← België

Arrest 199322 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/12/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.322 Rolnummer: A. 190363/XIV-30808 Zaak: Arrest 199322 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-15 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 04:06 Fiche Arrest nr 199.322 van 29 december 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 199.322 van 29 december 2009 in de zaak A. 190.363/XIV-30.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat V. VEREECKE, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Elf Julistraat 32 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Migratie- en Asielbeleid, thans de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraakse nationaliteit, op 17 november 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 17.284 van 17 oktober 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 3787 van 8 januari 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 6 juli 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 oktober 2009; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-30.808-1/10 Gehoord de opmerkingen van advocaat M. LOOSVELT, die loco advocaat V. VEREECKE verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.
  2. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste maal België binnenkomt op 28 september 2005 en zich op 29 september 2005 een eerste maal vluchteling verklaart; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 11 januari 2006 beslist tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten; Overwegende dat de verzoekende partij een tweede maal België binnenkomt op 7 juni 2006 en zich op 8 juni 2006 een tweede maal vluchteling verklaart; dat de verzoekende partij op 8 juni 2006 afstand doet van haar asielaanvraag en dat op dezelfde dag een bevel om het grondgebied te verlaten aan de verzoekende partij ter kennis wordt gebracht; Overwegende dat de verzoekende partij een derde maal België binnenkomt op 22 september 2006 en zich op 25 september 2006 een derde maal vluchteling verklaart; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 29 september 2006 beslist tot weigering tot in overwegingname van een vluchtelingenverklaring met bevel om het grondgebied te verlaten; Overwegende dat op 11 april 2007 een bevel om het grondgebied te verlaten aan de verzoekende partij ter kennis wordt gebracht; 1.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij een vierde maal België binnenkomt op 17 juli 2007 en zich op 18 juli 2007 een vierde maal vluchteling verklaart; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 19 februari 2008 beslist dat de verzoekende partij niet als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) kan worden erkend en niet voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van die wet in aanmerking komt; XIV-30.808-2/10 Overwegende dat de verzoekende partij op 6 maart 2008 tegen die weigeringsbeslissing beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aantekent; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep met een arrest van 28 mei 2008 verwerpt; dat dit arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met ‘s Raads arrest nr. 191.586 van 18 maart 2009 wordt vernietigd; 1.
  4. Overwegende dat op 20 juni 2008 een bevel om het grondgebied te verlaten aan de verzoekende partij ter kennis wordt gebracht; Overwegende dat de verzoekende partij op 19 juli 2008 tegen dit bevel beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aantekent; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep met een arrest van 17 oktober 2008 verwerpt; dat dit het thans bestreden arrest is; 2.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Schending van artikel 149 van de gecoördineerde grondwet, artikel 7, 39/56, 39/70 en 52/3 wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en artikel 73 en 75 §1-2 koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen, Aangevochten beslissing: In het arrest nr. 17.284 van 17 oktober 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wordt het beroep van verzoeker verworpen overwegende: "Verwerende partij werpt op da de vordering niet ontvankelijk is daar verzoeker het vereiste belang ontbeert. Verzoeker getuigt van het rechtens vereiste belang indien de eventuele tussen te komen vernietiging van de bestreden beslissing hem een direct en persoonlijk voordeel verschaft. Een eventuele vernietiging van het thans bestreden bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, belet echter niet dat verzoeker onder de gelding valt van eerdere bevelen om het grondgebied te verlaten, met name het bevel van 11 januari 2006, van 8 juni 2006 en 11 april
