id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 06 januari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ORD.3.714 Rolnummer: A. 190722/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 3714 - Varia (justitie) - 06/01/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-01-23 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-06-29 12:36 Fiche Beschikking nr 3.714 van 6 januari 2009 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING INZAKE DE TOELAATBAARHEID VAN EEN CASSATIEBEROEP nr. 3714 van 6 januari 2009 in de zaak G/A 190.
- In zake : Inge VAN DEN BOSSCHE, die woonplaats kiest bij advocaat V. LAURENT, kantoor houdende te BRUSSEL, Guido van Arezzoplein 17/4 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Inge VAN DEN BOSSCHE op 4 december 2008 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders van 21 oktober 2008; Gelet op artikel 20, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en op de artikelen 7 tot 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State; Gelet op de ontvangst, op 23 december 2008, van het dossier van de zaak; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 190.722-1/4 OVERWEEGT WAT VOLGT:
- De verzoekster heeft bij de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders een aanvraag ingediend tot het verkrijgen van een financiële hulp. De aanvraag is ingediend bij een op 22 april 2008 ter post aangetekend schrijven, dat op 23 april 2008 door de Commissie is ontvangen. De verzoekster vordert de hulp als nabestaande van R.V., overleden ten gevolge van een opzettelijke gewelddaad die op 7 november 2002 op haar gepleegd is. De daders van die gewelddaad zijn bij arrest van het Hof van Assisen van de provincie Limburg van 21 april 2005 schuldig verklaard en veroordeeld. Bij een tweede arrest van dezelfde dag heeft het hof van assisen ook uitspraak gedaan over de burgerlijke belangen, en de daders veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan onder meer de verzoekster. De Commissie verklaart het verzoek onontvankelijk, op grond dat het is ingediend buiten de termijn van drie jaar, bedoeld in artikel 31bis, § 1, 4/, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen.
- In een enig middel roept de verzoekster de schending in van artikel 375 van het Wetboek van Strafvordering. Het middel is geredigeerd als volgt: “Het verzoek is niet laattijdig neergelegd. Het arrest van het hof van assisen heeft geen [gezag van gewijsde] op 23 april 2008.” Aangenomen kan worden dat de verzoekster aan de bestreden beslissing verwijt dat ze haar verzoek tot het verkrijgen van een financiële hulp onontvankelijk verklaart op grond dat het is ingediend op 23 april 2008, dit is meer dan drie jaar na de uitspraak van het arrest van het hof van assisen, terwijl het genoemde arrest op 23 april 2008 nog geen drie jaar met het gezag van gewijsde is bekleed.
- Artikel 31bis, § 1, 4/, van de wet van 1 augustus 1985 luidt als volgt: “De financiële hulp als bedoeld in artikel 31 , 1/ tot 4/, wordt toegekend onder de volgende voorwaarden : [...] 190.722-2/4 4/ Het verzoek is binnen drie jaar ingediend. De termijn loopt, naargelang het geval, vanaf de eerste beslissing tot seponering, de beslissing van het onderzoeksgerecht, de dag waarop definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering of de dag, indien deze van latere datum is, waarop uitspraak is gedaan over de burgerlijke belangen.” Het middel is gericht tegen de bestreden beslissing in zoverre deze de dag van de uitspraak van het arrest van het hof van assisen als beginpunt van de termijn beschouwt. Volgens de verzoekster zou de termijn pas beginnen lopen vanaf de dag waarop dat arrest gezag van gewijsde heeft (lees allicht: in kracht van gewijsde is gegaan). Artikel 31bis, § 1, 4/, van de wet van 1 augustus 1985 heeft het over “de dag waarop definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering of de dag [...] waarop uitspraak is gedaan over de burgerlijke belangen”. De termijn begint dus te lopen vanaf de dag van de uitspraak van het relevante vonnis of arrest, niet vanaf de dag waarop de betrokken beslissing in kracht van gewijsde gaat. Het middel faalt kennelijk naar recht. OM DIE REDENEN BESLIST DE VOORZITTER : Artikel
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. 190.722-3/4 Aldus te Brussel verleend, op 6 januari 2009, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. 190.722-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ORD.3.714 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.