id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 17 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ORD.4.024 Rolnummer: A. 191127/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 4024 - Dienst Vreemdelingenzaken - 17/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-09 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-29 18:23 Fiche Beschikking nr 4.024 van 17 februari 2009 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 4024 van 17 februari 2009 in de zaak A. 191.
- In zake : 1.XXXXX, 2.XXXXX, die woonplaats kiezen bij advocaat H. DE PONTHIERE, kantoor houdende te 8900 IEPER, Veemarkt 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, thans de minister van Migratie- en Asielbeleid. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX en XXXXX, respectievelijk erkend staatloze en van Armeense nationaliteit, op 19 januari 2009 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 20.719 van 18 december 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op het administratief dossier, aangekomen ter griffie op 23 januari 2009; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende, met betrekking tot de voorgehouden schending van artikel 149 van de Grondwet, van artikel 9 en 9bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijde- ring van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van artikel 1.1 van het Verdrag betreffende de status van staatlozen, ondertekend te New York, op 28 september 1954, en goedgekeurd bij wet van 12 mei 1960, dat het bestreden arrest vaststelt dat de “beslissing (van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen) in alle redelijkheid en op grond van een correcte feitenvinding (...) vaststelt dat verzoeker niet aantoont dat hij de 191.127-1/3 nodige stappen heeft ondernomen teneinde de Russische nationaliteit te verkrijgen, noch om te achterhalen of hij over een verblijfsrecht beschikt in Rusland”; dat in het bestreden arrest ook wordt vermeld waarom zulks geoordeeld wordt; dat, voor het overige in het middel wordt gepoogd aan te tonen dat de motieven van het bestreden arrest niet afdoende zijn; dat dergelijk middel aldus beoogt dat de Raad van State kennis van de feiten zou nemen en de zaak opnieuw zou onderzoeken, hetgeen niet behoort tot de bevoegdheid van de administra- tieve cassatierechter; dat het middel, voor zover ontvankelijk, in die mate kennelijk ongegrond is; Overwegende dat artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.) vereist dat de verzoekende partij doet blijken dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat ze in het land waarnaar ze mag worden teruggeleid, een ernstig en reëel risico loopt om te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling; dat de bescherming verleend via artikel 3 van het E.V.R.M. immers slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing vindt; dat degene die aanvoert dat hij een dergelijk risico loopt, zijn beweringen moet staven met een begin van bewijs; dat inzonderheid een loutere bewering of eenvoudige vrees voor onmenselijke behandeling op zich niet volstaat om een inbreuk uit te maken op voornoemd artikel; dat artikel 3 van het E.V.R.M. evenmin inhoudt dat een staatloze niet van het grondgebied zou kunnen worden verwijderd; dat het middel in die mate kennelijk ongegrond is; Overwegende dat op pagina 8 en 9 van het bestreden arrest de vermeende schending van artikel 8 van het E.V.R.M. wordt besproken; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit dat “de bestreden beslissing (...) geen absoluut verbod (inhoudt) voor verzoekers om het Belgisch grondgebied binnen te komen en er te verblijven, maar (...) de aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet onontvankelijk (verklaart)” en dat de verzoekende partijen “de mogelijkheid (hebben) om terug te keren nadat ze zich in het bezit hebben gesteld van de (vereiste) documenten”; dat bovendien in het bestreden arrest gewezen wordt op de ruime appreciatiebevoegdheid die artikel 8 van het E.V.R.M. aan de minister biedt; dat het bestreden arrest aldus motiveert waarom verzoekende partijen de schending van artikel 8 van het E.V.R.M. niet aannemelijk maken; dat het bestreden arrest voldoet aan de motiveringsverplichting zoals die is voorzien in artikel 149 van de Grondwet; dat het middel in die mate kennelijk ongegrond is, BESLUIT: 191.127-2/3 Artikel
- Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op zeventien februari tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. 191.127-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ORD.4.024 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.