id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 17 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ORD.4.032 Rolnummer: A. 191323/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 4032 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 17/02/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-09 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 18:24 Fiche Beschikking nr 4.032 van 17 februari 2009 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 4032 van 17 februari 2009 in de zaak A. 191.
- In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat J. CALLEWAERT, kantoor houdende te 1210 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 55 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Russische nationaliteit, op 4 februari 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 21.326 van 9 januari 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op het administratief dossier, aangekomen ter griffie op 9 februari 2009; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1050 (E.V.R.M.) en van de artikelen 10, 11 en 149 van de Grondwet opwerpt; dat zij, kort samengevat, stelt dat de procedure van toelaatbaarheidsbeoordeling door de Raad van State strijdig is met die bepalingen; Overwegende, daargelaten de vraag of dit middel tegen het bestreden arrest is gericht en of het derhalve tot cassatie daarvan kan leiden, dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 1/2009 van 8 januari 2009 als antwoord op een prejudiciële vraag heeft geoordeeld dat artikel 20, § 3, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, 191.323-1/3 dat bepaalt dat de beschikking over de toelaatbaarheid niet wordt voorafgegaan door een terechtzitting en door niet te bepalen dat die beschikking tijdens een openbare terechtzitting wordt gewezen, niet strijdig is met de aangehaalde bepalingen van de Grondwet, al dan niet in samenhang met artikel 6 van het E.V.R.M. gelezen; dat het eerste middel, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending van artikel 39 van Richtlijn 2005/85 betreffende de minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus, in combinatie met het gelijkheidsbeginsel, opwerpt; Overwegende dat de verzoekende partij tijdig beroep had aangetekend en niet door de ingeroepen onwettigheid werd benadeeld; dat het tweede middel niet tot cassatie kan leiden;
- Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van artikel 39/76 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, (Vreemdelingenwet) opwerpt en in essentie aanvoert dat zij niet de gelegenheid heeft gehad op de repliekmemorie van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen te antwoorden noch om nieuwe elementen voor te leggen; Overwegende dat uit de stukken waarop de Raad van State vermag acht te slaan niet blijkt - en de verzoekende partij ook niet aanvoert - dat zij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de in het middel vermelde grieven betreffende de beweerde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet heeft aangevoerd, noch dat zij een antwoord op de repliekmemorie van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft willen indienen; dat artikel 39/76 van de Vreemdelingenwet wel degelijk de mogelijkheid voorziet om nieuwe gegevens voor te leggen, los van de vaststelling dat nergens uit blijkt welke nieuwe gegevens de verzoekende partij zou hebben getracht voor te leggen; dat het middel kennelijk niet-ontvankelijk is, zodat ook niet op het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen moet worden ingegaan, BESLUIT: Artikel
- Het beroep is niet toelaatbaar. 191.323-2/3 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op zeventien februari tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. 191.323-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ORD.4.032 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.