id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 15 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ORD.4.435 Rolnummer: A. 192159/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 4435 - Varia (justitie) - 15/05/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-25 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 03:08 Fiche Beschikking nr 4.435 van 15 mei 2009 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING INZAKE DE TOELAATBAARHEID VAN EEN CASSATIEBEROEP nr. 4435 van 15 mei 2009 in de zaak G/A 192.
- In zake : Patrick SEYSSENS, die woonplaats kiest bij advocaat J. BRUYNDONCKX, kantoor houdende te SINT-NIKLAAS, Prins Albertstraat 22 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Patrick Seyssens op 9 april 2009 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders van 12 maart 2009; Gelet op artikel 20, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en op de artikelen 7 tot 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State; Gelet op de ontvangst, op 21 april 2009, van het dossier van de zaak; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 192.159-1/7 OVERWEEGT WAT VOLGT: Feiten en procedurevoorgaanden
- Op 20 juni 1999 zijn de twee dochters van de verzoeker vermoord. De dader van die gewelddaad is bij arrest van het Hof van Assisen van de provincie Oost-Vlaanderen van 14 mei 2004 strafrechtelijk veroordeeld. Op burgerrechtelijk gebied heeft het hof van assisen de dader bij arrest van 14 maart 2005 veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan verscheidene burgerlijke partijen, onder meer een morele schadevergoeding van 15.000 euro aan de verzoeker. Met betrekking tot de vordering van één van de andere burgerlijke partijen werd een deskundige aangesteld. Bij arrest van 18 september 2007 heeft het hof van assisen definitief uitspraak gedaan over de vordering van de bedoelde burgerlijke partij. In 2006 werd een aan de dader toebehorend onroerend goed openbaar verkocht. Op 20 maart 2008 heeft een notaris een proces-verbaal van rangregeling opgemaakt, betreffende de openbare verkoping van dat goed. Het netto te verdelen saldo bleek minder te bedragen dan het totaal van de schuldvorderingen. Aan de verzoeker werd een bedrag van 2.964,62 euro toegekend, in afkorting op zijn schuldvordering van 15.000 euro.
- De verzoeker heeft bij de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders een aanvraag ingediend tot het verkrijgen van een financiële hulp. De gevraagde hulp bedroeg 12.035,38 euro, zijnde het saldo van de hem toegekende schadevergoeding. De aanvraag is ingediend bij een verzoekschrift dat op 8 augustus 2008 op het secretariaat van de Commissie is neergelegd. Op 12 maart 2009 verklaart de Commissie het verzoek onontvan- kelijk, op grond dat het is ingediend buiten de termijn van drie jaar, bedoeld in artikel 31bis, § 1, 4/, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen. Toelaatbaarheid van het cassatieberoep
- In een eerste middel roept de verzoeker de schending in van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. 192.159-2/7 Volgens een eerste onderdeel beroept de bestreden beslissing zich op twee tegenstrijdige wetsbepalingen, met name artikel 31bis, § 1, 4/, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen en artikel 31bis, § 1, 5/, van die wet. Volgens de eerste bepaling zou de verzoeker zijn aanvraag ingediend moeten hebben binnen drie jaar na het arrest van 14 maart 2005, terwijl zijn aanvraag volgens de tweede bepaling niet aanvaard zou kunnen worden als hij ze had ingediend voordat er een beslissing was over de rangregeling (20 maart 2008), omdat pas vanaf dat ogenblik duidelijk was welk deel van de opbrengst van de verkoop van het onroerend goed hem zou worden uitbetaald. Volgens een tweede onderdeel antwoordt de Commissie niet op de door hem aangevoerde argumenten inzake overmacht en billijkheid.
- Vooreerst dient opgemerkt te worden dat de wet van 29 juli 1991 van toepassing is op beslissingen van bestuurlijke overheden, niet op beslissingen van administratieve rechtscolleges. De wet is dus niet van toepassing op beslissingen van de Commissie. De Raad van State begrijpt het middel zo dat in werkelijkheid de schending wordt aangevoerd van artikel 149 van de Grondwet.
