiteit in overeenstemming is met de gewestplanbestemming; Overwegende dat kwestieus agrarisch gebied bevestigd werd bij besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 1997; Overwegende dat het betrokken gebied het voorwerp uitmaakt van de geplande ruilverkaveling Willebringen bedoeld om het agrarisch gebied te optimaliseren voor de landbouw met diepgaande aandacht voor landschap en natuur; dat het ruilverkavelingsplan door de bevoegde minister voorlopig werd goedgekeurd op 3 juni 2004 en dat daarbij ook de grenzen van het ruilverkavelingsgebied voorlopig werden vastgelegd; dat het MER op 19 oktober 2006 conform werd verklaard, dat de minister op 2 april 2008 de toestemming gaf tot het opstarten van de ruilverkavelingsprocedure en dat dit jaar de lijst van de belanghebbenden werd afgerond zodat het openbaar onderzoek kan starten; Overwegende dat op het reeds bestaande bedrijf in de Overhemstraat 9 de milieuvergunning werd aangevraagd voor een zeugenstal en mestvarkensstal; dat als eindbeslissing in beroep de Vlaamse minister bevoegd voor het Leefmilieu op 30 januari 2007 de milieuvergunning weigerde voor de mestvarkensstal omwille van de hinder voor de nabije bewoners; Overwegende dat het voorwerp van onderhavige milieuvergunningsaanvraag in hoofdzaak de exploitatie van een stal voor 1056 vleesvarkens en 6 silo's betreft; Overwegende dat de aanvraag in eerste aanleg vergund werd; dat Natuurpunt Oost-Brabant en de heer Peter Haegeman tegen deze beslissing beroep aantekenden; dat tijdens het openbaar onderzoek 32 bezwaren werden ingediend; dat de milieu- en natuurrelevante bezwaren geuit door de beroepsindieners de volgende zijn: - overschrijding van de draagkracht van het landschap en daarmee gepaard gaand de visuele hinder ten opzichte van het open landschap en het toebrengen van schade aan de op de locatie aanwezige biologisch zeer waardevolle natuur; - het gebied is onvoldoende ontsloten voor transport; VII-37.409-9/22 - geurhinder; - geluidshinder; - lichthinder; Overwegende dat de vestigingsplaats gelegen is enerzijds op voldoende afstand van het woongebied met landelijk karakter zodat er geen hinder is voor de bewoners en anderzijds aan de rand van het open landschap in een landbouwgebied in de buurt van de gronden van betrokkene, zodat de visuele hinder beperkt tot uitgesloten is; Overwegende dat de schaal van het betrokken bedrijf klein is; Overwegende dat het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) in zijn advies van 7 mei 2009 stelt dat gelet op de elementen in het dossier en de weliswaar ontoereikende terreingegevens waarover ANB beschikt, het exploiteren van de inrichting naar alle waarschijnlijkheid geen significante gevolgen zal hebben op natuurwaarden waarvan de wijzigingen vergunningsplichtig (zijn) of op natuurgebieden die in uitvoering van het gewestelijk beleid als prioritair te beschermen beschouwd worden; dat met verwijzing naar de open ruimte, het bestaan van natuurelementen zoals akkervogels en hamster ANB adviseert enige omzichtigheid aan de dag te leggen en het voorzichtigheidsbeginsel te hanteren; Overwegende dat de Biologische Waarderingskaart weliswaar interessante en bruikbare informatie bevat, doch op basis van het rechtszekerheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel niet als juridisch afdoend instrument kan worden beschouwd aangezien er geen wettelijke grondslag voor bestaat en de kaart op zich niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een openbaar onderzoek en een beslissing van de bevoegde overheid; dat het duidelijk is dat dergelijke kaart geen afbreuk kan doen aan de bindende en verordenende kracht van het gewestplan en zeker het gewestplan niet mag uithollen; Overwegende dat wat hamsters betreft het betrokken gebied in het M.B. van 11 juni 2008 niet werd aangeduid als beheersgebied van de hamsterbescherming; dat wat de akkervogels betreft de aanduiding van Meldert als kerngebied in het M.B. van 17 juni 2009, enkel tot gevolg heeft dat op die plaatsen beheerovereenkomsten voor de bescherming van akkervogels met landbouwers kunnen afgesloten worden maar er verder geen juridische gevolgen aan verbonden zijn; dat vermits de grond gelegen is aan de rand van het betrokken agrarisch gebied er weinig tot geen hinder te verwachten is van de inplanting voor de hamsters