← België

Cassatiebeschikking 4078 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 04/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 04 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ORD.4.078 Rolnummer: A. 190380/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 4078 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 04/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-18 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 20:45 Fiche Beschikking nr 4.078 van 4 maart 2009 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 4078 van 4 maart 2009 in de zaak A. 190.

  1. In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat K. DASSEN, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Boomgaardstraat 93 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Afghaanse nationaliteit, op 17 november 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 17.200 van 15 oktober 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op het administratief dossier, aangekomen ter griffie op 21 november 2008; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat in het bestreden arrest wel degelijk wordt verwezen naar de door de verzoekende partij neergelegde “Afghanistan Security Update relating to Complementary Forms of Protection” van 31 maart 2008; dat de voorgehouden schending van de “bewijskracht” van die akte de beoordeling van de grond van de zaak betreft, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is; dat het eerste middel in die mate kennelijk niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij zelf voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had aangevoerd dat zij “gelet op de verslechterde veiligheidssitu- atie” niet naar het land van herkomst kan terugkeren, daar zij afkomstig is uit Jalalabad in de provincie Nangarhar, die een onveilig gebied zou zijn, en daar zij door onveilig gebied 190.380-1/3 zou moeten reizen; dat dienaangaande in het bestreden arrest wordt overwogen dat de verzoekende partij nergens aantoont dat zij door onveilig gebied zou moeten reizen, hoewel de bewijslast daartoe op haar berust; dat die vaststelling als dragend motief volstaat; dat de kritiek tegen de verdere uitwerking in het bestreden arrest over de Khyber-pas en de verwantschap tussen de Pashtun van Pashawar en die van Jalalabad, waardoor de rechten van de verdediging zouden zijn geschonden, derhalve tegen een overtollig motief is gericht; dat het tweede middel ook in die mate kennelijk niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest zijn bevoegdheid niet heeft overschreden door te stellen dat de verzoekende partij op veilige wijze naar Afghanistan kan terugkeren; dat daarmee precies een middel van de verzoekende partij wordt beantwoord; dat het tweede middel kennelijk ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij in het derde middel in wezen een nieuwe beoordeling van de grond van de zaak voorstelt, terwijl de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden; dat het derde middel kennelijk niet-ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  2. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel
  3. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. 190.380-2/3 Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op vier maart tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. 190.380-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ORD.4.078 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.