  6. Deze bevel zijn ondertussen definitief geworden en kunnen door de verwerende partij nog steeds worden uitgevoerd. Verzoeker zou hieraan derhalve vooralsnog gevolg dienen te geven. De gevorderde vernietiging kan bijgevolg geen nuttig effect sorteren zodat verzoeker niet getuigt van het rechtens vereiste belang (RvS 19 april 2007, nr. 170.162). Het beroep tot nietigverklaring is onontvankelijk". Dit zijn de overwegingen waarop de bestreden beslissing is gesteund. Grieven: De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verklaart het beroep onontvankelijk bij gebrek aan belang, zeggende dat een eventuele vernietiging van het bestreden bevel van 20 juni 2008, geen afbreuk doet aan het feit dat de definitief geworden bevelen van 11 januari 20U, á juni MU en 11 april 2007 ook dan nog uitvoerbaar blijven, Terwijl de bevelen van 11 januari 2006, 8 juni 2006 en 11 april 2007 genomen in uitvoering van artikel 7 wet 15 december 1980, werden uitgevoerd doordat verzoeker telkens het grondgebied van het Rijk heeft verlaten waardoor deze bevelen hun gelding hadden verloren toen de asielaanvraag van 18 juli 2007 in onderzoek werd genomen, XIV-30.808-3/10 Zodat het bestreden arrest de aangevoerde bepalingen schendt. Toelichting. Verzoeker had vóór 18 juli 2007 reeds drie asielaanvragen ingediend. Telkens werd de asielaanvraag afgewezen, waarbij de gemachtigde van de minister respectievelijk op 11 januari 2006, 8 juni 2006 en 11 april 2007 een bevel om het grondgebied te verlaten heeft uitgevaar- digd. Uit het feitenrelaas weergegeven in het bestreden arrest blijkt voldoende dat verzoeker ook telkens effectief het grondgebied van het Rijk (vrijwillig) heeft verlaten, ook na 11 april 2007, en dus uitvoering heeft gegeven aan de respectievelijk bevelen. Daardoor hebben deze bevelen hun gelding verloren. Een bevel het grondgebied te verlaten moet onderscheiden worden van een beslissing tot terugwijziging of uitzetting, waarvoor artikel 26 Vr.W. bepaalt: "De terugwijzing- of uitzettingsbesluiten leggen verbod op gedurende tien jaar het Rijk binnen te komen, tenzij ze opgeschort of ingetrokken zijn." A contrario valt hieruit af te leiden dat een vreemdeling die vrijwillig gevolg geeft aan een bevel het grondgebied te verlaten, hierdoor niet het verbod heeft om in de toekomst terug te komen. Dit is a fortiori het geval aangezien verzoeker niet vrijwillig is teruggekeerd, doch door de Duitse autoriteiten op 17 juli 2008 aan de Belgische autoriteiten werd overgedragen in uitvoering van de Dublin-verordening. Verzoeker diende blijkbaar op 18 juli 2008 een nieuwe asielaanvraag in. De minister of diens gemachtigde maakte geen toepassing van de mogelijkheid om de asielaanvraag niet in aanmerking te nemen bij gebrek aan nieuwe gegevens, zoals voorzien in artikel 51/8 Vr.W., waarna het dossier werd overgemaakt aan de commissaris-generaal voor verder onderzoek. Artikel 72bis Vr.KB. bepaalt: "De vreemdeling die zich aan de grens aanmeldt zonder in het bezit te zijn van de vereiste documenten, die bij de met grenscontrole belaste overheden een asielaanvraag indient en aan wie de toegang tot het grondgebied niet geweigerd is, wordt gemachtigd het Rijk binnen te komen en er te verblijven tot over zijn asielaanvraag beslist is". (eigen onderlijning) Binnen de 8 dagen moet de vreemdeling zich aanmelden bij het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats en wordt hem een attest van immatriculatie, model A, afgeleverd (artikel 74 §1 Vr.KB), dat systematisch verlengd wordt om het verblijf te dekken tot