← België

Arrest 199289 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/12/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.289 Rolnummer: A. 189138/XIV-30526 Zaak: Arrest 199289 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-08 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 04:06 Fiche Arrest nr 199.289 van 29 december 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 199.289 van 29 december 2009 in de zaak A. 189.138/XIV-30.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat R. FONTEYN, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Dejonckerstraat 51 bus 16 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, thans de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 28 juli 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 13.555 van 30 juni 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 3290 van 28 augustus 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 14 april 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 mei 2009; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-30.526-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat V. MEEUS, die loco advocaat R. FONTEYN verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat T. SCHREURS, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij op 22 september 2006 een aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid (oud) van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) indient; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 10 januari 2008 die aanvraag niet-ontvankelijk verklaart; Overwegende dat de verzoekende partij op 26 februari 2008 een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring bij de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen indient; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring met een arrest van 30 juni 2008 verwerpt; dat dit het bestreden arrest is; 2.1.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending van de artikelen 33 en 105 van de Grondwet, van het principe van “indisponibilité des attributions”, van de onbevoegdheid van de steller van de akte, van de artikelen 3 en 76 van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de gevolgen van de wet in de tijd opwerpt; dat zij aanvoert dat in het bestreden arrest niet ambtshalve de onbevoegdheid van de steller van de akte om tot de niet- ontvankelijkheid van de aanvraag om machtiging tot verblijf te besluiten wordt opgeworpen, dat de beslissing om tot de niet-ontvankelijkheid van de aanvraag om machtiging tot verblijf op artikel 9, derde lid, (oud) van de Vreemdelingenwet was gesteund, dat die bepaling door artikel 3 van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen is opgeheven en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ambtshalve die onbevoegdheid (van de minister) had moeten opwerpen; XIV-30.526-2/6 2.1.
  4. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat de vóór 1 juni 2007 op grond van artikel 9, derde lid, (oud) van de Vreemdelingenwet ingediende aanvragen volgens de oude bepalingen worden behandeld en dit op grond van het bepaalde in artikel 76 van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, dat de kritiek van de verzoekende partij faalt naar recht en dat de verzoekende partij niet aantoont dat de oorspronkelijk bestreden beslissing door een onbevoegde overheid is genomen; 2.1.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord toevoegt dat enkel een duistere of dubbelzinnige tekst moet worden geïnterpreteerd, dat de artikelen 3 en 76 van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen noch duister noch dubbelzinnig zijn, dat die bepalingen niets zeggen over het lot van hangende aanvragen om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid (oud) van de Vreemdelingenwet en dat de hoven, rechtbanken en administratieve rechtscolleges niet de lacunes van de wet moeten opvullen; 2.1.
  6. Overwegende dat artikel 3 van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen bepaalt dat vanaf de inwerkingtreding van deze wet, dus vanaf 1 juni 2007, artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet wordt opgeheven en overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van de voornoemde wet van 15 september 2006 wordt vervangen door de artikelen 9bis en 9ter van de Vreemdelingenwet; Overwegende dat artikel 76 van de meergenoemde wet van 15 september 2006 als volgt luidt: “§
  7. Vanaf haar inwerkingtreding is deze wet van toepassing op alle bij haar bepalingen bedoelde toestanden. §
  8. In de hierna volgende gevallen wordt evenwel afgeweken van het principe vermeld onder § 1: 1/ de artikelen 9 bis en 9 ter van de wet van 15 december 1980 zijn van toepassing op de aanvragen die ingediend worden na de inwerkingtreding van de wet. 2/ (...)”; Overwegende dat uit de uitdrukkelijke bepaling dat de nieuwe artikelen 9 bis en 9 ter van de Vreemdelingenwet slechts van toepassing zijn op de aanvragen, ingediend nà de inwerkingtreding van de wet van 15 september 2006, blijkt dat de XIV-30.526-3/6 aanvragen, ingediend vóór de inwerkingtreding van die wet op 1 juni 2007, moeten worden behandeld overeenkomstig het oude artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet; dat de aanvraag om machtiging tot verblijf in casu op 22 september 2006 is ingediend en dus overeenkomstig het oude artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet moest worden behandeld; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dienaangaande geen onwettigheid had moeten vaststellen; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
  9. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, (E.V.R.M.) van artikel 155 van de Grondwet en van het beginsel van de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechtscolleges opwerpt; dat zij aanvoert dat de wijze van benoeming, de uitoefening van het mandaat van de eerste voorzitter, de voorzitter, de kamervoorzitters, ook de waarnemende, van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in strijd zijn met het beginsel van de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid, dat die eerste voorzitter, voorzitter en kamervoorzitters als rechters voor het leven echter door de verwerende partij in een mandaat worden benoemd, dat de kandidaat-eerste voorzitter een beleidsplan moet voorleggen waarvan de verwerende partij het voorwerp bepaalt, dat de Koning de inhoud van het activiteitenrapport van de korpschefs en de evaluatiecriteria voor de leden van de raad en voor de werklastmeting bepaalt, dat de verwerende partij aldus op substantiële wijze in de werking van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tussenkomt en invloed kan doen gelden op het aantal te behandelen dossiers en de wijze van behandeling, dat dit alles niet van aard is om de onpartijdigheid en de objectiviteit van de betrokkenen te doen blijken en dat de wijze van benoeming en de uitoefening en evaluatie van de mandaten in strijd met artikel 155 van de Grondwet zijn; 2.2.
  10. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat overeenkomstig artikel 39/24 van de Vreemdelingenwet niet de verwerende partij maar de Koning de eerste voorzitter, voorzitter en kamervoorzitters bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen benoemt en het voorwerp van het beleidsplan kan bepalen, dat de kritiek van de verzoekende partij wat dat betreft faalt naar recht en dat de verzoekende partij niet toelicht waarom de Koning volgens haar onpartijdige en niet onafhankelijke rechters zou benoemen; 2.2.
  11. Overwegende dat de verzoekende partij het middel in de memorie van wederantwoord herhaalt; XIV-30.526-4/6 2.2.
  12. Overwegende dat artikel 6 van het E.V.R.M. niet van toepassing is op geschillen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het tweede middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat artikel 155 van de Grondwet bepaalt dat “geen rechter van een regering bezoldigde ambten (mag) aanvaarden, tenzij hij die onbezoldigd uitoefent en behoudens de gevallen van onverenigbaarheid bij de wet bepaald”; dat de verzoekende partij hieromtrent niets concreets aanvoert; dat het tweede middel in die mate, voor zover ontvankelijk, ongegrond is; Overwegende dat het feit dat de Koning overeenkomstig de artikelen 39/24, 39/27, 39/28 en 39/34 de eerste voorzitter en de voorzitter voor een termijn van vijf jaar aanstelt, het voorwerp van het beleidsplan en de nadere inhoud van het werkingsverslag van de eerste voorzitter kan bepalen en de evaluatiecriteria van de leden van de raad bepaalt, evenals de wijze waarop de werklast van een ambtsdrager wordt geregistreerd en de wijze waarop de geregistreerde gegevens worden geëvalueerd, de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechters niet aantast; dat het tweede middel in die mate ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  13. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  14. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-30.526-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig december tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-30.526-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.289 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.