of voor de betrokken akkervogels in de enorme open ruimte, die niet door deze inplanting geraakt wordt; Overwegende dat in dit agrarisch gebied op aanvaardbare afstand van woongebied met landelijk karakter de aanplanting van een groenscherm kan volstaan voor de landschappelijke inkleding van de inplanting; dat bij de aanvraag een beplantingsplan werd gevoegd dat een landschappelijke inkleding waarborgt; Overwegende dat er noch aan de lindeboom, noch aan de holle weg op 100 m van het bedrijf enige schade zal toegebracht worden; Overwegende dat de beroepsindieners allerlei beleidsdocumenten aanhalen; dat de ruimtelijke structuurplannen overeenkomstig art. 19 §6 DRO geen beoordelingsgrond vormen voor aanvragen van stedenbouwkundige vergunningen of attesten, en a fortiori geen beoordelingsgrond kunnen vormen voor milieuvergunningsaanvragen; Overwegende dat het gebied een bij uitstek agrarisch gebied is; dat tot hiertoe belangrijke agrarische transportbewegingen gebeuren vanuit het betreffende agrarische gebied langs deze wegen; dat moeilijk kan ingezien worden dat de vestiging van dergelijke stal van kleine schaal aanleiding kan geven tot exorbitante bijkomende eisen van transport; dat de zwaarte van de transporten van dezelfde aard als de bestaande transporten kan genoemd worden; dat zelfs indien deze wegen in het kader van de ruilverkaveling VII-37.409-10/22 Willebringen opgenomen worden als te bewaren kasseiwegen, het uiteraard goed aangelegde en correct herstelde kasseiwegen zullen zijn die het oordeelkundig gebruik waarborgen in het kader van een familiale bedrijfsvoering; dat de exploitatie binnen een redelijke afstand ligt van de hoofdweg en de inplantingsplaats waarborgt dat men rechtstreeks naar de hoofdweg gaat zonder te moeten passeren langs de dorpskom; Overwegende dat de lopende procedure van ruilverkaveling in haar beginstadium is; dat er daarom ook niet kan op vooruit gelopen worden; dat wel duidelijk is dat de beleidsoptie werd genomen de landbouwbestemming van het betrokken gebied te vrijwaren; Overwegende dat de stelling dat het bedrijf niet leefbaar zou zijn gezien de beperkte oppervlakte in eigendom op de bouwplaats een louter economische bewering is, die geen enkele milieurelevantie heeft; Overwegende dat beroepers ook geuroverlast inroepen; dat aanvragers blijkbaar de bedoeling hebben gehad de geurhinder te beperken zoniet uit te sluiten door de stal niet in de dorpskern maar op een afstand van rond de 200 m van de dichtstbijzijnde bewoning in te planten; Overwegende dat wat de geluidshinder betreft de uitbating van een varkensstal van dergelijke schaal bezwaarlijk kan aanzien worden als een bijkomende bron van geluidshinder; de bewoners die in het omliggende agrarisch gebied wonen, zoals beroepers zeggen en waarvan noch de identiteit noch de afstand tussen hun woning en de stal opgegeven wordt, zullen vermits er een afstand van minstens 200 m ligt tussen de stal en hun woning zoals uit de luchtfoto's blijkt blijkbaar geen onaanvaardbare hinder ondervinden; Overwegende dat de bezwaren betreffende de precedentwaarde, de verwerking van mest, de tegenstrijdigheid milieuvergunning stedenbouwkundige vergunning, de zogezegde economische hinder aan plattelandstoerisme, de bijkomende voorwaarden van de Afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling, niet terzake doen; Overwegende dat beroeper stelt dat de aanvraag ingaat tegen het beleid van de Provincie Vlaams-Brabant; Overwegende dat reeds gezegd is dat de ruimtelijke structuurplannen overeenkomstig art. 19 §6 DRO geen beoordelingsgrond vormen voor aanvragen van stedenbouwkundige vergunningen of attesten, en a fortiori geen beoordelingsgrond kunnen vormen voor milieuvergunningsaanvragen; dat bovendien volgens het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen het afbakenen van de agrarische en natuurlijke structuur gebeurt middels gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen; dat hetzelfde kan gezegd worden betreffende de structuurplannen van Boutersem, Hoegaarden en Beauvechain; Overwegende dat wat het biodiversiteits- en algemeen natuur en leefmilieubeleid betreft het plateau van Honsem niet geschonden wordt zoals beroeper het voorstelt; dat de opgesomde soorten op het plateau, waarvan een minieme oppervlakte aan de rand zal ingenomen worden, nog