id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.330 Rolnummer: A. 195010/IX-6643 Zaak: Arrest 199330 - Varia (justitie) - 31/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-05 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 04:06 Fiche Arrest nr 199.330 van 31 december 2009 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 199.330 van 31 december 2009 in de zaak A. 195.010/IX-
- In zake : Sumaya MOHAMED AHMED bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Waegemans kantoor houdend te Brussel Brand Whitlocklaan 132 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stefaan Verbouwe en Francis Chaffart kantoor houdende te Brussel Tervurenlaan 270 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 24 december 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid, van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, Dienst Voogdij, van 17 december 2009 waarbij geoordeeld wordt dat Sumaya MOHAMED AHMED meerderjarig is en aldus niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 5 van titel XIII, hoofdstuk VI, van de programmawet van 24 december
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 december
- Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. IX-6643-1/14 Advocaat Pieter Waegemans, die verschijnt voor de verzoekster, en advocaat Stefaan Verbouwe, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekster Sumaya MOHAMED AHMED heeft haar thuisland Somalië ontvlucht en is in België zonder geldige reis- of identiteits- documenten aangekomen op 29 augustus 2009, waar zij asiel aangevraagd heeft. Bij haar aankomst verklaarde zij geboren te zijn op 17 juli
- De verzoekster werd aanvankelijk door het bestuur beschouwd als een niet-begeleide minderjarige. In dat kader heeft de dienst Voogdij van de FOD Justitie op 31 augustus 2009 de voogdij opgenomen en een voorlopige voogd aangeduid. 3.
- Op vraag van de Dienst Vreemdelingenzaken van 31 augustus 2009, die vaststelt dat de verzoekster over geen enkel document beschikt en ook geen ander verifieerbaar element kan overleggen “dat haar verklaarde leeftijd staaft”, beslist de dienst Voogdij dat de verzoekster een medisch onderzoek moet ondergaan om na te gaan of zij al dan niet jonger is dan 18 jaar. Het medisch deskundigenonderzoek wordt op 1 september 2009 uitgevoerd in het UZ Leuven. Er wordt besloten dat de verzoekster “met redelijke wetenschappelijke zekerheid” op 1 september 2009 een leeftijd heeft van “ouder dan 18 jaar, waarbij 20,4 jaar met een standaarddeviatie van een tweetal jaar een goede schatting is”. IX-6643-2/14 Op grond daarvan beslist de dienst Voogdij op 2 september 2009 dat de verzoekster niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 5 van de programmawet van 24 december 2002, zodat de voorlopige voogdij vervalt. 3.
- De raadsman van de verzoekster formuleert in een brief van 16 september 2009 aan de dienst Voogdij, kritiek op de beslissing van 2 september
- Hij verwijst naar de uitdrukkelijke verklaring van zijn cliënte omtrent haar geboortedatum en stelt dat de twijfel in haar voordeel moet spelen. Hij betoogt dat het bestuur zich niet mocht beperken tot een medisch onderzoek, maar dat de identificatie ook vereiste dat de bevoegde diensten de verzoekster zouden bezoeken en de “nodige psycho-sociale tests” zouden laten uitvoeren. 3.
- Bij besluit van 25 september 2009 heropent de dienst Voogdij de identificatie van de verzoekster, in essentie omdat de voorgelegde elementen de dienst tot de overtuiging brengen dat “het niet uitgesloten is dat zij minderjarig kan zijn” en het “redelijk is te twijfelen aan de uitslag van het medisch onderzoek van 1 september 2009”. De voorgelegde elementen zijn: de twijfel geuit door de voogd en de assistente van de sociale dienst omdat de verzoekster “er erg jong uitzag”, het coherent gesprek van de dienst met de verzoekster, de repliek van UZ-Leuven dat “het mogelijk is dat ze minderjarig is, doch eerder onwaarschijnlijk, maar niet uit te sluiten” en dat op basis van de testen “zij eerder geneigd zijn te zeggen dat ze meer kans heeft volwassen te zijn dan wel minderjarig”. 3.
