id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 19 augustus 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ORD.4.854 Rolnummer: A. 193361/-0 Zaak: Cassatiebeschikking 4854 - Dienst Vreemdelingenzaken - 19/08/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-03 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-30 03:28 Fiche Beschikking nr 4.854 van 19 augustus 2009 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 4854 van 19 augustus 2009 in de zaak A. 193.361 In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat B. SOENEN, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 597 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Migratie- en Asielbeleid. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Georgische nationaliteit, op 11 juli 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 28.610 van 11 juni 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op het administratief dossier, aangekomen ter griffie op 17 juli 2009; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat artikel 9, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) als algemene regel bepaalt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat het hem op grond van artikel 9, derde lid van die wet in buitengewone omstandigheden evenwel is toegelaten die aanvraag in te dienen via de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat hieruit volgt dat enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet aanvragen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het 193.361-1/3 buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; dat deze buitengewone omstandigheden niet mogen verward worden met de argumenten ten gronde die worden ingeroepen om een verblijfsmachtiging te bekomen; Overwegende dat, vooraleer te onderzoeken of er voldoende grond was om de verzoekende partij een voorlopige verblijfsmachtiging toe te kennen, de verwerende partij moest nagaan of zijn aanvraag wel regelmatig was ingediend, te weten of er aanvaardbare buitengewone omstandigheden werden ingeroepen om de aanvraag van de verblijfsmachtiging in België te verantwoorden; dat de vreemdeling klaar en duidelijk in zijn aanvraag moet vermelden welke de buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn verzoek bij de diplomatieke dienst of consulaire overheid in het buitenland in te dienen; dat uit zijn uiteenzetting moet blijken waaruit het ingeroepen beletsel precies bestaat; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de minister van Binnenlandse Zaken of diens gemachtigde uitvoerig zijn ingegaan op door de verzoekende partij aangehaalde elementen; dat, waar de verzoekende partij aanvoert dat “de buitengewone omstandigheid van detentie (...) zich bij het indienen van de aanvraag niet (stelde)”, zij ten allen tijde haar aanvraag om machtiging tot verblijf kon aanvullen met nieuwe relevante gegevens; dat, nu uit het administratief dossier niet blijkt dat de verzoekende partij haar aanvraag om machtiging tot verblijf zou hebben aangevuld omwille van haar detentie en het niet aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen toekomt om ambtshalve buitengewone omstandigheden vast te stellen, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen redelijkerwijze kon besluiten dat de verzoekende partij haar detentie niet heeft aangevoerd als een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet; dat het enige middel kennelijk ongegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. 193.361-2/3 Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op negentien augustus tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. C. ADAMS. 193.361-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ORD.4.854 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.