← België

Cassatiebeschikking 4840 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 13/08/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 13 augustus 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ORD.4.840 Rolnummer: A. 193583/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 4840 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 13/08/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-03 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 03:27 Fiche Beschikking nr 4.840 van 13 augustus 2009 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 4840 van 13 augustus 2009 in de zaak A. 193.583 In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat P. VANCRAEYNEST, kantoor houdende te 5530 YVOIR, Avenue de Fidevoye 9 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Afghaanse nationaliteit, op 3 augustus 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 29.344 van 29 juni 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op het administratief dossier, aangekomen ter griffie op 6 augustus 2009; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de nieuwe gegevens die de verzoekende partij heeft aangebracht in zijn beslissing heeft betrokken zodat de schending van artikel 39/76 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) niet dienstig wordt aangevoerd; dat in het bestreden arrest echter wordt geoordeeld dat de documenten en het beeldmateriaal slechts bewijswaarde hebben voor zover ze geloofwaardige verklaringen ondersteunen, hetgeen in casu niet het geval is, en dat de verzoekende partij niet aantoont hoe het beeldmateriaal haar aanwezigheid in Afghanistan zou kunnen aantonen; dat daarmee voldaan is aan de motiveringsplicht als vormvereiste voor jurisdictionele beslissingen; dat het eerste middel, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond is; 193.583-1/2 Overwegende dat de aanvrager van de subsidiaire beschermingsstatus, met name wat betreft de vraag of hij bij een terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet zou lopen, niet met een verwijzing naar de algemene toestand in het land van herkomst kan volstaan maar dat hij enig verband met zijn persoon aannemelijk moet maken, ook al is daartoe geen bewijs van een individuele bedreiging vereist; dat de verzoekende partij door ongeloofwaardige verklaringen af te leggen, in het bijzonder betreffende haar voorgehouden verblijf in Afghanistan zelf het bewijs van dergelijk verband met haar persoon onmogelijk maakt; dat in de bestreden beslissing aldus op wettige wijze op grond van de ongeloofwaardigheid van de verklaringen van de verzoekende partij tot het niet-toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus kon worden besloten; dat voor het overige het tweede middel beoogt dat de Raad van State de situatie in Afghanistan opnieuw zou beoordelen terwijl de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden; dat het tweede middel, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op dertien augustus tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. C. ADAMS. 193.583-2/2 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ORD.4.840 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.