een uiterst grote open ruimte zullen hebben om te leven en te foerageren; Overwegende dat wat de verwijzing van beroepers naar het Europese beleid betreft, Hoegaarden in het kader van de implementatie van de Habitatrichtlijn niet afgebakend werd als hamstergebied. Dat op basis van aanwezige populaties enkel de volgende gebieden als beheersgebieden hamsterbescherming werden afgebakend : de omgeving van Heers (prov. Limburg), de omgeving van Widooie-Koninksem-Horpmaal (Borgloon prov. Limburg) en de omgeving van Korbeek~Dijle-Leefdaal-Bertem (prov. Vlaams-Brabant); Overwegende dat wat de implementatie van de Vogelrichtlijn betreft, in het standaardwerk 'Europees beschermde natuur in Vlaanderen' INBO 2007 - Kris Decleer (red.) de Blauwe en Grauwe Kiekendief zijnde onregelmatige broedvogels, niet aangeduid werden op de begeleidende kaart als vogels die als doortrekker/overwinteraar in de streek van Hoegaarden voorkwamen (zie pag. VII-37.409-11/22 466 en 467); dat de Bruine Kiekendief, als jaarlijkse broedvogel in Vlaanderen op de plateau's kan voorkomen en wellicht ook vanuit Wallonië; dat de vestiging van de betreffende stal aan de rand van het uiterst omvangrijke plateau dat aansluit bij Wallonië echter moeilijk als een betekenisvolle verstoring van de soort kan beschouwd worden; dat de Grauwe, Blauwe en Bruine Kiekendief onverkort op het plateau van Hoegaarden zullen kunnen foerageren daar de vestiging van de varkensstal gebeurt aan de uiterste rand van het plateau; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de beroepen ongegrond te verklaren en de bestreden beslissing te bevestigen; B E S L U I T: Artikel 1. De ontvankelijk bevonden beroepen van: - de heer Peter Haegeman, Begijnenblokstraat 34, 3320 Meldert; - het Natuurpunt Oost-Brabant vzw, Leuvensestraat 6, 3010 Kessel -Lo, aangetekend tegen het besluit nr. D/PMVC/08124/11935 van 22 januari 2009 van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant houdende het verlenen van de vergunning, voor een termijn verstijkend op 22 januari 2029, aan de heer Ronny Beullekens, Overhemstraat 9, 3320 Hoegaarden voor het uitbaten van een varkenshouderij, gelegen te 3320 Hoegaarden, Overhemstraat z/n, op de kadastrale percelen afdeling 2, sectie B, perceelnummers 93 en 94a, met als voorwerp: - een stal met plaatsen voor 1056 vleesvarkens; - een opslag van 2000 m³ dierlijke mest; - een grondwaterwinning met een opgepompt debiet van maximum 2500 m³/jaar, worden ongegrond verklaard. Art. 2. De bestreden beslissing nr. D/PMVC/08124/11935 van 22 januari 2009 van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant houdende het verlenen van bovenvermelde vergunning aan de heer Ronny Beullekens, Overhemstraat 9, 3320 Hoegaarden, voor het uitbaten van een varkenshouderij, gelegen te 3320 Hoegaarden, Overhemstraat z/n, wordt bevestigd". 3.7. Op 20 januari 2009 verleent de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant een stedenbouwkundige vergunning voor de varkensstal op kwestieuze percelen. Tegen voormeld besluit tekent de gewestelijk steden- bouwkundige ambtenaar beroep aan bij de bevoegde Vlaamse minister die op 12 oktober 2009 beslist de stedenbouwkundige vergunning af te leveren. Met een beroep, ingesteld op 30 november 2009, bij de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, vorderen de verzoekende partijen de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring van dit ministerieel besluit - zaak gekend onder A. 194.776/X-14.474. VII-37.409-12/22 IV. Tussenkomst 4. Met een op 25 september 2009 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt Ronny Beullekens om in het geding te mogen tussenkomen. Er is grond om dat verzoek in te willigen, wat betreft het administratief kort geding. V. Ontvankelijkheid van de vordering Standpunt van de partijen 5. De tussenkomende partij voert ten aanzien van de eerste verzoekende partij aan dat er geen band van evenredigheid zou bestaan tussen het actieterrein van de eerste verzoekende partij en de draagwijdte van de bestreden beslissing die een louter lokaal karakter zou hebben. 