- Op 21 oktober 2009 beslist de dienst Voogdij dat de ingewonnen informatie “niet op een afdoende wijze coherent (is) om de leeftijdsbeslissing van 2 september 2009 te weerleggen”. Omdat de wet “er niet in bestaat om aan dergelijke situaties een antwoord te bieden”, ook al worden humanitaire redenen aangevoerd, bevestigt het bestuur de beslissing van 2 september
- Die beslissing steunt op volgende gegevens: “Overwegende dat in het kader van mogelijke twijfel in dit dossier geformuleerd door de persoon die was aangewezen als voogd in het kader van de tenlasteneming; Overwegende dat mevrouw R. THIEBAUT van de VZW Hulpverlening aan ontheemden schrijft dat ‘ik niet verwonderd zou zijn - mij baserend op haar fysieke uiterlijk en op haar gedrag - dat zij minstens 18 jaar oud zou zijn (vrije vertaling)’; Overwegende dat mevrouw C. VAN EEPOEL van het Transitcentrum 127 op 30 september 2009 meedeelt: ‘als ik een leeftijd moet schatten zou ik zeggen dat ze zowel 20 jaar al 17 jaar kan zijn’; IX-6643-3/14 Overwegende dat uit het omstandig verslag dat door de dienst Fedasil werd opgesteld, er geen duidelijke aanwijzingen zijn dat mevrouw Sumaya MOHAMED AHMED minderjarig zou zijn; Overwegende dat de dienst Voogdij op 24 september 2009 Dr. G. WILLEMS van de Katholieke Universiteit Leuven heeft gevraagd het dossier te herbezien doch dat de initiële leeftijdbepaling werd behouden; Overwegende dat de enige elementen in het dossier zijn de verklaringen van de betrokkene dat zij 15,3 jaar oud zou zijn en de bevindingen van de technisch deskundige van de dienst Voogdij naar aanleiding van een onderhoud op 24 september 2009, namelijk: ‘het meisje ziet er inderdaad 15 jaar uit. Nog een heel jong gezicht en jonge huid. Ze heeft ook nog niet het typische zandloperfiguur van een vrouw. Ook wanneer ze praat komt ze jong over. Voor mij is ze minderjarig’. Overwegende dat in het kader van het hoger belang van de minderjarige, andere elementen dan de leeftijdtest in aanmerking kunnen worden genomen en dat binnen een redelijke marge, voor zover de elementen in het dossier coherent zijn; Overwegende dat in dit dossier de elementen die aanwezig zijn niet op een afdoende wijze coherent zijn om de leeftijdbeslissing van 2 september 2009 van de dienst Voogdij te weerleggen”. 3.
- Met zijn arrest nr. 197.611 van 4 november 2009 schorst de Raad van State volgens de procedure bij hoogdringendheid de beslissing van 21 oktober
- Een aantal elementen brengen de Raad van State tot het besluit dat er twijfel bestond over de uitslag van het medisch onderzoek en dat de verwerende partij mogelijk in toepassing van artikel 7, §3, van Titel XIII, hoofdstuk VI, van de Programmawet van 24 december 2002 (hierna: de programmawet van 24 december 2002) rekening had moeten houden “met de jongste leeftijd”. 3.
- Op 12 november 2009 verwerpt het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen de asielaanvraag van de verzoekster, maar verleent zij haar de subsidiaire bescherming bedoeld in artikel 48/4 van de vreemdelingenwet. Die beslissing is volgens de verklaring van de verwerende partij niet bestreden. 3.
- Op 19 november 2009 trekt de verwerende partij, als gevolg van het schorsingarrest, haar besluit van 21 oktober 2009 in. Zij beslist een nieuw medisch leeftijdsonderzoek te laten uitvoeren, maar nu door het kinderziekenhuis van het UZ-Brussel. Het deskundigenverslag van 8 december 2009 besluit dat “met een redelijke wetenschappelijke zekerheid (besloten kan worden) dat op datum van 03/12/2009 de leeftijd op 22.11 jaar kan geschat worden met een standaarddeviatie van 1.7 jaar”. IX-6643-4/14 3.
