← België

Cassatiebeschikking 4080 - Dienst Vreemdelingenzaken - 04/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 04 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ORD.4.080 Rolnummer: A. 190100/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 4080 - Dienst Vreemdelingenzaken - 04/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-03-18 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 20:46 Fiche Beschikking nr 4.080 van 4 maart 2009 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 4080 van 4 maart 2009 in de zaak A. 190.

  1. In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat J. DE LIEN, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, thans de minister van Migratie- en Asielbeleid. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Servisch-Montenegrijnse nationaliteit, op 23 oktober 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 16.195 van 22 september 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op het administratief dossier, aangekomen ter griffie op 30 oktober 2008; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.
  2. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.), en van de artikelen 10, 11 en 149 van de Grondwet opwerpt; dat zij, kort samengevat, stelt dat de procedure van toelaatbaarheids- beoordeling van de cassatieberoepen door de Raad van State strijdig is met deze bepalingen; 1.
  3. Overwegende, daargelaten de vraag of dit middel gericht is tegen het bestreden arrest, en dus tot cassatie daarvan kan leiden, dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 1/2009 van 8 januari 2009 als antwoord op een prejudiciële vraag heeft geoordeeld 190.100-1/3 dat artikel 20, § 3, eerste lid, eerste zin, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat bepaalt dat de beschikking over de toelaatbaarheid niet wordt voorafgegaan door een terechtzitting en door niet te bepalen dat zij wordt gewezen tijdens een openbare terechtzitting, niet strijdig is met de aangehaalde bepalingen van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het E.V.R.M.; dat het eerste middel, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond is; 2.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel een schending van de artikelen 3, 8 en 13 van het E.V.R.M. en van artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) opwerpt; 2.
  5. Overwegende dat artikel 3, § 2, 9/, van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State voorschrijft dat het verzoekschrift een uiteenzetting van de cassatiemiddelen dient te bevatten; dat onder “middel” wordt begrepen een voldoende duidelijke omschrijving van de door de bestreden beslissing overtreden rechtsregel of rechtsprincipe en van de wijze waarop die rechtsregel of rechtsprincipe door de bestreden beslissing wordt geschonden; dat verzoekende partij niet concreet uiteenzet waar en hoe de bestreden beslissing de aangevoerde rechtsnormen schendt; dat het tweede middel kennelijk niet-ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  6. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. 190.100-2/3 Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op vier maart tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. 190.100-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ORD.4.080 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.