- In verband met het eerste onderdeel dient de bepaling van artikel 31bis, § 1, 4/, van de wet van 1 augustus 1985 in herinnering te worden gebracht: “De financiële hulp als bedoeld in artikel 31, 1/ tot 4/, wordt toegekend onder de volgende voorwaarden: [...] 4/ Het verzoek is binnen drie jaar ingediend. De termijn loopt, naargelang het geval, vanaf de eerste beslissing tot seponering, de beslissing van het onderzoeksgerecht, de dag waarop definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering of de dag, indien deze van latere datum is, waarop uitspraak is gedaan over de burgerlijke belangen.” De bestreden beslissing overweegt dat de verzoeker op grond van die bepaling zijn aanvraag had moeten indienen binnen een termijn van drie jaar, te rekenen van de dag waarop uitspraak is gedaan over zijn burgerlijke belangen, dit is 14 maart
- 192.159-3/7 Vóór de Commissie beriep de verzoeker zich op artikel 31bis, § 1, 5/, van de wet van 1 augustus 1985, naar luid waarvan de financiële hulp wordt toegekend op voorwaarde dat “de schade [...] niet afdoende [kan] worden hersteld door de dader of de burgerlijk aansprakelijke partij, op grond van een stelsel van sociale zekerheid of een private verzekering, noch op enige andere manier”. Volgens de verzoeker moest hij op grond van die bepaling wachten tot er een definitieve uitspraak was over de burgerlijke belangen van de andere burgerlijke partijen, zodat de termijn van drie jaar pas begon te lopen vanaf 18 september
- Op het middel dat er een tegenstrijdigheid bestaat tussen de twee genoemde wetsbepalingen antwoordt de Commissie als volgt: “In tegenstelling tot wat de verzoeker beweert is er geen tegenstrijdigheid tussen artikel 31bis, § 1, 4/ en 5/. De toepassing van het in artikel 31bis, § 1, 5/, vervatte subsidiariteitsbeginsel is niet van die aard dat het een verzoeker belet om een verzoekschrift neer te leggen vooraleer er zekerheid bestaat over de mogelijkheid om langs een andere weg herstel van de geleden schade te bekomen. Deze zienswijze wordt trouwens gesteund door de in artikel 31bis, § 1, 3/, gebruikte formulering waar er enerzijds een definitieve rechterlijke beslissing over de strafvordering vereist wordt en anderzijds slechts het nastreven van en niet het bekomen van een schadevergoeding. Er is geen inherente tegenstrijdigheid tussen de bepalingen van artikel 31bis, § 1, 4/ en 5/, in die zin dat er noch juridische, noch praktische gronden zijn die een slachtoffer zouden beletten om een verzoekschrift neer te leggen vooraleer er uitsluitsel is over de vergoeding van zijn schade via een andere weg. Wel kan de verzoeker gevolgd worden in zijn zienswijze dat de Commissie moeilijk een beslissing had kunnen vellen vooraleer er een beslissing was over de definitieve rangregeling van de notaris en de betaling van dit door rangrege- ling toebedeelde deel, en over het bedrag dat hij zou recupereren van de [dader]. Doch dit belette hem niet om toch tijdig een verzoek neer te leggen.” Aldus geeft de Commissie aan hoe de bepalingen van artikel 31bis, § 1, 4/ en 5/, in hun onderlinge samenhang begrepen en toegepast moeten worden. Nog afgezien van het feit dat een eventuele tegenstrijdigheid tussen twee wetsbepalingen geen aanleiding geeft tot een tegenstrijdigheid in de motieven van een rechterlijke beslissing, moet vastgesteld worden dat er in de interpretatie van de Commissie van enige tegenstrijdigheid tussen de twee genoemde bepalingen geen sprake is. Het onderdeel kan kennelijk niet aangenomen worden.
- In verband met het tweede onderdeel stelt de Raad van State vast dat de bestreden beslissing de volgende overwegingen bevat: 192.159-4/7 “Aangaande de hierboven gehanteerde redenering van de verzoeker, die in zijn schriftelijke reactie o.m. verwoord werd als ‘(...), waarvan de gevolgen ondanks alle noodzakelijke voorzorgsmaatregelen niet konden worden vermeden en de verzoeker verhinderd hebben zijn aanvraag tijdig in te dienen. (...)’, merkt de Commissie op dat zij geen enkele juridische noch praktische redenen ziet die kunnen verklaren waarom de verzoeker enerzijds alle nodige maatregelen kon nemen om zijn rechten ten opzichte van het vermogen van de dader te vrijwaren, maar anderzijds naliet het nodige te doen om zijn rechten tegenover het fonds te vrijwaren, zodat er geen aanleiding toe is om voor de verzoeker, die bijgestaan werd door een raadsman, overmacht te aanvaarden. Tot slot wordt de aandacht van de verzoeker gevestigd op het feit dat alleen het bedrag van de hulp conform artikel 33, § 1, en niet de ontvankelijkheids- voorwaarden naar billijkheid worden beoordeeld, onder meer deze voorzien in artikel [31bis,] § 1, 3/ en 4/. Alleen om redenen van overmacht zou van de in artikel [31bis,] § 1, 3/ en 4/, van de wet voorziene ontvankelijkheidsvoorwaar- den afgeweken kunnen worden, doch hierboven werd reeds gemotiveerd waarom de Commissie in voorliggend dossier geen reden ziet om overmacht te aanvaarden.” Aldus bevat de bestreden beslissing een antwoord op de middelen van de verzoeker in verband met overmacht en billijkheid. Het onderdeel mist kennelijk feitelijke grondslag.