- Op 17 december 2009 neemt de dienst Voogdij dan de thans bestreden beslissing, waarbij de verzoekster niet als een niet-begeleide minderjarige beschouwd wordt, zodat de plaatsing onder de hoede van de dienst Voogdij vervalt en een einde komt aan de voorlopige voogdij die over haar was bevolen. Het besluit bevat volgende dragende overwegingen: “Gelet op de brief van 19 november 2009 van de Dienst Voogdij waarbij mevrouw Sumaya MOHAMED AHMED werd uitgenodigd voor een nieuw medisch leeftijdsonderzoek op 26 november 2009, welke afspraak vervolgens werd verplaatst naar 3 december 2009; Overwegende dat het tweede medisch onderzoek op 3 december 2009 werd uitgevoerd door het Universitair Ziekenhuis Brussel, Kinderziekenhuis, Kinderendocrinologie - Groeistoornissen - Lipidenstoornissen, Laarbeeklaan 101, 1090 Brussel, om na te gaan of mevrouw Sumaya MOHAMED AHMED al dan niet jonger is dan 18 jaar; Overwegende dat de conclusie van het medisch onderzoek als volgt luidt: ‘op basis van het voorgaande onderzoek kunnen we besluiten met een redelijke wetenschappelijke zekerheid dat bij Sumaya MOHAMED AHMED op datum van 03/12/2009 de leeftijd op 22.11 kan geschat worden met een standaarddeviatie van 1.7 jaar’; Overwegende dat dit medisch onderzoek het resultaat van het eerste medisch onderzoek, uitgevoerd op 1 september 2009 door het Universitair Ziekenhuis St-Rafaël (KU Leuven), Faculteit Geneeskunde, Departement Tandheelkunde, Capucijnenvoer 7, 3000 Leuven, bevestigt, met name dat de betrokkene meerderjarig is; Overwegende dat uit het medisch onderzoek van 3 december 2009 blijkt dat mevrouw Sumaya MOHAMED AHMED rekening houdende met de jongste leeftijd voortvloeiend uit voormeld medisch onderzoek meer dan 18 jaar oud is, met name minstens 20,41 jaar oud”. Het besluit is met een brief van 18 december 2009 ter kennis van de verzoekster gebracht. Zij heeft er op 24 december 2009 de onderhavige vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid tegen ingesteld. 3.
- In een e-mail van 22 december 2009 aan het bestuur beklaagt de voormalige voogd van de verzoekster zich over het feit dat de voogdij beëindigd wordt. Hij blijft de vaststelling van haar ‘(beender)leeftijd' betwijfelen en benadrukt dat de verzoekster in een uiterst kwetsbare situatie belandt. IV. Onderzoek van de vordering
- Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten IX-6643-5/14 beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is. Ernst van de middelen
- Eerste middel Standpunt van de partijen
- De verzoekster voert de schending aan van artikel 7 van de programmawet van 24 december
- Zij herneemt integraal het middel aangevoerd in het verzoekschrift dat geleid heeft tot het arrest nr. 197.611, waarin zij in essentie uiteenzette dat het medisch onderzoek door de geneesheer van de KU-Leuven zelf twijfel liet bestaan over de leeftijd van de verzoekster, dat de dienst Voogdij dat zelf had toegegeven en dat er bijgevolg rekening gehouden moest worden met “de jongste leeftijd”, zeker nu de dienst geen bijkomende psycho-affectieve tests gevraagd heeft en nog andere gegevens twijfel doen rijzen bij de conclusies van de geneesheer. Zij wijst er nu voorts op dat ook de Raad van State, door aan te nemen dat het verslag zelf en een aantal externe elementen twijfel lieten bestaan over “de uitslag van het medisch onderzoek”, van oordeel was dat het medisch rapport op zich niet volstond om tot de meerderjarigheid van de verzoekster te besluiten. Bij het overdoen van haar beslissing heeft de verwerende partij opnieuw het medisch rapport als doorslaggevend beschouwd; zij heeft geen aandacht gehad voor de “andere elementen” die de Raad van State had aangewezen en is derhalve niet tegemoet gekomen aan de kritiek van de Raad, die betrekking had op “de onzekerheid van de driestappentest afgenomen op 1 september 2009”. Zij brengt onder de aandacht dat de twee medische rapporten die nu voorliggen nog steeds verschillende resultaten bevatten en dat de testen bijgevolg “niet voldoende duidelijk maken dat de verzoekster meerderjarig zou zijn”. Zij besluit dat de verschillen in de testen zelf en “de verschillende eenduidige verklaringen en elementen anderzijds” niet kunnen doen besluiten tot de meerderjarigheid van de verzoekster. In ieder geval blijkt uit beide onderzoeken dat de verzoekster volgens één van de testen minderjarig is, zodat met die laagste leeftijd van de verzoekster rekening gehouden moest worden. IX-6643-6/14