over de aanvraag is beschikt (artikel 75 §1 Vr.KB). Kortom, verzoeker was gemachtigd tot verblijf in het Rijk. Artikel 75 §2 vervolledigt: "Indien de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen de vluchtelingen- status weigert te erkennen en de subsidiaire beschermingsstatus weigert toe te kennen aan een vreemdeling, geeft de minister of zijn gemachtigde, overeenkomstig artikel 52/3, § 1, van de wet, aan de betrokkene een bevel om het grondgebied te verlaten. Onverminderd de opschortende werking bedoeld bij artikel 39/70, van de wet, worden de beslissingen van de Minister of van diens gemachtigde door middel van een document overeenkomstig het model van bijlage 13Quinquies betekend". Uit dit artikel blijkt duidelijk dat een weigeringsbeslissing in de asielprocedure, niet automatisch de verblijfstoelating doet vervallen. Dit kan tevens afgeleid worden uit artikel 7 Vr.W. op basis waarvan het bestreden bevel is genomen, en dat stelt: "Onverminderd de meer voordelige bepalingen vervat in een internationaal verdrag, kan de Minister of zijn gemachtigde de vreemdeling die noch gemachtigd, noch toegelaten is tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk of om er zich te vestigen, bevel geven het grondgebied vóór een bepaalde datum te verlaten (...)". (eigen onderlijning) Hieruit blijkt dat de Minister in bepaalde gevallen een bevel kan afleveren, doch daartoe niet verplicht is. Wanneer de aflevering van een bevel onverenigbaar zou zijn met artikel 3 EVRM, zou de Minister of zijn gemachtigde zich zelfs moeten onthouden van uitvaardiging van dergelijk bevel. In casu heeft verzoeker zich verzet tegen de uitvaardiging van het bevel, uitgerekend omdat het onverenigbaar zou zijn met artikel 3 EVRM. XIV-30.808-4/10 Aannemen dat de vroegere bevel verder uitvoerbaar blijven, zou betekenen dat de Minister of zijn gemachtigde nooit nog rekening kan houden met gewijzigde omstandigheden, en zou tevens de bepaling van artikel 7 Vr.W. inhoudloos maken. Hoe dan ook, het is steeds aan de minister of zijn gemachtigde om te beoordelen indien zij een bevel uitvaardigen en de vreemdeling bevel geven om binnen een bepaalde periode, in casu 15 dagen, het grondgebied te verlaten. Aan verzoeker werd het bedoelde bevel om het grondgebied te verlaten, model 13 quinquies uitgevaardigd op 20 juni 2008 met bevel om binnen de 15 dagen het grondgebied van het Rijk te verlaten. Door dit bevel kwam een einde aan de toelating tot verblijf, zodat bij een vernietiging van het bevel de toelating om te verblijven op het grondgebied van het Rijk herleeft. Minstens wordt door het bevel de precaire verblijfstitel omgezet in een toestand van illegaliteit. Hoedanook, de eerdere bevelen van 11 januari 2006, 8 juni 2006 en 11 april 2007 zijn alleszins niet meer uitvoerbaar aangezien zij werden opgevolgd door verzoeker, zodat de aangenomen exceptie gebaseerd is onjuiste gegevens, minstens faalt naar recht.”; 2.
  7. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In een eerste middel beroept verzoeker zich op een schending van: - art. 149 van de G.W.; - de artt. 7, 39/56, 39/70 en 52/3 van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; - de artt. 73 en 75 §1-2 van het K.B. dd. 8.10.1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. In het bestreden arrest werd geoordeeld dat verzoeker geen belang heeft bij het indienen van een schorsings- en annulatieberoep: "Verzoeker getuigt van het rechtens vereiste belang indien de eventueel tussen te komen vernietiging van de bestreden beslissing hem een direct en persoonlijk voordeel verschaft. Een eventuele vernietiging van het thans bestreden bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, belet echter niet dat verzoeker onder de gelding valt van eerdere bevelen om het grondgebied te verlaten, met name het bevel van 11 januari 2006, van 8 juni 2006 en 11 april
