id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.291 Rolnummer: A. 189190/XIV-30528 Zaak: Arrest 199291 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-08 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 04:06 Fiche Arrest nr 199.291 van 29 december 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 199.291 van 29 december 2009 in de zaak A. 189.190/XIV-30.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat L. LUYTENS, kantoor houdende te 1090 BRUSSEL, Lakenselaan 53 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 31 juli 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 13.632 van 3 juli 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 3299 van 1 september 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 13 maart 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 april 2009; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-30.528-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat L. LUYTENS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché R. LARNO, die verschijnt voor de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het andersluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 18 januari 2003 en zich op 23 januari 2003 een eerste maal vluchteling verklaart; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 8 augustus 2003 deze aanvraag verwerpt; 1.
- Overwegende dat de verzoekende partij zich op 13 januari 2005 een tweede maal vluchteling verklaart; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 31 januari 2005 beslist tot weigering tot in overwegingname van de vluchtelingenverklaring; 1.
- Overwegende dat de verzoekende partij zich op 1 december 2006 een derde maal vluchteling verklaart en tevens de subsidiaire beschermingsstatus vraagt; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 15 januari 2007 opnieuw beslist tot weigering tot in overwegingname van de vluchtelingenverklaring; 1.
- Overwegende dat de verzoekende partij zich op 26 februari 2007 een vierde maal vluchteling verklaart; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 20 maart 2008 beslist tot weigering van de vluchtelingenstatus en weigering van de subsidiaire beschermingsstatus; Overwegende dat de verzoekende partij op 11 april 2008 tegen die weigeringsbeslissing beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aantekent; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep met een arrest van 3 juli 2008 verwerpt; dat dit het bestreden arrest is; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste onderdeel van het enige middel onder mee de schending van de rechten van verdediging en van het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit” opwerpt; dat zij daarin onder meer aanvoert dat haar beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met het bestreden arrest niet- XIV-30.528-2/5 ontvankelijk wordt verklaard wegens het ontbreken van het wettelijk vereist rechtmatig belang, dat het voornoemd algemeen rechtsbeginsel afkomstig is uit het verbintenissenrecht en verbiedt bedrog of oneerlijkheid aan te wenden met de bedoeling schade te berokkenen of winst te behalen, dat het zogenaamde bedrog te dezen enkel de naam van de verzoekende partij en het indienen van een eerdere asielaanvraag in Nederland betreft, dat het in ieder geval geen elementen betreft die al dan niet tot de erkenning als vluchteling zouden kunnen leiden, dat de verzoekende partij in het kader van de huidige procedure nooit bedrog heeft gepleegd en dat zij een rechtmatig belang heeft om deze asielaanvraag en de procedure tot het einde verder te zetten en uiteen te zetten welke elementen een rol hebben gespeeld in de zeer complexe voorgeschiedenis ervan; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord betreffende het eerste onderdeel in essentie stelt dat het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit” ook op het asielrecht van toepassing is en niet enkel wanneer een in geld evalueerbaar voordeel voorhanden is, dat het wettige karakter van het belang wordt aangetast wanneer de verzoekende partij de Belgische asielinstanties bewust misleidt met een bedrieglijke handelwijze om de erkenning als vluchteling of de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus te verkrijgen, dat het hanteren van verschillende identiteiten, het gebruiken van vervalste identiteitsstukken, het verzwijgen van een asielaanvraag in een ander land en het hanteren van een afwijkend asielrelaas de toekenning van de vluchtelingenstatus in de weg staan, dat een asielzoeker een medewerkingsplicht heeft en door het afleggen van geloofwaardige verklaringen en het indienen van originele documenten de asielinstanties moet toelaten zich een beeld te vormen van de omstandigheden die er hem toe hebben aangezet zijn land te verlaten, dat de verzoekende partij nog steeds niet haar ware identiteit met officiële documenten aantoont doch enkel een kopie van haar identiteitsboekje heeft overgelegd en dat zij in het kader van haar asielaanvragen in Nederland nooit melding heeft gemaakt van het feit dat zij een druggebruiker was en in de gevangenis in Iran verslaafd raakte; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij het middel in de memorie van wederantwoord herhaalt en in wezen enkel toevoegt dat het eisen van officiële identiteitsdo- cumenten als kandidaat-vluchteling niet pertinent is; 2.
- Overwegende dat het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit” er niet aan in de weg staat dat een vreemdeling, ten overstaan van wie door de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus en/of van de subsidiaire beschermingsstatus is genomen, over het XIV-30.528-3/5 vereiste belang beschikt om die beslissing met een beroep bij de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen aan te vechten, tenzij zou blijken dat dit laatste beroep zelf door bedrog is aangetast; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in zijn onderzoek van de gegrondheid van het beroep zowel een asielaanvraag als een verzoek om toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus onder meer omwille van de bedrieglijkheid ervan kan weigeren; dat de eventuele ongegrondheid van het beroep bij de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen echter niet volstaat om dat beroep als niet-ontvankelijk omwille van het voornoemd algemeen rechtsbeginsel te beschouwen en om geen uitspraak te doen over de erkenning als vluchteling en over de subsidiaire beschermingsstatus; dat het middel in die mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het arrest nr. 13.632 van 3 juli 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
- Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Artikel
- De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XIV-30.528-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenen- twintig december tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-30.528-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.291 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.