6. De verwerende partij werpt op dat de tweede verzoeker op zijn woonplaats geen geur- noch zichthinder zal ondervinden door de vergunde varkensstal nu er tussen deze woonplaats en de voorziene inplanting van de inrichting een afstand van 350 meter is. Beoordeling 7. Het wordt niet betwist dat de woonplaats van de tweede verzoeker in de Begijnenblokstraat te Hoegaarden zich bevindt op ongeveer 350 meter afstand van de voorziene inrichting. In het advies van de afdeling Milieuvergunningen wordt opgemerkt dat de bewoners van onder meer de Begijnenblokstraat geurhinder kunnen ondervinden door de vergunde stal bij W- tot NW-wind. Het feit dat de tweede verzoeker woonachtig is op een plaats die getroffen kan worden door geurhinder, is op zich reeds voldoende om zijn belang bij het beroep tegen de verleende milieuvergunning aan te nemen. VII-37.409-13/22 De exceptie ten aanzien van het beroep van de tweede verzoeker wordt verworpen. 8. Voor zover aangevoerd wordt dat de vordering niet ontvankelijk is in hoofde van de eerste verzoekende partij volstaat het in de huidige stand van de rechtspleging vast te stellen dat de vordering in hoofde van de tweede verzoeker ontvankelijk is. VI. Onderzoek van de vordering 9. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. A. Ernst van de middelen Eerste middel Standpunt van de partijen 10. De verzoekende partijen roepen in een eerste middel de schending in van artikel 17, eerste lid, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet), van het zorgvuldigheidsbeginsel, van de materiële motiveringsplicht en van het redelijkheidsbeginsel. Zij voeren in essentie aan dat de vergunningverlenende overheid een aanvraag in concreto moet toetsen op haar verenigbaarheid met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening; deze toetsing moet tot uiting komen in de bestreden beslissing zelf. VII-37.409-14/22 Te dezen wordt als volgt, wat deze toetsing betreft, gemotiveerd : "Gelet op de ligging van de inrichting in een agrarisch gebied volgens het gewestplan Tienen-Landen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 24 maart 1978; Overwegende dat agrarisch gebied bestemd is voor de landbouw in de ruime zin; dat het landbouwkarakter niet betwist wordt en dat de exploitant duidelijk landbouwer is wiens activiteit in overeenstemming is met de gewest- planbestemming; (...) Overwegende dat de vestigingsplaats gelegen is enerzijds op voldoende afstand van het woongebied met landelijk karakter zodat er geen hinder is voor de bewoners en anderzijds aan de rand van het open landschap in een landbouwgebied in de buurt van de gronden van betrokkene, zodat de visuele hinder beperkt tot uitgesloten is; (...) Overwegende dat in dit agrarisch gebied op aanvaardbare afstand van woongebied met landelijk karakter de aanplanting van een groenscherm kan volstaan voor de landschappelijke inkleding van de inplanting; dat bij de aanvraag een beplantingsplan werd gevoegd dat een landschappelijke inkleding waarborgt; Overwegende dat er noch aan de lindeboom, noch aan de holle weg op 100 m van het bedrijf enige schade zal worden toegebracht". Deze motivering is, volgens de verzoekende partijen, niet draagkrachtig nu al te eenvoudig wordt besloten tot de verenigbaarheid van de inrichting met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening waarbij zonder meer wordt voorbijgegaan aan essentiële probleempunten die in de bezwaren van de verzoekende partijen en in de adviezen betreffende die verenigbaarheid werden opgeworpen. De vergunningverlenende overheid dient de uitgebrachte adviezen bij haar beoordeling te betrekken en er is een strengere motiveringsplicht wanneer deze overheid afwijkt van de adviezen. Ten slotte stellen de verzoekende partijen dat de bestreden beslissing niet in redelijkheid verantwoord is nu deze al te zeer verwijderd is van wat volgens de algemeen gangbare inzichten als onverenigbaar met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening moet worden aanzien. 