← België

Cassatiebeschikking 4741 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 15/07/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 15 juli 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ORD.4.741 Rolnummer: A. 192402/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 4741 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 15/07/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-24 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 12:56 Fiche Beschikking nr 4.741 van 15 juli 2009 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 4741 van 15 juli 2009 in de zaak A. 192.402 In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat S. BUYSSE, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 597 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Russische nationaliteit, op 29 april 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 25.143 van 26 maart 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op het administratief dossier, aangekomen ter griffie op 6 mei 2009; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de aanvrager van de subsidiaire beschermingsstatus, met name wat betreft de vraag of hij bij een terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) zou lopen, niet met een verwijzing naar de algemene toestand in het land van herkomst kan volstaan maar dat hij enig verband met zijn persoon aannemelijk moet maken, ook al is daartoe geen bewijs van een individuele bedreiging vereist; dat het relaas van de verzoekende partij met het bestreden arrest op omstandig gemotiveerde wijze ongeloofwaardig wordt geacht, zonder dat er andere elementen zijn om tot een reëel risico op het lijden van ernstige schade in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet te kunnen besluiten; dat in het bestreden arrest aldus op wettige wijze tot 192.402-1/4 het niet-toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus kon worden besloten; dat het eerste middel kennelijk ongegrond is; Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen naar luid van artikel 39/2, § 1, van Vreemdelingenwet de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kan bevestigen, hervormen, vernietigen wegens een substantiële onregelmatigheid, of vernietigen omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet kan komen tot de bevestiging of hervorming zonder hiertoe aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen; dat de artikelen 39/69 en 39/76, § 1, van de Vreemdelingenwet het de partijen bovendien mogelijk maken onder bepaalde voorwaarden “nieuwe gegevens” ter kennis van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te brengen; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tenslotte de beslissing van de commissaris-generaal kan vernietigen en voor een nieuw onderzoek naar de commissaris-generaal terugsturen indien hij van oordeel is dat hij de zaak niet ten gronde kan onderzoeken omdat hij niet beschikt over bepaalde essentiële gegevens en waarvoor het nodig is aanvullende onderzoeksmaatregelen te bevelen; dat het aldus bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingestelde beroep een devolutieve werking heeft, waardoor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan de hand van de voor hem aangevoerde middelen de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kan hervormen, zonder door de motieven van de deze laatste gebonden te zijn; dat het beroep tegen de beslissingen van de commissaris-generaal op grond van artikel 39/70 van de Vreemdelingenwet een schorsende werking heeft; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aldus kennis neemt van het geschil in zijn volledigheid en dat het om een beroep met volle rechtsmacht gaat; dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 81/2008 van 27 mei 2008 eveneens heeft geoordeeld dat uit de voornoemde elementen blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in beginsel over volle rechtsmacht beschikt, wanneer hij op grond van artikel 39/2, § 1, van de Vreemdelingenwet optreedt en dat de rechtzoekenden niet van een daadwerkelijke jurisdictionele waarborg zijn beroofd; dat het Grondwettelijk Hof in het voornoemde arrest uitdrukkelijk heeft overwogen dat het “hoofdzakelijk schriftelijke karakter van de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, vergezeld van de mogelijkheid voor de partijen en hun advocaat om hun opmerkingen mondeling voor te dragen op de terechtzitting, zoals daarin is voorzien in het tweede lid van artikel 39/60, (...) geen afbreuk (doet) aan het recht op een rechterlijke toetsing en een daadwerkelijk rechtsmiddel”; dat de vraag of de lidstaten dienen “te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83” niet dienend is voor de oplossing van het geschil, omdat de Vreemdelingenwet precies dergelijk beroep bij een administratief rechtscollege, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, voorziet; dat artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie als dusdanig geen bindende kracht heeft; dat het Europees Hof van Justitie in het arrest van 27 juni 2006 in de zaak C-540/03 uitdrukkelijk stelt dat “het Handvest geen bindend rechtsinstrument is”; dat de uiteenzetting van de 192.402-2/4 verzoekende partij wat betreft artikel 6, eerste lid, van het E.V.R.M. evenmin dienend is omdat die verdragsbepaling niet van toepassing is op geschillen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de verzoekende partij met de verwijzing naar de door haar neergelegde “reportage” als bewijsstuk in wezen een nieuwe beoordeling dan de grond van de zaak vraagt, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is; dat het tweede middel, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond is en dat om de hierboven uiteengezette redenen niet op het verzoek om twee prejudiciële vragen te stellen moet worden ingegaan; Overwegende dat bij de behandeling van het tweede middel reeds is gesteld dat artikel 6 van het E.V.R.M. niet van toepassing is op geschillen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het derde middel kennelijk niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij in het vierde middel andermaal aanvoert dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen adequate rechtsbescherming zou kunnen bieden en niet over “voldoende volle rechtsmacht” zou beschikken; dat in die mate naar de behandeling van het tweede middel kan worden verwezen; dat, daargelaten de vaststelling dat zij zich tot een zuiver theoretische uiteenzetting dienaangaande beperkt, de verzoekende partij zich voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet op artikel 3 van het E.V.R.M. heeft beroepen en niet aantoont dat zij daartoe niet in de mogelijkheid was; dat het vierde middel, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij in een vijfde middel nogmaals de volle rechtsmacht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in vraag stelt omdat deze laatste geen eigen onderzoeksdaden zou kunnen stellen en aldus niet zou voldoen aan de vereisten van artikel 4.3 van Richtlijn 2004/83 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming; dat uit de behandeling van het tweede middel, in het bijzonder uit de daarbij besproken bevoegdheden en mogelijkheden waarover de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in asielzaken beschikt, reeds blijkt dat deze laatste wel degelijk over volle rechtsmacht beschikt, dat er ruimte is om nieuwe gegevens aan te voeren en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de zaak terug naar de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kan sturen voor verder onderzoek; dat de verzoekende partij overigens voorbijgaat aan het feit dat haar relaas ongeloofwaardig is bevonden en dat op grond daarvan ook tot een gebrek aan zwaarwegende gronden voor een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet wordt besloten; dat de verzoekende partij met een algemene opmerking dat “de situatie van het land van herkomst” niet is onderzocht, geen schending van de aangehaalde bepaling aannemelijk maakt; dat het vijfde middel kennelijk ongegrond is; 192.402-3/4 Overwegende dat de verzoekende partij in een zesde middel, de beroepstermijn bij en de volle rechtsmacht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in vraag stelt; dat met betrekking tot de volle rechtsmacht andermaal naar de behandeling van de vorige middelen kan worden verwezen; dat de verzoekende partij wat betreft de beroepstermijn van 15 dagen slechts op algemene wijze stelt dat een langere termijn uiteraard inhoudt dat zij haar beroep beter zou kunnen voorbereiden; dat zij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dienaangaande niets heeft opgeworpen; dat zij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen evenmin gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om nieuwe gegevens bij te brengen; dat zij ook thans niet aangeeft op welke punten zij haar beroep uitgebreider had willen ontwikkelen; dat het zesde, genoemd zevende, middel aldus tot een loutere kritiek op de wet beperkt blijft en om die reden kennelijk niet-ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op vijftien juli tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. 192.402-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ORD.4.741 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.