- De verwerende partij acht het middel niet ernstig. Zij zet uiteen dat de dienst Voogdij, wanneer twijfel bestaat over de leeftijd van een persoon, een medisch onderzoek moet laten uitvoeren om zijn leeftijd vast te stellen. De onderzoeken die in dit geval uitgevoerd zijn, gebeurden met toepassing van de meest betrouwbare methodes die in de huidige stand van de wetenschap voorhanden zijn en er wordt naar relevante literatuur verwezen. De verzoekster bekritiseert de testen en vraagt wel een nieuw onderzoek, maar geeft verder geen verduidelijking of legt zelf geen verslag voor dat tegen de twee deskundigenverslagen ingaat. De verslagen verwijzen in hun conclusie naar een ‘redelijke wetenschappelijke zekerheid’ omdat het onderzoek niet volgens een wiskundige formule verloopt en er geen mathematische zekerheid gewaarborgd wordt. De belangen van de minderjarige zijn gewaarborgd doordat het bestuur verplicht wordt rekening te houden met de jongste leeftijd die het geneeskundig verslag aanwijst. Beide geneeskundige verslagen besluiten in dit geval tot de meerderjarigheid. De verwerende partij heeft zich aldus geheel naar de wet gedragen, waarin het medisch onderzoek het doorslaggevend criterium vormt voor de leeftijdsbepaling. Zij heeft ook rekening gehouden met de jongste leeftijd in de zin als bedoeld door de wet, te weten de benedengrens van de vork die de geneesheer in zijn verslag aangeeft. Ten onrechte stelt de verzoekster dat bij het vaststellen van ‘de jongste leeftijd’ ook rekening gehouden moet worden met andere factoren dan het geneeskundig onderzoek of dat er rekening gehouden wordt met het resultaat van een deel van het onderzoek. In tegenstelling tot de Belgische Staat, die een aantal stappen ondernomen heeft om de identiteit van de verzoekster te achterhalen, heeft de verzoekster zelf geen enkel bewijskrachtig document omtrent haar identiteit voorgelegd om haar leeftijd te bewijzen. Het uitvoeren van psycho-affectieve testen is niet verplicht en dus moet het bestuur zich niet verantwoorden voor het niet-bevelen van dergelijke tests; ook het verslag van Fedasil, waarin sprake is van een “vermoeden van vrij jonge leeftijd”, verplichtte haar daar niet toe. Beoordeling
- Artikel 7 van de programmawet van 24 december 2002 bepaalt dat, wanneer de overheid twijfelt aan de leeftijd van een persoon, de dienst Voogdij “onmiddellijk een medisch onderzoek laat uitvoeren” om na te gaan of deze persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. Het medisch onderzoek is derhalve het geëigende, door de wetgever ingestelde instrument om op wetenschappelijke gronden de leeftijd van een persoon vastgesteld te zien wanneer de gebruikelijke methodes die IX-6643-7/14 de immigratiediensten hanteren -officiële stukken die de betrokkene voorlegt, lichamelijke kenmerken, het levensverhaal van de betrokkene- nog twijfel laten over de leeftijd van een persoon (Parl. St. Kamer, stuk 2124/015 (2002-2003), p. 25). En het bestuur heeft, wanneer het expertise-onderzoek bij het bepalen van de leeftijd van de betrokkene een foutmarge vermeldt, geen beoordelingsbevoegdheid: het moet rekening houden met “de laagste leeftijd”, zulks vanuit “de bezorgdheid om de bescherming van deze categorie van bijzonder kwetsbare personen” (Parl. St., eod. loco).
- De verzoekster stelt in het middel dat de verwerende partij de wet niet correct toegepast heeft.