11. De verwerende partij antwoordt in essentie dat de bestreden beslissing wel degelijk afdoende met redenen omkleed werd inzake de in concreto beoordeling of de exploitatie verenigbaar is met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening; het bestreden besluit stelt aan de hand van de feitelijke gegevens van het dossier vast dat, in weerwil van de overwegend ongunstige, maar niet bindende adviezen, en in weerwil van de bezwaren aangebracht in het openbaar onderzoek en VII-37.409-15/22 in het administratieve beroep, de inrichting toch aanvaardbaar is. De opgegeven motivering is geenszins op vele punten onjuist, al te schraal en minimalistisch; zij vloeit voort uit de feitelijke gegevens van het dossier zelf die op zich aantonen dat de grondslagen van de ongunstige adviezen en de stellingen van de verzoekende partijen eerder tendentieus zijn en niet stroken met de daadwerkelijke kenmerken van de omgeving. Voorts beklemtoont de verwerende partij dat de verenigbaarheid van de exploitatie met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening bijkomend wordt verzekerd doordat de uitvoerbaarheid van de milieuvergunning afhankelijk is gesteld van het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning; bij de beoordeling van deze laatste zal door de daartoe bevoegde overheid precies moeten worden beoordeeld of de inrichting wel strookt met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. Ten slotte benadrukt de verwerende partij dat zij geenszins kennelijk onredelijk zou hebben gehandeld. 12. De tussenkomende partij bekritiseert in eerste instantie het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie die tegenstrijdig zou motiveren; enerzijds merkt deze commissie op dat er te dezen geen sprake is van ankerplaatsen en relictzones wat de lindeboom en het hollewegenstelsel betreft en dat ze om die reden niet ongunstig over de aanvraag kan adviseren doch ze grijpt deze feitelijke elementen wel aan om de vergunning te weigeren wegens niet verenigbaarheid van de inrichting met de goede ruimtelijke ordening. Voorts beklemtoont ze dat de vergunningverlenende overheid over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt bij de beoordeling van de verenigbaarheid van een inrichting met de goede plaatselijke ordening; de Raad van State kan zich hier niet in de plaats stellen en beschikt slechts over een marginale toetsing. In de bestreden beslissing wordt als uitgangspunt genomen dat het voorwerp van de aanvraag gesitueerd is in agrarisch gebied en dat landbouwactiviteiten er dan ook de primauteit uitmaken; dit uitgangspunt kan maar leiden tot een schending van de in het middel aangevoerde bepalingen in zoverre het door de verwerende partij gehanteerde uitgangspunt zou getuigen van kennelijke onredelijkheid of feitelijke onjuistheid, hetgeen te dezen niet het geval is. VII-37.409-16/22 Beoordeling 13. Luidens artikel 17, eerste lid, van het milieuvergunningsdecreet dient de beslissing over de vergunningsaanvraag met redenen omkleed te zijn. De artikelen 2 en 3 van de motiveringswet verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dit op een afdoende wijze; het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals opgelegd door de motiveringswet, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. De redengeving moet des te concreter en preciezer zijn wanneer de beslissing afwijkt van een voorafgaand advies, ook al is dit niet bindend, dat op duidelijke en concrete elementen is gesteund. In een dergelijk geval mag de overheid zich niet beperken tot een niet gemotiveerd tegenspreken van het advies, maar moet zij integendeel duidelijk maken waarom zij van oordeel is de argumenten waarop de adviesverlenende instantie steunt, niet te kunnen volgen. 14. De specifieke kenmerken van de omgeving moeten betrokken worden bij de beoordeling van een milieuvergunningsaanvraag; het onderzoek naar de stedenbouwkundige verenigbaarheid van de inrichting beperkt zich niet enkel tot een toetsing aan de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan, maar dient ook aandacht te hebben voor de stedenbouwkundige verenigbaarheid met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. VII-37.409-17/22 15. Te dezen hebben de afdeling Onroerend Erfgoed Vlaams-Brabant, de afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid, de afdeling Milieuvergunningen en de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie een ongunstig advies uitgebracht over de vergunningsaanvraag. In die adviezen wordt er onder meer gewezen op de bijzondere waarde van het landschap waarin de varkensstal zou worden ingeplant. Dat landschap, aldus de adviezen, wordt gekenmerkt als een homogeen en uitgestrekt akkerlandschap met licht glooiende plateaus, met een zeer grote openheid "totaal gaaf" en "onontsloten", met ruilverkavelingswegen en historische holle wegen aan de randen van de plateaus, met verzonken wegenis en bebouwing, zonder verspreide bebouwing en verlinting, zonder compartimentering door bomenrijen of bosjes en met uitzonderlijke kleine landschapselementen zoals een solitaire Winterlinde met kapel. Deze adviserende instanties zijn eenduidig van mening dat de inplanting van een varkensstal op het plateau zal leiden tot onaanvaardbare visuele hinder en een ernstige aantasting zal betekenen van het bestaande waardevolle landschap, zeker wanneer de geplande stal wordt bezien als een eerste stap naar de uitbouw van een duurzaam en leefbaar landbouwbedrijf op de betrokken locatie. 