id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 19 augustus 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ORD.4.853 Rolnummer: A. 193456/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 4853 - Dienst Vreemdelingenzaken - 19/08/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-03 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-30 03:27 Fiche Beschikking nr 4.853 van 19 augustus 2009 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 4853 van 19 augustus 2009 in de zaak A. 193.456 In zake :
- XXXXX,
- XXXXX, die woonplaats kiezen bij advocaat P. VANCRAEYNEST, kantoor houdende te 5530 YVOIR, Avenue de Fidevoye 9 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, thans de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid, toegevoegd aan de Minister belast met Migratie- en Asielbeleid. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX en XXXXX, beiden van Kosovaarse nationaliteit, op 20 juli 2009 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 28.653 van 15 juni 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op het administratief dossier, aangekomen ter griffie op 27 juli 2009; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege jurisdictionele beslissingen uitspreekt; dat “het beginsel van behoorlijk bestuur” niet van toepassing is op zijn beslissingen; dat het eerste middel in die mate kennelijk niet-ontvankelijk is; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partijen bij hun verzoekschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een kopie van het arrest van 6 april 2009 hadden toegevoegd, doch dat deze vaststelling de strekking van 193.456-1/3 het bestreden arrest niet kan hebben beïnvloed aangezien de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest opmerkt dat “rechterlijke beslissingen in de huidige continentale rechtstraditie geen precedentenwaarde hebben, zodat verzoekers argumentatie dienaangaande niet kan gevolgd worden”; dat, “wat betreft de motivering van het bevel om het grondgebied te verlaten”, in het bestreden arrest wordt opgemerkt dat “gelet op de bewoording van artikel 51/5 van de Vreemdelingenwet, (de verwerende partij) slechts (diende) aan te geven welke staat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek en eventueel aan te duiden waarom zij geen gebruik maakt van de mogelijkheid om, zelfs indien een andere lidstaat zich bevoegd verklaart om het asielverzoek te behandelen, zelf de aanvraag te onderzoeken”; dat dan ook voldaan is aan de motiveringsverplichting als vormvereiste voor jurisdictionele beslissingen; dat het eerste middel in die mate, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond is; Overwegende, wat betreft de aanvragen om machtiging tot verblijf wegens medische redenen van de dochter van de verzoekende partijen en de moeder van de eerste verzoekende partij, dat in het bestreden arrest wordt opgemerkt dat een asielaanvraag en een aanvraag om machtiging tot verblijf twee van elkaar te onderscheiden aanvragen zijn, dat de aanvraag van de moeder geenszins een invloed heeft op hun verblijfsstatus en dat de verzoekende partijen niet hebben uiteengezet hoe artikel 9ter van de Vreemdelingenwet door de initieel bestreden beslissingen is geschonden; dat in het bestreden arrest, onder de bespreking van het derde middel, de aangevoerde schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.) uitgebreid wordt besproken; dat dan ook voldaan is aan de motiveringsverplichting als vormvereiste voor jurisdictionele beslissingen; dat het tweede middel kennelijk ongegrond is; Overwegende dat een schending van het gelijkheidsbeginsel inhoudt dat gelijke gevallen ongelijk worden behandeld; dat de verzoekende partij nalaat aan te tonen dat zij zich in een zelfde geval bevindt als in de door haar aangehaalde rechtspraak; dat het derde middel kennelijk ongegrond is; Overwegende dat de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek betrekking hebben op het bewijs van verbintenissen en als dusdanig niet van toepassing zijn in een asielprocedure; dat het vierde middel kennelijk niet-ontvankelijk is,, BESLUIT: 193.456-2/3 Artikel
- Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op negentien augustus tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. C. ADAMS. 193.456-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ORD.4.853 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.