← België

Cassatiebeschikking 4916 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 19/10/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 19 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ORD.4.916 Rolnummer: A. 194025/XIV-31397 Zaak: Cassatiebeschikking 4916 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 19/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-26 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-30 03:42 Fiche Beschikking nr 4.916 van 19 oktober 2009 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 4916 van 19 oktober 2009 in de zaak A. 194.025/XIV-31.397 In zake : XXXXX, die woonplaats kiest bij advocaat A. HENDRICKX, kantoor houdende te 1160 BRUSSEL, Vorstlaan 144/33 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXXX, van Pakistaanse nationaliteit, op 21 september 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 31.293 van 8 september 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op het administratief dossier, aangekomen ter griffie op 28 september 2009; Gelet op artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd door artikel 8 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen naar luid van artikel 39/2, § 1, van de Vreemdelingenwet de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kan bevestigen, hervormen, vernietigen wegens een substantiële onregelmatigheid, of vernietigen omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet kan komen tot de bevestiging of hervorming zonder hiertoe aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen; dat de artikelen 39/69 en 39/76, § 1, van de Vreemdelingenwet het de partijen bovendien mogelijk maken onder bepaalde voorwaarden “nieuwe gegevens” ter kennis van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te brengen; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tenslotte de beslissing van de commissaris-generaal kan vernietigen en voor een nieuw onderzoek naar de commissaris-generaal terugsturen indien hij van oordeel is dat hij de zaak XIV-31.397-1/3 niet ten gronde kan onderzoeken omdat hij niet beschikt over bepaalde essentiële gegevens en waarvoor het nodig is aanvullende onderzoeksmaatregelen te bevelen; dat het aldus bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingestelde beroep een devolutieve werking heeft, waardoor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan de hand van de voor hem aangevoerde middelen de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kan hervormen, zonder door de motieven van deze laatste gebonden te zijn; dat het beroep tegen de beslissingen van de commissaris-generaal op grond van artikel 39/70 van de Vreemdelingenwet een schorsende werking heeft; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen derhalve kennis neemt van het geschil in zijn volledigheid en dat het om een beroep met volle rechtsmacht gaat; dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 81/2008 van 27 mei 2008 eveneens heeft geoordeeld dat uit de voornoemde elementen blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in beginsel over volle rechtsmacht beschikt, wanneer hij op grond van artikel 39/2, § 1, van de Vreemdelingenwet optreedt en dat de rechtzoekenden niet van een daadwerkelijke jurisdictionele waarborg zijn beroofd; dat de verzoekende partij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nooit heeft gevraagd om een geactualiseerde memorie in te dienen en dat uit het rechtsplegingsdossier niet blijkt dat zij daarover ter terechtzitting enige opmerking heeft gemaakt; dat zij zulks niet voor het eerst voor de Raad van State als administratieve cassatierechter kan vragen; dat de verzoekende partij nog aanvoert dat de motivering van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet voldoende is om reden dat er door de Raad geen onderzoek gebeurde naar de waarachtigheid van de ingeroepen middelen en feiten; dat de verzoekende partij daarbij voorbijgaat aan de concrete motivering van het bestreden arrest waarin wordt vastgesteld dat haar relaas een aaneenschakeling is van ongestaafde verklaringen over stereotype voorstellingen van het Westen en conservatieve reacties hierop in Pakistan; dat het enige middel, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep is niet toelaatbaar. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-31.397-2/3 Aldus, na beraad, te Brussel uitgesproken op negentien oktober tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-31.397-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ORD.4.916 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.