  8. Deze bevelen zijn ondertussen definitief geworden en kunnen door de verwerende partij nog steeds worden uitgevoerd. Verzoeker zou hieraan derhalve vooralsnog gevolg dienen te geven. De gevorderde vernietiging kan bijgevolg geen nuttig effect sorteren zodat verzoeker niet getuigt van het rechtens vereiste belang (RvS 19 april 2007, nr. 170.162). Het beroep tot nietigverklaring is onontvankelijk." Verzoekers betoog is hierop gesteund dat hij na elk van de bevelen om het grondgebied te verlaten dd. 11 januari 2006, 8 juni 2006 en 11 april 2007 het grondgebied van het Rijk heeft verlaten waardoor deze bevelen hun gelding zouden hebben verloren. De toelichting van verzoekers middel gaat daarbij uit van de foute premisse dat verzoeker telkens uitvoering zou hebben gegeven aan de bevelen om het grondgebied te verlaten dd. 11 januari 2006, 8 juni 2006 en 11 april 2007, quod non. Immers werd aan verzoeker op 11 januari 2006, 8 juni 2006 en 11 april 2007 bevel gegeven om het grondgebied te verlaten van België "evenals het grondgebied van de volgende Staten: Duitsland, Frankrijk, Luxemburg, Nederland, Portugal, Spanje, Italië, Griekenland, Noorwegen, Zweden, IJsland, Finland, Denemarken en Oostenrijk". Terwijl zoals blijkt uit het administratief dossier, verzoeker: - na het bevel dd. 11 januari 2006, werd aangetroffen in Zweden; - na het bevel dd. 8 juni 2006, werd aangetroffen in Zweden; - na het bevel dd. 11 april 2007, werd aangetroffen in Duitsland, zodat verzoeker geenszins uitvoering heeft gegeven aan de bevelen om het grondgebied te verlaten. XIV-30.808-5/10 Deze vaststellingen werden ook in het bestreden arrest, op p. 2, gedaan, zonder er op enigerlei wijze te worden tegengesproken of in twijfel te worden getrokken, en vermogen als zodanig ook in graad van administratieve cassatie te worden vastgesteld. Dat aan verzoeker op 11 januari 2006, 8 juni 2006 en 11 april 2007 telkens bevel werd gegeven om het grondgebied te verlaten van België "evenals het grondgebied van de volgende Staten: Duitsland, Frankrijk, Luxemburg, Nederland, Portugal, Spanje, Italië, Griekenland, Noorwegen, Zweden, Ijsland, Finland, Denemarken en Oostenrijk", vermag eveneens in graad van administratieve cassatie te worden vastgesteld, zoals blijkt uit de als bijlagen bij onderhavige memorie van antwoord gevoegde stukken 1 t.e.m. 3, te weten de kwestieuze bevelen om het grondgebied te verlaten dd. 11 januari 2006, 8 juni 2006 en 11 april
  9. De bedoelde stukken maakten deel uit van het administratief dossier dat met toepassing van art. 39/59, § 1, eerste lid, Vreemdelingenwet aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is toegezonden en worden voor zoveel als nodig door de advocaat van de verwerende partij, eensluidend verklaard met de exemplaren van het genoemde dossier. Aldus heeft verzoeker nooit uitvoering gegeven aan de diverse bevelen om het grondgebied te verlaten, zodat de rechter in vreemdelingenzaken geheel terecht vermocht te oordelen dat deze bevelen nog steeds kunnen worden uitgevoerd. Verzoekers middel is derhalve integraal gesteund op een foutieve premisse en kan niet worden aangenomen. Terwijl verzoekers beschouwingen voor het overige falen naar recht. Verzoeker verwijst naar art. 72bis van het K.B. dd. 8.10.1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, dat bepaalt (eerste lid): "De vreemdeling die zich aan de grens aanmeldt zonder in het bezit te zijn van de vereiste documenten, die bij de met grenscontrole belaste overheden een asielaanvraag indient en aan wie de toegang tot het grondgebied niet geweigerd is, wordt gemachtigd het Rijk binnen te komen en er te verblijven tot over zijn asielaanvraag beslist is." (onderlijning toegevoegd) Hij verwijst verder naar art. 75 §2 van het K.B. dd. 8.10.1981, dat luidt: “§2 - Indien de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen de vluchtelingenstatus weigert te erkennen en de subsidiaire beschermingsstatus weigert toe te kennen aan een vreemdeling, geeft de minister of zijn gemachtigde, overeenkomstig artikel 52/3, §1, van de wet, aan de betrokkene een bevel om het grondgebied te verlaten. Onverminderd de opschortende werking bedoeld bij artikel 39/70, van de wet, worden de beslissingen van de Minister of van diens gemachtigde door middel van een document overeenkomstig het model van bijlage 13Quinquies