- In een tweede middel roept de verzoeker de schending in van het redelijkheidsbeginsel. Volgens de verzoeker zou geen redelijk denkend mens tot de conclusie kunnen komen dat zijn aanvraag wegens laattijdigheid onontvankelijk is. Hij wijst erop dat hij artikel 31bis, § 1, 5/, van de wet van 1 augustus 1985 heeft nageleefd en dat de Commissie expliciet stelt dat, indien hij zijn aanvraag had ingediend binnen de termijn bepaald bij artikel 31bis, § 1, 4/, van de wet, zij geen beslissing had kunnen nemen.
- Zoals uit het onderzoek van het eerste onderdeel van het eerste middel blijkt, is de Commissie van oordeel dat het verzoek in elk geval ingediend moet worden binnen de termijn bepaald in artikel 31bis, § 1, 4/, van de wet, met dien verstande dat als er op dat ogenblik nog geen zekerheid is over het deel van de schade dat niet op de dader verhaald kan worden, de Commissie in het licht van het subsidiariteitsbeginsel vervat in artikel 31bis, § 1, 5/, van de wet moeilijk een beslissing zou kunnen nemen. Daarmee geeft de Commissie te kennen dat het onderzoek van een ingediende aanvraag in voorkomend geval pas aangevat kan worden nadat er uitsluitsel is over de mogelijkheden om langs een andere weg de gehele of gedeeltelijke vergoeding van de geleden schade te verkrijgen. 192.159-5/7 Mede gelet op het feit dat de termijn bepaald bij artikel 31bis, § 1, 4/, van de wet een strikte termijn is, waaraan in elk geval voldaan moet worden, doet de beslissing van de Commissie niet blijken van een kennelijke onredelijkheid. Het middel kan niet aangenomen worden.
- In een derde middel roept de verzoeker de schending in van het gelijkheidsbeginsel. Volgens de verzoeker creëert de bestreden beslissing een fundamenteel verschil in behandeling tussen, enerzijds, personen die door omstandigheden onafhankelijk van hun wil een verzoekschrift na de termijn van drie jaar na de burgerlijke uitspraak indienen, en anderzijds, personen die dergelijke omstandigheden niet meemaken.
- Uit de toelichting bij het middel blijkt dat de verzoeker ervan uitgaat dat hij door omstandigheden buiten zijn wil, met name het lange tijdsverloop van de procedure voor het hof van assisen in verband met de burgerlijke belangen van één van de andere burgerlijke partijen, verhinderd is om zijn verzoek tijdig in te dienen. Volgens de verzoeker maakt die situatie voor hem overmacht uit. Gelet op de overmacht, zou hij op dezelfde wijze behandeld moeten worden als andere slachtoffers, voor wie er geen beletsel is om hun verzoek tijdig in te dienen. Zoals uit het onderzoek van het tweede onderdeel van het eerste middel blijkt, is de Commissie van oordeel dat de verzoeker niet verhinderd is geweest om tijdig zijn verzoek in te dienen. Het staat niet aan de Raad van State, als cassatierechter, om te treden in die beoordeling van de feiten. De Raad moet integendeel steunen op de feiten zoals die door de Commissie zijn vastgesteld. Het middel, dat steunt op een feitelijk uitgangspunt dat in de bestreden beslissing uitdrukkelijk is verworpen, mist kennelijk feitelijke grondslag. 192.159-6/7 OM DIE REDENEN BESLIST DE VOORZITTER : Artikel
- Het cassatieberoep is ontoelaatbaar. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel verleend, op 15 mei 2009, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. 192.159-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ORD.4.435 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.