16. In het bestreden besluit kunnen, wat de verenigbaarheid met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening betreft, volgende motieven betrokken worden. De vestigingsplaats, aldus de bestreden beslissing, zou op voldoende afstand van het nabijgelegen woongebied met landelijk karakter en aan de rand van het open landschap in een landbouwgebied in de buurt van de gronden van de exploitant gelegen zijn, zodat "visuele hinder beperkt tot uitgesloten is"; voorts wordt erin opgemerkt dat de schaal van het bedrijf "klein" is; ook zou de aanleg van een groenscherm volstaan voor de landschappelijke inkleding van de inplanting; tot slot zou noch aan de lindeboom noch aan de nabije holle weg, enige schade worden toegebracht. 17. De omstandigheid dat de inplanting van een kleinschalige exploitatie voorzien is aan de rand van het open landschap lijkt geen voldoende argument om te besluiten dat visuele hinder beperkt tot uitgesloten zou zijn; een bouwwerk gelegen aan de rand van een open gebied betekent niet noodzakelijk dat dit gebied aldus niet wezenlijk kan worden aangetast en het uitzicht erop niet dito VII-37.409-18/22 wordt geschonden, temeer de verwerende partij haar beoordeling vooral lijkt te hebben toegespitst in functie van het nabijgelegen woongebied met landelijk karakter. De eenvoudige aanname in de bestreden beslissing dat de aanleg van een groenscherm zou volstaan voor de landschappelijke inkleding van de inplanting, is geen afdoend gemotiveerd antwoord op het ongunstige advies van de afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid waarin precies wordt gesteld dat een groenbuffering niet zal verhelpen aan de visuele verstoring van het gebied maar deze integendeel nog zal doen toenemen. De in de bestreden beslissing opgegeven omstandigheid dat noch aan de lindeboom noch aan de nabije holle weg enige schade wordt toegebracht, is op zich niet voldoende om hieruit te concluderen dat deze feitelijke elementen niet in hun beeldbepalend karakter worden aangetast. 18. Dit alles leidt tot de conclusie dat, inzonderheid in het licht van de uitgebrachte adviezen, de in de bestreden beslissing opgegeven motivering niet afdoende lijkt. Het eerste middel is ernstig. B. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel Standpunt van de partijen 19. De eerste verzoekende partij legt in essentie de nadruk op de weerslag van de bestreden beslissing op het getroffen leefmilieu dat valt binnen het territoriaal en materieel toepassingsgebied van haar statutaire doelstellingenkader. Zij wijst concreet op de uitzonderlijke natuur- en landschapswaarde van het gebied waar de varkenshouderij wordt ingeplant en op de ernstige risico’s en nadelen, verbonden aan die inrichting, ten aanzien van het gebied. De tweede verzoeker wijst op het feit dat hij, die op amper 350 meter van de geplande inrichting woont en vanuit zijn woonst rechtstreeks zicht heeft op de kwestieuze locatie, zal worden geconfronteerd met meervoudige hinderaspecten, met name visuele hinder, geurhinder en mogelijk ook geluidshinder VII-37.409-19/22 van de transporten van en naar de inrichting. In de adviezen van de afdeling Milieuvergunningen en van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie wordt uitdrukkelijk verwezen naar de geurhinder. Inzake de visuele hinder merkt hij op dat het open, unieke landschapsuitzicht waarover hij thans beschikt, reddeloos zal worden verminkt. 