betekend. De documenten die aan de vreemdeling afgegeven werden op het ogenblik dat hij een asielaanvraag indiende, en, in voorkomend geval, het attest van immatriculatie, worden afgenomen." (onderlijning toegevoegd) Verzoeker leidt hieruit kennelijk af dat 'een weigeringsbeslissing in de asielprocedure niet automatisch de verblijfstoelating doet vervallen'. Hij verwijst daartoe naar artikel 7 van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. De verwerende partij laat gelden dat uit de lezing van voormelde reglementaire bepalingen zeer duidelijk blijkt dat een weigeringsbeslissing in de asielprocedure ter dege automatisch de verblijfstoelating doet vervallen. Verzoekers verwijzing naar art. 7 van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen doet volstrekt niet terzake nu de bepalingen van de artikelen 72 e.v. van het K.B. dd. 8.10.1981 specifiek betrekking hebben op asielzoekers die onregelmatig het Rijk binnenkomen en er wensen te verblijven, terwijl art. 7 van de Wet een algemene bepaling betreft waarbij de Minister of zijn gemachtigde — anders dan bij toepassing van art. 75 §2 van het K.B. voormeld — kan beslissen een bevel om het grondgebied te verlaten af te leveren. Uit de inhoud van voormeld art. 75 §2 blijkt heel duidelijk dat het bevel om het grondgebied te verlaten dat wordt afgeleverd overeenkomstig het model van de bijlage 13quinquies (die de in casu initieel bestreden administratieve beslissing uitmaakt) niet meer is dan de noodzakelijke en wettelijk voorziene resultante van de beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwisting- XIV-30.808-6/10 en waarbij de vluchtelingenstatus en de subsidiaire bescherming aan verzoeker werden geweigerd. Het betreft een gebonden bevoegdheid. Dit duidelijk helemaal anders dan bij toepassing van art. 7 van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, alwaar het een discretionaire appreciatiebevoegdheid van de Minister of zijn gemachtigde betreft. Verzoekers beschouwingen falen derhalve naar recht. Uit voormelde bepalingen blijkt afdoende dat aan verzoekers verblijfsrecht, na het beëindigen van diens asielprocedure, ter dege een einde komt en dat het stellen van een einde aan dit verblijfsrecht zelfs een gebonden bevoegdheid betreft van de Minister of zijn gemachtigde. Zo ook wordt in art. 75 §2, laatste lid van het K.B. voormeld, aan de Minister of zijn gemachtigde géén appreciatiebevoegdheid terzake toegekend nopens het al dan niet afnemen van de 'documenten die aan de vreemdeling afgegeven werden op het ogenblik dat hij een asielaanvraag indiende, en, in voorkomend geval, het attest van immatriculatie'. Voormeld artikel bepaalt duidelijk dat deze documenten "worden afgenomen" en niet dat deze 'kunnen worden afgenomen'. Terwijl ook verzoekers beschouwing "aannemen dat de vroegere bevel verder uitvoerbaar blijven, zou betekenen dat de Minister of zijn gemachtigde nooit nog rekening kan houden met gewijzigde omstandigheden, en zou tevens de bepaling van art. 7 Vr. W. inhoudloos maken" geenszins kan worden aangenomen. Zo verzoeker meent dat er in zijnen hoofde sprake is van een 'gewijzigde omstandigheid' die hem zou toelaten een verblijfsrecht in het Rijk te bekomen, kan hij daartoe steeds een aanvraag indienen. Ingeval de Minister of zijn gemachtigde dan zou menen dat dergelijke omstandigheid inderdaad van aard is om aan verzoeker een verblijfsrecht toe te staan, kan dit aldus gebeuren en zou verzoeker desgevallend uiteraard niet gedwongen worden verwijderd zolang hij reglementair en in het bezit van een verblijfsmachtiging op het grondgebied zou verblijven. Dit alles uiteraard hypothetisch doch tot staving van het gegeven dat verzoekers beschouwing "aannemen dat de vroegere bevel verder uitvoerbaar blijven, zou betekenen dat de Minister of zijn gemachtigde nooit nog rekening kan houden met gewijzigde omstandigheden, en zou tevens de bepaling van art. 7 Vr. W inhoudloos maken" op niets slaat. Gelet op het voorgaande dient te worden vastgesteld dat verzoekers middel elke feitelijke en juridische grondslag mist en derhalve niet kan worden aangenomen.”; 2.