- De verwerende partij heeft in deze de wettelijk voorgeschreven weg gevolgd: de dienst Vreemdelingenzaken heeft twijfel geuit over de identiteit van de verzoekster en zij is daarom aan een medisch onderzoek onderworpen. Omdat de verwerende partij na het eerste medisch onderzoek twijfelde aan het resultaat en ook de Raad van State haar gewezen had op een aantal elementen die konden doen vermoeden dat de conclusie van het verslag misschien niet geheel betrouwbaar was, is bij een ander geneesheer om een tweede medisch onderzoek gevraagd. Dat nieuw onderzoek, dat onafhankelijk van het eerste gevoerd werd, concludeert opnieuw tot de meerderjarigheid van de verzoekster, ook wanneer rekening gehouden wordt met de benedengrens van de in aanmerking genomen tolerantie. De verwerende partij beschikte aldus over twee geneeskundige verslagen waaruit de meerderjarigheid van de verzoekster blijkt. Dat de deskundigen in hun verslag licht van mening verschillen over de precieze ouderdom van de verzoekster, doet niets af aan de bewijswaarde van hun beider conclusie dat de verzoekster meerderjarig is, wat het essentieel gegeven is waarover de verwerende partij de visie van een geneesheer moest krijgen om op grond daarvan de juridische positie van de verzoekster te bepalen, zoals de wet voorschrijft. Er wordt niet vereist dat het geneeskundig verslag uitsluitsel geeft over de leeftijd van de betrokkene; het bestuur moet enkel vernemen of de betrokkene 18 jaar of ouder is. Hier is de conclusie van de geneesheren duidelijk en de verwerende partij kon zich daarop steunen. De elementen die de verzoekster aanreikt hebben geen betrekking op het medisch onderzoek; zij halen de conclusies van dat onderzoek niet onderuit; afgewogen aan dat medisch onderzoek zijn het niet meer dan indrukken of subjectieve stellingnames die niet opwegen tegen de bewijswaarde van het geneeskundig onderzoek dat door de wet als het ultiem bewijsmiddel voor het bepalen van de IX-6643-8/14 leeftijd ingesteld is. De verwerende partij heeft die argumenten terecht buiten beschouwing kunnen laten. De verzoekster betwist niet dat de verslagen van de geneesheren die haar onderzocht hebben, met de vereiste deskundigheid opgesteld zijn, dit wil zeggen dat de artsen bij hun beoordeling van de objectieve gegevens die hun voorlagen rekening gehouden hebben met alle beoordelingsgegevens die in de huidige stand van de wetenschap gemeenzaam aanvaard worden. In dat licht dient dan ook de verwijzing naar een ‘redelijke wetenschappelijke zekerheid’ gelezen te worden, zonder dat daaruit afgeleid mag worden dat de geneesheren twijfelen aan hun conclusie over de meerderjarigheid van de verzoekster.
- De verzoekster verwerpt de conclusies van de geneeskundige verslagen op grond van een aantal gegevens die buiten het medisch onderzoek liggen, zoals verklaringen van personen die de verzoekster ontmoet hebben en een verklaring van een beweerd familielid in Canada. Konden die gegevens aanleiding geven tot twijfel aan het eerste medisch onderzoek, dan heeft de verwerende partij daar een correct antwoord op gegeven door de verzoekster opnieuw medisch te laten onderzoeken. In de bevestiging van de meerderjarigheid door dat onderzoek kon de verwerende partij een deugdelijke grondslag vinden om haar eerdere conclusie gestand te doen.
- De verzoekster lijkt een argument te putten uit het feit dat de geneesheer-expert in een onderdeel van de test tot het besluit komt dat zij minderjarig kan zijn. Evenzeer put zij een argument uit de vaststelling, in het KUL-onderzoek, dat de beoordeling van het orthopantomogram voorbehoud vergt omdat er geen gegevens bekend zijn “met betrekking tot de zwarte bevolking”. Deze argumenten hebben betrekking op deelaspecten van het gevoerde onderzoek en zijn niet relevant om de algemene conclusie van de geneesheren in vraag te stellen, aangezien zij die twijfel verrekend hebben in het formuleren van hun conclusie.
