← België

Cassatiebeschikking 4113 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 11/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 11 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ORD.4.113 Rolnummer: A. 191617/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 4113 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 11/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-02 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 21:59 Fiche Beschikking nr 4.113 van 11 maart 2009 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 4113 van 11 maart 2009 in de zaak A. 191.

  1. In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat R. AMDOUNI, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 383 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Kameroense nationaliteit, op 26 februari 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 21.930 van 23 januari 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op het administratief dossier, aangekomen ter griffie op 4 maart 2009; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat in het bestreden arrest wordt gemotiveerd waarom geen geloof aan het asielrelaas van de verzoekende partij kan gehecht worden; dat voor het overige de verzoekende partij opwerpt dat er onterecht geen geloof wordt gehecht aan haar asielrelaas; dat dergelijk middel een heronderzoek van de feiten beoogt; dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden; dat het eerste middel, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond is; Overwegende dat in punt 4.2 van het bestreden arrest wordt gemotiveerd waarom de subsidiaire bescherming wordt geweigerd; dat de verzoekende partij aanvoert dat “de gevolgen van de concrete situatie van verzoekster zeer ingrijpend zijn”; dat ook die kritiek een heronderzoek van de feiten beoogt, waarvoor de Raad van State als 191.617-1/3 administratieve cassatierechter niet bevoegd is; dat het tweede middel, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond is; Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege jurisdictionele beslissingen uitspreekt; dat bijgevolg de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) niet van toepassing zijn op zijn beslissingen; dat het derde middel kennelijk niet-ontvankelijk is; Overwegende, daargelaten de vaststelling dat het door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geciteerde arrest nr. 184.647 van 24 juni 2008 van de Raad van State geen betrekking heeft op een beslissing houdende weigering van de subsidiaire beschermingsstatus maar op een uitsluitingsbeslissing op grond van artikel 55/4 van de Vreemdelingenwet, de verzoekende partij slechts een nieuwe feitelijke appreciatie vraagt, terwijl de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden; dat het vierde middel kennelijk niet-ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  2. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel
  3. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. 191.617-2/3 Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op elf maart tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. 191.617-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ORD.4.113 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.