  10. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord repliceert als volgt: “Verwerende partij voert aan dat het bevel het grondgebied te verlaten slechts als uitgevoerd kan worden beschouwd nadat de vreemdeling het grondgebied van het Rijk heeft verlaten, doch tevens het grondgebied van Duitsland, Frankrijk, Luxemburg, Nederland, Portugal, Spanje, Italië, Griekenland, Noorwegen, Zweden, Ijsland, Finland, Denemarken en Oostenrijk. Volgens verwerende partij zou verzoeker weliswaar het grondgebied van België hebben verlaten, doch niet het grondgebied van respectievelijk Duitsland en Zweden, zodat het Bevel niet werd uitgevoerd. Eerst en vooral toont verwerende partij op geen enkele wijze aan dat verzoeker, voordat hij in Zweden, resp. Duitsland werd aangetroffen, niet eerst het grondgebied van de opgesomde staten zou hebben verlaten, noch vindt dele bewering op enige wijze steun in het administratief dossier, noch blijkt dit uit de stukken waarop Uw Raad vermag acht te slaan. Het betreft een louter hypothetische bewering van verwerende partij. Daarenboven duidt verwerende partij niet aan op basis van welke rechtsgrond of wettelijke bepaling, de Minister of zijn gemachtigde het recht zou hebben om een vreemdeling te bevelen het grondgebied te verlaten van een ander land dan België. Ook de wettelijke bepalingen aangehaald in de bewuste bevelen, houden geen dergelijke bevoegdheid in. Aldus kan een in België afgeleverd bevel de genoemde landen verbieden om per hypothese aan verzoeker een toelating tot verblijf te verlenen. XIV-30.808-7/10 In dezelfde zin heeft verwerende partij evenmin het recht om toelating te verlenen aan een vreemdeling om een ander land binnen te komen. De omstandigheid dat het bevel Groot-Britanië, Ierland of Zwitserland niet vermeldt, betekent niet dat hiermee toelating zou worden verleend tot toegang tot deze landen. Omgekeerd zal een vreemdeling nooit teruggeleid kunnen worden louter op grond van een bevel het grondgebied te verlaten dat zou zijn uitgevaardigd in Duitsland, Frankrijk of Italië. De vermelding van de Schengenlanden kan dan ook louter een informatieve betekenis hebben, waarmee wordt aangeduid dat hij evenmin in deze landen kan verblijven behoudens toelating daartoe. Daarenboven meent verwerende partij op grond van artikel 75 §2 K.B. 8 oktober 1981 dat de weigeringsbeslissing in een asielprocedure automatisch de verblijfstoelating (lees precaire verblijfstitel) doet vervallen. De verwijzing naar artikel 7 Vw zou volstrekt niet ter zake zijn. Artikel 75 §2 K.B. 8 oktober 1981 bepaalt: "Indien de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen de vluchelingenstatus weigert te erkennen en de subsidiaire beschermingsstatus weigert toe te kennen aan een vreemdeling, geeft de minister of zijn gemachtigde overeenkomstig artikel 52/3, § 1, van de wet, aan betrokkene een bevel om het grondgebied te verlaten". (eigen onderlijning) De wettelijke bepaling van artikel 52/3, §1 Vw waarop artikel 75 §2 K.B. 8 oktober 1981 is gebaseerd, stelt: "Indien de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen de vluchtelingenstatus weigert te erkennen of de subsidiaire beschermingsstatus weigert toe te kennen aan een vreemdeling en de vreemdeling onregelmatig in het Rijk verblijft, beslist de minister of zijn gemachtigde onverwijld dat de vreemdeling valt onder de in artikel 7, eerste lid, 1/ tot 11/ of de in artikel 27, §1 eerste lid, en §3, bedoelde gevallen (...)". (eigen onderlijning) Er kan dan ook bezwaarlijk gesteld worden dat de verwijzing naar artikel 7 Vw in casu niet ter zake zou zijn. Dit wordt ook bevestigd bij lezing van het bestreden bevel het grondgebied te verlaten (bijlage l3quinquies), dat voorwerp was