- De verzoekster verwijst naar de notie van de ‘jongste leeftijd’, die in geval van twijfel gehanteerd moet worden. Zij lijkt zich op het standpunt te stellen dat het systeem ook geldt buiten het medisch onderzoek om en zelfs tegen het medisch onderzoek wanneer rekening gehouden wordt met de indicaties die de betrokkene voorlegt. In acht genomen de gegevens waarop de Raad van State in de huidige stand van de rechtspleging acht kan slaan, volgt hij die redenering niet. Uit IX-6643-9/14 de parlementaire voorbereiding van de wet, zoals de verwerende partij die voorlegt, kan immers opgemaakt worden dat het begrip van de ‘jongste leeftijd’ enkel een plaats heeft binnen het geneeskundig onderzoek en met name betekent dat, wanneer de geneesheer in zijn verslag een foutmarge hanteert, het bestuur verplicht is met de benedengrens van die vork rekening te houden.
- De verzoekster wijst erop dat er geen verder onderzoek gebeurd is, hoewel het koninklijk besluit van 22 december 2003 tot uitvoering van titel XIII, hoofdstuk 6 van de programmawet van 24 december 2002 voorziet in de mogelijkheid om psycho-affectieve tests af te nemen. Daaromtrent weze opgemerkt dat in de mogelijkheid van deze testen wordt voorzien als een onderdeel van het medisch onderzoek, dat de verzoekster zelf niet om dergelijk onderzoek gevraagd heeft en dat de geneesheer-expert voor het formuleren van zijn conclusie omtrent de meerderjarigheid van de verzoekster het ook niet nodig geacht heeft om over dergelijke testen te beschikken. Niets belette overigens de verzoekster, zeker nu het om een heronderzoek ging en zij de mogelijkheid had om een overtuigend verweer op te zetten, om zelf deze testen te laten uitvoeren en daarmee de geneesheer-expert te overtuigen.
- In dit geval heeft de verwerende partij gehandeld overeenkomstig de voorschriften van de wet: omdat het bestuur twijfel uitte over de leeftijd van de verzoekster is een geneeskundig onderzoek bevolen; omdat het bestuur op grond van de hem voorgelegde gegevens vervolgens twijfelde aan de accuraatheid van het medisch onderzoek, heeft het een tweede onderzoek bevolen; ook dat onderzoek komt tot de bevinding dat de verzoekster meerderjarig is, zelfs met inachtneming van de foutmarge die de geneesheer in zijn beoordeling betrokken heeft. De verwerende partij heeft op grond van die conclusie de juridische situatie van de verzoekster bepaald; zij heeft de wet nageleefd. Het middel is niet ernstig.
- Tweede middel Standpunt van de partijen
- De verzoekster voert de schending aan van artikel 2, tweede lid, van de programmawet van 24 december 2002, dat het bestuur verplicht om bij iedere beslissing die op een minderjarige betrekking heeft altijd zijn belangen voorop te stellen. Zij stelt dat in dit geval haar ‘rechten’ niet doorslaggevend zijn geweest bij IX-6643-10/14 de behandeling van haar probleem door de dienst Voogdij: uit verschillende verklaringen blijkt dat zij zeer kwetsbaar is en begeleiding behoeft. Wegens de twijfel die in dit dossier bestaat, miskent de bestreden beslissing de aanspraken die zij internationaalrechtelijk mag doen gelden.
- De verwerende partij antwoordt dat zij niet begrijpt op welke wijze de bestreden beslissing de in het middel aangehaalde wetsbepaling miskent en dat de bestreden beslissing het resultaat is van zorgvuldig en omzichtig handelen van de dienst Voogdij. Het onderzoek van de KUL-expert is bevestigd door een ander onderzoek en er zijn geen andere elementen aanwezig waaruit onomstotelijk blijkt dat de conclusie van de geneesheer manifest verkeerd zou zijn. Beoordeling
- Bij de bespreking van het eerste middel is aangenomen dat de verwerende partij de wet correct toegepast heeft en dat zij met de gegevens waarover zij beschikte de verzoekster met toepassing van artikel 7 van de programmawet van 24 december 2002 terecht als meerderjarig aangemerkt heeft. Door het bevelen van een nieuw geneeskundig onderzoek heeft de verwerende partij de belangen van de verzoekster ten volle gerespecteerd. Het middel is niet ernstig.