20. De verwerende partij antwoordt dat de kwestieuze inplanting en exploitatie bezwaarlijk aanleiding kunnen geven tot gevolgen relevant ten opzichte van het volledige werkingsveld van de eerste verzoekende partij, dat trouwens gericht is op een veel ruimer actieterrein; er is, aldus de verwerende partij, geen reëel risico op enig betekenisvol effect op de aanwezige natuurwaarden. Wat de tweede verzoeker betreft merkt de verwerende partij op dat, als de voorgenomen inrichting al niet volledig wordt onttrokken aan het zicht vanuit de woning van de tweede verzoeker door andere landschapselementen, in elk geval moet worden gesteld dat die andere landschapselementen visueel beduidend opvallender moeten zijn dan deze exploitatie die een beperkte hoogte heeft en met een groenscherm is omkleed; voorts wijst zij er op dat de inplanting voorzien is in de rand van het open gebied en geenszins als landschapsvreemd kan worden aanzien. Wat de aangevoerde geurhinder betreft, wijst zij er op dat er een hogere tolerantiegraad heerst in woongebied met landelijk karakter en dat de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau zal worden beperkt door onder andere de toepassing van een ammoniakemissiearm stalsysteem met biologische luchtwasser. Wat de ingeroepen geluidshinder betreft wijst de verwerende partij er op dat het transport niet zal plaatsvinden langs de straat waar de tweede verzoeker woont en dat er slechts een heel beperkt aantal transporten is voorzien. 21. De tussenkomende partij wijst er in de eerste plaats op dat visuele hinder geen rechtstreeks verband houdt met de exploitatie doch met de tenuitvoerlegging van de stedenbouwkundige vergunning. De eerste verzoekende partij, aldus de tussenkomende partij, voert geen concrete gegevens aan waaruit zou blijken dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een rechtstreeks en onmiddellijk nadelig effect zou hebben op het landschap of op de natuurwaarden. VII-37.409-20/22 Wat de tweede verzoeker betreft beklemtoont de tussenkomende partij dat het loutere gegeven dat de tweede verzoeker op 350 meter woont van de inrichting, op zich niet afdoende is om het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te staven. Voorts blijkt, aldus de tussenkomende partij, uit kleurenorthofoto’s dat het uitzicht van de tweede verzoeker geenszins verstoord zal worden door de aanwezigheid van de stal. De voorgenomen transporten zijn van een lage frequentie. De geur- en ammoniakemissies zullen sterk teruggedrongen worden door de plaatsing van een luchtwasser. Beoordeling 22. De tweede verzoeker heeft zijn woonplaats relatief dicht bij de geplande exploitatie. De kans op geurhinder lijkt reëel, temeer omdat in de adviezen van de afdeling Milieuvergunningen en van de Gewestelijke Milieu- vergunningscommissie uitdrukkelijk op dergelijk risico wordt gewezen. Er lijkt te dezen geen reden om de ernst van de beweerde geurhinder te temperen door rekening te houden met de hogere tolerantiedrempel die in een woongebied met landelijk karakter geldt voor landbouwgerelateerde hinder. Voorts maakt de tweede verzoeker aan de hand van zijn concrete uiteenzetting, die wordt ondersteund door de specifieke gegevens van de zaak, aannemelijk dat de visuele verstoring van het bestaande open landschap een voldoende ernstig karakter vertoont om als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te kunnen worden aanvaard. Aan de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is in hoofde van de tweede verzoeker dan ook voldaan, hetgeen in de huidige stand van de rechtspleging volstaat om deze grondvoorwaarde vervuld te achten. 23. Hieruit volgt dat voldaan is aan beide bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. VII-37.409-21/22 BESLISSING 1. Het verzoek van Ronny Beullekens tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd. 2. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 2 juli 2009 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 22 januari 2009, houdende het verlenen aan Ronny Beullekens van de vergunning voor het exploiteren van een varkenshouderij, gelegen aan de Overhemstraat te Hoegaarden, ongegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. 3. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig december tweeduizend en negen, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Pierre Barra, staatsraad, waarnemend voorzitter, met bijstand van Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Pierre Barra VII-37.409-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.285 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.210.385 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div