van de oorspronkelijke betwisting bij de Raad voor Vreemdelingenbetwisting: "In uitvoering van artikel 7, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wordt aan de betrokkene bevel gegeven het grondgebied te verlaten binnen 15 (vijftien) dagen". (eigen onderlijning) Trouwens, het spreekt voor zich dat de Minister of zijn gemachtigde, zelfs wanneer het een gebonden bevoegdheid betreft, ook dan moet handelen met eerbiediging van de hogere wettelijke en internationale normen, en het nooit een machtiging kan inhouden om een Bevel uit te vaardigen in strijd met bijvoorbeeld artikel 3 EVRM. Volledigheidshalve wijst verzoeker erop dat zelfs wanneer in casu de Minister of zijn gemachtigde verplicht is een Bevel af te leveren, dan nog blijft de vaststelling dat de minister of zijn gemachtigde eerst een bevel moet uitvaardigen, en dat het precaire verblijfsrecht dus niet automatisch (t.t.z. zonder bevel) komt te vervallen.”; 2.
  11. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel onder meer de schending aanvoert van artikel 39/70 van de Vreemdelingenwet en van artikel 75 §2 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging, de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenbesluit); dat artikel 75, §2 van het Vreemdelingenbesluit bepaalt dat indien de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus weigert, de minister of zijn gemachtigde, overeenkomstig artikel 52, §2 van de Vreemdelingenwet, aan de betrokkene een bevel om het grondgebied te verlaten XIV-30.808-8/10 geeft; dat, onverminderd de opschortende werking bedoeld bij artikel 39/70 van de wet, de beslissingen van de minister door middel van een document overeenkomstig het model van bijlage 13quinquies worden betekend; dat artikel 39/70 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat behoudens mits toestemming van betrokkene, tijdens de voor het indienen van het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vastgestelde termijn en tijdens het onderzoek van dit beroep, ten aanzien van de vreemdeling geen enkele maatregel tot verwijdering van het grondgebied of terugdrijving gedwongen kan worden uitgevoerd; Overwegende dat het bevel om het grondgebied te verlaten van 20 juni 2008 gesteund is op de weigering van erkenning van de vluchtelingenstatus en de weigering van de subsidiaire beschermingsstatus op 28 mei 2008 door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, na beroep tegen de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat het kwestieuze arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 28 mei 2008 echter werd vernietigd met ‘s Raads arrest nr. 191.586 van 18 maart 2009; dat de rechter in vreemdelingenzaken, door niet te wachten op het arrest in cassatie van de Raad van State, het risico heeft genomen van ten onrechte het gebrek aan belang in hoofde van de verzoekende partij vast te stellen; dat, gezien de vernietiging van het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen waarop het bevel was gesteund, dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partij nog steeds over het vereiste belang beschikt bij een beroep tot nietigverklaring tegen dat bevel; dat het eerste middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  12. Vernietigd wordt het arrest nr.17.284 van 17 oktober 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
  13. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. XIV-30.808-9/10 Artikel
  14. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
  15. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig december tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-30.808-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.322 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.