- Derde middel Standpunt van de partijen
- De verzoekster voert de schending aan van artikel 149 van de grondwet en van de formele motiveringswet van 29 juli
- Zij stelt dat het bestreden besluit enkel steunt op medische testen en niet verwijst naar andere elementen van het dossier die deze rapporten tegenspreken, met name de verschillende verklaringen die in het dossier werden genoteerd. Het besluit verduidelijkt ook niet waarom het bestuur meent zich te kunnen beperken tot de resultaten van de medische onderzoeken.
- De verwerende partij antwoordt dat de bestreden beslissing verwijst naar de toepasselijke regelgeving en de resultaten van het medisch onderzoek. Het bestuur heeft rekening gehouden met alle elementen die hem bekend IX-6643-11/14 waren, maar omdat uit het tweede medisch onderzoek gebleken is dat de verzoekster meerderjarig is, moest de dienst Voogdij zich daarnaar gedragen. Beoordeling
- Het bestreden besluit verwijst naar de toepasselijke regelgeving en naar de antecedenten in dit dossier, om vervolgens te stellen dat een tweede medisch onderzoek bevolen werd en dat de conclusie van dat onderzoek het eerste onderzoek bevestigt, zodat de verzoekster meerderjarig is. Die uiteenzetting onderbouwt terdege de bestreden beslissing, zonder dat de verwerende partij nog expliciet de argumentatie van de verzoekster aangaande de verklaringen die ten haren gunste spraken diende te weerleggen. In dat verband weze overigens opgemerkt dat de bestreden beslissing geen jurisdictionele beslissing is waarop artikel 149 van de Grondwet van toepassing is, maar dat het uitgaat van een orgaan van het actief bestuur en het in het licht van de formele motiveringswet volstaat dat de betrokkene in het besluit zelf kan lezen waarom die bepaalde beslissing genomen is. Dat is hier het geval: de beslissing steunt op het geneeskundig onderzoek. Het middel is niet ernstig.
- Vierde middel Standpunt van de partijen
- De verzoekster voert de schending aan van het redelijkheids- beginsel doordat de verwerende partij nagelaten heeft een ‘psychosociaal of gerelateerd’ onderzoek te voeren. De reglementering liet dit nochtans toe. Door zich te beperken tot een nieuw medisch onderzoek heeft de verwerende partij onzorgvuldig gehandeld.
- De verwerende partij stelt dat de Raad van State slechts een marginaal toetsingsrecht heeft op de schending van het redelijkheidsbeginsel. De verzoekster heeft niet gevraagd om een psycho-sociaal onderzoek en zij heeft zelf ook geen initiatief daaromtrent genomen. De verwerende partij heeft voorts het schorsingarrest correct nageleefd door een nieuw geneeskundig onderzoek te gelasten en zij heeft op grond van de uitslag daarvan, dat zij verplicht moet naleven, de bestreden beslissing genomen. IX-6643-12/14 Beoordeling
- De verwerende partij beschikt bij het beoordelen van de minderjarigheid van een persoon over geen beoordelingsvrijheid: op grond van de voorliggende gegevens moet zij uitmaken of de betrokkene minderjarig of meerderjarig is. De beslissing steunt op deugdelijke gronden of niet; afhankelijk van die beoordeling neemt het bestuur de ene of de andere beslissing, zonder mogelijk alternatief. De vraag naar de redelijkheid van de genomen beslissing stelt zich derhalve niet.
- De verwerende partij was er reglementair niet toe verplicht om een psychosociaal onderzoek te laten uitvoeren. Zij heeft zich gesteund op het medisch onderzoek, waarin evenmin aangedrongen werd op dergelijk bijkomend onderzoek. Zij heeft de weg gevolgd die de wet voorschrijft en heeft haar beslissing zelfs laten voorafgaan door een bijkomend geneeskundig onderzoek dat zonder voorbehoud de leeftijd van de verzoekster bepaalt, om zich vervolgens op de resultaten van dat onderzoek te verlaten, zoals de wet voorschrijft. Er kan aan het bestuur geen onzorgvuldig handelen verweten worden. Het middel is niet ernstig.
- Geen van de door de verzoekster aangevoerde middelen zijn ernstig. Hieruit volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 175 euro. IX-6643-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 31 december 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, met bijstand van Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-6643-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.330 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.